dinsdag 9 augustus 2011

2576

Bernay 1/4 - 110413

2575

In een recuperatiewinkel in Saint-Pierre-sur-Dives - 110413

maandag 8 augustus 2011

100 woorden (22)

In een straat, loodrecht op onze rijrichting, komt een man door een kralengordijn als uit de coulissen in het beeld gestapt; oud en voorovergebogen strompelt op het voetpad aan dezelfde kant een andere man richting horizon – op weg naar het einde; en in een raam rechts van deze straat wijzen een vrouw en een kind naar het voorbijschuivende verkeer – en dus naar ons. Plots dringt het besef tot mij door dat een stad uit een schier eindeloos aantal dergelijke taferelen en componenten van taferelen bestaat en dat dit allemaal zou kunnen beschreven worden: uitvoeriger, omstandiger, vollediger dan hier, in Manfredonia.

gisteren en vandaag 206 / getekend 71

Van gisteren wil ik me het afscheid herinneren van Antonella, Bartolo en Carmela, en ook van de barman die zich in onze geprefereerde koffie- en aperitiefbar als een danser beweegt: hij wierp ons een kushandje toe wanneer we voorbij zijn zaak kwamen op onze weg naar de fermata, de bushalte. En dat terwijl Adamo La Notte zong. Van onze doortocht in het morsige Manfredonia zal ik mij de zwarte sculptuur herinneren van een hongerend Afrikaans kind, op tienmaal de ware grootte maar wellicht nog geen duizendste representerend van de ellende die zich daar op dit moment aan het voltrekken is. Maar griezelig vond ik het wel, daar tussen de stoffige palmen en de vuilnisbakken en de banken met de eeuwig kletsende vroeggepensioneerde Italiaanse mannen in. Ook de aanblik van in de schaduw van een wijngaard middagetende spoorarbeiders zal mij bijblijven: die oranje hesjes in het zwart, en de zwarte arbeiders apart van de blanke. Ik zal mij herinneren hoe S. na onze intrek in onze kamer in een grote villa aan de via Leopardi in Trani, bij een oud Joods stel dat er op gebrand leek om ons de geschiedenis van Ferdinand II en de Tempeliers in te peperen, met een pincet een teek uit mijn oksel verwijderde. Onvergetelijk waren ook het beeld van de duomo van Trani, gezien van op de enkel door katten bevolkte pier en voor de rest geen kat op straat, het leek wel een spookstad, alsook de door microfoonpech geteisterde historische evocatie van het leven van San Nicola op het plein voor de naar deze heilige genoemde kathedraal.


Vandaag vertrekken we rond de middag uit Trani naar Bari.

gisteren en vandaag 205

Van gisteren zal ik moeten onthouden dat ik, na kennis te hebben genomen van de prijzen, de Vespadroom maar beter kan laten varen, dat ober Mario heel aanhankelijk zijn e-mailadres gaf zodat ik hem de foto die ik van hem maakte kan opsturen, dat S. steeds beter Italiaans begint te praten, zeker nu ze – telefonisch – de hotels voor de volgende dagen heeft kunnen regelen, dat ik na een wandeling alleen in de bovenstad (S. is naar het strand gegaan) in de kapel naast het hotel belandde en daar samen met een viertal oude vrouwen en een mummelende priester de repetitieve, eentonige maar toch op de een of andere manier heilzame gebedsdienst bijwoonde.

Vandaag reizen we verder: eerst met de bus naar Foggia en dan in treno a Trani.

