maandag 11 februari 2008

1315 / Le Bois du Casier 2/3

Op de mijnsite van Marcinelle, nabij Charleroi, is met Europese steun het bezoekerscentrum Le Bois du Casier opgericht. Het museum herinnert onder het motto ‘Oublier ce passé, ce serait nier son présent et ne pas croire en son avenir’ aan de gloriedagen van de Waalse industrie. In enkele zalen worden de wonderen van de staal- en glasindustrie, van de elektriciteitsopwekkende en chemische industrie aanschouwelijk voorgesteld. Maar Marcinelle is natuurlijk ook het in het Belgische collectieve geheugen gebeitelde rampzalige oord waar in 1956 262 kompels, overwegend Italiaanse gastarbeiders, om het leven kwamen. Aan die ramp, die tot een herziening van de Belgische mentaliteit ten aanzien van het verschijnsel ‘gastarbeid’ zou leiden, is een belangrijk deel van de site gewijd.

zondag 10 februari 2008

Ondertussen in Brugge (120)

64 * 26,21 * 387

Ik vertrek samen met G. voor, ja, hoe zal ik het noemen, de Baliebruggetoer. U weet het nog wel: vertrouwd terrein, zoals ik de vorige keer al zei, tot aan Ruddervoorde, en dan het onbekende Houtland in, de woeste streken ten oosten en noorden van Torhout, het land der voorheen voor mij onbekende toponiemen (ik somde er al een paar van op). Ik vind vrij gemakkelijk mijn weg terug en stel vast hoe in dit voorheen nimmer door mij betreden landschap de dingen die mij de eerste keer waren opgevallen (straatnaamborden, plotse perspectieven, vergezichten, kleuren) nu mijn ijkpunten zijn geworden. Zie, hoe belangrijk de eerste indruk is. We praten nogal wat, G. en ik, over de perikelen van de olie-industrie, de hausse in de olieproductenverkoop na de ramp met de Erika, Engelse bommen die worden opgegraven in het Waasland. Maar ook even over de producten van Sandro Veronesi, Sean Penn en David Lynch. In Baliebrugge wijk ik af van het traject van de vorige keer, ik mik op Aartrijke ten einde het vagevuur langs de steenweg in Zedelgem te vermijden. We keren terug langs Zedelgem-kazerne, Snellegem, Tillegem en Varsenare.

1314 / Le Bois du Casier 1/3

vrijdag 8 februari 2008

Dag 164 vVH&C

080129 en 080208 – In de leesclub deze voormiddag Kalme chaos van Sandro Veronesi. Ik was onzeker. Ik had niet echt een visie op het boek. Ja, ik had Kalme chaos zeer graag gelezen, maar ik was er niet uit. De leesclubleden hebben mij over de streep getrokken. Eentje had het boek zeer goed gelezen, beter in elk geval dan ik had gedaan. Van haar leerde ik wat Veronesi eigenlijk heeft willen zeggen. Dat Pietro zijn vrouw, Lara, die dus in het begin van het boek, terwijl Pietro een andere dame aan het redden is, en daarbij een knoert van een erectie krijgt (die hij overigens later in het boek, nuja, u leest dat zelf wel, het is een bijzonder pittige seksscène – ook daarover ging het vanmorgen, of Veronesi er daar niet óver ging, wij vonden van niet dus, maar ik wijk af) – dat Pietro dus zijn Lara nooit echt goed graag heeft gezien, dat hij ze derhalve nu ook niet goed kan missen, en dat het dus niet hoeft te verbazen dat zijn pijn, en dus zijn rouw, uitblijft. Pas helemaal op het eind, door toedoen van zijn dochtertje Claudia, op wie Pietro zijn gemis van gemis had geprojecteerd, dringt de omvang van het verlies tot hem door en kan zijn verwerking pas echt beginnen.

