AFBAKENING
Het geurspoor van de kater van de buren, een manshoge haag tussen twee achtertuinen, de denkbeeldige lijn op het bureaumeubel van het eiland, de bede dat de kinderen zouden aankloppen vooraleer ze papa’s bureau betreden. Tussen twee domeinen wordt een derde element geschoven, een dat van beide verschilt opdat het goed herkenbaar zou zijn, om transgressie of ongeoorloofde uitdijing of vermenging te vermijden.
Dat is nodig. Het kanaal moet ingedijkt, de species gecategoriseerd, de bevoegdheden en competenties duidelijk onderscheiden.
Ordnung muss sein.
Toch is de ene afbakening mij al sympathieker dan de andere. De opgelegde, arbitraire, geïnduceerde en artificiële beknotten onze vrijheid. Dat is op zich geen probleem – ik schat de waarde van die vrijheid niet per se hoog in, maar op de een of andere manier zijn we er toch op gesteld. Maar je hebt ook vormen van afbakening die van onderuit ontstaan. Het gaat dan om een soort van sociale hygiëne, respect, een gezonde afstandelijkheid. Een ontzag voor privacy dat veel met eigenbelang te maken heeft.
Het liefst zijn mij de afbakeningen die mislukken. Afscheidingen die vanuit een ambtelijke regulitis worden opgelegd, maar het beoogde effect mislopen. Je hebt van die maatregelen die de boel hopeloos in het honderd doen lopen waar ze voorheen, zonder opgelegde reglementering, heel goed verliepen. Die voorvallen zijn mij lief omdat ze bevestigen dat de werkelijkheid organischer is dan wij met ons mensenverstand kunnen bevatten. Dat er altijd een rest openblijft waarover wij geen controle hebben.
Zo is mij het geval bekend van een drukke verkeersader in Firenze. Indertijd, ik spreek van meer dan twintig jaar geleden, was dat een brede kasseibaan zonder enige markering. Zonder verdeling in rijstroken, dus. Er konden wel acht of tien auto’s naast elkaar op, en dat gebeurde dan ook. Niet eens de verdeling van de rijrichtingen was duidelijk: de ononderbroken witte lijn in het midden was denkbeeldig, ik bedoel, hij was er niet. Nu eens reden er links vijf rijen en rechts drie, dan weer – uiteraard naargelang van het tijdstip en de behoeften – waren er rechts zes en links twee. Enzovoort. Met al die kleine cinquecento’s en zoemende Vespa’s en dan nog eens de Italiaanse rijstijl erbovenop was dat een behoorlijke chaos. Voor de brave Belg die ik toen ook al was, door allerlei afbakeningen geconditioneerd en ingetoomd, was het even wennen. Maar er gebeurden geen ongelukken; de chaos verliep gesmeerd. ’t Was als een gonzende bijenkorf. Ook daarin verloopt het verkeer schijnbaar ongestructureerd en gebeuren er toch geen accidenten. Ik bedoel maar: geen twee bijen, hoe druk het ook is, die tegen elkaar aanlopen en beginnen te schelden.
Bij mieren zie je het ook.
Op die invalsweg in Firenze hebben ze op een bepaald ogenblik lijnen geschilderd.
Dat hadden ze beter niet gedaan.
zaterdag 14 juli 2007
vrijdag 13 juli 2007
Overschrijven (64)
MIJN GROOTSTE ILLUSIE – Natuurlijk maak ik me illusies, wat denkt u wel! Elke beschaving maakt zich illusies, het is noodzakelijk en onoverkomelijk! De gedachte dat we een vrije wil hebben, de gedachte dat er een fabelwereld achter de wereld bestaat, de gedachte dat er zoiets als een ziel bestaat, we hebben het nodig. De scheppende God uit de Bijbel is een projectie van de scheppende mens die zich illusies maakt. Leven in de wetenschap dat mogelijk achter de horizon de puzzelstukjes passen en inelkaar grijpen. Dat moet, dat geeft richting en laten we ons niet voor de gek houden wanneer we constateren dat de afstand tussen ons en datgene wat achter horizon ligt, altijd even groot blijft. Laten we illusies maken en genieten van het resultaat. Maar geloof nooit in de Enige Ware Juiste Illusie, want dat is de dood.
JWL, notitie 738 op 10 juli 2007
JWL, notitie 738 op 10 juli 2007
donderdag 12 juli 2007
Geen normbesef zonder werkelijkheidsbesef
Hoe het mogelijk is dat een kerel die toch niet zo slecht is, of ‘niet geheel onmenslievend’...: daarover gaat In koelen bloede van Truman Capote. Dat boek is natuurlijk veel meer dan een misdaadverhaal of een gefictionaliseerde misdaadreportage: het is een psychologische roman – wat ook Douglas Mc Grath, de regisseur van Infamous, goed heeft begrepen.