2574 / mirage 48

In een recuperatiewinkel tussen Caen en Saint-Pierre-sur-Dives - 110413 

2573

Caen - 110413

zondag 7 augustus 2011

Karamazov 2

I.5.
Aljosja is een mooie jongeman, hij is meer een realist dan een mysticus. De wonderen van het geloof komen voor hem voort uit het geloof, niet omgekeerd. Aljosja heeft voor het klooster gekozen omdat hij meent dat hij daar de waarheid zal vinden. Hij wil ‘een spoedige triomf’ en heeft daarvoor het offer van zijn jeugd over. Hij is ambitieus en vastbesloten. Overtuigd van de onsterfelijkheid en van het bestaan van God, kan hij geen halfslachtige beslissing nemen: enkel het klooster is voldoende. Indien hij van het omgekeerde overtuigd zou zijn geweest, zou hij met evenveel inzet socialist zijn geworden. De ontmoeting met de starets Zosima is voor Aljosja doorslaggevend geweest. Een starets kan een ingrijpende invloed uitoefenen: wie er een kiest, doet afstand van zijn wil en onderwerpt zich aan hem, ‘met volledige zelfverloochening’. De starets heeft een absolute macht over de monnik die hij onder zijn hoede heeft. De band tussen starets en leerling is onverbrekelijk. Dostojevski geeft enkele voorbeelden van dergelijke verbintenissen, die soms door de buitenwereld werden bekritiseerd en die ook het karakter van een ‘tweesnijdend zwaard’ konden aannemen: de starets voerde de monnik niet altijd tot ‘nederigheid en definitieve zelfbeheersing’ maar soms ook tot ‘satanische trots’ en dus ‘tot de ketenen en niet tot de vrijheid’. Aljosja deelt zijn kloostercel met de 65-jarige Zosima. Hij is overtuigd van het feit dat Zosima wonderen kan verrichten, na zijn nakende dood heilig zal worden verklaard, en de wereld dichter bij het Koninkrijk Gods brengt. Aljosja deelt dit geloof met het verdrietige en uitgeputte Russische volk, dat de troost van het heilige nodig heeft. De ontmoeting met zijn beide broers brengt Aljosja enigszins van zijn stuk. Het contact met de atheïst Ivan verloopt moeizaam. Aljosja voelt ten aanzien van hem ‘een voor hemzelf onbegrijpelijk gevoel van opwinding en verwarring’. Hij merkt hoe de ongeschoolde Dmitri opkijkt naar Ivan, en hij verneemt ook meer over ‘de belangrijke zaak’ die de aanleiding vormt tot de familiebijeenkomst in het klooster – het heeft blijkbaar iets te maken met de erfenisaanspraken van Dmitri. Ook papenvreter Pjotr Aleksandrovitsj Mioesov is van de partij om zijn oude geschillen met het klooster inzake eigendommen en bepaalde ontginningsrechten te beslechten. Aljosja is niet gerust op de bijeenkomst: hij denkt dat zijn broer Ivan, zijn vader Fjodor en Pjotr Aleksandrovitsj Mioesov geen ernstige redenen hebben om erop aanwezig te zijn. De belofte van Dmitri om in elk geval de starets te respecteren, vermag niet hem gerust te stellen.

II.1.
De bijeenkomst vindt eind augustus plaats. Pjotr Aleksandrovitsj Mioesov brengt Pjotr Fomitsj Kalganov mee, een twintigjarige verstrooide dromer en intellectueel, in zichzelf gekeerd en bevriend met Aljosja. Dmitri is te laat. Het gezelschap wordt niet onthaald door een ontvangstcomité en vooral Pjotr Aleksandrovitsj Mioesov, die méér gewoon is, is daar niet mee opgezet. Landheer Maksimov wijst hen waar ze de starets kunnen vinden: in een kluizenaarsverblijf in het bos. Een monnik neemt de plaats in van Maksimov. Fjodor kan het niet laten enkele geringschattende en schunnige opmerkingen te maken over de vermeende omgang van de starets met vrouwen. Pjotr Aleksandrovitsj Mioesov maant hem aan zijn manieren te houden.

II.2.
Er zijn nog aanwezigen bij het onderhoud: broeder bibliothecaris, de ziekelijke broeder Paisi en Rakitin, een seminarist in burgerkleren van een jaar of 22. Het gezelschap groet de starets op wereldse wijze. Dat is niet gepast en Aljosja schaamt zich hiervoor. Pjotr Aleksandrovitsj Mioesov vat meteen een antipathie op voor de starets. Fjodor begint er op los te kletsen. Hij is zich daarvan bewust en geeft voorbeelden van zijn verbale onhandigheden. Aljosja verbaast zich erover dat Ivan niet reageert op het misplaatste gedrag van zijn vader. Maar Pjotr verliest zijn geduld en maakt aanstalten om op te stappen. De starets houdt hem tegen: iedereen mag doen zoals thuis en hoeft zich niet voor zichzelf te schamen ‘want daar komt al het andere uit voort’. Fjodor bekent dat hij maar de pias uithangt uit onzekerheid en werpt zich voor de voeten van de starets: wat moet hij doen om het eeuwig leven te verdienen? De starets antwoordt met een levensles: sober zijn, proper in taalgebruik en handelen, niet liegen. Vooral dat laatste want wie voortdurend liegt, kan geen waarheid meer onderscheiden, kan voor niemand meer respect opbrengen en kan daardoor niet meer liefhebben – waardoor hij zich aan valse hartstochten en wellust overlevert… Zo iemand voelt zich ook snel gekwetst… Fjodor herkent zich helemaal in deze beschrijving. Hij vertelt de starets de oorzaak van zijn religieuze twijfels: Pjotr heeft hem een onwaarschijnlijk heiligenverhaal opgedist. De starets verlaat het lokaal om buiten enkele vrouwen te zegenen.

