donderdag 11 december 2008

Stad & ommeland (11)

Brugge, Steenkaai - 080909

Dag 471 vVH&C

081202 – Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier gaat over het aloude filosofische probleem van vrijheid versus determinisme, en over de behoefte van de mens om zijn leven te overzien, om daarin een eenheid te ervaren. Het leven is een opeenvolging van keuzemogelijkheden, het is een tuin van paden die zich splitsen. De tragiek van de mens is dat hij zich altijd bewust is van het verlies dat hij lijdt in de niet-benutte mogelijkheden.

Op een gegeven ogenblik in zijn leven, ergens halfweg, komt een man tot de pijnlijke vaststelling dat hij nooit piano zal kunnen spelen. Om maar dat voorbeeld te noemen. En hij beseft dat hij, wil hij desalniettemin toch nog gelukkig zijn, daarmee vrede zal moeten nemen. Ter compensatie van dit leed probeert hij zijn leven te overzien als in een verhaal. Daartoe moet hij de genomen en niet-genomen keuzes inkaderen in een narratieve structuur. Hij wil in dat vertellen schoonheid, poëzie creëren. Want dat is ook een vrijheid die hij kan assumeren: hij moet zien los te komen van de voorhanden clichés en het oppervlakkige gepraat, die een kluister vormen, en zich proberen te verlaten op ‘het licht van de poëzie’.

Hij had het over de dictatuur van de verkeerde en de vrijheid van de juiste woorden, over de onzichtbare kerkers van de taalkitsch en over het licht van de poëzie.

Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon (Amsterdam 2008, 24ste druk), 296

De heelheid van het leven waarvan het bewustzijn, dat het zal ontbreken, bij iemand het zweet op het voorhoofd drijft – wat kan dat zijn? Waaruit kan die heelheid bestaan als je bedenkt hoe fragmentarisch, wisselvallig en grillig ons leven is, het uiterlijke leven niet minder dan het innerlijke? We zijn niet uit één stuk gegoten, absoluut niet. Hebben we het dan gewoon over ons verlangen naar een verzadiging van onze belevenissen? Was datgene waaraan Jorge leed het onvervulbaar geworden verlangen achter een glanzende Steinway te zitten en je de muziek van Bach zo eigen te maken als alleen mogelijk is wanneer die muziek door je eigen handen wordt voortgebracht? Of gaat het ons om de behoefte voldoende dingen te hebben beleefd om over je leven te kunnen vertellen alsof het een afgerond geheel is?
Is het uiteindelijk een kwestie van het zelfbeeld, van een dwingende voorstelling die je je langgeleden hebt gemaakt van wat je gepresteerd en beleefd zou moeten hebben om van het leven iets te maken waarmee je tevreden kunt zijn? De angst voor de dood als de angst voor het onvervulde, schijnt het, heb ik dan helemaal zelf in de hand, want ik ben het immers zelf die het beeld van mijn leven, van een vervuld leven, ontwerpt.

Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon (Amsterdam 2008, 24ste druk), 200

1619

De Panne – 081207, 13u50

woensdag 10 december 2008

Dag 469 vVH&C

081205 – Het decor van het toneelstuk Lachstuk van Toneelgroep Ceremonia (dat mij bijzonder goed beviel maar aan recensies van toneelstukken waag ik mij liever niet) bestond uit een tweehonderdtal op het speelvlak geplaatste lege flessen. (Het kunnen er ook driehonderd geweest zijn, ik maak een schatting op basis van een telling in één vak van een denkbeeldig rooster.) De twee personages stapten, sprongen, dansten tussen die flessen door, aanvankelijk zonder er ook maar één te raken, maar naarmate het stuk vorderde, verdween die onwaarschijnlijke accuraatheid, wat de menselijkheid van het geleverde spel ten goede kwam. Over niet-raken ging dat stuk overigens, en over, als er dan toch geraakt werd, het kwetsende, onhandige raken. Ik zei het: menselijk. (De regie van het stuk was van Johan Knuts, wiens naam, het mag u niet ontgaan, een relevant anagram is.)

1618

S.

dinsdag 9 december 2008

Hans Münstermann, Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf

081128 – Andreas Klein heeft het in Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf moeilijk met vrouwen. Op het einde van het boek zit hij met een groepje ‘beschadigde’ mannen te pintelieren op een Amsterdams terras. Voorwaarde om tot de club te behoren is: alleen zijn, verlatene of verlater. Wat moet je met vrouwen. Een oprechte vriendschap met deze vreemde wezens is onmogelijk: ‘De vriendschap van elke man, voor een vrouw, berust op misbruik […]. Dat is een treurige wet.’ Maar je kunt ook niet zonder want elke man is een kind dat terug naar zijn moeder wil. Opgenomen wil worden in de moederlijke warmte.