1312 / Gilles in Charleroi 1/3

donderdag 7 februari 2008

Dag 163 vVH&C

080129 en 080206 – commentaar op blog onderaandedijk

Mijn ideaal (mede bepaald door tijdsgebrek en financiële overwegingen) ligt tussen enigszins nostalgische spitstechnologie en het digitale ‘vogelpikken’ in. Zo weinig mogelijk ’schieten’ (ik waardeer jouw wachten op het juiste moment), maar jezelf toch ook niet verliezen in perfectiezucht. De technische middelen van vandaag zijn er om ze te gebruiken. Ik zie ook wel dat de ‘oude’ middelen vaak garant staan voor een mooiere afwerking, maar dat hoeft niet per se een prioriteit te zijn. Fotografie is voor mij in essentie: leren zien en dan ook effectief kijken. ‘t Doet er dan niet in hoofdzaak veel toe of dat met een Nikon, Hazeblad of Rodania gebeurt. Dat is een eindeloze discussie, te vergelijken met wat in de muziek gebeurt: al dan niet op de originele instrumenten de barok- of renaissancecomposities uitvoeren. Het gevoel waarmee je dat doet, ook al doe je het onvolmaakt, lijkt me belangrijker dan de precisie van een steriele kopie. Wat ik in die vier (rijke) jaren dat ik ermee bezig ben heb geleerd is alleszins dat fotografie een ontzettend veelzijdige activiteit is, er bestaan veel recepten, veel intenties, veel methodes en veel resultaten. En er valt voor elk wat te zeggen. Het komt er op aan om voor jezelf, en in functie van de omstandigheden, de beste werkwijze te zoeken.

1311

woensdag 6 februari 2008

Dag 160 vVH&C

080126 en 080206 – Ik zie een tweede keer Into the Wild van Sean Penn. Ik licht hier drie thema’s uit deze indrukwekkende film en maak daarvoor, behalve van mijn notities, gebruik van een website waarop een aantal quotes uit de film werden verzameld.

De namen

Al in de allereerste seconden valt de naam van het hoofdpersonage. Zijn echte naam. Zijn moeder schiet wakker uit een nare droom en zegt huilend tot haar man, die haar probeert te kalmeren, dat ze Chris heeft gezien. Pas veel later zullen wij begrijpen dat deze scène chronologisch niet op de juiste plaats in de film komt. De jongen die Chris heet, noemt zichzelf op zijn tocht naar Alaska ‘Alexander’. ‘Alexander Supertramp’. Hij schrijft die naam met een gevonden lippenstift op een spiegel. Hij gebruikt die naam om in een daklozenasiel een bed te versieren. Hij signeert ermee in zijn woning-autobus een boodschap die hij – alle tijd van de wereld – in een plank heeft gekerfd.

I need a name, zegt Chris/Alexander in het begin van het verhaal. Pas veel later komen wij te weten waarom hij dat zegt. Er blijkt iets niet te kloppen in zijn relatie met zijn ouders – de naam die hij heeft gekregen kan hij niet echt de zijne noemen.

Pas wanneer Alex inziet, door een tekst van Tolstoj te lezen, dat het geluk in de wereld ligt en niet ernaast of erbuiten, in de natuur, beseft hij dat je de dingen moet aanvaarden zoals ze zijn, dat je ze met andere woorden bij hun naam moet noemen. En hij wordt dan ook opnieuw Chris: je moet je naam, je gesternte, aanvaarden. Het bord dat hij in de autobus achterlaat ten behoeve van wie hem zal vinden, ondertekent hij met zijn echte naam.

De waarheid

Alex gaat Thoreau achterna. Het fanatisme van Rather than love, money, fame or fairness, give me truth, Alexanders variante van een Thoreau-quote. ‘Dé waarheid’ wordt als levensdoel hoger gewaardeerd dan, bijvoorbeeld, de liefde. Dit is een absolutisme. Ergens in de film wordt het verlangen naar Alaska te trekken een vorm van extremisme genoemd. Vanuit dat extremisme zegt Alex tot het hippiemeisje, dat hem doodgraag ziet: ‘Als je iets wilt in het leven, moet je het grijpen.’ Zij doet datgene wat hij niet bedoelde toen hij het zei: ze grijpt hem vast.