Perry Smith, want hij was het die de vier leden van het gezin Clutter een voor een ‘de hersens tegen de muur knalde’, was een gekwetste dromer. Wou hij niet op schattenjacht in de Golf van Mexico? Hij was lichtgelovig – omdat hij nu eenmaal, als kind gekrenkt, in een onstabiele wereld was opgegroeid. Hij wíl dat moorden helemaal niet. ‘Het was net of ik erbuiten stond’, verklaart hij aan de rechercheur. ‘Het was meer alsof ik een verhaal aan het lezen was.’ *
In Cold Blood, een vermenging van fictie en werkelijkheid? Ja – maar dat is geen gratuite literaire truc. Deze doelbewust gekozen vorm versterkt de psychologische en filosofische diepgang van het werk; de teloorgang van normen en waarden die samengaat met de teloorgang van het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid, en met, tegelijk en daardoor, het afbrokkelen van het geloof in waarheid – ik had het er hier gisteren nog over.
* Truman Capote, In koelen bloede (vertaling Therèse Cornips), H.J. Paris, 1965, 233
Perry Smith, want hij was het die de vier leden van het gezin Clutter een voor een ‘de hersens tegen de muur knalde’, was een gekwetste dromer. Wou hij niet op schattenjacht in de Golf van Mexico? Hij was lichtgelovig – omdat hij nu eenmaal, als kind gekrenkt, in een onstabiele wereld was opgegroeid. Hij wíl dat moorden helemaal niet. ‘Het was net of ik erbuiten stond’, verklaart hij aan de rechercheur. ‘Het was meer alsof ik een verhaal aan het lezen was.’ *
In Cold Blood, een vermenging van fictie en werkelijkheid? Ja – maar dat is geen gratuite literaire truc. Deze doelbewust gekozen vorm versterkt de psychologische en filosofische diepgang van het werk; de teloorgang van normen en waarden die samengaat met de teloorgang van het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid, en met, tegelijk en daardoor, het afbrokkelen van het geloof in waarheid – ik had het er hier gisteren nog over.
* Truman Capote, In koelen bloede (vertaling Therèse Cornips), H.J. Paris, 1965, 233
woensdag 11 juli 2007
Uit het nieuws
Harry Mulisch, die indertijd zijn collega Gerard Reve aanviel met het essay ‘Het ironische van de ironie’: als je met alles lacht, ja, dan moet je niet verwonderd zijn dat je niet meer au sérieux wordt genomen als je iets wilt communiceren wat je wél meent. Ik heb het boekje nu even niet bij de hand, maar van die strekking moet het argument ongeveer geweest zijn. (De zwakte ervan was, zo herinner ik mij, dat het bloedernstig was opgesteld.)
Daaraan moest ik denken bij het zien van het filmpje dat dezer dagen op het internet circuleert, met een Amerikaanse nieuwslezeres die weigert de laatste verwikkeling in de Paris Hilton-vaudeville als hoofditem in het journaal te brengen. Was die weigering gefaket of niet? (‘Echt of niet echt’, dat was ooit, in het indertijd zeer geprezen en ‘vernieuwende’ televisieprogramma ‘Schalkse ruiters’, een spelletje waarin de makers zeer vakkundig de waarheidsaanspraak van nieuwsitems ondergroeven.)
Een vreselijke tijd is het, waarin je bij kritiek op het op de helling zetten van de waarheid – en kritiek is iets wat die waarheid nog op een, welja, ouderwetse manier veronderstelt – meteen de bedenking maakt: ‘Het is óók maar een spelletje’. Want staat die papierversnipperaar waarin die nieuwslezeres prompt haar A4tje vermaalt niet verdacht dichtbij? Het veinzen en de onwaarheid, de leugen dus, zijn in zowat alles doorgedrongen. Big Brother, het wielerpeloton, de regeringsformatie. Tot en met in de kritiek. (Opnieuw een recent en zeer geprezen televisieprogramma, ‘In de gloria’, en daarin de rubriek ‘De mediawatcher’. Zo voel ik mij dan als ik iets over media schrijf of zelfs maar denk: als die belachelijke mediawatcher die zich druk maakt over de manier waarop de uitslag van de loterij in beeld wordt gebracht.)
En dan denk ik aan die enquête die gisteren in het nieuws kwam, waaruit bleek dat bij ‘de jeugd’ een opvallende hang naar zekerheid en – ik spoel meteen mijn mond – normen en waarden opgang maakt.