Hans Münstermann vertelt het verhaal van Andreas: hoe hij het huis verlaat en in de invloedssfeer komt van een enkele jaren oudere student, zijn eerste contacten met meisjes en vrouwen, de lang aangehouden maagdelijkheid, de rusteloze omzwervingen en het onverbeterlijke onvermogen om het sekseverschil te overbruggen. Uiteindelijk staat hij met een ruiker bloemen aan het ziekbed van een ‘rondborstige’ groentevrouw die hij heeft leren kennen in de kruidenierszaak om de hoek. Haar lievelingskonijn is net overleden, ze bewaart het kadaver nog even in het diepvriesvak. En nu mag Andreas haar troosten.

Münstermann hanteert een onderkoelde, franjeloze stijl. Heel veel dialogen, weinig duiding, een razend tempo. Hij plaatst flarden en woordpartijen naast en onder elkaar en vertrouwt erop dat dit iets genereert. Hij genereert niet altijd iets, vind ik. 

Hij gebruikt heel vaak de harde return. 

Naast de liefdesperikelen van Andreas Klein, krijgen we ook het een en ander over geloof en nationalisme opgedist. Andreas reist nogal wat in dit boek: naar een Grieks eiland (waar hij leert dat de ogen van mevrouw Guggenheim hem nooit zouden kunnen troosten – dat vond ik wel mooi), maar ook naar Praag en Polen en allerlei Duitse stadjes. Hier raken we een ranzig kantje van dit boek, iets waar ik niet goed mee overweg kan. Münstermann, dat is geweten, had zelf een Duitse vader. En zijn moeder was, als ik het goed heb, een joodse. De nationaliteiten- en rassenkwestie, en natuurlijk de hele Tweede Wereldoorlog, zijn uit zijn werk niet weg te branden. Ook hier komt het nadrukkelijk aan bod. Andreas reist met zijn joodse vriendin Deborah door Duitsland. Deborah heeft in alle casino’s van de plaatsen die met ‘Bad’ beginnen die ze aandoen het geluk aan haar zijde. Het lot zorgt voor een Wiedergutmachung. Andreas wil per se naar Berchtesgaden, naar Hitlers Arendsnest, en natuurlijk ook naar Auschwitz in Polen. Tegelijk, het verhaal speelt in 1974, staat Nederland in de finale van de Wereldbeker tegenover Duitsland. (Dat doet denken aan Fassbinders Wirtschaftswunder-film Die Ehe der Maria Braun, die eindigt op de voetbalfinale Duitsland-Hongarije van 1956.) Andreas Klein werpt zich op een brits in een van de stallen van Auschwitz en roept: ‘Die Gerd Müller, wat een klootzak.’ 

Ik weet niet wat ik hiermee aan moet. Münstermann roept de onmacht op die ontstaat bij wie het ondenkbare probeert te herdenken. ‘Het kostte [Deborah] nu heel even moeite om niet te lachen.’ Een beetje verder is het erover. De ‘beschadigde’ vrienden bestellen iets te eten. Carlos’ joodse vrouw is er vanonder gemuisd met een jonge knul. Met medeneming van haar, en Carlos’, dochter. Carlos sakkert: ‘“Ze was zo opgefokt de laatste tijd. En dan dat gedoe over haar joodse identiteit.” / De nasi wordt op tafel gezet.’ 

Hans Münstermann, Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf (Amsterdam 2001)

1617

maandag 8 december 2008

Mijn woordenboek (208)

AFSCHEIDSREDE

Nog een moeilijk genre (zie Afscheidsbrief). De verleiding is groot om deze laatste gelegenheid te baat te nemen om eens flink in het rond te schoppen. Uw collega’s van jaren ver, die allang niet meer uw vrienden zijn, staan voor u verenigd in unisono geveinsde treurnis. Zij zijn, behalve stikjaloers, zielsgelukkig dat ze eindelijk van u verlost zijn. Er hangt een schier ondraaglijke spanning in de lucht. Zult u gebruik maken van deze laatste buitenkans om lucht te geven aan uw jarenlang opgepotte ergernissen? Ze rekenen er natuurlijk op dat u het niet zult doen, dat u zich, zoals u altijd hebt gedaan, zult plooien naar de eisen van de voorzichtigheid en de collegialiteit. Maar tijdens enkele kleine incidentjes, die zich in de loop der lange gezamenlijke jaren hebben voorgedaan, hebt u ook een scherp en onberekenbaar kantje van uzelf laten zien – en dat rechtvaardigt hun angst.