Dostojevski is geen schoonschrijver. Er komen veel herhalingen voor in zijn verhaal, en ook de introductie van nieuwe personages verloopt niet altijd even onzuiver. Bijvoorbeeld van de seminarist, die aanvankelijk niet met name genoemd wordt. De tweede keer dat hij ter sprake komt (p. 54) moet Dostojevski een – storende – aanvulling geven: ‘Naar Rakitin (de seminarist), die Aljosja ook heel goed kende en die hem zeer na stond, durfde Aljosja niet te kijken: hij wist wat deze dacht (hoewel Aljosja de enige in het klooster was die dat wist).’ Ik citeer de volledige zin omdat de vertaling mij hier, net zoals op vele andere plaatsen, niet al te gelukkig lijkt.

droom #38

1
Ik ben pas verhuisd naar een rijwoning. Er is nog veel werk te doen: vochtplekken, verlichtingsproblemen. Midden in mijn eerste nacht op mijn nieuwe adres word ik wakker gebeld. 150 Davidsfondsers denken dat ze hier hun bijeenkomst kunnen houden. Ze willen daarvoor gebruik maken van de tuin. Ik zeg hun dat ze dat beter niet kunnen doen omwille van het nachtlawaai – ik wil al niet meteen een slechte relatie met mijn nieuwe buren. Maar ze kunnen – al kan dan niet iedereen zitten – hun bijeenkomst binnen houden. De Davidsfondsers zijn niet overtuigd en laten hun ongenoegen blijken. De slechte afspraak is de schuld van Wouter Vandenhautte: de organisatie was in handen van Woestijnvis. Ik besluit dat we best een klacht kunnen indienen tegen Wouter Vandenhaute.

2
De volgende sequentie speelt zich af tijdens een wielerwedstrijd voor jongeren. Ik rijd een eindje mee op met een Spaanse deelnemer, die samen met zijn ouders en zijn zus het parcours verkent. De start wordt gegeven op de Koornmarkt in Gent op de ‘Grote Woestijnvisdag’. Onmiddellijk daarna bevinden we ons al in Sijsele. Boven de kazerne stijgt een enorme zwarte rookpluim op: brandblusoefeningen. Wat verderop moeten we ons hoofd intrekken voor een treurwilg die over de weg hangt. Dan rijden we door het Polderlandschap. De vader van de jonge wielrenner seint op zijn iPhone zijn indrukken door naar het thuisland. De wielrenner zelf, zijn zus en zijn moeder vinden het landschap hilarisch.

3
We bevinden ons opnieuw in Gent, waar we een afspraak hebben met Wouter Vandenhaute (die in mijn droom een kruising lijkt te zijn van Wouter Vandenhaute en Mark Uytterhoeven). Hij maakt meteen duidelijk dat hij zich een speciale inspanning heeft getroost om ons te ontmoeten. Het overvliegen, meteen na het begin van ons gesprek, van een formatie gevechtshelikopters en transporthelikopters (met twee wentelwieken), maakt deel uit van de Woestijnvisfestiviteiten. Ik zeg aan Wouter dat het toch echt niet kon, dat voorval met die 150 Davidsfondsers. Ik zeg dat hij hun toch iets had moeten laten weten. Hij kan dat niet ontkennen maar laat in het midden of hij een gevolg zal geven aan mijn verzoek.

4
In een grote sporthal met talrijke stands vindt het eigenlijke Woestijnvisfeest plaats. Alle aanwezige Woestijnviscoryfeeën zijn in dezelfde zwarte outfit gestoken: een zwarte broek, een zwart hemd en een lange leren zwarte jas. Het is duidelijk geen uniform, eerder de aan status gebonden dresscode die ook galeriehouders en architecten respecteren: een uniform maar – binnen bepaalde limieten – vrij in te vullen zwart. Rob Vanoudenhoven en Bruno Wyndaele zijn van de partij, de gesjeesde Woestijnvissers, zeg maar. Iemand vraagt aan Rob Vanoudenhoven of hij ooit nog iets voor Woestijnvis zal mogen doen. Hij weet het niet. Een groepje fans kijkt het tweetal na.