Daaraan moest ik denken bij het zien van het filmpje dat dezer dagen op het internet circuleert, met een Amerikaanse nieuwslezeres die weigert de laatste verwikkeling in de Paris Hilton-vaudeville als hoofditem in het journaal te brengen. Was die weigering gefaket of niet? (‘Echt of niet echt’, dat was ooit, in het indertijd zeer geprezen en ‘vernieuwende’ televisieprogramma ‘Schalkse ruiters’, een spelletje waarin de makers zeer vakkundig de waarheidsaanspraak van nieuwsitems ondergroeven.)
Een vreselijke tijd is het, waarin je bij kritiek op het op de helling zetten van de waarheid – en kritiek is iets wat die waarheid nog op een, welja, ouderwetse manier veronderstelt – meteen de bedenking maakt: ‘Het is óók maar een spelletje’. Want staat die papierversnipperaar waarin die nieuwslezeres prompt haar A4tje vermaalt niet verdacht dichtbij? Het veinzen en de onwaarheid, de leugen dus, zijn in zowat alles doorgedrongen. Big Brother, het wielerpeloton, de regeringsformatie. Tot en met in de kritiek. (Opnieuw een recent en zeer geprezen televisieprogramma, ‘In de gloria’, en daarin de rubriek ‘De mediawatcher’. Zo voel ik mij dan als ik iets over media schrijf of zelfs maar denk: als die belachelijke mediawatcher die zich druk maakt over de manier waarop de uitslag van de loterij in beeld wordt gebracht.)
En dan denk ik aan die enquête die gisteren in het nieuws kwam, waaruit bleek dat bij ‘de jeugd’ een opvallende hang naar zekerheid en – ik spoel meteen mijn mond – normen en waarden opgang maakt.
Terugblik 342 / 1000
We laten ons graag verrassen door de werkelijkheid. Dat is natuurlijk alleen maar mogelijk omdat zij meestal voorspelbaar en eigenlijk ook wel een beetje saai is. Neem nu deze verlopen winkelpui. Met alleen maar de affiche zou er nog niets speciaals aan de hand zijn geweest. Dat verandert met de hond des huizes op de vensterbank. Het anekdotische samengaan van die twee was te mooi om te laten liggen. Wat levert het op? Een soort van vertedering. Humor ook, maar wat is humor? Eigenlijk is dit kitsch, te eenduidig om mooi te zijn. (Maar wat is mooi?)Toch haal ik deze foto terug boven omdat ze verrast. Omdat ze even uit evenwicht brengt. De werkelijkheid valt even op een vrolijke manier uiteen. Benadrukt de verticale scheidslijn dat? Neen, dat is hineininterpretieren.
We hebben al iets, maar nog altijd niet veel. Ik begon deze foto – die zeker als foto, ik bedoel technisch en compositorisch en zo, niet veel om het lijf heeft – pas echt geestig te vinden toen ik na de ‘ontwikkeling’ ervan op mijn computerscherm vaststelde dat er nog een Dritte im Bunde was, een extra stoorzender die ‘toevallig’ in het beeld bleek te zijn gevat (want ik had hem nog niet eerder gezien): het koppel hondbeeldjes links onderaan, dat bovendien, net als het levende exemplaar en de geportretteerde hond op de affiche, ook een spel met wit en zwart speelt. Deze extra verrassing – twee voor de prijs van één – zette mijn manipulatie, die erin had bestaan om – weliswaar alert – de hondjesanekdotiek te vatten, in de verf. Ik dacht de werkelijkheid bij de kraag te hebben gevat, maar de werkelijkheid zette mij een neus.
Dat is nog niet alles. Pas nu zie ik dat de affiche al drie jaar oud was op het tijdstip dat ik de foto maakte: ze kondigde een evenement aan dat plaatsvond in de zomer van 2001, de foto dateert van het najaar van 2004. Hebben de bewoners van dit huis, goed wetende dat hun hond zich graag op de vensterbank posteert om de straat in het oog te houden, de door mij waargenomen anekdote geënsceneerd? Het heeft er alle schijn van.
Deze foto mag dan al heel gewoon zijn als foto, er gebeurt vanalles op en ze leert iets over toeval, waarneming, theatraliteit.
dinsdag 10 juli 2007
Mijn woordenboek (159)
AERODYNAMISCH
Ooit, toen je in het woord nog een trema op de e moest plaatsen en de wereld nog trager was, had ik een zwak voor alles wat zich in het verkeer aerodynamisch voordeed: de Concorde, de DS, de TGV, de Calimerohelm. Al wat zich snel voortbewoog fascineerde mij, en in een bepaalde fase van de technologische ontwikkeling was de luchtweerstandcoëfficiënt nog in die mate onveeleisend dat er in die niche nog plaats was voor esthetiek.
