zondag 13 januari 2013
los ingeslagen 63
10 december 2012
Vanmorgen vroeg op Facebook opgeschrikt door het bericht van
‘facebookvriendin’ Saskia Van N. , die ik in het ‘werkelijke’ leven niet ken, dat
haar zuster zich vannacht onder een trein geworpen heeft. Het klinkt hier koel,
en zo koel was het zeker niet geformuleerd – Saskia laat haar wanhoop en
verdriet de vrije loop, net zoals ik haar nu al maanden met veel inzet en
emotie allerlei onrechtvaardige toestanden zie aanklagen. Het bericht doet mij
ook verdriet: waarom moet iemand die zo haar best doet zo erg getroffen worden?
Ik vraag mij af of en hoe ik moet reageren. Doet het er eigenlijk wel toe? Ik
zie de al bijna driehonderd reacties op het scherm defileren. Iedereen zoekt
een gepast woord, een gepaste formulering. Maar het verdriet van deze moedige –
maar o zo verwonde – vrouw blijft niet-curabel. Ik aarzel. Na de zelfmoord van
Lieven D. word ik op Facebook een tweede keer geconfronteerd met een leed dat
niet concreet is maar toch ook niet in die mate abstract of virtueel dat ik in
staat zou zijn het me niet aan te trekken.
schrikkel 352
Ik hou niet van de donkere dagen voor Kerstmis en ik ben niet
de enige. Zeker als, zoals dit jaar, ook de weergoden het laten afweten, waardoor
de tweede helft van december nog meer het karakter krijgt van een slecht
verlicht hindernissenparcours vol valstrikken – een mooie, heldere vrieskou
maakt de aaneenschakeling van opgeklopte festiviteiten zonder meer heel wat verteerbaarder.
Opgeklopt? Ik heb de indruk dat het de jongste jaren heel wat minder is. De
commercie slaagt er blijkbaar niet meer zo goed in om te dicteren hoe
goedgemutst we ons moeten voelen. Het zal de crisis wel zijn. Wie nu nog met
een kerstmuts (rood met witte bol en boord) de winkelstraten en kerstmarkten
afschuimt, is echt een looser. Vind
ik toch. Tegen gevels aanklimmende kerstmannen? Weinig gezien dit jaar. ’t Is vooral
de overheid die nog voor kerstoverlast zorgt. En toch brand ik een kaarsje. Van
Amnesty uiteraard, plus het restant van de Amnesty-kaars van vorig jaar. Twee
kaarsen dus, dat moet volstaan om het feest van de ongebroken gezinnen luister
bij te zetten. Een kerstfeest in mineur? Ach welneen, maar je moet er wel
doorheen – hunkerend naar die twee drôles
de mois, januari en februari, waarin de dagen steeds moeilijker hun neiging
tot lengen weten te onderdrukken. Het jaareinde is een klip, maar kom: we maken
er het beste van.
schrikkel 351
Als hij daar zin in had, en het paste, sprong hij op zijn
fiets en vertrok om vijf uur ’s ochtends helemaal naar Limburg, 210
kilometer naar het oosten – hij arriveerde dezelfde dag nog bij zijn, ook mijn
maar toch vooral zijn, familie. Of hij reed naar dat dorp nabij Dinant waar hij
tijdens een scoutskamp een oog had laten vallen op de dochter van de boer op
wiens grond ze hadden gekampeerd. Een keer mocht ik mee, ik was toen dertien: we
legden de afstand af in twee etappes en sloegen halverwege, in Beaumont, onze gammele
tent op. Ik denk niet dat we elkaar ooit dichter naderden. Thuis balden we
vaak. In de tuin, waar hij me de truc van Kaiser, de spits van Patro Eisden,
voordeed: de bal tussen de hakken nemen en zo in een boog over het hoofd naar
de schietvoet katapulteren om er dan ‘en volé’ een knal tegen te geven. Ook in
de slaapkamer, die we deelden want hij was, en is nog altijd, mijn broer, stond
ik in het doel: de voetruimte onder de in de ingemaakte kast ingemaakte
werktafel waarop hij zijn reeds aangevatte hogere studies (ik was, en ben, en
zal altijd zijn, zes jaar jonger) naar het einde sleepte. Mijn broer: goedlachs
en ondoorgrond.
zaterdag 12 januari 2013
vrijdag 11 januari 2013
driekleur 114
Weldra waren de gezichten hoog en hoger rood van de waarlijk
miraculeuze wijn, met uitzondering van dat van doctor Ting-Fu, dat onveranderlijk
geel bleef, met daarin gitzwarte rattenspleetjes, terwijl hij gesmoord
giechelend zeer hoge inzetten deed, en wel met een onbeschaamd geluk.