Alaska zou dan – met het adagium The West is the best op de achtergrond – waarachtig zijn, in de zin van: ongerept, blank, maagdelijk. Maar niets is natuurlijk minder waar. Er staat – godbetert – midden in die wildernis een autobus, en Alex is wel zo pragmatisch aangelegd om daarin zijn intrek te nemen. Dat die bus daar staat, suggereert: Thoreau kon het misschien nog (hoewel?, echt een succes was dat och ook niet), maar vandaag kun je nergens nog heen als je de wereld wilt ontvluchten. Zo’n absolute waarheid is er niet (meer). Wayne, de vriend in het graanbedrijf waar Alex een tijdje werkt, confronteert hem met de nuchtere vraag: Into the wild? Wat ga je daar doen? En hij waarschuwt Alex: This is a mistake. Hij maant hem aan daarin niet te ver te gaan, voorzichtig te zijn. Ook Jan, de hippievrouw, maant Alex aan tot voorzichtigheid.

Het geloof

‘Je bent Jezus niet’, zegt de hippieman Rainey tot Alex. Ze hebben het over op het water lopen en zo. Dit is niet de enige verwijzing naar het Christusverhaal: Jezus tussen de wijzen in de tempel (Chris die zijn diploma in ontvangst neemt aan de universiteit); de gekruisigde (Alex drijft in die houding op het water); de bekoring van Maria Magdalena waaraan Chris weerstaat (het zestienjarige hippiemeisje); de bergrede, enzovoort. Er is ook een scène met een oude man die zijn vrouw belt en haar smeekt hem nog één kans te geven. Maar zijn spreektijd dreigt af te lopen. Chris geeft hem nog een muntstuk, zijn laatste. ‘Ik kan nog wat langer met je spreken’, zegt de man, ‘er is net a quarter uit de hemel gevallen.’ En is het te ver gezocht om in de scène waarin Alex, alleen in Alaska, zijn wanhoop uitschreeuwt – ‘God, kan je dit zien?’ – een echo te zien van Christus’ wanhoop aan het kruis: ‘Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’?

‘Je bent Jezus niet’ – dat blijken wijze woorden. Natuurlijk is Chris Christus niet, dat kan er maar één zijn. Maar hij is het in zekere zin toch ook wél want wat is dit verhaal van een vlucht naar Alaska anders dan een parabel waarin het lijden van één man vele andere mensen dichter tot elkaar brengt?

Min of meer gelijkaardige woorden worden door Chris’ moeder uitgesproken tijdens een ruzie met haar man. Die heeft beslist het kerstfeest te schrappen. ‘Dat kun je niet zomaar doen’, zegt de vrouw. ‘Je kunt Kerstmis niet schrappen. Je bent God niet.’ Hier en in het geval van Alexander/Chris betekent dit zoveel als: mensen zijn en blijven mensen. Ze hebben hun naam. Het goddelijke, absolute, is voor hen onbereikbaar. En zij kunnen ook niet, zonder dood te gaan, de wereld verlaten.

De liefde

Jan, de vrouw van het hippiekoppel dat Alex een tijd onder zijn hoede neemt, zegt het hem: You can’t depend entirely on leaves and berries. ’t Zal, op een puur gastronomisch niveau, blijken te zijn een omineuze mededeling, maar er zit natuurlijk meer achter. Een mens heeft anderen nodig, kan niet ongestraft elk aanbod van liefde en vriendschap weigeren. Alex is daar niet van overtuigd. Geluk schuilt niet alleen in menselijke relaties, zegt hij nog tot de oude man. Hij ziet te laat in dat hij het verkeerd voor heeft. Happiness only real when shared, krast hij met zijn laatste krachten in zijn boek met verhalen van Tolstoj. Daarom is deze film ‘een hartverscheurend liefdesverhaal’. Ook die woorden worden effectief uitgesproken in de film, uitgerekend op een plek waar een ouwe knutselaar met allerlei afval een soort heiligdom heeft gebricoleerd. God is Love, prijkt er boven op zijn afvalberg. En liefde is er, zegt de oude man die Alex graag had willen adopteren, als je vergeeft. ‘Als je vergeeft, laat God zijn licht op je schijnen.’