Nu, na het verdwijnen van het trema (alsof dat te veel wind ving), denk ik daar enigszins anders over. Aerodynamische vormgeving is een grote gelijkmaker – op de duur zien alle auto’s en treinen er gelijk uit – en als zodanig een metafoor voor rationaliteit. Voor anekdotiek – een over de schouders gevouwen reserveband, een uitflappende richtingaanwijzer, een rondwiekende schroef – is er geen plaats meer. En met de anekdotiek verdwijnt ook de heroïek en de onvoorspelbaarheid. Aërodynamica hield de belofte in van avontuur, speelde in op futurocentrische jongensdromen. Aerodynamica is de zielloze bedoening waaraan de Saab zijn weergaloze lijn heeft opgeofferd, een willekeurige Mazda op een Mercedes gelijkt en frivoliteiten als de 2PK of de Kever of zelfs de aërodynamische DS niet langer mogelijk zijn.
Ooit, toen je in het woord nog een trema op de e moest plaatsen en de wereld nog trager was, had ik een zwak voor alles wat zich in het verkeer aerodynamisch voordeed: de Concorde, de DS, de TGV, de Calimerohelm. Al wat zich snel voortbewoog fascineerde mij, en in een bepaalde fase van de technologische ontwikkeling was de luchtweerstandcoëfficiënt nog in die mate onveeleisend dat er in die niche nog plaats was voor esthetiek.
Nu, na het verdwijnen van het trema (alsof dat te veel wind ving), denk ik daar enigszins anders over. Aerodynamische vormgeving is een grote gelijkmaker – op de duur zien alle auto’s en treinen er gelijk uit – en als zodanig een metafoor voor rationaliteit. Voor anekdotiek – een over de schouders gevouwen reserveband, een uitflappende richtingaanwijzer, een rondwiekende schroef – is er geen plaats meer. En met de anekdotiek verdwijnt ook de heroïek en de onvoorspelbaarheid. Aërodynamica hield de belofte in van avontuur, speelde in op futurocentrische jongensdromen. Aerodynamica is de zielloze bedoening waaraan de Saab zijn weergaloze lijn heeft opgeofferd, een willekeurige Mazda op een Mercedes gelijkt en frivoliteiten als de 2PK of de Kever of zelfs de aërodynamische DS niet langer mogelijk zijn.
maandag 9 juli 2007
De kunst van het kijken (4)
Dit is de vierde aflevering in een reeks die is gebaseerd op het boek Jon Thompson, De kunst van het kijken, Ludion, 2006. De auteur bespreekt een tweehonderdtal ‘moderne’ schilderijen.
De opzet van deze stukjes is dat ik eerst beschrijf wat en hoe ik zie, pas nadien de tekst van Thompson lees en zo nodig mijn ‘lezing’ van het schilderij aanvul.

Edgar Degas, Spartaanse jeugd bij de sportbeoefening, ca. 1860-1862
In dit historische tafereel is de moderniteit volop aanwezig in de picturale behandeling van het vlak, dat als een eenheid wordt gezien en waarbij het schilderproces zichtbaar blijft. Het silhouet van de berg op de achtergrond roept bij mij trouwens Cézannes Mont Sainte-Victoire voor de geest – ook daardoor lijkt Degas zijn tijd vooruit. Daardoor wordt dit werk uit de nadagen van de historiestukken een voorafspiegeling van het abstracte impressionisme.
De jongens, of knapen, zijn naakt; de meisjes zijn half gekleed. De meisjes vormen een hechte groep, er zijn aanrakingen en een van meisjes fluistert een ander iets in het oor; de jongens staan er elk alleen voor. Hun groep is statisch en wordt bruusk afgesneden door de kadrering; bij de meisjes zorgt het onduidelijk gewemel van benen en voeten voor een drukke dynamiek. Er schemeren zelfs nog eerder ingenomen en door de schilder maar half uitgewiste posities door. Dat doet denken aan Duchamps suggestie van beweging in Nu descendant un escalier. Op de achtergrond, tussen beide groepen in, keuvelt een derde groep met – mooi aangeklede – volwassenen. Enkele figuren houden – enigszins meewarig? – de elkaar erotisch uitdagende jongens en meisjes op de voorgrond in de gaten. Achter de groep ouderen, die nog net op het voorplan staan, zien we een stad en, op het derde plan, de berg en de lucht – alles in egale okertinten. Eigenlijk is het hele schilderij bijna monochroom, behoudens enkele kleinere donkere en witte vlakken, en de zeer opvallende lichtblauwe lendendoek van het stoutmoedigste meisje.
