Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht Watou. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht Watou. Sorteren op datum Alle posts tonen

donderdag 19 juli 2007

Een permanente hapering 2/12

Dit is het tweede deel van een reportage over de Poëziezomer van Watou. De volledige reportage verschijnt binnenkort in Poëziekrant 2007/05.

Watou als laboratorium
Zoals er met Pasen eieren zijn, met Allerheiligen chrysanten en met Kerstmis kalkoen, zo ben je in Watou elk jaar zeker van gedichten en kunstwerken. En ook, hoe dan ook, van de relaties die ze onderling aangaan. Gedichten met kunstwerken, gedichten met gedichten, kunstwerken met kunstwerken – en dat alles met de omgeving.

‘Wie zanikt over de blijvende binding tussen kunstdisciplines,’ stelt organisator Gwy Mandelinck in de catalogus, ‘legt de klemtoon verkeerd.’ Dat ‘zanikt’ klinkt een beetje chagrijnig. Het is duidelijk dat Watou de kritiek ‘het gedicht als bijschrift bij een kunstwerk’ (of ‘het kunstwerk als illustratie bij een gedicht’) definitief van zich wil afschudden. Wie in het ene wel nog een illustratie zoekt bij het andere, kijkt verkeerd. Dat is juist. Maar zeggen dat de kunstwerken en gedichten met elkaar géén relatie aangaan, zou natuurlijk ook geen steek houden.

Watou is een bad van onvoorspelbare indrukken. Het gaat inderdaad niet om een beoogd ‘duidelijk effect’, wel om ‘de druk van het verrassende toeval’ (Mandelinck). Watou is een laboratorium waar in de kolven kunstwerken, gedichten, beelden, klanken, woorden, indrukken en toevallige associaties worden gemengd om nieuwe stoffen te genereren, die met elk individu dat er zich voor open stelt op een aparte manier reageren. Watou is een laboratorium. Het gist en broebelt en dampt en sist in Watou.

De uitkomst is onvoorspelbaar. Vliegt het lab de lucht in, of wordt hier brandstof voor de geest gedistilleerd? (Uiteraard is het uit boeken samengestelde tankstation van Job Koelewijn een zelfportret-met-knipoog. Voor de installatie werd zelfs een van de bundels van de organisator ‘verwerkt’.)

Na vele jaren heb je de juiste houding te pakken. En de juiste houding is: het toeval zich laten voltrekken. Va tout! (Zoals op het gemeentebord staat.) Watou is geen dictaat. Eenieder keert met een ander verslag terug. Ik schrijf hier het mijne neer. U zult er uw ervaring maar ten dele in herkennen. Meer nog: ik hoed er mij zelfs voor om met mijn verslag uw ervaring al te zeer te sturen – ja, ik zou u eigenlijk willen aanraden om te doen zoals ik: over Watou niet één letter te lezen vooraleer u er zelf bent geweest.

Watou is: vertrouwen op het eigen vermogen om te ervaren, te interpreteren en te genieten.

woensdag 18 juli 2007

Een permanente hapering 1/12

Dit is het eerste deel van een reportage over de Poëziezomer van Watou. De volledige reportage verschijnt binnenkort in Poëziekrant 2007/05.

Watou een feest
Ooit reed ik het dorp binnen vanuit een andere invalshoek. Op een grauwe doordeweekse dag van zomaar een wintermaand. Watou was een dorp zoals er zoveel zijn. Verlaten, kil, een onduidelijke bestemming. Opvallend veel horeca, maar de meeste etablissementen waren in een diepe winterslaap verwikkeld. Wie kan hier wonen? Op het marktplein stonden naast de grijze kubus van Stéphane Beel maar een paar auto’s geparkeerd. Bakkerij Goudeseune sleepte zich door een sluitingsdag. Voor ik het goed besefte, reed ik het dorp al weer uit.

Maar nu rijd ik náár Watou, speciaal naar Watou. Een jaarlijks terugkerende rituele tocht. Voor mij begint ‘Watou’ al op het punt waar mijn weg zich van andere reguliere bestemmingen (De Panne, la Côte d’Opale, Rouen, Normandië…) afsplitst: de afrit ‘Ieper’ op de E40, ter hoogte van Veurne. Ik herken de macadamcadans op de nationale baan, de soepele bochten in de weg naar Roesbrugge (waar je over de ‘Dode IJzer’ rijdt), en dan de kaarsrechte weg van Haringe naar de scheve torenspits van de Sint-Bavokerk.

Het is alweer een jaar geleden, er is alweer een jaar voorbij, er staat een groef meer op mijn aangezicht. En een beetje meer eelt op mijn ziel.

Watou is: tijd. Watou markeert het jaar zoals een feest.

donderdag 28 juli 2005

‘…niets zo paradijselijk als niet meer te bestaan'

De hier volgende reportage verscheen in de Poëziekrant.