1310 / Man in trein 2/2

dinsdag 5 februari 2008

Dag 159 vVH&C

080125 – Het criterium voor het geslaagd zijn van een avondje uit blijft natuurlijk dat het beter was dan thuis blijven met een boek.

1309 / Man in trein 1/2

maandag 4 februari 2008

Dag 157 vVH&C

080126 en 080203 – Het lijkt een thema dat dezer dagen aanslaat: net als in Into the Wild van Sean Penn (zie dagen 147 en 160 vVH&C) stapt ook in Kalme chaos van Sandro Veronesi het hoofdpersonage ‘eruit’. Hij heeft een rouw te verwerken, en hij besluit dat te doen door een paar maanden in zijn aan de school van zijn dochter geparkeerde auto te leven en te werken. Hij wil even geen deel uitmaken van het gewoel. Hij laat de gekte van de wereld een tijd achter zich. Uiteindelijk komt hij tot inkeer (net zoals ‘Alexander Supertramp’ in de film van Penn beseft dat ‘eruit’ stappen niet meer kan ). Hij komt tot het besef, door toedoen van zijn kind, dat hij in de ‘kalme chaos’ in zijn hoofd opnieuw een ordening moet toelaten.

Ik heb dit boek graag gelezen, omwille van het perspectief op een eigenzinnige levensfilosofie maar toch nog meer omwille van de taal, de ontzettende vaart in de zinnen. De uitermate krachtige openingsbladzijden en de bijzonder pittig geschreven seksscène in hoofdstuk XX zijn voldoende om je te overtuigen van het feit dat Veronesi heel wat in zijn mars heeft. Het hele fusieverhaal daarentegen (het hoofdpersonage moet behalve met zijn rouw ook afrekenen met professionele zorgen) lijkt mij onvoldoende in de roman geïntegreerd.

Zie ook dag 164 vVH&C

1308 / Doel 7/7

Doel 6/7

zondag 3 februari 2008

37 * 26,25 * 323

Een geschiedenisloze en van mijn kant vrij onnadenkende, verstrooide, gedachten- en observatieloze rit langs Varsenare, Tudor, Veldegem, Ruddervoorde – en zo terug (en vanaf dan met wind mee en een hetehongergevoel) via Loppem, Steenbrugge en de achterkant van het station van Brugge. Het valt me op dat er steeds meer kauwen zijn. ‘Witte pion’ als embleem voor een actiecomité (tegen de inplanting van een nieuw voetbalstadion in het verzopen landbouwgebied naast de verkeerswisselaar in Loppem) lijkt mij goed gekozen. En de ontwerpers van fietspaden – ja, die moesten ze [geschrapt­].

Dag 155 vVH&C

080119 – R. vertelt hoe hij op een dag de filosoof Leo Apostel na vele jaren terugzag in Leuven, op het terras van de Erasmus. Hoe hij eerst zijn vroegere professor, die daar met een dame zat, niet wilde storen en voorbijliep. Hoe hij dan terugkeerde op zijn stappen en de man toch groette. En hoe hij de volgende ochtend op de radio vernam dat Apostel ’s nachts was overleden.

1307 / Doel 5/7

Doel 4/7

zaterdag 2 februari 2008

37 * 25,30 * 286

Het hele eind langs de Oostendse Steenweg valt er niets te beleven. Voortdurend het gerucht van auto’s die mij voorbijsnellen, de zon staat laag en verdwijnt uiteindelijk achter een wolk die vanuit de Noordzee het land in trekt, miljoenen kiezeltjes liggen op het fietspad, een vliegtuig bereidt de landing voor, remt af, daalt. In het terugkeren hoor ik langs het kanaal, bij een alleenstaande hoeve waar alles potdicht lijkt, twee mannen een Oost-Europese taal spreken. Even denk ik: inbrekers. Moet ik iets of iemand verwittigen? Ik doe het niet, natuurlijk niet, maar dan denk ik weer: straks zit daar een oude boer gekneveld op een stoel toe te kijken hoe Pjotr en Waclaw de juwelen van zijn nog maar net overleden echtgenote in een juten zak proppen. Of nog iets ergers, eventueel. Kijk, twee aalscholvers die vanuit stilstand op het water opvliegen, hoe sierlijk. Een reiger stijgt op van op de oever, wint hoogte, maakt een bocht. Ik vergeet de Polen. Of Roemenen.