Thompson:
Dit is een vroeg schilderij van Degas, een poging om de indrukken van een reis naar Italië te verzoenen met de klassieke opleiding die hij had genoten van schilders van historiestukken. De berg zou de Taigetos zijn, waar de Spartanen al het gebroed dat niet aan hun – strenge – idealen van schoonheid en kracht beantwoordde van de rotsen wierpen. De voorgestelde jeugd is duidelijk met recht en reden deze beproeving bespaard gebleven. Het eindresultaat verraadt stunteligheid (volgens Thompson): de plaatsing op het doek is verre van volmaakt, de jongensgroep vertoont weinig eenheid, de kleding van de meisjes is duidelijk achteraf aangebracht. (De klassieke opleiding legde op om menselijke figuren eerst naakt te tekenen en vervolgens aan te kleden.) De voorkeur voor jonge modellen wijkt af van het academische voorschrift om gespierde mannen en stevige dames te vereeuwigen.
De opzet van deze stukjes is dat ik eerst beschrijf wat en hoe ik zie, pas nadien de tekst van Thompson lees en zo nodig mijn ‘lezing’ van het schilderij aanvul.

Edgar Degas, Spartaanse jeugd bij de sportbeoefening, ca. 1860-1862
In dit historische tafereel is de moderniteit volop aanwezig in de picturale behandeling van het vlak, dat als een eenheid wordt gezien en waarbij het schilderproces zichtbaar blijft. Het silhouet van de berg op de achtergrond roept bij mij trouwens Cézannes Mont Sainte-Victoire voor de geest – ook daardoor lijkt Degas zijn tijd vooruit. Daardoor wordt dit werk uit de nadagen van de historiestukken een voorafspiegeling van het abstracte impressionisme.
De jongens, of knapen, zijn naakt; de meisjes zijn half gekleed. De meisjes vormen een hechte groep, er zijn aanrakingen en een van meisjes fluistert een ander iets in het oor; de jongens staan er elk alleen voor. Hun groep is statisch en wordt bruusk afgesneden door de kadrering; bij de meisjes zorgt het onduidelijk gewemel van benen en voeten voor een drukke dynamiek. Er schemeren zelfs nog eerder ingenomen en door de schilder maar half uitgewiste posities door. Dat doet denken aan Duchamps suggestie van beweging in Nu descendant un escalier. Op de achtergrond, tussen beide groepen in, keuvelt een derde groep met – mooi aangeklede – volwassenen. Enkele figuren houden – enigszins meewarig? – de elkaar erotisch uitdagende jongens en meisjes op de voorgrond in de gaten. Achter de groep ouderen, die nog net op het voorplan staan, zien we een stad en, op het derde plan, de berg en de lucht – alles in egale okertinten. Eigenlijk is het hele schilderij bijna monochroom, behoudens enkele kleinere donkere en witte vlakken, en de zeer opvallende lichtblauwe lendendoek van het stoutmoedigste meisje.
Thompson:
Dit is een vroeg schilderij van Degas, een poging om de indrukken van een reis naar Italië te verzoenen met de klassieke opleiding die hij had genoten van schilders van historiestukken. De berg zou de Taigetos zijn, waar de Spartanen al het gebroed dat niet aan hun – strenge – idealen van schoonheid en kracht beantwoordde van de rotsen wierpen. De voorgestelde jeugd is duidelijk met recht en reden deze beproeving bespaard gebleven. Het eindresultaat verraadt stunteligheid (volgens Thompson): de plaatsing op het doek is verre van volmaakt, de jongensgroep vertoont weinig eenheid, de kleding van de meisjes is duidelijk achteraf aangebracht. (De klassieke opleiding legde op om menselijke figuren eerst naakt te tekenen en vervolgens aan te kleden.) De voorkeur voor jonge modellen wijkt af van het academische voorschrift om gespierde mannen en stevige dames te vereeuwigen.
zondag 8 juli 2007
111 * 30,95 * 1035
De 80 kilometer die R bij het vertrek om 9 uur in de Zandstraat had voorafgespiegeld, blijken er uiteindelijk meer dan 100 te worden, en dan nog niet eens met een rustig tempo afgehaspeld. We zijn maar met vier: naar verluidt is er alweer een vakantieperiode aangebroken. P trekt er weer serieus aan, en hij doet dat met vooraan een 47!, verneem ik in Diksmuide, waar we bij een bakker aan een straat waar morgen de Tour de France passeert onze suikerspiegel bijwerken met rijsttaartjes en cola. Behalve de omvang van onze tandwielen bespreken we ook de regeringsformatie. Dat is zowat het enige gesprek van de voormiddag, voor het overige is het rijden, rijden, rijden. En een beetje doodgaan. Ik ga af en toe op kop, alleen maar om het tempo te drukken – maar op de duur is zelfs dat te lastig. Zeker wanneer we, voor de suikerstop in Diksmuide, Wulpen, Eggewaartskapelle, Lampernisse en Oudekapelle zijn gepasseerd.