U geniet van die angst. U laat uw gehoor, de eerste en laatste keer dat u in deze keet een gehoor hebt, graag nog wat sudderen.

U kunt nu twee kanten uit. De eerste mogelijkheid is er alleen in theorie. Natuurlijk zult u niet toegeven aan de aandrang om uw gal te spugen en de openstaande rekeningen te innen. Die moed hebt u niet. En kijk, u maakt meteen, bliksemsnel, een berekening. Zijn deze mensen uw toorn waard? Natuurlijk niet. En bovendien: straks slaat u voor de laatste keer de deur achter u dicht. En wat zou u dan hebben gewonnen? U zult niet eens kunnen genieten van de verbijstering die u zou achtergelaten. U hebt niets te verliezen, dat is waar, maar tegelijkertijd hebt u ook niets te winnen. En kijk, u hebt meteen een buitenkans om in stijl afscheid te nemen van deze mensen. U zult groots zijn en niets zeggen. U zult dankbaarheid voorwenden en nauwelijks verhuld verdriet omdat u het stramien van zekere dagelijkse ontmoetingen moet inruilen voor een ongewisse toekomst van eenzaamheid en nutteloosheid.

U ziet tegen de achterwand de met wit papier afgedekte tafel vol versnaperingen en drankjes en u herstelt het evenwicht en mompelt de obligate dankbetuigingen – u doet het nodige om te worden bijgeschreven in het grote vergeetboek van het bedrijf, de school, de instelling waar u de beste jaren van uw leven hebt gesleten en waar u in ruil voor veel te weinig geld en veel te veel ergernissen uw dagelijkse brood hebt verdiend.

U mompelt schutterig de zinnen die u op uw spiekblaadje hebt genoteerd, u laat zich het halfhartige applausje welgevallen en u neemt het obligate salontafelcadeauboek in ontvangst. U heft het glas goedkope schuimwijn. U ontwijkt de natte kus van de secretaresse die een nog lower profile had dan het uwe. Door de welgemikte schouderklop belandt een deel van het goedkope bubbelgoedje op haar jurk. En kijk, daar zijn een paar ex-collega’s al verwikkeld in een gesprekje over de orde van de dag – daaraan deelnemen heeft al geen zin meer. Nu moet u maar zo snel mogelijk het pand verlaten, met de gewisse zekerheid dat van alle voornemens – we zien elkaar wel terug, u hoort zeker nog van ons – niets in huis zal komen.

1616

Bea's bananenboom nu.

zondag 7 december 2008

Het bestáát (48)

081126 – Bij de oversteekplaats kijk ik om en krijg op die manier oogcontact met een jonge vrouw die achter mij een sigaret opsteekt. We zijn net uit de winkelgalerij naar de straat opgeklommen. In de winkelgalerij heerst een rookverbod en straks op haar werk mag het ook niet meer. Deze jonge en zeer aantrekkelijke en rokende vrouw is in een gesprek verwikkeld. Met een andere jonge vrouw, die ook een sigaret opsteekt. Tussen mij en háár, deze tweede, eveneens aantrekkelijke maar niet zó aantrekkelijke vrouw, komt géén oogcontact tot stand. Omdat ik in dat eerste oogcontact blijf steken, maar ook, natuurlijk, omdat die tweede vrouw geen notie neemt van mijn bestaan.

Deze vluchtige prikkeling heerst in mijn geest zolang mijn doortocht door het park duurt. Stel dat, zoals in het boek van Hans Münstermann waarin ik op de trein heb zitten lezen, die vrouw… Enzovoort. Mannen zijn ziek. Eén vluchtige blik kan hun evenwicht, dat zij anders toch vrij goed in stand lijken te houden, danig verstoren. Zij beginnen na te denken over wat dat dan precies is dat de aantrekkelijkheid van een vrouw uitmaakt, en voor zij hierop een antwoord hebben weten te verzinnen, zijn ze al aan het dromen over wat en hoe en waar ze met deze vrouwen…

Enzovoort.

