dinsdag 24 april 2007

maandag 23 april 2007

37 * 28,20 * 238

In het licht van de lage zon blinkt een vis van wel veertig centimeter in de handen van de visser die het beest van de haak van zijn hengel haalt. Een aalscholver scheert het wateroppervlak richting Brugge; iets anders, veel kleiners (maar wat?) kruist, ook vlak boven de spiegel, het kanaal. Mijn gemiddelde snelheid stijgt gestaag, tot hij bij het keerpunt in Zandvoorde de kruissnelheid van 31 benadert, maar het getreuzel van de aanvangshectometers – een rood licht en een lullig parkerende auto – is mathematisch niet meer mogelijk. Landwind botst tegen zeebries aan: meewind wordt tegenwind. In het terugkeren steekt Geert Claes – die naam staat op zijn blauw-roze shirt – me voorbij. Hij rijdt een kilometer of twee per uur sneller dan ik, ik kan hem nog vele kilometers lang in de verte voor me zien uitrijden: zo vlak en onbebouwd en kaal is het polderland. Nieuw is het knalgeel van de bloeiende koolzaadvelden. In de verte ploegt een boer zijn land: een stofwolk. Het heeft weken niet geregend, de klei valt niet in vette, gekraakte schellen uiteen maar trekt in poedervorm geometrische, streng afgelijnde voren.

1020

zondag 22 april 2007

zaterdag 21 april 2007

Ferroviaire observaties (8)

(Brussel Zuid, 20.05)

Hallo, Thomas? ’t Is mama.

Hoe is het, jongen?

Is papa nog niet thuis?

Jongen toch. Heb je al iets gegeten?

Ik kom thuis om kwart voor negen. Ik zal papa bellen. Hij zal wel iets meebrengen.

Ja, natuurlijk. Als je nog fris genoeg bent, overlopen we dat zeker nog eens samen.

Oké. Ik bel nu naar papa. Dag, jongen, tot straks. Kwart voor negen, hé.
… …
Hallo, ’t is ik. Ben je nog niet thuis?

Thomas heeft nog niets gegeten.

Hij heeft nog niets gegeten. Heb jij iets?

Kwart voor negen.

Oké. We zien elkaar straks.

1018 / Champagne 1/2

vrijdag 20 april 2007

Uit het nieuws

Item in het VTM-avondjournaal over de onthulling van een herdenkingsplaquette voor de verongelukte Belgische para’s in Libanon, in aanwezigheid van de familieleden.

(beeld van de plaquette met de minister van Defensie en enkele familieleden)
Voice-over: 'En, toeval of niet, net op de plek waar de para’s verongelukten, groeit er nu één klaproos.' (close-up van de klaproos)
Reporter ‘ter plaatse’ in beeld: ‘Het was een zware klap voor de familieleden…’

Ondertussen in Brugge (106)

De schrijver reageert

Bedankt, Pascal.
Een mooie, treffende analyse, die de intenties van het werk integraal dekt. Dat is precies het boek dat me voor ogen stond toen ik er jaren geleden aan begon.
Groeten,
johan

Terugblik 122 / 1000

Na een tijdje fotograferen begon ik dingen te zien waar ik vroeger aan voorbij liep. Nu ik dit terugzie, vraag ik me af: hoe had ik hier in godsnaam een goede foto van kunnen maken? – want dát is toch nog iets anders dan een gag.

1017 / Laon 3/3

donderdag 19 april 2007

woensdag 18 april 2007

Wat gebeurt er als er niets gebeurt?

Toevallig gebeurt er in de twee boeken die ik de voorbije weken begon te lezen in de eerste honderd vijftig bladzijden niets, of toch niet veel.

In de aanhef van Mijnheer Beerta, het eerste van de zeven lijvige delen waaruit de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil bestaat, gebeurt er op een andere manier niets dan in de roman Noem het middernacht van Johan De Boose.

In de eerste honderd bladzijden van Mijnheer Beerta vernemen we hoe het hoofdpersonage Maarten min of meer tegen zijn zin wordt tewerkgesteld in een bureau, hoe dat bureau is ingericht, wie zijn collega’s zijn, wat voor soort werk daar wordt gedaan, enzovoort. Allemaal vrij triviale en, hoe moet ik het zeggen, horizontale feiten – in die zin dat er nergens psychologische of filosofische diepgang wordt bereikt; de accumulatie van gegevens is nevenschikkend. Er is meer kwantiteit dan kwaliteit. Natuurlijk legt Voskuil hier de basis van het gebouw dat hij met de volgende 4.700 van zijn romancyclus wil neerzetten, maar de soaptoon is gezet, je voelt dat je maar méé zult zijn, of zult willen gaan, voor zover je je met deze personages wilt identificeren, voor zover je je hun lot zult willen aantrekken. Het zal vooral de vertrouwdheid moeten zijn op basis waarvan de lezer zich bereid zal tonen de tijd te investeren die nodig is om het hele gebouw te verkennen.

