In de spiegel zie ik pandaogen onder dikke zwarte wenkbrauwen, een blos waar de dichtstbijzijnde bougainville bij verbleekt. Maar het merkwaardigst zijn de geschilderde haarlokken die als een opgetrokken gordijn de rode stip op mijn voorhoofd onthullen. Ik wordt ingesnoerd met een tailleband, verpakt in lappen en linten van goudbrokaat en een prachtige bruine en okeren sarong.
Ingrid Vander Veken, Zestig, 279