De zitbanken bij de kiosk glimmen nog na van de nachtelijke nevels. Ze staan in slagorde, ik maak er een foto van.
In de kiosk is een zwarte man met een capuchon op zijn hoofd aan het schaduwboksen. Hij maakt daarbij de briesende geluiden die bij het schaduwboksen horen.

Een duif vliegt op, twee kraaien zetten hun eeuwige conversatie voort. Ik vraag me af wat hun geslacht is. Als het mannelijke kraaien zijn, hebben ze het ongetwijfeld over de aantrekkelijkheid van vrouwelijke kraaien.

Aan de oversteekplaats tussen park en parlement moet ik opnieuw wachten. Een stroom auto’s van links belet mij het oversteken en, wanneer die eindelijk voorbij is, blijkt er alweer een stroom auto’s die van rechts komt op gang te zijn gekomen. En niet één auto die stopt. Het ware gemakkelijker om de Rode Zee over te steken.

En als ik aankom waar ik moet zijn, ben ik het alweer helemaal vergeten…

1615

De Panne – 081116, 12u01

zaterdag 6 december 2008

Mijn woordenboek (207)

AFSCHEIDSCADEAU, AFSCHEIDSFEEST, AFSCHEIDSKUS

Niets is meer een doekje voor het bloeden, een kluitje in het riet, een pad in een korf dan het afscheidscadeau. Bloedgeld: er wordt iets afgekocht. Een oxymoron: twee tegengestelden in één begrip gevat. De gouden handdruk van ons onvermogen om iemand gewoon de trap in zijn kont te geven die hij nu alleen maar in bedekte termen krijgt – maar daarom niet minder krijgt.
Wat moet je met zo’n afscheidscadeau?

Hangt ervan af wat het is, zult u zeggen. Als het een fles is met een of andere geestverruimende en troostende liquide, dan zou ik zeggen: soldaat maken, en snel. Is het een dure vulpen waarvoor je tegenwoordig ver moet zoeken om er nog inkt voor te vinden, dan kun je er je wrevel en je ergernis mee van je af schrijven. Is het, godbetert, een tinnen bordje, dan keil je het beter meteen in de KGA-bak want het zal je tot je dood in de weg staan.
Bloemen, dat is eigenlijk het eerlijkst. Die zijn in een week verlept en drukken perfect uit wat jij in hun hoofden binnen afzienbare tijd zult zijn.

’t Is hoe dan ook een vergiftigd geschenk, dat afscheidscadeau. Het is bedoeld om van jou de vergevingsgezindheid af te kopen voor hún onvermogen om de herinnering aan jou te bewaren. Want vergeten zullen ze je, onvermijdelijk.

Het afscheidscadeau is altijd een vergiftigd geschenk.

*

In het afscheidsfeest proeven we al de vreugden van het begrafenismaal.

Zie Afscheidbrief, Afscheidscadeau en Afscheidskus

*

In de afscheidskus kust Judas altijd mee.

Zie Afscheidbrief, Afscheidscadeau en Afscheidsfeest

Mijn woordenboek (206)

AFSCHEIDSBRIEF

Een onmogelijk genre. Ofwel duidt het bestaan van de brief erop dat de schrijver het nog de moeite waard vond er een te schrijven, en dat hij (of zij) dus liever geen afscheid had willen nemen – ofwel komt de afscheidnemer er niet toe om een afscheidsbrief te schrijven omdat het afscheid wat hem (haar) betreft definitief is en dus geen brief meer waard.

Dat is de meest extreme formulering van het probleem dat zich hier stelt. De soep wordt natuurlijk niet altijd zo heet gegeten als hij wordt opgediend – de afscheidsbrief wordt wel degelijk geschreven. Maar dan wordt het probleem zichtbaar in de manier waarop hij wordt geschreven, in de stijl, in het al dan niet bloemrijk formuleren. Een afscheidsbrief die verzorgd is, die aandacht besteedt aan de vorm en aan de woordkeuze, verraadt dat de steller de conversatie nog niet als voltooid beschouwd. Wie daarentegen ervan overtuigd is dat de woorden in zijn (haar) brief de laatste zullen zijn, en dat hij (zij) dus een brief aan het schrijven die in de zuiverste zin van het woord een afscheidsbrief is, zal niet geneigd zijn nog in veel krullen en nuances te denken.