Precies zo werkte Bij nader inzien, dat andere vuistdikke boek van J.J. Voskuil. Ik las het indertijd omdat ik met plezier het televisiefeuilleton had gevolgd dat naar dat boek was gemaakt. En dat is het helemaal: de spanning die Voskuil opbouwt, is deze van het feuilleton, de soap.

Ik weet niet of ik ooit dat hele Bureau wil uitlezen.

Bij De Boose ligt het helemaal anders. Ook hier krijgen we een wereld voorgeschoteld waarin – toch in de eerste honderd vijftig bladzijden – niets essentieels gebeurt. We bevinden ons nochtans in een exotische, veel avontuur belovende locatie, een stadje op de grens tussen de Verenigde Staten en Mexico. Het is er broeierig heet, alles staat er stil, er zindert een rare spanning door de lucht, en de mensen zuipen zich een paralyse bij elkaar met allerlei drankjes, voor elke letter van het alfabet één: aquavit, bier…

De gebeurtenissenloosheid hier is totaal anders. Ik moet toegeven, op een gegeven ogenblik vond ik ook wel dat De Boose de spanning wel heel erg langzaam opbouwt, en dus het geduld van de lezer behoorlijk op de proef stelt, maar toch is de verleiding onweerstaanbaar – om niet te zeggen onontkoombaar – om verder te lezen. Hier geen nevenschikking maar een uitbouw in de diepte (en tot metafysische hoogten). Hier geen soapeffect maar de vakkundige opbouw van een thriller of een Grieks drama. Het is de verlammende lethargie van het stadje in het Wilde Westen, op het blauwe uur, de stoffige hoofdstraat kreunt onder de hitte, een luik klappert in de woestijnwind… De catastrofe is onontkoombaar.

Wie voortleest – en dat heb ik intussen gedaan – wordt beloond. De finale, want die komt er, lost alle hooggespannen verwachtingen in. Veel ‘verhaal’ is er uiteindelijk niet, maar er is wel degelijk een ontlading, iets dat wordt afgewerkt, iets dat het geheel alsnog optilt tot een grotere hoogte en waarin alle stukjes op hun plaats terechtkomen. Dit is geen repetitief stuk met egale klemtonen en een eentonig motief, dit is een goed uitgebalanceerde, weloverwogen compositie, waarin elk beeld, elke klank, elke toets een functie heeft en bijdraagt tot de climax, die de lezer wel degelijk beroert en ontroert.

1015 / Laon 1/3

dinsdag 17 april 2007

Overschrijven (54)

Waarom zijn de herbergen aan de Sint-Niklase markt gelegen aan de (voormalige) Beverse zijde? De verklaring zou ingegeven zijn door het feit dat de Beverse inhoudsmaten groter waren dan de Sint-Niklase! Meer bier voor evenveel geld was het resultaat. ‘Een Beverse maat’ is nog steeds een gangbare uitdrukking voor een pint met veel bier (en weinig schuim) of voor een overvol dampend bord eten.

Uit een binnenkort (bij Lannoo) te verschijnen boek over Kasteel Singelberg in Beveren.

1014

maandag 16 april 2007

zondag 15 april 2007

zaterdag 14 april 2007

vrijdag 13 april 2007

Overschrijven (53)

Een generatie opgevoed met elektronische media is voor de rest van het leven gevoelig voor deze media en grijpt naar deze media wanneer zij zich wil uitdrukken. Het spreekt vanzelf dat wij in een overgangsfase leven. Een overgangsfase wordt gekenmerkt door crises, door de grote massa onbewust, door een kleine kern bewust aangevoeld. De crisis die ons bezighoudt, is de vaststelling dat het schrijven van teksten een ouderwets expressie- en communicatiemiddel is, en literatuur als gevolg daarvan een overleefde kunstvorm […].