Bea's bananenboom (23)

11 januari, 9u00

Bea's bananenboom (22)

6 januari, 12u34

Dag 153 vVH&C

080202 – Twee weken geleden zag ik L’Enfant van de gebroeders Dardenne en ik herinner me nu vooral de rusteloosheid, het voortdurende bewegen. De protagonisten gaan te voet, duwen een karretje voort, rijden op een brommer, duwen dan die brommer voort, rijden mee op de bus, steken dan weer, tussen vervaarlijk voorbijrazende voertuigen, een straat over, rijden met een auto, proberen lopend aan de politie te ontsnappen, enzovoort. Het staat nooit stil, je maakt nogal wat verplaatsingen mee. En dan zijn er uiteindelijk de stilstand in het prison en de verzoening, die ook al opvallend statisch in beeld wordt gebracht.

1306 / Doel 3/7

vrijdag 1 februari 2008

Ondertussen in Brugge (119)

Dag 152 vVH&C

080119 – De film waarvoor de tien of twaalf andere mensen in de zaal als geslagen honden naar de eindgeneriek blijven staren (sommigen van hen in een innige, verbijsterde, amoureuze verstrengeling), heeft mij tweeënhalf uur op een pijnbank gelegd en ik kan niet zeggen dat ik niet blij ben dat ik er eindelijk aan kan ontsnappen. Stellet licht van de Mexicaanse regisseur Carlos Reygadas begint met een vijf minuten durend shot van een sterrenhemel die overgaat in een landschap bij dageraad, en eindigt met het omgekeerde: een ondergaande zon en de eerste, tweede, miljoenste ster aan een eindeloze sterrenhemel. En daartussen? Ja, nog een hele reeks ellenlange shots, de een al trager, het geduld en alles wat maar enigszins in de buurt van het geweten komt meer op de proef stellend dan het andere. Prachtige beelden, hoor, daar niet van. Een kroostrijk mennonietengezin aan het ontbijt. Ingetogen gebeden. Supergedisciplineerde kinderen. Een wandklok die oorverdovend de stilte en de kilte in dit huis in onze breinen hamert. Vrouwlief vertrekt met de kinderen, vader blijft alleen achter en barst aan diezelfde keukentafel in snikken uit. Zijn hart gaat uit naar een ander…

Veel meer dan dat gebeurt er niet. Er is de vader, er is de moeder, er is de andere vrouw. Er zijn de kinderen (hoe heeft de cameraman het aan boord gelegd om de jongsten níet in de camera te doen kijken). Er is een sterfgeval. ‘Weet je nog,’ zegt de moeder tegen de vader wanneer ze in hun auto op weg zijn naar de stad, ‘toen we in de auto voortdurend zongen?’ Ze zegt het na een eeuwigdurende shot waarin geen woord gezegd wordt. Het verdriet van de rouwenden. Het echte en het formele verdriet. Dat is een mooie scène: hoe de hele familie en enkele bekenden in de keuken zijn samengekomen. Ze zitten in het rond. Sommigen drinken een kop koffie. Allen zijn in het zwart gekleed. Een oudere man heft een lied aan. Het is een klaaglied. Dat snijdt door merg en been. De andere (schaarse) verwikkelingen in deze vreemde film hebben mij niet of nauwelijks geraakt. Het verhaal groeit uit tot een sprookje. De sterren aan de nachtelijke hemel schijnen lustig verder in een nieuwe nacht. De dageraad zal weer met de roep van beesten en het gekwetter van de vogelen des velds gepaard gaan. En de mens, hij blijft aanmodderen. Mennoniet of niet.

1305 / Doel 2/7

Doel 1/7