1614

Brussel, Leuvenseweg; ‘The Sequence’ van Arne Quinze wordt opgetrokken – 081112, 9u52

Zieginds

Brussel - 080115, 12u01

vrijdag 5 december 2008

Reactie

Jammer dat ge Wannes Van de Velde niet hebt gekend. Ik denk dat hij ook voor jou een compagnon de route had kunnen worden.

Ik heb hem wel gekend want hij kwam vroeger bij mij in Brugge af en toe grafiek maken en drukken – meestal zwart-wit illustraties voor zijn dagboeken. Zeker eens lezen trouwens die dagboeken. En ik ben zeer gelukkig dat ik hem heb mogen leren kennen.

Inderdaad, een uiterst ‘breekbaar’ en integer iemand die zich als kunstenaar bewust zeer kwetsbaar opstelde.

Met een zeer belangrijke les voor iedereen die nog de euvele moed heeft ‘iets met kunst’ te maken. Het kan een liedje zijn, een tekstje, een schilderijtje of fotootje.

‘Doen’, zei Wannes , ‘nie zeveren, maar doen wa da ge moet doen en astublieft gene theoretische zever over hoe ge da zou kunnen en moeten doen, maar gewoon doen! Zoals een kind da zou doen.’

Pieter

Reactie

Esthetiseren van leed. Tja. Ik heb me ook al vaker afgevraagd hoe het zit met die twee (ogenschijnlijk) totaal tegengestelden. Enerzijds ben ik geneigd te beweren dat je het leed 'op zijn scherpst' moet tonen, en dat betekent niet noodzakelijk 'op zijn flagrantst' of 'op zijn rauwst'. Aan de andere kant is er natuurlijk ook de maker van het beeld, de fotograaf dus, die veel geleerd heeft over standpunt, diepte, compositie, licht, etc. van een foto. Hij/zij heeft de absolute neiging om sterke foto's te maken, die ook nog goed in elkaar zitten, zeg maar 'mooie' foto's wil maken. De meeste goeie fotografen willen het met alle foto's, dus waarom niet met foto's die leed laten zien. Finaal denk ik dus niet dat fotografen nu meer esthetiseren dan vroeger en dat er wellicht minder sprake is van een weloverwogen poging om meer esthetiek in schrijnende beelden te steken - omdat het zónder niet meer zou 'aanslaan' -, maar dat deze esthetiek altijd al aanwezig is geweest.

En er is ook nog dit: in de tekst wordt geopperd dat de kijker - consument - niet meer of nauwelijks nog beïnvloed wordt door beelden van leed. Dit gaat denk ik op voor een aanzienlijk deel van de mensen. Voor zij die zich liever baden in apathie en/of egoïsme en liever beelden zien van bv's, glamourgirls, tropische bestemmingen en designmeubelen. Laten we ook niet vergeten dat er 'een afstandelijke wereld van beelden' is ontstaan naast de realiteit. Maar ook voor hen die zich door deze beelden machteloos weten. We staan er even bij stil - even - en klasseren ze. We hebben al veel leed gezien, op foto's weliswaar. We dienen blijvend geconfronteerd met deze beelden. Er zijn ook steeds weer 'nieuwe' jonge mensen die in de volwassenheid treden en zich een oordeel moeten vormen van de realiteit. Het is vergelijkbaar met de steeds terugkerende items in de tijdschriften. Als de Flair zichzelf blijft herhalen is het omdat zij weten dat er zich elke week weer potentieel nieuwe lezers aandienen.

Luc

100 woorden (13)

Mike Disfarmer, Norris and Fanny Massey with Roland, Pearly Ann and Noami (1939), coll. FotoMuseum Provincie Antwerpen.

De verbazing van het blootsvoetse kleinste kind. Zij heet, nog tintelend, Pearly Ann. Haar zus Noami is al gevat door ouwelijkheid. Roland, paternalistisch gelijnd aan vaders kant, kijkt gefascineerd naar de demonstratie van lichtmaaltechniek. Zijn slonzige hoedje zegt: ik zal worden als hij: groot en stevig. Pater familias. De moeder, Fanny, getekend (en geketend), lijkt, zichzelf wegcijferend, haar dochters voor zich uit te duwen. Tussen haar en haar gemaal: de streep, fataal. Zij komt daar nog over. Norris, net als zijn vrouw al minder scherp in de focus gevat, al verdwijnend, de getaande hand op de rug. Geen compliciteit, eenzelvigheid.


