zondag 28 april 2019

5347

Wingene - 190225

facebookbericht 1173


Wie zegt dat de omgekeerde taal van het hiernamaals omgekeerd is op het niveau van de woorden en niet op dat van de zinnen? Waarom zou het - met andere woorden - 'ed reud nak tein nepo' moeten zijn en niet 'nepo tein nak reud ed'? En hoe geraakt dat afgebroken lemmet weer naadloos aan wat er nog, als de scherf van een ingeslagen venster in de sponning, in het heft van uw patattemes was blijven steken? En is uw tapijt nu niet te verkreukeld om, na in de omgekeerde richting te zijn gerepareerd, opnieuw perfect op uw autobodem te kunnen liggen? En wie gaat er de cirkel uit de kwadratuur afleiden? Zo'n buurman zou niet goed zijn voor mijn gemoedsrust. Overigens, wie wint vandaag Luik-Bastenaken-Luik, Pierre? (Da's ook een va-et-vient, n'est-ce pas?) En stel dat het Alaphilippe is, wordt dat in het hiernamaals dan Eppilihpala? 't Zijn maar een paar vragen naar aanleiding van uw stukske van vandaag! En dan nu: stelotsip!

zaterdag 27 april 2019

afscheid van mijn digitaal bestaan 125


voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

 

Loket 4


Wanneer ik om twintig voor elf het hoofdkantoor van de Post aan de Grote Markt in Brugge, toch een provinciehoofdstad van een welvarend en industrieel ontwikkeld West-Europees land halfweg het eerste decennium van de 21ste eeuw, betreed, wordt net nummer 76 bediend. Ik trek uit het beenhouwerijklantnummer-machientje het nummer 90 en juich inwendig deze blijk van efficiëntie en vriendelijkheid-naar-de-klanten-toe toe. Maar het eerste wat me onmiddellijk na deze korte opstoot van klantsatisfactie opvalt, is de meewarigheid en gelatenheid in de blik van de mensen die voor mij al, zo wordt mij snel duidelijk, een tijdje geleden het wachten hebben aangevat.

Tussen 76 en 77 gaat een eeuwigheid voorbij. Ik extrapoleer, tel, vermenigvuldig en bereken hoeveel tijd ik in een worst case scenario in dit oord zal doorbrengen. Ik verdoe nogal wat tijd met overwegen of de dringendheid van de reden waarom ik hier ben zal opwegen tegen de temporele investering die van mij wordt gevergd. Hoe langer ik reken, hoe moeilijker het wordt om onverrichter zake huiswaarts te keren.

De bediende die van achter het kogelvrij glas van loket 4 net klant 75 heeft bediend, draait z’n rolgordijntje naar beneden: loket 4 doet niet meer mee. Net op dat ogenblik komt nummer 77 aangestrompeld, een oude dame die olijk (en met zwaar Brugs accent aangedikt) roept: ‘Hé, Robert, je moet je niet verstoppen!’ Wanneer Robert verwoed begint te stempelen, zegt nummer 77, die het geluk heeft te worden bediend door het belendende loket 3: ‘Je bent als een machine.’ (Je zie hie hullik e massiene.) En wanneer hij drie minuten later nog bezig is – het stempelen is tot een quasi ononderbroken geratel versneld: ‘Je zal je nog eens doodstempelen!’

Ondertussen is mevrouw nummer 86, naast mij op een stoel gezeten en terecht denkend dat ze er wel de tijd voor heeft, een conversatie in de Franse taal begonnen met een andere mevrouw. Deze andere, nog nummerloze, mevrouw, is tot de conclusie gekomen dat ze misschien beter eerst nog wat boodschappen gaat doen (je vais faire des courses – ja, dat kan je hier wel doen, koersen, als tegenwicht voor de traagzaam draaiende administratieve molen). Mevrouw 86 maakt haar beklag, over de gang, nuja, van zaken hier ter postkantore, maar ook over het reilen en zeilen bij haar thuis. De kinderen zijn vier jaar geleden, toen haar man het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde, niet eens naar huis gekomen om hem, en haar, bij het sterven te assisteren maar nu, nu zij haar beurt afwacht, staan ze daar ineens en moet zij – pif pouf paf ­– cito presto de erfenis regelen. Als het even kan nog vóór ze dood gaat. Ça doit être dur, weet haar vriendin (boodschappentas in de hand). Nummer 86 bevestigt: c’est dur.

C’est dur de mourir au printemps – maar je kunt het hier wel op je gemak doen.