5
Opnieuw het gesprek met Wouter Vandenhaute in Gent. Hij zegt dat hij is ingegaan op mijn verzoek om te spreken over de 150 Davidsfondsers omdat hij nog niet is vergeten wat ik indertijd voor Woestijnvis heb gedaan. Ik kan mij niet herinneren wat dat was maar ik vraag er niet naar om Wouter niet de indruk te geven dat ik het niet belangrijk genoeg vond om het te onthouden. Opnieuw vliegt het eskadron helikopters over. Dan haalt Wouter een zwart nepleren koffertje boven. ‘Mijn jeugdgeschriften,’ zegt hij. Hij gooit het koffertje in de Leie, maar het zinkt niet meteen. Daarom haalt Wouter een damespistool boven en schiet een paar gaten in het koffertje. Nu zinkt het wel. Wouter Vandenhaute vertrouwt me toe dat hij voortaan iets wil doen met letterkappen. Ik beloof hem in contact te zullen brengen met Kristoffel Boudens.

gisteren en vandaag 204

Van gisteren wil ik mij herinneren dat ik ontwaakte uit een uiterst ingewikkelde droom met een aantal Woestijnvis-protagonisten, dat de visser die de trabucco achter de kerk gebruikt de graffiti op de vers gerestaureerde muur boven de klip vandalismo puro noemde, dat we zagen hoe een duiker mossels plukte en ze vervolgens sorteerde op de eerste trede van de trap die naar boven leidt, dat de bakkerin ons erin probeerde te luizen met een 5 euro-biljet, dat de busrit naar Peschici ons langs gore kampeerterreinen en een afgebrand stuk rotskust voerde, dat ik, terwijl we in een parkje picknickten, vertelde over een ver verleden waarin een Italiaanse vrouw, een Vespa en de internationaal gerenommeerde kunststad Firenze een rol speelden, dat ik een hele tijd op de rotsblokken op het uiteinde van de pier naar het bovenop een kaap gelegen stadje keek en dat ik, eens we na een trage busrit met een voortdurend handenvrij telefonerende chauffeur eindelijk terug in Vieste waren aangekomen, tijdens onze maaltijd van brood, olijven, salami, kaas, zout, tomaten, wijn en water, een Russischtalige vrouw zag met de ogen van Jacques Anquetil.

Vandaag blijven we een laatste dag in Vieste, met niets op het programma.

gisteren en vandaag 203

Van gisteren moet ik onthouden wat S. me allemaal aanraadde inzake goede voedingsgewoonten: de dag beginnen met een glas vers fruitsap en ongeveer een half uur later drie sneden brood met een weinig zoet beleg; om 10 uur een appel of een yoghurtje; als middageten een Montignaccombinatie van vlees of vis met groenten of van rijst of aardappel of pasta met groenten; halverwege de namiddag een koekje of een stuk fruit; ’s avonds een broodmaaltijd met verse groenten en wat mager vlees en in elk geval geen superlekkere salami’s of vette kazen!; de dag mag worden besloten met een trappist of twee glazen wijn – maar er moeten ook dagen kunnen zijn van zónder. Van gisteren wil ik mij ook onze Vesparit herinneren: het spectaculaire uitzicht vanuit Mont Sant’Angelo op de Italiaanse oostkust richting Trani en Bari, de naïeve ex-votoschilderijen in het museum van de bedevaartskerk San Michele, de kou die we voelden toen we – tot twee keer toe – voor een regenbui moesten schuilen en later tijdens de schier eindeloze reeks bochtige kilometers in het Silva Umbra.

Vandaag bezoeken we Peschici.

2572

Deauville 4/4 - 110412

2571

Deauville 3/4 - 110412

zaterdag 6 augustus 2011

Karamazov 1

woord vooraf
De schrijver verontschuldigt zich omstandig voor het feit dat zijn held maar een gewone mens is, ja zelfs een zonderling – en dus eigenlijk helemaal geen held. Of het zou moeten zijn, suggereert hij, dat de zonderling nu net in zijn zonderling-zijn iets van alle mensen toont en dus niet, zoals men geneigd zou zijn te denken, een ál te bijzonder iemand is maar integendeel een soort van Elckerlyc. Deze held, Aleksej Fjodorovitsj Karamazov, stelt onduidelijke daden – en daarin alvast spoort hij met de tijd, waarin van de mensen moeilijk duidelijkheid kan worden gevergd.

I.1.
Aleksej Fjodorovitsj Karamazov is derde zoon, de tweede uit het tweede huwelijk van Fjodor Pavlovitsj Karamazov, een notoire klaploper die wordt gekenmerkt door een ‘specifiek, nationaal soort’ leeghoofdigheid. De oudste zoon, Dmitri Fjodorovitsj, heeft Fjodor Pavlovitsj van het liefdeloze huwelijk met zijn eerste vrouw, Adelaida Ivanovna Mioesova, die zich, na eerst haar bruidsschat aan haar man te hebben verloren, geheel in de romantische sfeer van haar dagen, aan ‘een straatarme, hongerlijdende seminarist annex onderwijzer’ uitleverde en met hem de genoegens van ‘de meest volledige emancipatie’ beleefde. Fjodor kon zijn vreugde om haar dood – in Petersburg, ‘van de tyfus of de honger, daarover lopen de berichten uiteen’ – niet op.