(Van de foto is voor het gebruik op de cover, heel wreed, de onderkant afgesneden. In het boek staat de foto volledig afgedrukt, maar het boek is al terug naar de bibliotheek...)

Dag 464 vVH&C

081124 - Overschrijven (109)

Dans Arles, où sont les Aliscans,
Quand l'ombre est rouge, sous les roses,
Et clair le temps,

Prends garde à la douceur des choses,
Lorsque tu sens battre sans cause
Ton cœur trop lourd ;

Et que se taisent les colombes :
Parle tout bas, si c’est d’amour,
Au bord des tombes.

Paul-Jean Toulet (met dank aan S.)

1613

Brussel, Warandepark – 081106, 10u48

donderdag 4 december 2008

Ondertussen in Brugge (127)

070522

Dag 463 vVH&C

081123 – In ‘Waar het allemaal goed voor is’, een essay over Susan Sontags Regarding the Pain of Others (opgenomen in de bundel Lichtpapier), onderzoekt Dirk Lauwaert onze relatie met gruwelbeelden. Hij doet dat op de hem kenmerkende diepzinnige, zoekende, tastende, stugge manier.

Oorlogsbeelden tonen allang niet meer de moed en de opoffering van de held (zoals ze aanvankelijk deden – wij kunnen het ons nog maar moeilijk voorstellen). Die onderwerpen werden onderworpen aan het taboe. Het enige wat we nog te zien krijgen, is het leed van het slachtoffer. Deze beelden appelleren ons invoelingsvermogen en eventueel onze compassie, onze solidariteit. Maar wij kunnen slechts een beperkte mate van dat soort beelden aan. Wij zien er te veel en worden immuun. Of wij wenden de blik af. Draaien de knop om. Verzetten ons tegen de morele imperatief ‘Gij zult kijken want gij móet weten’.

Lauwaert citeert met instemming ‘Postman’, ik vermoed de Neil Postman van Wij amuseren ons kapot: ‘Postman suggereert dat het appèl op ons dat niet in handelen kan omgezet worden, een leerschool in cynisme is.’

Hoe moet het nu – want de gruwel, de pijn, het leed moeten toch getóónd worden, daar lijkt iedereen het over eens? Hoe kunnen de beelden van de pijn van anderen opnieuw overtuigingskracht krijgen en een mobiliserende werking uitoefenen?

Want een ding is zeker: de impact van gruwelbeelden is ondraaglijk geworden. Niet door de beelden zelf maar door de houding die wij tegenover die beelden aannemen. Deze houding wordt geconditioneerd door de context waarin die beelden worden aangeboden (die context is altijd een enscenering, een manipulatie), door de verzadiging die is bereikt door de hoeveelheid beelden die wordt aangeboden. Biafra indertijd had een veel grotere impact dan de zoveelste hongersnood in Ethiopië die ons nu wordt voorgeschoteld. Alweer veertig mensen in Bagdad opgeblazen? We zien mensen kermen en maken ons zelfs geen begin van voorstelling van de pijn die daar geleden wordt. Een neergestort vliegtuig is een karkas van staal. De verbrande lijken krijgen in ons begrip zelfs geen plaats meer, wij vragen alleen of de zwarte doos is gevonden.

Wat kunnen we doen?

Lauwaert (in navolging van Sontag) brengt een onderscheid aan tussen herdenken en overdenken. Om het getoonde leed te overdenken, in een bredere context te plaatsen, is een afstand nodig. Een te rechtstreekse confrontatie met de specifieke gruwel vernietigt de betrokkenheid, drukt ons met de neus op de feiten. De nodige afstand wordt aangebracht door de louter registrerende blik van de camera (voor zover die bestaat, natuurlijk) in te ruilen voor een stilering, een esthetisering. Dat soort foto’s spreekt meer aan, communiceert beter waar het over gaat en bereikt wél nog onze sensibiliteit. En de afstand maakt het mogelijk om de tweespalt held-vijand, of dader-slachtoffer, te overstijgen. ‘[D]e fotografie boven de specificiteit uittillen en haar een algemene zeggingskracht geven.’

‘Het ongekuiste beeld brengt dichtbij, maar vervreemdt ook radicaal [omdat wij ons het getoonde leed ten enenmale niet kunnen voorstellen, omdat wij het hoofd afwenden]; het getransponeerde beeld duwt op afstand, maar laat mij toe.’ Een denkende in plaats van een prikkelende, een uitbeeldende in plaats van een vastleggende fotografie. De voorbeelden die Dirk Lauwaert geeft zijn Sebastião Salgado en W. Eugene Smith. Door de onverhulde esthetiek wordt de boodschap alsnog gecommuniceerd.

