dinsdag 1 december 2009

debuut 15

Ironisch keurslijf

Laat ik het maar meteen zeggen: ik heb heel veel plezier beleefd aan Bittergarnituur van Arthur Wevers (1970). Ik moet zelfs méér zeggen: Bittergarnituur van Arthur Wevers stelt mijn leesattitude fundamenteel ter discussie.

Dat dit een bijzonder poëziedebuut is, zie je meteen. Bittergarnituur is een roman-in-verzen van 270 bladzijden met telkens veertien tien- of elflettergrepige regels volgens een – voor zover ik dat heb geverifieerd – strak ababccddeffegg-schema. Dat is, als ik het goed heb, een sonnetvorm – zij het dan dat de drie witregels tussen de vier strofen zijn weggelaten. Ik citeer, bij wijze van illustratie, de openingsbladzijde – let alvast op de inhoud:

Iets langer dan een halfjaar geleden,
dat was in 2008, in de tijd
dat ik helemaal was afgegleden
naar de bodem van het voldongen feit,
gebeurden er verschillende dingen
die amper met elkaar samenhingen
en die uiteindelijk ook allemaal,
op zichzelf genomen, als triviaal
en nikszeggend te omschrijven waren,
maar die zich wel zo samenvoegden dat
ik vermoedde dat er iets achter zat,
een zin die die toestand kon verklaren,
en dat terwijl zo’n verband er misschien
dus echt niet was. Hoewel… we zullen zien.

Een perfecte start: de verteller maakt nieuwsgierig, gooit zichzelf (of zijn ik) meteen in de strijd, rondt de bladzijde af met een cliffhanger. Ik weet niet hoe het bij u zit, maar ik kan alvast niet anders dan zo snel mogelijk de pagina omslaan en uitkijken naar wat komt.
Dat heeft zeker ook met de vorm te maken. Wevers toont overtuigend aan dat rijm en metrum niet toevallig eeuwen lang een orale verteltraditie hebben voortgestuwd. Dat klank en ritme een vanzelfsprekend middel zijn om de toehoorder bij de les te houden.

Bij de les blijven, dat doen we zeker. We volgen de ik die, dat blijkt meteen, niet Arthur Wevers is:

Het was in elk geval precies de dag
waarop mijn vriendin me vertelde dat
ze geen toekomst met mij voor zich zag
en het helemaal met me had gehad,
dat ik pas werkelijk de indruk kreeg
dat Arthur Wevers iets voor mij verzweeg.

Het verhaal dat Arthur Wevers, de schrijver, ons voorschotelt, heeft niet zo heel veel om het lijf. De ik, ‘Chris’, beseft dat hij als redacteur op een uitgeverij boeken van échte schrijvers moet beoordelen enkel en alleen doordat hij er zelf niet een is kunnen worden. Naast deze professionele malaise is er onvrede met de vriendin – net zoals ook bij zijn vriend Arthur Wevers de mot in de relatie zit. We leren de desbetreffende dames van zeer dichtbij kennen: Esther Krol en Wendy Schmidt heten ze, en ze hechten niet zoveel belang aan de klassieke betekenis die aan de seksuele act wordt vastgeklonken: ‘moderne vrouwen / die seks niet als iets intiems beschouwen’. Er wordt wat over en weer geknuffeld en gescharreld. En geneukt. De communicatie tussen de personages is gebaseerd op rond de pot draaien en op het verhullen van psychologisch onvermogen en karakterzwakte, maar ook op perfide opportunistische strategieën. De vraag is nog maar of we ooit weten wat de ander bezielt… En wat is de drive in deze ‘roman’, het ‘streven’ dat ons naar de ontknoping stuwt? Dat Christiaan een boek wil schrijven, een ‘autobiografische roman’ in verzen. De uitkomst van dit streven mag ik u wel verklappen: Chris laat uiteindelijk zijn plan varen.

Wij lezen dus een boek van Arthur Wevers waarin de ik, die niet het personage ‘Arthur Wevers’ is, besluit om niet een autobiografische roman-in-verzen te schrijven – terwijl wij, échte lezers (even in de arm knijpen!), er toch een in handen houden, en wel een die is geschreven door de échte Arthur Wevers…?