Thomas Mann, De Toverberg, 727
Thomas Mann, De Toverberg, 727
donderdag 10 januari 2013
dienstmededeling
Gezien? Op de teller, rechterkolom, 'sinds 8 juni 2004': de
kaap van de 300.000 'hits' gerond. Dat zegt en betekent niets, of niet veel, interessanter
is dat er hier dagelijks plusminus zestig terugkerende
en dat wil zeggen gemotiveerde
bezoekers komen. Daar ben ik heel blij mee. Bedankt, iedereen!
los ingeslagen 62
2 december 2012
We hebben het over het onvoldoende besproken thema
‘ansichtkaarten’. M.-A. meldt dat haar zoon E. van op zijn eerste kamp met de
jeugdbeweging liet weten: ‘We amuseren ons te pleter (sic)’. S. vertelt hoe ze naar huis briefde van op de boerderij
waar ze een lange vakantieweek doorbracht: ‘Alles verloopt normaal: de hond
blaft, de koe loeit, de haan kraait’.
J. vertelt een anekdote over zijn vriend L., hoe die als
18-jarige reageerde op een bede van Gerard Reve, maar J. als medeplichtige
inschakelde om het antwoord van de Grote Volksschrijver te capteren. L. vreesde
namelijk zijn vader, een ware ‘Sherlock Holmes’ die in staat was om te merken
dat er een stoel verplaatst was: ‘Hij zag alles’. En hij zou dus zeker de bede
van een knapenschender detecteren. Daarom vroeg L. Reve om te antwoorden p/a J.
En zo gebeurde het dat J. in het bezit kwam van een invitatieve ansichtkaart
uit Le Poët-Laval, zoals elke rechtgeaarde reviaan weet gedurende enkele jaren
de verblijfplaats van de schrijver van De
Avonden: daar was het ook dat hij eigenhandig zijn Geheime Landgoed uit de
rotsen wist te houwen, niet eerder dan na deze herhaaldelijk te hebben beplengd
met door manipulatie van zijn Geheime Deel verkregen liefdesvocht – maar we
dwalen af. Op de voorzijde van die kaart, voorstellende de hoofdstraat van Le
Poët-Laval, had de Aanbidder van de Moeder Gods en auteur (maar toen nog niet)
van Bezorgde ouders een zeker huis
met door middel van speldenprikken verkregen gaatjes omcirkeld en ‘in het
blauw’ in het heldere zwerk boven de bebouwing met een pijltje en de eenvoudige
handgeschreven boodschap ‘Hier is het’ aangegeven waar zijn jonge aanbidder L.
zich voor een snelcursus revisme kon aanbieden. J. overhandigde zijn vriend L.
het document, dat tegenwoordig ongetwijfeld de status van collector’s item moet
hebben verworven – zij het dat helaas niet L. daarvan kan profiteren want
tijdens een kortstondig verblijf in de grote stad K. werd het kleinood, dat een
tijdelijk onderkomen had gevonden in de binnenzak van zijn in alle vertrouwen
aan de kapstok van het plaatselijke cultuurhuis opgehangen jas, ontvreemd. Of
de dief, zich als ‘L.’ aanbiedend, zich spoorslags naar Le Poët Laval heeft
gerept, is niet bekend.
woensdag 9 januari 2013
reacties
Beste Pascal,
Die uitgave van Lanza del Vasto is niet in Folio (Gallimard)
maar in de reeks Médiations (Denoël).
En het zijn toch geen gedichten maar aforismen?
Hartelijke groet,
S.B.
groet
L.D.
dinsdag 8 januari 2013
schrikkel 350c / lezers 48 / ferroviaire ervaring 40
Hij was vlak voor de vertrektijd op de trein gesprongen en was op de eerste de beste vrije bank neergezegen: een rijzige, volledig in het zwart geklede jongeman met baard en wilde manen. Snakkend naar adem, de zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd. ‘Ik heb moeten lopen’, verklaarde hij – overbodigerwijs – puffend aan de enigszins verbouwereerd kijkende oude dame tegenover hem – ze had onderzoekend van haar krant opgekeken naar het misbaar tegenover haar. Over die zwarte kleren moet ik overigens nog iets zeggen: het was geen punkzwart of anarchistenzwart, neen, ’t was een gekleed zwart – de jongen droeg bovenop een zwart hemd een kostuum van dezelfde kleur, samen met zijn uitbundig gecoiffeerde artiestenkop zou je niet verwonderd zijn geweest indien er uit kraag en mouwen witte kantfrulletjes naar buiten zouden gestroomd zijn, maar dat was niet het geval. Het had gekúnd. Wel dien ik hier de spîjtige aantekening te maken dat de kostuumbroek met modderspatten bevuild was, ja zelfs dat er ter hoogte van de polsen enige snotvegen te bespeuren vielen. En op de kraag lag roos.
