zondag 30 januari 2005

Mijn woordenboek (56)

AANWEZIG
In de aanwezigheid afwezig zijn, in de afwezigheid aanwezig. Het is mogelijk en het zegt veel over ’s mensen tweeledigheid. Lichaam en geest. Er kunnen zijn, fysiek dan, en er tegelijk niet zijn: dieren kunnen het niet. Zij zijn er altijd met hun gedachten bij. Ik daarentegen kan hier zijn met mijn corpus, maar ginds met mijn pensées. Of omgekeerd. En ja, soms zijn we helemáál present en vallen we met onszelf samen – we hoeven niet uit te sluiten dat het af en toe mogelijk is.
Het woord ‘aanwezig’ zelf zegt veel over wat het doorslaggevende is bij het er al dan niet zijn. Van aanwezigheid is pas sprake als het wezen van de partij is. Volgt daaruit dat je ergens kan zijn, ook al ben je er niet in vlees en bloed? Kunnen wij, die engelen noch geesten zijn, ergens niet-lijfelijk aanwezig zijn?
Of rafel het woord op een andere manier uit. Smokkel iets schakelaarachtigs binnen. Aan wezen en af wezen. In de zin van: aangeschakeld, uitgeschakeld. Functionerend en niet-functionerend. Ik ben aanwezig – ik ben ‘aan’, je kunt op mij rekenen. Ik ben er helemaal, niet verstrooid.
Ik herinner mij de aanwezigheidslijst in de lagere school. De namen werden afgeroepen volgens het alfabet. Het was een ritueel. Identiteitsvormend, in zekere zin. Wie zijn naam hoorde, zei ja. Neen zeggen, of ja in de plaats van iemand anders die er niet was, was zo strafbaar dat niemand ooit overwoog het te doen. Dus zei je ja, waarna je weer kon verdwijnen in je dromen en gedachten.