vrijdag 6 juli 2007
Mijn woordenboek (158)
ADVOCAAT
Een recent opgedoken subcategorie van BV’s is die van de blitse advocaten. Ze doen er alles aan om, al dan niet onder het mom van expertise, de aandacht naar zich, en de potentiële clientèle naar hun zaak, toe te trekken. Jef Vermassen verwezenlijkt in zijn optreden een getormenteerde klerkachtigheid, Piet Van Eeckhaut schildert met zijn voorkomen een tableau van artisticiteit, wijsheid, toewijding aan de Bourgondische levensstijl en diepmenselijke jovialiteit, en het uiterlijk van Walter Van Steenbrugge roept een referentie op aan de staande uitdrukking ‘advocaat van de duivel’. (Tussen haakjes: voor dat soort advocaten heb ik een spontane waardering. Ik mag er zelf af en toe graag zo eentje zijn. Advocaten van de duivel beschouwen het redeneren als een spel, zij zijn bij machte het eigen standpunt tot zijn recht te laten komen door tijdelijk dat van een tegenpartij in te nemen. Zij zijn dus in staat om tegelijk twee standpunten in te nemen – en dat is in mijn ogen een kwaliteit.) Maar goed, ik had het over advocaten en hun uiterlijk. Walter Van Steenbrugge sluit qua uiterlijk het dichtst aan bij een soort van onverhuld malafide magistraten, types die eruitzien als tippelbazen die net hun zwarte Porsche Cayenne op het trottoir voor het gerechtsgebouw hebben geparkeerd. Strak achteruitgekamde, meestal erg lange haren, diep in de kassen liggende ogen, een gehavende of ongeschoren huid, een onverholen machogedrag – ze hebben een uiterlijk in elk geval dat op de een of andere manier mikt op de expressie van een soort van vrijgevochtenheid: deze advocaten spelen binnen de strakke rechtsorde cavalier seul, het zijn vrijbuiters, mannen die met verbale bravoure tegen de stroom van de publieke opinie in durven te roeien. En die, dat vooral, met hun voorkomen uitdrukking lijken te geven aan hun wil om boven goed en kwaad verheven te zijn.
Ik mag het hier misschien niet verklappen omdat het misschien wel een schending van de privacy is maar ik kan het toch niet laten: ooit zag ik op een maandagavond tegen half twaalf aan Van Steenbrugge een nachtwinkel in de Ezelstraat aandoen. Hij kocht er een fles champagne en kaarsen, terwijl buiten, vierkant geparkeerd, zijn wagen – een donkere en dure – stationair stond te draaien.
Zie voor Dick Advocaat: Mijn eigen namen (14)
Een recent opgedoken subcategorie van BV’s is die van de blitse advocaten. Ze doen er alles aan om, al dan niet onder het mom van expertise, de aandacht naar zich, en de potentiële clientèle naar hun zaak, toe te trekken. Jef Vermassen verwezenlijkt in zijn optreden een getormenteerde klerkachtigheid, Piet Van Eeckhaut schildert met zijn voorkomen een tableau van artisticiteit, wijsheid, toewijding aan de Bourgondische levensstijl en diepmenselijke jovialiteit, en het uiterlijk van Walter Van Steenbrugge roept een referentie op aan de staande uitdrukking ‘advocaat van de duivel’. (Tussen haakjes: voor dat soort advocaten heb ik een spontane waardering. Ik mag er zelf af en toe graag zo eentje zijn. Advocaten van de duivel beschouwen het redeneren als een spel, zij zijn bij machte het eigen standpunt tot zijn recht te laten komen door tijdelijk dat van een tegenpartij in te nemen. Zij zijn dus in staat om tegelijk twee standpunten in te nemen – en dat is in mijn ogen een kwaliteit.) Maar goed, ik had het over advocaten en hun uiterlijk. Walter Van Steenbrugge sluit qua uiterlijk het dichtst aan bij een soort van onverhuld malafide magistraten, types die eruitzien als tippelbazen die net hun zwarte Porsche Cayenne op het trottoir voor het gerechtsgebouw hebben geparkeerd. Strak achteruitgekamde, meestal erg lange haren, diep in de kassen liggende ogen, een gehavende of ongeschoren huid, een onverholen machogedrag – ze hebben een uiterlijk in elk geval dat op de een of andere manier mikt op de expressie van een soort van vrijgevochtenheid: deze advocaten spelen binnen de strakke rechtsorde cavalier seul, het zijn vrijbuiters, mannen die met verbale bravoure tegen de stroom van de publieke opinie in durven te roeien. En die, dat vooral, met hun voorkomen uitdrukking lijken te geven aan hun wil om boven goed en kwaad verheven te zijn.