I.2.
Fjodor Pavlovitsj Karamazov zorgt niet voor zijn zoon Dmitri Fjodorovitsj. Mitja wordt aan de hoede toevertrouwd van de knecht Grigori en daarna van de liberaal en ‘Europeaan’ Pjotr Aleksandrovitsj Mioesov, een neef van Adelaida Ivanovna, die het kind op zijn beurt toevertrouwt aan ‘een Moskouse freule’, die echter spoedig sterft, waardoor Mitja moet worden opgevangen door een van de getrouwde dochters van deze freule. Mitja groeit op in de veronderstelling dat hem een zeker bezit toekomt, voldoende groot om, wanneer hij meerderjarig zal zijn, onafhankelijk te zijn. Met zijn levensstijl neemt hij alvast een voorschot op deze veronderstelde toekomst. Zijn vader Fjodor Pavlovitsj weet dat zijn zoon Dmitri een overdreven voorstelling heeft van zijn fortuin en laat hem in de waan. Hij schuift hem af en toe een bedrag door, tot het hele bedrag verbrast is. Dmitri, die dacht te zullen erven, blijkt uiteindelijk afhankelijk van zijn vader. ‘Dit was de omstandigheid die tot de catastrofe leidde’, een catastrofe die, voegt de schrijver eraan toe, het onderwerp van zijn roman zal zijn ‘of, beter gezegd, de buitenkant ervan’. Wellicht bedoelt Dostojevski hier dat de catastrofe voor hem de aanleiding zal vormen om over wezenlijkere dingen te schrijven, die dan meer ‘de binnenkant’ – de werkelijke inhoud? – van zijn roman zullen uitmaken.

I.3.
Fjodor Pavlovitsj huwt een tweede keer, dit keer met Sofia Ivanovna maar nu niet omwille van haar rijkdom maar van haar schoonheid. Sofia Ivanovna, ‘een zachtaardig, gedwee en weerloos schepsel’ van zestien, is niet bestand tegen Fjodors losbandigheid maar ‘baar[t]’ hem toch twee zonen. De eerste, Ivan, na een jaar, en drie jaar later Aleksej. Nog eens vier jaar later is Sofia dood. Beide kinderen worden, net zoals Dmitri, verwaarloosd door de vader. De voormalige weldoenster van Sofia Ivanovna, een tirannieke generaalsweduwe die nog een eitje te pellen heeft met Fjodor Pavlovitsj, neemt beide kinderen onder haar hoede. Na haar dood neemt ‘adelsvoorzitter van het gouvernement’ Jefim Petrovitsj Polenov, ‘een buitengewoon nobel en humaan man’, het van haar over. Hij is het die eigenlijk Ivan en Aleksej opvoedt. Voor de jongste, Aleksej, heeft hij een boon. Ivan zoekt vanaf zijn dertiende zelf zijn weg. Hij studeert natuurwetenschappen en begint te schrijven voor kranten. Hij publiceert een artikel over kerkelijk recht dat zowel van kerkwege als door vooruitstrevenden en zelfs atheïsten wordt gewaardeerd. Een vreemde – en voorlopig onverklaarde – ontwikkeling doet zich voor: Ivan neemt zijn intrek bij zijn nog steeds bandeloze vader, die nooit naar hem heeft omgekeken. Hij ontmoet ook voor het eerst – op diens verzoek en uit zakelijke overwegingen – zijn halfbroer Dmitri Fjodorovitsj. Om welke zakelijke overwegingen het gaat, aldus de schrijver, die hier meer weet (hoewel hij vaak zegt van sommige feiten niet altijd het fijne te weten), zullen we nog wel vernemen. Toch is het een vreemde aangelegenheid. Ivan lijkt als verzoener tussen Dmitri en hun gemeenschappelijke vader op te treden. Ook Aleksej, de jongste van de drie zonen van Pjotr, is, aldus de schrijver, ‘bij ons’ – en pas nu blijkt dat dit ‘bij ons’ een klooster is, waaruit we kunnen afleiden dat de schrijver een kloosterling is. Aleksej is al een jaar novice.