Julien Weverbergh, ‘Literatuur is een met stro opgevulde mummie’ (1970), in: weverbergh ’30-’70, De Arbeiderspers (2006), 302
(zie ook:
een bijzonder geestig filmpje)

1010

S.

donderdag 12 april 2007

43 * 26,75 * 201

Zonder enige twijfel aangepord door de klassieke rillingen van begin april, het klimaatwarme weertje en het vooruitzicht géén Kemmelberg te moeten afdalen (ik bekeek de schandalig-sensationele ‘fotospecial’ op de website van De Standaard), ben ik dan toch nog maar eens op mijn fiets gekropen. De Brugeoise liep net leeg: dat was laveren tussen de geautomobiliseerde ‘medewerkers’, die allang niet meer te voet, knapzak op de rug, naar de arbeiderswijk aan de andere kant van het kanaal trekken, met de cafés op de vier hoeken van het kruispunt, waarvan de meeste al niet meer bestaan, als tussenstatie. In Oostkamp blokkeert een bestelwagen met aanhangwagen de weg, op de Hertsbergebrug over de autosnelweg zie ik de onafzienbare stroom auto’s en vrachtwagens richting kust, richting Brussel. Twee renners in hemelsblauwe Milram-shirts kruisen freewheelend mijn weg – hoe zou het met Zabel zijn? Het doet deugd nog eens de baantjes tussen Beernem en Oedelem, en die tussen Oedelem en Sijsele af te malen. De stank van het land is overweldigend: ik ruik alles behalve natuur. Hoewel, hier en daar toch iets van lente, ja zelfs een begin van zomer. In Sint-Kruis houd ik halt voor een glas spuitwater bij T.

Terugblik 121 / 1000

Soms, vaak eigenlijk, is het niet duidelijk waarom een foto bijblijft. Deze vertoont manifest gebreken, dat ontgaat me nu uiteraard ook niet. Maar om de een of andere reden is het beeld krachtig. Het bruuske afsnijden van de paardenbenen (daarvoor werd achteraf gekozen) is al bij al niet minder onzachtaardig dan het halverwege afbreken van de stam (wat we meer gewoon zijn omdat we zelden bomen helemáál op een foto zien staan). Beide levende wezens, fors, krachtig en gezond, krijgen wat dat betreft een gelijke behandeling. Door de uitsnijding en de verdeling van het felle licht op hun huid en bast, lijkt het geheel niet meer uit twee aparte entiteiten te bestaan. Ik weet het niet, maar deze foto lijkt te illustreren dat monumentaliteit en formaat absoluut verschillende kwaliteiten zijn – ja zelfs dat monumentaliteit pas kan ontstaan als zij het formaat doet vergeten.

1009

vrijdag 6 april 2007

dinsdag 3 april 2007

maandag 2 april 2007

Overschrijven (52)

Grote genade


De miskraam is mislukt, ik word gelucht,
voortaan geschiedt het waarlijk dag en nacht.
Ik voel me thuis thuis en teel vele kinderen,
eerst van die wolken en dan hele slimme.

Er is een afbeelding van mijn gezicht.
Ze geven me een prijs voor Schone Kunst
want iets is welgevallig zo te zien.
En op gezette tijd kom ik tot rust.

Wormstekig klaagvrouwtje, ksst, weg,
wegwezen!
Dat benig vingertje is niet voor mij.
Ik heb een lekker romig ding
in wie ik nachtenlang mij ga begeven.
O zeker ben ik er, ik ben, ik ben
nog jarenlang ten dode opgeschreven.


Rob Schouten, Spijsamen, De Arbeiderspers (2007), 31

1007

zondag 1 april 2007

Terugblik 68 / 1000

Militaire begraafplaatsen zijn zo fotogeniek dat het niet mooi meer is. Ze werpen voor de fotograaf een moreel probleem op. De al te gemakkelijke esthetiek van de schier eindeloze perspectieven van gerijde zerken stuit tegen de borst en wordt weerzinwekkend.

Deze foto is gemaakt in de inkompoort van de Duitse militaire begraafplaats van Bourdon in Picardië. Ik bezondigde me ook daar aan de obligate perspectiefjes, maar achteraf bleek deze foto veel meer te zeggen. Ze zei iets over dat morele probleem.

Hier wordt het op verdwijnpunten gerichte perspectief van de graven vervangen door een frontale witte muur-met-een-boodschap, met daarvoor twee personen. Door hun plaatsing in de ruimte én in de tijd (hun leeftijd) vormen zij een ánder perspectief.

1006

C.