Ik mag het hier misschien niet verklappen omdat het misschien wel een schending van de privacy is maar ik kan het toch niet laten: ooit zag ik op een maandagavond tegen half twaalf aan Van Steenbrugge een nachtwinkel in de Ezelstraat aandoen. Hij kocht er een fles champagne en kaarsen, terwijl buiten, vierkant geparkeerd, zijn wagen – een donkere en dure – stationair stond te draaien.
Zie voor Dick Advocaat: Mijn eigen namen (14)
donderdag 5 juli 2007
woensdag 4 juli 2007
Mijn eigen namen (45)
JACQUES ANQUETIL
Een spurtbom, een slimme klimmer en een tijdritspecialist – reden waarom Marc Sleen hem vaak als wekker tekende, en dat is dan weer de oorzaak van het feit dat ik bij de naam Anquetil altijd aan een ouderwetse wekker moet denken en er dat fluogroene kleur bij denk van de stof die de cijfers in het donker, nadat het licht onherroepelijk was uitgegaan, nog een tijdje deed oplichten. Een gifgroen, dat in diezelfde wolk van aan Anquetil gelinkte associaties, ook een apothekerskastje in beeld brengt, en daarin enkele doosjes en potjes die het daglicht niet mogen zien.
Een spurtbom, een slimme klimmer en een tijdritspecialist – reden waarom Marc Sleen hem vaak als wekker tekende, en dat is dan weer de oorzaak van het feit dat ik bij de naam Anquetil altijd aan een ouderwetse wekker moet denken en er dat fluogroene kleur bij denk van de stof die de cijfers in het donker, nadat het licht onherroepelijk was uitgegaan, nog een tijdje deed oplichten. Een gifgroen, dat in diezelfde wolk van aan Anquetil gelinkte associaties, ook een apothekerskastje in beeld brengt, en daarin enkele doosjes en potjes die het daglicht niet mogen zien.Jacques Anquetil is van voor mijn tijd, ik herinner mij niet hem ooit ‘live’ (toen bestond dat woord nog niet) op tv te hebben gezien. Neen, ik ken Anquetil eigenlijk alleen maar van de tekeningen van Marc Sleen, die eind jaren vijftig, begin jaren zestig tijdens de Tour de France elke dag op één tekening de rit van de dag samenvatte voor dagblad van Het Volk (waarin Sleenheld Nero een ‘verschijnsel’ was). Later werden die tekeningen gebundeld in albums, die het bijzondere kenmerk vertoonden dat ze horizontaal gelayout waren. En een van die albums vormt nu nog altijd mijn kostbaarste stripbezit.
Anquetil, die vijf keer de Tour won, stierf toen hij 53 was. Hij was niet de enige renner die het lot van een te vroege dood beschoren was. De man die in 1956 en in 1967 twee keer even werelduurrecordhouder was en Monsieur Chrono werd genoemd, ging voor zijn tijd. Veel te snel.
maandag 2 juli 2007
Te grabbel
Ik ben niet het soort lezer dat met heftige emoties op een tekst reageert. Je zult mij zelden horen schaterlachen tijdens mijn lectuur, of een traan zien plengen boven een opengeslagen boek. Eén keer tot dusverre heeft een boek mij echt kwaad gemaakt, en dat heeft mijn exemplaar (het was gelukkig een goedkope Rainbow-editie) niet overleefd.En kijk, vandaag ben ik nog eens een kwade lezer. Gelukkig is het exemplaar waaruit ik lees geleend, dus, M, maak je geen zorgen: ik bezorg je morgen je boek in goede staat terug.
Erwin Mortier, een Vlaamse schrijver, verbleef in de zomer van 1997 samen met zijn echtgenoot bij Gerard Reve, in diens ‘Landgoed’ in Zuid-Frankrijk. Dat verblijf verliep veel minder goed dan vooraf verhoopt: het echtpaar Mortier maakte het demasqué van de aanbeden ‘Volksschrijver’ mee, de mens Reve bleek danig op de sukkel en als je met z’n drieën een dag of acht (en evenveel nachten) een kleine ruimte moet delen, kan het gebeuren dat je ook de achterkant te zien krijgt van zorgvuldig opgebouwde façades. Mortier was getuige van de eenzame wanhoop van een drankzuchtige autist en achtte het, naar aanleiding van Reves overlijden in april 2006, opportuun om de notities die hij daarover tijdens zijn verblijf had gemaakt, te publiceren.