43 minuten nadat ik het hoofdkantoor van de Post aan de Grote Markt in Brugge, toch een provinciehoofdstad van het koninkrijk België, heb betreden, word ik door loket 3 geroepen. (Behalve loket 4 is inmiddels enkel nog loket 1 in werking – dat ik toch nog zo snel aan de beurt ben gekomen is meer te danken aan het feit dat inmiddels nogal wat wachtenden er de brui aan hebben gegeven dan aan de snelheid waarmee de beambten zich van hun taak kwijten.)


Ik vraag waar de postmeester is zodat ik mijn beklag kan maken, maar hij is ‘in vergadering’. Dat is misschien maar goed ook, een pas binnengekomen klant heeft net nummer 114 getrokken en die plant over een uur of zo misschien wel een dolk in des postmeesters rug. Maar dan is die vergadering zeker nog aan de gang – daar kun je donder op zeggen. Ik zie het al voor me, zoals in de film Far West van Jacques Brel: allemaal oude grijze heren die mummelen aan een lange tafel en die met elkaar verbonden zijn met spinrag en webben.

Hoelang zouden ze vergaderd hebben over het afschaffen van de priorzegel?

5346

Blankenberge - 190224

vrijdag 26 april 2019

wolken 3301

wolkenfragment uit Peter Venmans, Discretie

3301
Ze willen een spoorwegnet aanleggen dat het hele continent overspant, de grootste metaalproducent ter wereld worden of de hoogste wolkenkrabber bouwen die iemand ooit ontworpen heeft. (135)

afscheid van mijn digitaal bestaan 124

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

26 januari 2007

Waarom dragen universiteitsgebouwen in Freetown (Sierra Leone) de welluidende namen ‘Beethoven’ en ‘Kennedy’? Elke ontwikkelingshulp is, zo stelt ontwikkelingswerker Westerman (specialisatie: irrigatietechnieken), gebaseerd op de impliciet veronderstelde superioriteit van het blanke ras of van de westerse wereld en dus op racisme. Alleen al het woord ontwikkeling veronderstelt een richting, een waardeschaal, een ideologische vooringenomenheid die enkel vanuit het eigen perspectief kan worden verdedigd. Frank Westerman ondervindt bovendien aan den lijve dat veel ontwikkelingshulp gebureaucratiseerd en geïnstitutionaliseerd is en in sommige gevallen zelfs ronduit zinloos, en hij besluit daarom tot een jobwissel: door zo neutraal en objectief mogelijk verslag uit te brengen over de te ‘ontwikkelen’ toestanden kan hij voor de mensen ter plaatse wellicht méér bereiken dan door er praktisch in tussen te komen.
In El Negro en ik koppelt Westerman een algemene problematiek aan een persoonlijk dilemma. De vragen ‘Hoe gaan wij om met raciale verschillen?’ en ‘Heeft ontwikkelingswerk zin?’ voeden samen met tal van voorbeelden uit de praktijk het existentiële thema ‘Wat doe ik met mijn leven?’

El Negro en ik is een boek over de relatie tussen Zuid en Noord, een Noorden dat eigenlijk ‘het Westen’ is. De geschiedenis van een opgezette Hottentot in een museum in het Catalaanse stadje Banyoles fungeert als kapstok voor een rist pertinente vragen. De opgezette neger – ik druk mij met opzet niet politiek-correct uit – stoffeert het boek. ‘El Negro’ wordt pas verwijderd wanneer, ten tijde van de Olympische Spelen in Barcelona, VN-secretaris Kofi Annan er zijn misprijzen over ventileert.

Op het eind van zijn relaas over de zoektocht naar de roots van ‘El Negro’ zet Westerman zijn inzichten echter weer op losse schroeven: hij ziet hoe in Zuid-Afrika na het afschaffen van de apartheid hele bevolkingsgroepen heen en weer worden gesleurd en hoe ontwikkelingswerk daar wel degelijk iets zou kunnen teweegbrengen. Waarmee El Negro en ik dan toch meer het verslag van een twijfel is dan een met aplomb neergezette thesis.

El Negro en ik werd bijzonder goed onthaald (zes of meer drukken in bijzonder korte tijd, een belangrijke literaire prijs, veel waardering bij het publiek). Ik vraag mij af of die waardering is ingegeven door de kwaliteit van het boek of door het feit dat de thematiek gevoelige snaren raakt en er inderdaad pertinente vragen worden gesteld over de relatie tussen rassen en natiën (een opgezette Hottentot als mascotte van het Catalaanse nationalisme!), of tussen de welvarende wereld en de zogenaamde ‘ontwikkelingslanden’.

