maandag 27 april 2026

LVO 340

fragment uit Het maaiveld


De match tegen Juventus, een halve finale, was wellicht de meest memorabele. Het 1-0-verlies in Turijn was overkomelijk. Toen de match begon, hadden Benoni en ik er al vier uur wachten op zitten. Ik had een vlag mee, een bezemsteel waaraan twee monochrome, door mijn moeder aan elkaar genaaide lappen stof waren vastgemaakt.

Blauw en zwart forever!
‘t sien de kleuren van de ploeg
wô da me supporter va zien!

Toen rechtsback Fons Bastijns al heel vroeg in de match Dino Zoff het nakijken gaf, vloog de hele tribune elkaar in de armen. Ik belandde ergens tien treden lager, ging zelfs een tijdje kopje onder. Mocht de sfeer niet zo vriendelijk zijn geweest, ik zou allicht door doodsangsten zijn overvallen. Maar nu had ik er alle vertrouwen in dat iemand mij zou redden. Als een drenkeling stak ik mijn hand in de lucht en werd bovengehaald. Mijn vlaggenstok was gebroken. Ik keerde terug naar mijn plek. En dan was het wachten en nagelbijten. Na negentig minuten was het nog altijd 1-0. Ik moest dringend plassen maar er was geen sprake van mijn plaats op te geven. Toen het einde van de tweede verlenging naderde, hield ik het echt niet meer uit. Ik maakte al aanstalten om alsnog mijn goede plaats op te geven, in de hoop dat ik tijdig terug zou zijn voor de penaltyreeks. Uitgerekend dan scoorde René Vandereycken, drie minuten voor tijd. Ik ben hem er nog altijd dankbaar voor. De vreugde was euforisch.

Tegen de Club gô je nie wi-i-nnen
Halli, hallo, nie wi-i-nnen
Omda da keijarte zien
Blauw en zwart
Omda da keijarte zien