Het voetballen was in die jaren een grote bron van vreugde. We voetbalden op de speelplaats, we voetbalden tijdens de sportnamiddagen op donderdag en we voetbalden tijdens de vrije uren ‘s avonds of in het weekend. Ik was er niet slecht in, maar toch ook weer niet goed genoeg om voor de schoolploeg in aanmerking te komen, laat staan dat ik de ambitie had kunnen koesteren om – als daar al ooit sprake van zou zijn geweest (het kwam niet eens in me op) – ergens in een jeugdreeks naar een hoger niveau op te klimmen.
Maar voetbal speelde ook op een andere manier een rol. Benoni was, in het zog van zijn oudere broer en diens vriendengroep, een fervent supporter van Club Brugge. Hij besmette mij met het virus. Het werd een zoete ziekte.
Toen ik een jaar of elf was, nam mijn broer mij eens mee naar een match. Club Brugge speelde nog op De Klokke, het oude stadion aan de Torhoutse Steenweg. Aan de overkant van de straat dronk de in die tijd nog zeer zachte harde kern van de supporters zich in in het café van de legendarische doelman Fernand Boone. Op zwart-witte persfoto’s ranselt die lange slanke man, nog volledig in zwarte outfit, met een witte 1 op de rug van zijn wollen trui en een pet om de lage zon uit zijn ogen te weren, zwevend een met touw genaaide lederen bal uit de winkelhaak. De match die ik met mijn broer ging bekijken, was tegen Berchem Sport – ik herinner mij de geel-zwarte kleuren van de uitrusting van de tegenstanders op het modderige veld. Het 2-2-gelijkspel was een teleurstelling, die evenwel de opwinding die ik had ervaren bij het voor het eerst in mijn leven aanwezig zijn bij zo’n massaal gebeuren niet kon tenietdoen.
