dinsdag 14 april 2009

Dag 593 vVH&C

090401 en 090402 – In 2004 wendde een jonge vrouw uit een Parijse voorstad voor dat ze door jongeren was aangevallen. Het motief, zo insinueerde ze, was, hoewel ze zelf geen joodse was, antisemitisme. Pers, politie en publieke opinie hechtten geloof aan het verhaal. Men had niet meteen door dat de kerven in haar huid het resultaat waren van zelfverminking, en dat de hakenkruisen op haar buik door haarzelf met een viltstift waren aangebracht.

André Téchiné snijdt in La fille du RER een thema aan met talloze weerhaken. Je dreigt ermee op alle mogelijke manieren in je eigen vel te snijden: antisemitisme, allochtone jongeren, werkloosheid, de problematiek van de voorsteden (’t is het meisje van de voorstadtrein, de RER, en niet van de TGV of de boemel tussen Rennes en Le Mans), de impact van de media op dat alles en hoe die worden gestuurd door vooroordelen en eropuit lijken deze aan te wakkeren, enzovoort… Er valt over dat alles veel te zeggen.

Ik licht hier slechts één element uit de interessante manier waarop Téchiné het verhaal vertelt, het feit interpreteert en situeert, zijn stelling argumenteert. Het is een vormelijk element.

De film bestaat zeer uitdrukkelijk uit twee, door middel van cijfers en titels van elkaar onderscheiden delen: ‘1. Les circonstances’ en ‘2. Les conséquences’. Dat viel me heel hard op en het kan niet dat Téchiné daar geen bedoeling mee had. Hij wil iets zeggen over de aard van de relatie tussen oorzaak en gevolg.

De oorzaak in de film is de leugen van het meisje, het gevolg is een samenleving die in rep en roer staat: tot en met de president raakt erbij betrokken. Téchiné laat zien dat de gevolgen (‘les conséquences’) altijd de gevolgen zijn van een voorval dat zelf een gevolg is van de omstandigheden (‘les circonstances’) en dus – oorzakelijkheid is transitief – dat de gevolgen ook van de omstandigheden van het voorval de gevolgen zijn. Toegepast op het voorval dat het uitgangspunt vormt van La fille du RER: het toegenomen wantrouwen ten aanzien van voorstadjongeren en de aanzwellende paranoia van de joodse gemeenschap zijn het gevolg van een toevallige ontmoeting van een meisje dat geen werk vindt met een vlotte kerel die, achteraf, blijkt in een drugshandeltje verwikkeld te zijn. Waar te veel mensen samenzijn, in een grootstad bijvoorbeeld waarin te weinig plaats is zodat velen in banlieues moeten gaan wonen, en wanneer de communicatielijnen niet meer goed functioneren (mensen lopen of rolschaatsen met een koptelefoon rond, ze staan woordenloos naast elkaar te schudden in de metro en kunnen elkaar maar moeilijk verstaan door het lawaai van een passerende voorstadtrein, ze schrikken er niet voor terug elkaar te beliegen) – daar ontstaan dergelijke wanstaltige uitvergrotingen van schijnbaar onbenullige oorzaken tot een schier onoverkomelijk groot conglomeraat van gevolgen. Je kunt het maar begrijpen als je inziet dat de circonstances al even complex zijn, in elk geval veel complexer dan ze door de schematiserende media, die enkel onze vooroordelen kanaliseren, worden weergegeven.

Aanvulling. Ik zei: ‘aanzwellende paranoia van de joodse gemeenschap’, maar – en dat is heel sterk van Téchiné – uitgerekend een vertegenwoordigster van die gemeenschap, en niet bepaald de meest sympathieke vertegenwoordigster, ventileert de stelling dat je zuinig moet zijn met het cultiveren van de Holocaust want het maakt ons blind voor kleiner verdriet. Met het sous-entendu dat het misschien dát is wat niet-joden de joden kwalijk nemen: niets van wat zij meemaken is in het licht van de Shoah groot genoeg om ernstig te worden genomen.