I.4.
Aleksej (Aljosja) is twintig en meer een humanist dan een mysticus. Hij heeft voor het klooster gekozen onder invloed van de starets Zosima. (Een starets is in de Russisch-orthodoxe kerk een oudere man, een wijze, die als leidsman fungeert.) Aleksej is minzaam, wordt door iedereen geliefd, en heeft een groot en schijnbaar naïef vertrouwen in de mensen. Hij is ‘van het type heilige dwaas’. Hij is echter ook ‘buitenissig’ en ‘fanatiek’ preuts. Hij kan het niet hebben dat er over ‘zekere’ dingen in verband met vrouwen wordt gesproken. Na de dood van zijn weldoener Jefim Petrovitsj Polenov komt Aleksej onder de hoede van twee dames. Hij stelt zich, in tegenstelling tot Ivan, geen vragen over wie zijn opvoeding bekostigt. Hij legt ten opzichte van geld en geldzaken een probleemloze onverschilligheid aan de dag. Een jaar voor het voltooien van zijn gymnasium trekt hij naar zijn vader. Waarom is niet helemaal duidelijk. Fjodor Pavlovitsj is intussen rijk maar ook pafferig geworden. Door toedoen van zijn liederlijk gedrag ziet hij er ouder uit dan je op basis van zijn leeftijd zou vermoeden. Gelukkig leidt de knecht Grigori alles min of meer in goede banen. Grigori heeft ook gezorgd voor een grafzerk voor Aleksejs moeder. Aleksej gaat dit graf bezoeken. Dit inspireert zijn vader tot een oprisping van liefde voor zijn eerste vrouw. Fjodor vindt het goed dat Aleksej in het klooster wil: dan kan zijn jongste zoon voor hem bidden. Hoewel hij een concrete voorstelling van de hel – met een zoldering, en met haken waarmee de duivels de kwade zielen naar zich toe halen – maar niks vindt, vreest hij toch de straf die hij zal moeten ondergaan voor zijn losbandig leven. Aleksej antwoordt hem dat er in de hel geen haken zijn. Fjodor geeft zijn jongste zoon zijn zegen om in het klooster te gaan omdat hij van hem hoopt de waarheid omtrent het hiernamaals te vernemen. Hij vertrouwt daarop omdat zijn jongste zoon de enige is die hem nooit heeft veroordeeld.

gisteren en vandaag 202

Van gisteren zal ik onthouden dat een van de hotelgasten, toen dezelfde arbeider van gisteren weer met zijn dierengeluidenrepertoire was begonnen en al het kraaien, fluiten en blaffen had afgewerkt, l’asino! riep, dat ik het besluit nam een vespa te kopen, liefst een olieblauwe, dat we bovenop het eerste kaapje, vier kilometer ten zuiden van Vieste, een radioamateur aan het werk zagen – hij had contact met iemand op Kreta en waarover ging dan die communicatie?, over communicatie, en meer specifiek die communicatie die ze nu hadden, het was een communicatie over technische aspecten van de communicatie, een communicatie over communicatie, een metacommunicatie dus. Ook wil ik mij herinneren hoe we, terugkerend langs het strand, in de verte Vieste knalwit zagen pronken op haar rots, tegen een achtergrond van wolken die ons ook deze dag niet leken te zullen bereiken – terwijl wij maar al te goed wisten dat de zomer in België intriestig is.

Vandaag huren we een scooter om de Gargano te verkennen.

gisteren en vandaag 201

Van gisteren zal ik onthouden dat we, nog in bed, via de televisie worden herinnerd aan het bestaan van een andere wereld, een waarin een fanatieke en gefrustreerde gek enkele tientallen onschuldigen die met de beste bedoelingen op een eiland waren samengekomen, waar ze dus niet af konden, kan afmaken. Maar ik wil mij toch ook herinneren dat we, op het terras aan ons ontbijt gezeten, beneden op straat een arbeider met commedia dell’arte-allures dierengeluiden hoorden produceren: een haan, een papegaai, een ezel; en hoe we, na een dag nietsdoen, ’s avonds op de kamer een heerlijke makreelfilet verorberden: met brood, met wijn, met tomaat, met olijven, met citroen, met water. Op de avondwandeling door het hectisch-toeristische Viëste vol allochtone verkopers van lichtgevende parachutes, lichtgevende lekstokken, lichtgevende autootjes-met-afstandsbediening, lichtgevende bellenblaasapparaten en nog meer lichtgevende prullen, kwamen we bij een aanplakbord te staan waarop de gemeente de moord, door de maffia, van een plaatselijke mandataris herdenkt: ook dat wil ik mij herinneren, hoe dat hier wordt herdacht, evenals het plakkaat dat we eerder op de dag zagen waarop de linkse partijen het ontslag eisten van enkele gemeenteraadsleden die zich aan bepaalde malversaties zouden hebben vergrepen. Desgevraagd antwoordde een voorbijgangster, die wij daarover een vraag stelden, dat het godgeklaagd was, en schandalig, dat de Italianen dit soort dingen ondergingen alsof ze anestetizzato zijn, verdoofd. Ook het herinneren waard was het Romaanse raam in de duomo, alsook enkele kapitelen met voorstellingen van dieren, en ook dat we, terug op de kamer, nog enkele minuten keken naar een Italiaanse zwart-witoorlogsfilm uit 1962 van Nanni Loy: Le quattro giornate di Napoli.