[Foto: Salgado]

[Foto: Smith]

Nog een stap verder dan esthetiek gaat enscenering. Hier wordt Dead Troops Talk (1992) van Jeff Wall als voorbeeld gegeven, een in een studio opgezette scène met ‘Russische soldaten’ die in een hinderlaag zijn gelopen. Het beeld bestaat uit deelbeelden, die digitaal gecompileerd werden.

De boodschap is ongetwijfeld waarheidsgetrouw, de manier waarop is dat niet. Maar wat is het belangrijkste? We zijn inmiddels zo vertrouwd met verhakkelde lichamen dat het wel helpt om de zaak een beetje in de verf te zetten: ‘de zwakheden van de oorlogsbeelden [kunnen] slechts gecounterd […] worden door constructie en esthetiek. Maar juist constructie en esthetiek staan in fotografie onder de allergrootste verdenking.’ Wie beelden maakt die tot overdenken aanzetten, die de gruwel in zijn algemeenheid willen tonen en aan de kaak willen stellen, los van elke partijdigheid, moet afstand nemen en dus, want dat valt samen, esthetiseren.

Dat is tegen de stroom in roeien want het publiek wil gerustgesteld worden, het wil partijdige beelden. Bij gebrek aan helden wil het dan toch minstens slachtoffers zien, besluit Lauwaert.

1612

Brugge, station – 081104, 9u52

woensdag 3 december 2008

Dag 462 vVH&C

081123 – Overschrijven (108)

Dat Sontag [in Kijken naar de pijn van anderen] ervoor moet pleiten dat haar lezers de verschrikkingen van het geweld onder ogen zien, zegt iets over de aanrakingsangst van haar medeburgers voor het geweld dat hun land ondergaat en aandoet. Het klinkt echter nog problematischer als men de Amerikaanse obsessie met het gefictionaliseerde geweld in de redenering betrekt.


Dirk Lauwaert, Lichtpapier (Antwerpen/Amsterdam 2007), 53

1611

K. & D.

dinsdag 2 december 2008

Marcel Möring, Het grote verlangen

081124 – Een spannend verhaal brengt bij de lezer een suspension of disbelief teweeg. Wij wéten voortdurend dat we fictie lezen, maar om echt méé te zijn, moeten we dat vergeten. Of toch min of meer vergeten. De schrijver die dat weet te bewerkstelligen, heeft stijl, heeft metier.

Bij sommige boeken gaat het niet in de eerste plaats om een spannend verhaal. In de zin van: een plot, met een opbouw, ontknoping, afwikkeling… In Het grote verlangen van Marcel Möring bijvoorbeeld is er wel iets dergelijks, wij willen weten hoe en waardoor en waarom, maar het gaat toch in de eerste plaats om iets anders. Meer dan een verhaal is Het grote verlangen een structuur. Een bouwsel. De suspension of disbelief, het opschorten van ons ongeloof, betreft hier niet zozeer de realiteit, of beter het gebrek daaraan, van de personages en de verwikkelingen waarin zij terechtkomen, maar de manier waarop het boek is geconstrueerd. Je weet dat het een kunstig opgezette constructie is, maar om daarvan te genieten moet je dat even vergeten. Je moet de stellingen waarin het bouwwerk is gevat kunnen niet zien.
 
Marcel Möring slaagt meesterlijk in dat opzet. Pas helemaal aan het eind blijken alle stukken, die hij hier en daar in zijn roman heeft laten rondslingeren, in elkaar te passen. De amnesie van het hoofdpersonage Sam wordt geleidelijk opgeheven. Bovendien is dit proces op een zinvolle manier verwikkeld met een volwassenwording en een wijziging van het inzicht in wat liefde is. Want dat is Het grote verlangen bovenal: een liefdesroman. Niet een roman over een liefdesrelatie, maar een roman over de liefde: het verschijnsel, het fenomeen, het bizarre gegeven van de liefde. Het ‘geheim’ van de liefde. Pas als het verlangen naar de terugkeer van de herinnering is ingelost, kan het verlangen naar liefde zich op een juiste manier manifesteren.