U hebt het verhaal van Chris vast wel eens eerder gelezen. In romans van en over mensen, mannen vaak, wier grootste avontuur erin bestaat dat ze een boek schrijven of willen schrijven over het feit dat ze niets meemaken. Milan Kundera wist het al (en ik citeer uit het hoofd): ‘Ons grootste avontuur is onze avontuurloosheid.’ Ik denk niet dat we Arthur Wevers, de schrijver, veel oneer aandoen als we stellen dat hij niets nieuws vertelt.

Maar we moeten nuanceren. Het is de manier waarop Arthur Wevers niets nieuws vertelt, die belangrijk is. De manier waarop hij de door hem gekozen vorm noodzakelijk laat zijn.
Wevers slaagt erin om met zijn 270 × 14 versregels een adequaat beeld van de hedendaagse bestaansconditie te schetsen. We leven levens waarin het banale detail op hetzelfde niveau wordt getild als de verheven waarde, waarin oppervlakkigheid en diepgang nauwelijks nog uit elkaar te houden zijn, waarin mensen naast elkaar heen praten en elkaars woorden en houdingen taxeren op basis van interpretaties en interpretaties van interpretaties, waarin de ‘grote verhalen’ – bijvoorbeeld het geloof in ‘de liefde’ of ‘de literatuur’ – danig zijn geërodeerd. In die levens is geen plaats meer voor een rechtlijnig en noodzakelijk verlopend verhaal met poten en oren, met een strikte ordening zeg maar waarin geen mus van het dak valt zonder dat dat een betekenis heeft, met een begin, een midden en een slot ofte een plot dat het hoofdpersonage door een crisis doet gaan waaruit hij eventueel beter of toch minstens ánders terugkeert.

Wevers schetst niet alleen een bepaald losbandig en vrij illusieloos pomosfeertje, hij verricht niets minder dan een diepgaand en ingrijpend onderzoek naar de bestaansmogelijkheid van de roman daarin. En hij doet dat op een creatieve, oorspronkelijke, uitdagende manier: zijn roman-in-verzen vormt een antwoord op de vraag hoe je dan eventueel wél nog een roman zou kunnen schrijven. Wevers bereikt dit resultaat niet door wat hij in zijn roman-in-verzen vertelt maar doordat het een roman-in-verzen is.

De kern van Bittergarnituur lijkt mij te bestaan uit de passages waarin de inhoud-vorm-kwestie uit de doeken wordt gedaan. Daarin legt de ik ons uit waarom hij zijn roman zo’n gekke vorm heeft wil geven. Inderdaad zoals – en het voorbeeld wordt met name genoemd – de Onegin van Poesjkin. (De roman-in-verzen Eugene Onegin, trouwens vertaald in het Engels door Vladimir Nabokov, die ook wel wat zag in het speelse genre van de roman-in-verzen, getuige zijn meesterlijke pastiche Bleek vuur. Maar dat terzijde.)

De vraag naar het genre wordt al vroeg in Bittergarnituur expliciet gesteld: ‘“Roman? Maar het waren toch gedichten? / Of heb ik dat verkeerd gezien?” […]’ En waarom moeten ‘het zo nodig sonnetten […] zijn’?

Het uitgangspunt – dat bleek al uit de openingsverzen – is dat de werkelijkheid bestaat uit een onoverzienbaar kluwen van gebeurtenissen en feiten die met elkaar geen uitstaans hebben maar waarin de immer naar zin hengelende mens zijn weg probeert te vinden. En dat kan hij alleen door ordeningen aan te brengen en systemen te bedenken, door verhalen te vertellen. Door, zou je kunnen zeggen, de bitterballen mooi op een schaal te schikken. Maar, zegt Arthur Wevers: elke benadering is subjectief, aan een perspectief gebonden en dus contingent en arbitrair. Vertel wat je wilt, het doet er niet toe.