Vandaag moet er niets. We zullen wellicht een wandeling maken, misschien eens zwemmen in de zee, een ijsje eten, een glas wijn drinken. Dat soort dingen.

2570

Deauville 2/4 - 110412

2569

Deauville 1/4 - 110412

vrijdag 5 augustus 2011

wolken 129-131

A.F.Th. van der Heijden, Asbestemming



129
Ik stelde me zijn hart voor als een eenzaam gemaal op een dijk, met over basalt kronkelende slangen, bezig een hele polder leeg te malen. Wind. Meeuwen. Stapelwolken. (37)


130
Toen ik het balkon op stapte, om mijn voorhoofd te laten drogen in het briesje dat soms even de wolken uit elkaar dreef, zag ik ze verderop in de straat aan komen lopen. (72)


131
Omdat het een julidag was, drukte het vuilgrijze wolkenpak extra zwaar op de af te leggen weg. Ik herinner me dat we er met gebogen hoofd onderdoor reden. (262)

gisteren en vandaag 200

Van gisteren wil ik onthouden dat de proef op de som is genomen: twee minuten naar Rai Uno kijken volstaat om Berlusconi’s boeventronie te zien te krijgen. Onvergetelijk is de tocht rond de Tremiti-eilanden in een open sloep waarvoor we onszelf onmiddellijk na onze aankomst op de archipel lieten strikken: de intense toeristenfolderkleuren, de rotskusten, het opspattende water… Ik wil ook onthouden dat we een luie namiddag doorbrachten op het Isole San Nicola, tot het tijd was voor de boot naar Vieste, waarop we de hele reis lang het geschreeuw moesten verduren van de acteurs van een derderangs Italiaanse komische film. Ik zal niet licht vergeten hoe we, murw van deze kwelling, in Vieste aankwamen in het ons door S.’s zus aangeprezen pension waar we zes nachten zullen doorbrengen. We lieten er ons overweldigen, maar nu in gunstige zin, door de luxe, de ruimte, de stilte en de bijzonder lekkere bruschettina en een prima piatto met zelfgemaakte pasta en verse zeevruchten.

Vandaag neem ik mij voor te genieten van een vrije dag in Vieste.

gisteren en vandaag 199

Van gisteren zou ik mij kunnen herinneren dat we met de bus via Castel di Sangro naar Isernia moesten reizen omdat de treinen in deze streek blijkbaar zijn opgedoekt of dan toch tijdelijk zijn afgeschaft. In Castel di Sangro moesten we van de ene bus overstappen op een andere, en had ik, terwijl S. mondvoorraad insloeg, een kort gesprekje met een mijnheer uit Napels en met een jonge vrouw die samen met een mongoloïde meisje, wellicht haar dochter, hetzelfde traject aflegde. Ik wil mij herinneren dat we ergens in de bergen voor Isernia langs de kant van de weg zagen hoe een priester in lange soutane afscheid nam van een koppel dat ook op de bus stapte: hier en daar zie je nog flarden van een verdwenen Italië. Ik wil mij ook de onwezenlijke indruk herinneren die de stad Campobasso in de twee uur dat we er vertoefden, wachtend op de treinaansluiting naar Termole, op mij maakte, en hoe wij in Termole, na een spaghetti alle vongole te hebben gegeten, nog een wandeling maakten naar de haven om er de vertrektijden van de boot naar de Isole de Tremiti te noteren, en om er te zien hoe de vissers er in piepschuimkistjes verpakte vangst uitlaadden. Op het caféterras tegenover ons hotel aan het station, waar we nog een glas wijn dronken, zagen we een Roemeense jongeman met een wit hoedje. Toen hij opstond om zijn trein te halen – de laatste die vandaag vertrok, de trein naar Venetië – viel er kleingeld uit zijn broekzak op de grond. Hij merkte het niet. De man die na hem opstond, blijkbaar om diezelfde trein te halen, had het wel gemerkt en raapte de munten op.

Vandaag nemen we de boot naar de Tremiti-archipel, en varen we vervolgens naar Vieste.

2568

Honfleur 3/3 - 110412

2567

Honfleur 2/3 - 110412

donderdag 4 augustus 2011

gisteren en vandaag 198

Van gisteren wil ik mij de foto’s herinneren die ik in een bar in Scanno zag: hoe het bergstadje ergens in de jaren tachtig volledig ondergesneeuwd was en hoe de vrouwen er toen blijkbaar nog in traditionele klederdracht bij liepen. Ik wil mij ook onze wandeling van Scanno naar Villalago herinneren, en hoe we in Villalago in het zwart geklede vrouwen uit een kerk zagen komen en daarna de pastoor met zijn wierookvat, en hoe we er meer dan een uur lazen en sliepen op het dorpsplein, onder het gegons van kletsende mannen en wachtend op de bus die ons naar Sulmona zou terugbrengen. Van onze avond in Sulmona wil ik mij herinneren hoe we langs een openstaand naaiatelier passeerden waar twee vrouwen de kostuums klaarmaakten voor het middeleeuwse riddertornooi dat er een van de volgende weekends zal plaatsvinden.