1610

D.

maandag 1 december 2008

Getekend (6)

Woody Allen, Vicky Cristina Barcelona

081120 – Het probleem van Vicky Cristina Barcelona is dat Woody Allen te veel moeilijk materiaal in een film van nauwelijks anderhalf uur heeft willen proppen. De immer ontoereikende communicatie tussen mensen, het mysterie van de liefde, de kerker van het huwelijk, de valstrik van het materialisme, de vreugden van de creatie – die echter in een tijd waarin iedereen zich kunstenaar waant danig onder druk staan. 

Woody Allen toont zich ook in deze film een meester in het op flessen trekken van vernissageleed. Neem de communicatie. Heel veel van de mislukkingen in relaties tussen mensen hebben te maken met communicatie-insufficiëntie. En daar gaat deze film dan ook uitdrukkelijk over, zoals wellicht álle Woody Allen-films. De transcontinentale reikwijdte van gsm’s en de voortdurende bereikbaarheid van de gsm’ers, de mogelijkheid om tot op 12.000 meter hoogte in een vliegtuig op je laptop naar je favoriete soap te zitten kijken…: Allen benadrukt dat de mensen elkaar, in weerwil van alle mogelijkheden en technologieën, niet nader zijn gekomen. Ze ruziën en kibbelen, en of ze dat nu doen in één, twee of nog meer talen, de misverstanden en het onvermogen blijven groot. Dat maakt het moeilijk om met twee mensen, binnen het klassieke heteroseksuele koppel, een duurzame relatie uit te bouwen en te handhaven. Al is, het moet gezegd, Penelope Cruz (en onvermijdelijk, gezien haar envergure en carure, de personages die zij incarneert) geen katje om zonder handen aan te pakken. Om het nu maar eens plat, nuja, te zeggen: ik zou met haar niet willen getrouwd zijn. 

Maria Elena (Cruz) en Juan Antonio (Javier Bardem, ook in de werkelijkheid Cruz’ partner) zien hun stormachtige relatie, die gebaseerd is op kunst, seks en exuberant geruzie, stranden. Niet dat hun liefde dood is, verre van, maar de klippen zijn te scherp. Kunstschilder Juan Antonio, in menige penseelstreek schatplichtig aan zijn gade, blijft alleen achter en met een zekere savoir vivre stort hij zich op de jacht. Twee Amerikaanse toeristes, Vicky en Cristina, zijn z’n eerste prooien. Jawel, twee. Om een lang verhaal kort te maken: er ontstaat een driehoeksverhouding. Tussen Maria Elena en Juan Antonio laait het oude vuur weer op, Cristina is de aanvullende derde die ervoor moet zorgen dat de brand niet nog eens uitslaat. 

 Het is geen eenvoudige klus om dit seksthema op een ernstige en geloofwaardige manier aan te brengen zonder te vervallen in de discutabele jodelretoriek van een doordeweekse Tirol-rolprent. Zeker omdat Allen – uit preutsheid of uit commerciële overwegingen, dat is niet duidelijk – er niet toe komt om zich niets aan te trekken van de Amerikaanse dubbele moraal in sexualis. We krijgen in deze film geen vierkante centimeter onoorbaar bloot te zien. Zelfs wanneer, na uit het bed te zijn gestapt (in onderbroek!), Juan Antonio al in het lang en in het breed uit beeld en uit de kamer is verdwenen, blijft Scarlett Johanssen zedig haar boezem met het satijnen bedlaken aan het oog, aan onze ogen, aan mijn oog, onttrekken. 

Allens thesis – het klassieke koppel heeft afgedaan of het is dan toch zeker slechts één van de vele mogelijkheden om seksualiteit en samenleving te organiseren – is interessant. Maar hij brengt het niet op een overtuigende manier aan. Wanneer hij eindelijk, na een zeer lange voorbereiding, zijn karakters in stelling heeft gebracht, blijft er bij de toeschouwer te weinig fut over om de cruciale passages aan te snijden. En nog het meest ontgoochelend is dat Allen geen conclusies lijkt te trekken uit zijn gedachte-experiment. Vicky keert enigszins beschadigd terug naar haar man, Cristina lijkt te beseffen dat dit het niet is wat ze zocht en voor Juan Antonio breekt een nieuw jachtseizoen aan. Maar of wij hier als toeschouwer iets uit kunnen leren nopens de (on)mogelijkheid cq. (on)m/wenselijkheid van driehoeksverhoudingen, trio’s, ménages à trois, threesomes?

1609 / Vanfleteriaanse achtervolging

Brugge - 081104, 7u12