‘Ik moet mij eerst wat verfrissen,’ sprak de jongeman en hij verdween richting sanitair.
Wij waren hem in de drukte van ons gesprek eerlijk gezegd al een beetje vergeten, toen hij opnieuw in de wagon opdook. Zijn kapsel was nu in een staart samengebonden en daarmee was de algemene indruk keuriger. Hij had nog maar net opnieuw plaatsgenomen, maar niet op dezelfde plaats als daarnet, of hij veerde alweer recht. Dit keer met in zijn potige hand een Folio-uitgave van een werk van – ik boog mij wat voorover om het te kunnen zien – Lanza del Vasto, en in de andere een blad papier, dat een enquêteformulier bleek te zijn. Dat laatste viel op te maken uit de warrige woorden die hij sprak tot de mensen in wier gezelschap hij nu was beland. ’t Had iets met lozing van schadelijke producten in het grondwater te maken, dat wie zweeg instemde, dat er twee miljoen handtekeningen nodig waren. De Europese Unie, een verzoekschrift. Ik kreeg nu heel erg de indruk dat de jongeman gedronken had, C. hield het op: geblowd. Hij zeilde onze richting uit. Ik wenkte hem: kom maar hier met je enquête, bij ons hoef je de hele uitleg niet over te doen. Het formulier zag er net officieel genoeg uit om niet verdacht te zijn. Ik speurde naar clausules waarbij ik mogelijk mijn hele vermogen overmaakte aan een malafide organisatie (wat die malafide organisatie niet zou ontslaan van de noodzaak om ook in de toekomst malafide te zijn), maar vond dergelijke clausules niet en besloot daaruit dat de jongeman de goede zaak diende. We vulden onze namen en adressen in, en plaatsten onze handtekening. Wie kan er nu tegen schadelijke producten in het grondwater zijn. Maar ik voelde mij wel een druppel op een hete plaat: twee miljoen is niet niks.
Ik informeerde naar het bundeltje. De jongeman overhandigde het. Terwijl hij naar een volgend compartiment op handtekeningenjacht trok, namen wij de Principes et preceptes du retour à l’évidence diagonaal door. ’t Was een beduimeld exemplaar: op de laatste bladzijde stond de prijs vermeld, ‘0,50 €’. We begonnen luidop aan elkaar fragmenten voor te lezen en toen de jongeman terugkeerde van zijn – vergeefse – ronseltocht, vroegen we het ook aan hem. Hij willigde ons verzoek in. Het zweet parelde op zijn voorhoofd.
Toen we in Brugge van de trein stapten, bleef hij zitten. Hij was in een gesprek verwikkeld met de mensen bij wie eindelijk tot rust was gekomen. ‘Toch fijn,’ opperde C., ‘dat je met wildvreemden een gesprek aanknoopt.’ Ik dacht: ‘Ooit moet er een tijd zijn geweest dat zoiets vanzelfsprekend was.’ Ik hoorde de loensende vrouw die achter mij uit de trein stapte, terugblikken over haar ervaringen met de handtekeningen voor proper grondwater verzamelende poëzieliefhebber: ‘En maar zagen. Ze moesten hem in de psychiatrie steken.’
Ik van mijn kant prefereer een herinnering te bewaren aan een unieke ervaring: nooit eerder heeft iemand mij op de trein een gedicht van Lanza del Vasto voorgedragen en ik ben er quasi zeker van dat het me nooit meer zal overkomen. Ik hoop dat het verzoekschrift iets uithaalt.
maandag 7 januari 2013
schrikkel 350b / mirage 64
Vroeger zag je dat wel meer, vooral in voetbalstadions of
langs de weg waar een koers zou passeren: mannen met een transistorradio aan
het oor. We vroegen deze man dan ook of hij naar de voetbalverslaggeving aan
het luisteren was – de derby tussen Club en Cercle was aan de gang. En wat de
stand dan wel mocht zijn. Hij antwoordde heel summier, leek ons zelfs te
wantrouwen hoewel ik in het gezelschap van wel drie zeer treffelijk uitziende
dames reisde. ’s Mans vrouw bleef stuurs voor zich uitstaren. Ze had net de
krant uit en geen belangstelling voor voetbal. De sportkatern had ze dan ook
zonder al te veel zelfopoffering aan haar levenslange gezel afgestaan.