Elke versie van een geschiedenis
is trouwens per definitie subjectief:
niemand is in staat het eigen perspectief
en de valse helderheid van de taal
los te laten als hij het ongewisse
gestotter van de gebeurtenissen
probeert weer te geven in een verhaal,
waarin de totale realiteit
tot een beperkt aantal feiten wordt herleid.

In dat ‘subjectief’ en ‘eigen perspectief’ schuilt natuurlijk de redding voor de kunstenaar – in acht genomen de bittere vaststelling dat het bestaan op zich, zoals we het in onze tijd beleven, zinledig is. We modderen en rommelen maar aan en niets lijkt echt van belang. De manier waarop je de zaken bekijkt daarentegen kan wél interessant zijn. De manier waarop je selecteert, ordent, structuur aanbrengt. En dan kan dit gebeuren:

Mijn leven zat vol bijzonderheden
die er schijnbaar nauwelijks toe deden
en waar geen verband tussen te vinden leek,
maar waartussen wel een samenhang
kon worden aangebracht, althans, zolang
je er op een bepaalde manier naar keek.

En dát moet de schrijver nu doen: die ‘bepaalde manier’ van kijken zichtbaar maken.
Het inzicht komt er voor Christiaan wanneer hij, ‘[v]anwege de uitoefening van zijn baan’, in café De Pels zit te kletsen ‘met een auteur wiens naam / ik hier maar niet zal noemen’. Ook die man schrijft een ‘autobiografische roman’, maar dan wel een ‘die zou worden gedragen door zijn stijl / en helemaal nergens over ging’. Als de inhoud niets is, of niets kán zijn vanwege de banaliteit en het onsamenhangende karakter van onze levens, dan moet de vorm het maar doen! Al bestaat er ook daarover twijfel, natuurlijk. In een beschouwing over, jawel, tieten vertrouwt Christiaan ons toe:

Ik betwijfel zelfs of een kwaliteit
uit het uiterlijk kan worden afgeleid.
Tieten zie ik eerder als een instrument
dat door de vrouw kan worden aangewend
om haar zelfbeeld mee te etaleren
of om een of ander fysiek gebrek
of een ongewenste karaktertrek
mee te verhullen of te camoufleren.

Zoals, jazeker, het knapperige laagje gefrituurde paneermeel de culinaire rotzooi van vermalen botten en vet in de bitterbalkern vermag ‘te verhullen of te camoufleren’!

Volgt u nog acrobaat Wevers’ halsbrekende toeren? Blijf kijken want het wordt nog ingewikkelder! Er komt nog een salto mortale! Want wat doet trapezist Wevers? (Wacht, ik verander hem eerst in goochelaar.) (…) Hij draait de kubus waarin hij de schaars geklede deerne Werkelijkheid in stukken zaagt om en toont ons het bedrog! De ordening, het verhaal, de garnituur…: die zijn er alleen maar om een leegte te verhullen. Maar nu is het net door dat verhullen dat de leegte zichtbaar wordt! Want waarom zou je verhullen als er geen leegte zou zijn? Arthur Wevers, de protagonist, bakt zijn bitterballen op een te hard vuur – waardoor ze ontploffen!

‘Verdomme!’ riep hij uit, ‘het is me wat…
De bitterballen zijn uit elkaar gespat…’

Om die reden doet het er niet zo toe dat de knapperige bitterballenpaneerlaag uitgerekend uit sonnetten bestaat. Het gaat om: ‘de vaste vorm… Ik had ook het dizijn / kunnen nemen… of alexandrijnen, / geassoneerde strofen, kwatrijnen, / dactylen, octaven of terzetten… / Maar uiteindelijk werden het sonnetten.’ Als er maar een vorm is: ‘Vorm, de waarheid van de literatuur!’ Zeker als het om een literatuur gaat die moet duidelijk maken dat in de wereld die zij beschrijft geen vormvaste waarheid meer te vinden is.

Die willekeur kan de pret niet drukken. Zo bitter smaken die ballen nu ook weer niet. Is het alleen maar een vorm, wel, ’t is een plezierige vorm. En Arthur Wevers, de schrijver, haalt werkelijk álles uit de kast om ons te vermaken. Virtuoos frituurt hij zijn verhaal in dat ironische keurslijf van witregelloze sonnetten. Hij maakt zijn paneerpapje niet té smeuïg, zodat het nog een beetje kan haken – waardoor wij niet indommelen bij een al te eentonig ritme.