Vandaag reizen we via Campobasso naar Termole.

gisteren en vandaag 197 / getekend 70

Van gisteren wil ik mij van ons bezoek aan het archeologisch museum van Chieti de vreemde, androgyne oorlogsfiguur met zijn breedgerande hoed herinneren. Van onze treinreis naar Sulmona wil ik mij herinneren dat – nog op het perron van Chieti – een welgevormd jong meisje een cursus Anatomia Humana tegen haar boezem gedrukt hield, en dat de oude man die tegenover mij in de trein zat te slapen en die ik tekende vlak voor het station van Populi rechtstond en een van zijn medereizigers wekte: tijd om op te staan en uit te stappen. De mannen wisselden geen woord en kozen elk een andere uitgang.


Van onze aankomst in Sulmona zal ik mij Maurizio Cesare herinneren, die ons met zijn bus van het station naar het centrum voert en die ons de Bed & Breakfast van zijn vriendin Carmen aansmeerde, ‘in centro centro’. Ik wil ook onthouden hoe we door Carmen werden opgewacht en hoe we samen met haar de inkopen gingen doen voor de twee volgende ontbijten want we blijven twee nachten in Sulmona.

Vandaag gaan we, op aanraden van Maurizio, naar Scanno.

gisteren en vandaag 196

Van gisteren wil ik onthouden dat vijf minuten Rai Uno bekijken volstaat om een idee te krijgen van de mediamanipulatie waaraan de gemiddelde Italiaan zich waarschijnlijk allang niet meer stoort – er was onder meer een publiciteitsspot voor een website die buitenlanders ervan moet overtuigen dat het voor hen veel beter is om naar hun land van herkomst terug te keren, alsook, via een reportage over een groot chemisch bedrijf (Molten) een vleugje nostalgie naar de jaren dertig. Ik wil ook onthouden dat ik, heel toepasselijk Tim Parks’ Italiaanse opvoeding lezend, een luie namiddag op het strand doorbracht, en dat we ’s avonds, op het terras van een onduidelijke pizzeria waar de norse ober kinderen die met een bal speelden resoluut maar terecht, vond ik, wegstuurde, een gesprek hadden over de démission des pères et des parents en over de verhouding tussen genot en weten: houdt het genot op als je wéét dat je geniet of moet je weten dat je geniet om te kunnen genieten?

Vandaag trekken we naar Chieti en verder – we zien wel waar we uitkomen.

gisteren en vandaag 195

Van gisteren wil ik onthouden dat T. zo vriendelijk was ons naar Charleroi te voeren, dat het vliegtuig nogal onzacht landde op de luchthaven van Pescara en dat de passagiers daarvoor – of daardoor – applaudisseerden, dat we vanuit onze hotelkamer uitkijken op een streepje Adriatische Zee, en dat we op onze avondwandeling halt hielden bij een openluchtkaraokebar waar autochtonen, geholpen door een autocue, moedig Italiaanse schlagers te berde brachten, ook schlagers die een grotere toonvastheid vergden dan ze konden opbrengen.

Vandaag blijven we de hele dag in Pescara.

36 * 26,19 * 923

Wim Sonneveld – Dreutels Symphonisch Orkest
Bob Dylan – One Of Us Must Know (Sooner Or Later)
John Lennon – Grow Old With Me
Leonard Cohen – Who By Fire
Monteverdi – Altri Canti Di Marte
U2 – Luminous Times (Hold On To Love)
Ella Fitzgerald – Everyone's Wrong But Me
Beethoven – Cello Sonata #1 In F, Op. 5/1 - 3. Rondo: Allegro Vivace
Samuel Barber – Adagio For Strings
Bob Dylan – I Threw It All Away
Sigur Rós – Gobbledigook
Janáček – String Quartet #2, "Intimate Letters" - 2. Adagio, Vivace
Savage Garden – To The Moon And Back
Les Brown – The Moon Was Yellow
A Very Long Engagement – Main Title/The Trenches
Junior Walker & The All Stars – How Sweet It Is (To Be Loved By You)
Mozart – Sinfonia Concertante In E Flat, K 364 - 3. Presto
David Bowie – Star
? – The Way Back Home

Needed the shelter of someone’s arms

2566

Honfleur 1/3 - 110412

2565

Le Havre 8/8 - 110411