Het is niet dat ik twijfel aan de inhoudelijke degelijkheid van Westermans materiaal. Onze irrigatietechnicus-journalist (en nu bestsellerauteur) heeft zich grondig gedocumenteerd en kan daarenboven bogen op persoonlijke praktijkervaring. Ik vraag me alleen af waarom hij voor de tegenwoordig zeer in zwang zijnde tussenvorm tussen essay en autobiografisch verhaal heeft gekozen. Dat vereist een bijzondere overtuigingskracht – en die kan Westerman niet waar maken.

De omstandige verantwoording achterin leert ons dat er al bijzonder veel over het schandalige tentoonstellen van de taxidermisch behandelde Hottentotmens werd gepubliceerd. De vraag rijst of Frank Westerman eigenlijk wel iets nieuws heeft gevonden en zo ja, of dat nieuwe dan wel de moeite van een nieuw boek waard was. Hoe dan ook, zijn werk bestond vooral uit het opsporen en opnieuw verknippen, door elkaar klutsen en aan elkaar plakken van bestaande informatie. Niet dat hij dat verbergt, maar het wordt pas in de verantwoording achterin expliciet gezegd en aangezien je zo’n verantwoording pas achteraf leest, of helemaal níet leest, kan, lezende weg, de indruk ontstaan dat Westerman het allemaal zelf heeft uitgevogeld.

El Negro en ik kampt met een genreprobleem. Hoewel Westerman de retoriek hanteert van een roman (spanningsopbouw, opsparen van informatie, opzetten van contrasten en dergelijke), is zijn boek hooguit in zijn onderdelen bellettrie: sommige zinnen zijn fraai geformuleerd, een beeld is gelukkig gekozen, er is de wat opzichtig beoogde poëzie van een herhaald motief – ik denk aan de koloniale avonturier Jordi Sabater Pi die van op zijn balkon uitkijkt over Barcelona, een gegeven dat een echo krijgt wanneer 25 bladzijden verder een ander personage ergens in Sierra Leone van op zijn terras uitkijkt over Freetown. Maar in essentie biedt het boek een reconstructie van historische feiten, uitermate interessante filosofische bedenkingen over raciale verschillen en hoe wij daarmee in de loop der tijden zijn omgegaan, en over ontwikkelingswerk: heeft ontwikkelingswerk zin of is het voortgezet kolonialisme met andere middelen? Daarnaast is er een wat mager uitgevallen verhaallijn die bestaat uit het tot stand komen van een persoonlijk inzicht; er is te weinig dramatiek en psychologische uitdieping om van een ‘katharsis’ te kunnen spreken.

Westerman valt dus met zijn boek tussen twee stoelen: het is te literair voor non-fictie, en niet literair genoeg voor bellettrie. Het duidelijkste komt dat tot uiting als je de vraag naar de relevantie van bepaalde passages stelt. El Negro en ik wordt voorgesteld als een zoektocht naar de waarheid nopens de schandaligerwijs tot zeer recent in een Spaans museum tentoongestelde opgezette mens. Hoe is deze ‘negro’ daar gekomen en, vooral, hoe is het mogelijk dat hij daar zolang is gebleven? In plaats van rechttoe rechtaan op zijn doel af te stevenen en ons meteen de resultaten van zijn onderzoek mee te delen, weidt Westerman uit over de dwaalsporen en zijwegen en vernemen wij bijvoorbeeld dat de taxidermische winkel van de gebroeders Verreaux in Parijs, die ‘El Negro’ hebben opgezet, intussen een restaurant is geworden. En dat is een overtollig feit. Dergelijke weetjes zouden maar relevant zijn indien Westerman zelf, als uitvoerder van die zoektocht én als dramatis persona, psychologisch nadrukkelijk aanwezig zou zijn en/of indien hij, als auteur, voldoende de nadruk zou leggen op de esthetiek van zijn zoektocht en er eventueel een metafoor van zou hebben weten te maken van de algemeen-menselijke zoektocht die wij ons allen moeten getroosten. Beide voorwaarden zijn niet vervuld, zoals ze, bijvoorbeeld in boeken als De emigrés van W.G. Sebald of De papegaai van Flaubert van Julian Barnes – ook mengvormen van autobiografische fictie en non-fictie – wél zijn vervuld en zelfs tot grote literaire hoogten leiden. Daardoor wordt de lezer, wanneer Westerman weer eens onverrichterzake uit een leeszaal of van een wandeling door deze of gene stad terugkeert, bekropen door een onbehaaglijk gevoel in plaats van door de verrukking van het literaire genot of van de bevrediging van wetenschappelijke nieuwsgierigheid.