Maar dat is niet het enige middel waarmee Wevers onze aandacht vasthoudt. Vaak zijn de rijmwoorden bijzonder grappig: ‘et cetera’ / ‘prullaria’; ‘maillots’ / ‘schoenendoos’; ‘scène’ / ‘gêne’… En uiteraard is Wevers zo verstandig zijn rijmelarij te relativeren. Hoe hij dat doet, verklap ik u niet: u moet het boek maar tot het einde lezen.

Ook de metrumdwang leidt tot hilarische toestanden. Over het algemeen krijg je niet de indruk dat Wevers krampachtig op die tien lettergrepen afstevent. Soms laat hij er al eens een elfde toe, het is alsof hij de strakke vormteugels dan wat viert. Maar hier en daar zet hij heel nadrukkelijk in de verf hoe plezierig het sonnettenkorset hem past. Wat kun je bijvoorbeeld beter doen als je nog drie lettergrepen nodig hebt dan dat met een absurde toevoeging als ‘als elders’ extra nadrukkelijk in de verf zetten? ‘Ik staarde naar / het donkere, kleine achtertuintje waar / de herfst, als elders, was ingetreden.’

Ook de afwisseling van registers, van gesofisticeerde filosofische redeneringen tot de goorste porno, sorteert een bijzonder grappig effect. Zeker als Wevers ze beide tegelijk bespeelt en zijn protagonist laat peinzen over ingewikkelde literaire en existentiële topics terwijl hij de del die op de bank voor hem haar benen spreidt uit haar roze string helpt ten einde zichzelf met zijn ‘enorme joekel van een paal’ toegang te kunnen verschaffen tot haar ‘doos’ die, vergeef mij het citaat, ‘even zompig als een dweil’ is.

Op een gegeven ogenblik knipoogt Wevers bijzonder vet naar James Joyce, die hij overigens voorin in het boek vermeldt in een lijstje namen zonder wie ‘[d]it boek […] nooit [zou zijn] geworden wat het geworden is’:

Statig stond plompe Arthur in de hal,
met in zijn ene hand een groot, wit bord
en in zijn andere hand een bitterbal.

Iedereen die het gelezen heeft – of daartoe een poging heeft ondernomen – ziet de verwijzing naar de openingszin van Ulysses. Die verwijzing zit ook verstopt, zij het al meer voor de echte fijnproevers, in de mededeling dat Arthur meer van bitterballen houdt dan van niertjes (zoals Leopold Bloom).

Bittergarnituur is echt een hilárisch boek. Zo vergelijkt Wevers, zeer zelfkritisch, zijn verzengeknittel met de karamellenpoëzie van de in Nederland verguisde dichter Driek van Wissen en laat hij op een gegeven ogenblik, in het recapitulatiehoofdstuk 18, een monstre sacré van de Nederlandse poëzie vertoeven in een woordengezelschap van wel zeer twijfelachtig allooi:

dikke tieten die van de zekerheden
van hun bestaansgrond leken afgesneden,
Gerrit Kouwenaar, een knetterende scheet
die een schertsvertoning de das omdeed

Om maar te zeggen dat ik mij danig geamuseerd heb bij deze roman-in-verzen. Niet alleen de verleidelijke paneerkorst heeft me gesmaakt maar ook de explosieve smurrie binnen in de bitterbal. Meteen is ook de expliciet door Wevers, de schrijver, gestelde vraag positief beantwoord: ‘of men nog poëzie / uit moest blijven geven’. Hij maakt waar wat hij zelf heeft aangekondigd – ‘Poëzie moet worden gemaakt uit taal, / niet op grond van gezeik met een idee.’ – en hij mag dus, a fortiori omdat hij met een zeer geslaagd experiment is van start gegaan – blijven.


Arthur Wevers
Bittergarnituur
Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2009
272 p./ € 24,95

Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2009/6