fragment uit Het maaiveld
Een speelgoeddolk heeft ook, samen met zijn neplederen holster die aan een riem diende te worden bevestigd, lang in mijn speelgoedlade gelegen. Die lade, onder de oven van het keukenfornuis, was mij toegewezen om mijn rommel, zoals de volwassenen mijn kostbare bezittingen noemden, in op te bergen. Het ding was zo bot als een brievenopener. Ik kon er dan ook niets mee aanvangen – pijlen uit twijgen slijpen bijvoorbeeld, om daar dan, met behulp van een zelfgemaakte boog, denkbeeldige vijanden mee af te schieten. Het interessantste aan deze dolk was de manier waarop ik hem had verworven. Dat gebeurde die ene keer dat ik, een jaar of tien oud, een week op vakantie mocht (of moest) naar mijn neefjes in Maasmechelen, bij Nonkel Leon en tante Katrien. Er was kermis op het dorpsplein en daar mocht ik heen. Op mijn eentje, vreemd genoeg. Hoe het geld in mijn bezit was gekomen weet ik niet meer, maar ik beschikte over een briefje van 20 frank: zo’n bleekgroen biljet met op de ene zijde het portret van de nog jonge koning Boudewijn (nog met Lumumba-bril) en op de andere zijde een afbeelding van het Atomium. Er circuleerde in die dagen een practical joke met dat briefje van 20. Als je het op een welbepaalde manier plooide en het vervolgens tegen het licht hield, kon je zeggen: ‘Kijk naar de koning, hij heeft zijn ballen in zijn nek.’ Ik vond dat niet eens grappig, maar het werd dus wel gedaan en dus deed je dat zelf ook. Maar goed, ik trok op eigen houtje en met wat geld naar de kermis op het gemeenteplein van Maasmechelen. Aan het schietkraam zette ik mijn zinnen op die glimmende dolk. Er was in het lemmet zelfs een gootje uitgefreesd om het bloed van mijn toekomstige slachtoffers af te voeren. Toen ik met alle kogeltjes die ik voor vijf frank had aangeschaft het krijtstaafje onder mijn trofee nog altijd niet had weten doormidden te schieten, kocht ik, met spijt in het hart om het dure geld dat ik nu niet aan andere attracties zou kunnen spenderen, een tweede portie munitie. Ook die volstond niet. De gedachte dat mij een geweer met kromme loop was toebedeeld kwam toentertijd niet in mij op – kwatongen beweren dat het een vaak toegepaste foorkramerstruc is. De dolk had me nu al tien frank gekost en was nog steeds niet de mijne. Ik had nu al te veel kermisgeld in het gegeerde object geïnvesteerd om mijn poging om het te verwerven te staken. Liever een dure dolk dan helemaal geen dolk. En dus kocht ik een derde portie kogeltjes. Nog altijd kreeg ik het krijtje niet helemaal stukgeschoten. De kramer kreeg medelijden en haakte de dolk van het haakje. ‘Hier,’ zei hij, en hij schoof mij het gegeerde wapen toe. ‘Je hebt dat verdiend.’ Ik mompelde een ‘Merci, meneer’ en griste het ding van de toonbank waarop grotere schutters hun ellebogen konden laten rusten zodat ze stabieler konden mikken. Het medelijden van de kramer bedierf het plezier dat ik aan mijn trofee beleefde. En dan had ik nog niet eens in de gaten dat het niet sneed, dat mes.
Om bij die kermis te komen had ik, zo herinnerde ik mij terwijl ik deze anekdote aan het opschrijven was, de grote baan moeten oversteken die Maasmechelen doormidden snijdt. Nu stelt die verkeersader de leefbaarheid van dat oord danig op de proef, maar ook toen al was het een drukke en levensgevaarlijke weg. Niet geschikt voor een kind van tien om onbegeleid over te steken. Toen ik, gewapend met mijn dolk, was teruggekeerd in mijn tijdelijk verblijf, kreeg ik, geheel onverwacht, een uitbrander van tante Katrien. Niet omdat ik mijn centen had verspild aan het schietkraam maar omdat haar man, Leon, mij op de weg van zijn werk naar huis had gezien terwijl ik de drukke baan overstak. ‘Ik had u nochtans verboden om buiten de wijk te gaan.’ Ik weet niet meer wat mijn straf was – als ik er al een kreeg want voor het niet-eigen kind dat ik was zal het allicht bij die berisping zijn gebleven, maar ik overdenk nu dat ik er toen niet bij zal hebben stilgestaan dat mijn actieradius in Maasmechelen aan een beperking was onderworpen, gewoon als ik het was om thuis, in Assebroek, te gaan en staan waar ik wilde en daarbij menige drukke verkeersader overstak.