Onmiddellijk na onze vraag legde de man zijn radio neer en luisterde niet meer
naar het verslag. Alsof hij nog meer vragen van onze kant wilde vermijden.
Akelig.
schrikkel 350a

Op de Permeke-overzichtstentoonstelling was een filmpje te zien waarop we de meester aan het werk zien. Sigaarstomp in de bek, stevige embonpoint, broek opgehouden met bretellen, palet in de ene en borstel in de andere hand konterfeit hij, telkens achter- en vooruittredend en monsterend een ‘levend model’. Een enkele keer gaat hij van zijn ezel weg om zijn ‘onderwerp’ van nabij te vorsen. De vrouw is naakt. Naakter dan naakt eigenlijk, naast dit brombeerachtige kaliber. Ze zit zelf, zoals ze dat dan zeggen, goed in het vlees – maar in vergelijking met Constant oogt ze mager. Op het einde van de sessie mag ze eens gaan kijken wat hij ervan gebakken heeft. Opmerkelijk dat ze niet meteen een kamerjas aantrekt, zeker met een camera in de buurt. ’t Moet nogal confronterend geweest zijn. Maar misschien had ze een goed oog. Of gewoon fiducie in het ongemeen grote talent van haar werkgever. En terecht!
facebookbericht 358
Ja, 't is beangstigend om zien: hoe die kerel wéét dat hij alleen maar kan scoren en ongegeneerd sarcastisch lachend de buit binnenrijft. Zelden gezien. We kunnen ons enkel vastklampen aan de hoop dat ook dit keer hoogmoed voor de val komt.
zondag 6 januari 2013
los ingeslagen 61
1 december 2012
Ik lees in de Brel-biografie van René Seghers dat Brel zijn familiekaartjes al vanaf zijn 34ste begint te ondertekenen met le vieux. Omdat hij drie keer sneller leeft dan een ‘normaal’ mens en op het ogenblik dat hij sterft minstens de helft van zijn longen en leven zal blijken te hebben opgestookt, moeten we die 34 vermenigvuldigen met laat ons zeggen anderhalf: wat een andere man op zijn vijftigste ervaart, voelt Brel al halfweg de dertig aan.
Die signatuur, overigens, brengt in mij de herinnering boven
water dat mijn vader ook soms ondertekende met: den ouwe. Ongetwijfeld ironisch-sarcastisch, en niet al op zijn 34ste,
maar toch: de teneur is verwant. Er steekt een gevoel van mislukking, van
vergeefsheid in. Je bent volgens de burgerlijke stand nog jong misschien, maar
toch al vroeg-oud. De boodschap is die van de mannetjesleeuw die verstoten
wordt door zijn troep: ‘Ik weet het, schrijf mij maar af’. Een trieste, overigens
typisch mannelijke abdicatie. Ik kan me niet voorstellen dat een vrouw op
dezelfde manier, met dezelfde bewust nagestreefde connotatie met la vieille zou ondertekenen.
zaterdag 5 januari 2013
reactie
Misschien, Pascal,
Of er wordt verondersteld dat de deuren misschien ooit van
binnenuit zullen openen, weet niemand. Het is waarschijnlijker dat het gewoon
minder comfortabel is om te proberen slapen met je neus in het urinoir. Met het
risico om ook nog eens door een ander, in minder frisse toestand, te worden
ondergepist. Want zó droog is het er nu ook weer niet.
Grtz,schrikkel 349
Mijn buren hebben hun gebouw verlaten maar je weet maar
nooit dat die dubbele deur nog eens van binnenuit wordt geopend. Daarom heb ik
mijn bed ernaast geïnstalleerd, al was het in de hoek toch wat gerieflijker
geweest. Ik lig nu tegen een stuk muur met fraaie sierlatten. Eentje ervan is losgekomen,
maar dat kan me niet deren. Alles bij elkaar vind ik het wel een mooie
slaapkamer, aangenaam van proporties en kleuren. Hoog en droog, daar in die
zuilengang. Alleen jammer dat mijn kamer maar twee muren heeft en rechtstreeks
op de straat uitgeeft. Dat geeft inkijk (niet dat ik veel te verbergen heb) maar
vooral: het tocht er wel eens en verwarmen is onmogelijk. Toch kan ik, zoals
iedereen, overdag gewoon mijn bed laten staan. Geen mens is geïnteresseerd in
mijn karton. En als het al eens is meegenomen, weggewaaid of door een slagregen
onbruikbaar gemaakt, dan vind ik er wel vlug een nieuw.
Abonneren op:
Posts (Atom)



