Mortier bespaart ons geen detail van Reves deplorabele toestand. Hij doet dat onder het mom van ‘bijdrage tot de Reve-studie’ – want is Reve als belangrijk Nederlands schrijver niet een soort van collectief cultureel patrimonium? Daarom blijven ons ook enkele literatuurhistorische uitweidingen bij en kritische beschouwingen op Reves oeuvre niet bespaard – die moeten het boekje duidelijk een zeker wetenschappelijk gewicht, ja zelfs een wetenschappelijke urgentie meegeven.
Larie, natuurlijk. De beschouwingen over Reves religieuze beleving, seksualiteit en mogelijke relatie tussen die twee vertellen niets wat niet al uitentreuren elders te lezen staat, een uitweiding over Madame de Sévigné is in dit boekje opgenomen om het wat dikker te maken en verder alleen maar omdat ook zij, net als Reve, uitmuntende brieven heeft geschreven en omdat haar kasteel bij Reves Franse verblijf in de buurt staat. We vernemen bij die gelegenheid overigens dat Mortier, snuifsnuif, in de Franse letteren behalve van Sévigné vooral van Montaigne, Zola, Flaubert en de Goncourts houdt. ‘De rest van de Franse literatuur lijkt me een uit de hand gelopen banketbakkerij.’ De sporadische verwijzingen, kwansuis elders in het boekje rondgestrooid, naar Nietzsche, Schopenhauer en Wittgenstein zijn uiteraard volkomen gratuit.
De hoofdmoot van Avonden op het Landgoed bestaat uit overgeleverde gênante feiten uit de privésfeer. Mortier maakte ze mee in een situatie van genoten gastvrijheid, hij hoort er dus de regels van de discretie op toe te passen. Maar neen, hij gooit ze nu te grabbel, enkel en alleen omdat de man overleden is. Je moet het ijzer smeden wijl het heet is.
Dat kun je niet maken.
Bovendien is dit boek niet eens goed geschreven, er staan taalfouten in en een heleboel kreupele zinnen – waarmee Mortier, de schrijver, al bij al zijn eigen mineure zelve blijft.
Avonden op het Landgoed is een opportunistische, gênante en volstrekt overbodige publicatie.
zondag 1 juli 2007
31 * 30,33 * 924
Met mijn twaalf kilo te veel sleep ik mezelf op de fiets. Veel tijd heb ik niet, en bovendien ziet het weer er niet bijzonder stabiel uit, dus zet ik er maar een flinke vaart achter. Een aalscholver die zwemt, maakt, zoals een diep in het water liggend schip, water. Ik bedoel: zijn rug wordt door de golfslag overstroomd. Ik zie J, met twee dames. Hey, J, roep ik. Hij herkent me en zwaait. Meteen heb ik While my guitar gently weeps in m’n kop: Hey Jo! Links een stortbui, kan ik die nog vermijden? Ik bluf en sla linksaf ter hoogte van de radioantennes, het onweer tegemoet. De spoorweg en de autosnelweg over. Dan linksaf, op niet zo vertrouwd terrein. Een haas loopt een eind voor me uit, maakt dan met op het beton krassende nagels een scherpe bocht naar links en duikt onder de prikkeldraad door. Jabbeke. Regendruppels op het warme asfalt: een van de geuren die mij terugvoert naar voorbije zomers. Wat verder spiegelen de koplampen van de mij tegemoet rijdende auto’s – die op de smalle weg aan mijn zijde erg weinig ruimte overlaten – zich al in het natte wegdek. De uitvallende wolk bevindt zich opnieuw links: de bui is achter mij om noordwaarts overgewaaid. Varsenare, Sint-Andries. Ik heb met alle verkeerslichten geluk, ze springen telkens wanneer ik er aankom op groen zodat ik niet eens snelheid moet inleveren: die aan de gevangenis, de Buffelbrug - kijk, daar heb je nog eens J en zijn twee vrouwen: uitgeregend -, de kerk van Kristus-Koning.
100 woorden (9)
Twee kleine jongetjes aan de overkant zitten achter elkaar aan. ‘Je hebt maar drie levens’, roept het achtervolgende naar het vooroplopende jongentje en zwaait met een lange, dunne, buigzame tak. Aan mijn kant grinnikt een oudere man die zijn hondje uitlaat. Een oud koppel strompelt voort. De echtgenoot, boodschappentas aan de linkerhand, ondersteunt met zijn rechterarm zijn veel zwaardere en ook wat grotere vrouw, die krakkemikkig op haar benen staat en het tempo aanzienlijk drukt. Ik haal het koppel in, hoor het Frans praten en lachen: ze hebben elkaar, in dit ene leven, blijkbaar nog altijd iets grappigs te vertellen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
