Half juni, in Watou stijgt de koorts. De terrassen, opvallend talrijk in dit gat, worden al wat drukker gefrequenteerd. In de locaties wordt getimmerd, opgespoten, geboord en geaccrocheerd. Uitgeprobeerd. Het zomert hier al voor de 25ste keer poëzie. Een terugblik is daardoor onvermijdelijk maar, zegt organisator Gwy Mandelinck, dit is een Poëziezomer, niet de 25ste. 25 is maar een getal. – Dat is waar, maar je kunt het wel op verschillende manieren schrijven.

13 juni: de Poëziezomer van Watou staat in de steigers. Dat heeft ook wel iets, eigenlijk: Watou is, welbeschouwd, nooit klaar. Het weer is vandaag ideaal: van dat frisse, heldere, bleekblauw-groene voorjaarsweer, wolken drijven laag over de Noord-Franse heuvelen voorbij. En over de populierenrij naast de voormalige pastorie waar organisator Gwy Mandelinck mij ontvangt. We eten samen, drinken van het Hommelbier dat hij ooit zelf heeft doen brouwen, en bezoeken wat al klaar is en vooral: niet klaar. Tussendoor distilleer ik alvast flarden uit een vijf uren durende monoloog.

‘Ik heb eigenlijk maar één foutje gemaakt, ik heb misschien anderhalve minuut te lang gesproken.’ Mandelinck heeft het over zaterdagavond 11 juni. Een delegatie dichters is hem die dag op zijn dak gevallen. Het heeft hem fel aangegrepen. 25 jaar Watou: het werd tijd om iets terug te doen, vonden ze. Onder aanvoering van Luuk Gruwez en Anton Korteweg. Mandelinck: ‘Niet van de minste, hoor! Rutger Kopland was hier, en Anna Enquist, en Hubert van Herreweghen die, ondanks zijn 84 jaar, helemaal op eigen kracht met zijn auto van Brussel tot hier is gereden. Hugo Claus had er ook moeten zijn, maar hij had zich van datum vergist. Ik had dat eerbetoon helemaal niet verwacht. ’s Morgens had ik wel een vreemde beweeglijkheid opgemerkt, maar ik dacht dat het iets met vaderdag te maken had. Maar toen ik terugkwam van samen met Agnes boodschappen doen in Frankrijk, stonden al die dichters hier. Bloemen, eerbetoon, een diepe en gemeende hartelijkheid. We kregen een maaltijd aangeboden, en daarna was er hier in huis nog een privé-codadag. Ze lazen allemaal een gedicht voor, en dan moest ik hen toch bedanken – ja, ik heb misschien iets te lang gesproken. De emoties werden me te machtig, ik moest even naar boven. Op mijn tanden bijten, ze stuk bijten. Rutger Kopland, een professor psychiatrie nota ben, vroeg me: “Wordt de emotie niet te groot voor jou?” De avond eindigde met Leon [Leonard Nolens, PC] die op de piano speelde en liederen zong. Je ruikt het, hé?: de sigarettenrook hangt nog in huis. Ik vind dat niet erg. Het is de wierook van de vriendschap. Ja, dat heb ik in elk geval van 25 Poëziezomers overgehouden: enkele vriendschappen voor het leven. Er was trouwens niet alleen die avond. Anton Korteweg stelde, samen met Luuk Gruwez en Piet Piryns, speciaal voor Agnes en mij een gelegenheidsbundel samen met 25 grotendeels speciaal geschreven gedichten van evenveel dichters die zich nauw met Watou verbonden voelen. Terugdoen heet die bundel. Er is maar een beperkte oplage van gedrukt, enkel voor de vrienden, maar we overwegen om er een handelseditie van te laten maken.’
Mandelinck benadrukt in de loop van de dag herhaaldelijk hoe belangrijk zijn echtgenote Agnes Hondekijn is geweest voor de Poëziezomers. Hij laat er geen twijfel over bestaan: zonder haar zou het nooit gelukt zijn. Zij werkt er al jaren fulltime aan, onbezoldigd natuurlijk; achter de schermen houdt ze boekhoudkundig, financieel en praktisch de touwtjes stevig in handen. En dan zijn er nog al die andere medewerkers. Zoon Jan, die de relaties met de pers onderhoudt, dochter Maria die het inhoudelijk aspect voortdurend versterkt en haar vriend die fungeert als webmaster (www.poeziezomerswatou.be). De veertig jobstudenten die de locaties bemannen. Het bezoldigd tewerkstellen is hoe dan ook een zwaar probleem. Mandelinck: ‘Ik heb een gepensioneerde man die per jaar een beperkt aantal uren mag werken. En nog welgeteld één vrijwilliger, een schooldirecteur.’
De financiën vormen al jaren een oud zeer. Het blijft behelpen, met sponsoring en op eigen naam afgesloten leningen. En met subsidies uiteraard: dit jaar € 50.000 van het Vlaams Fonds voor de Letteren en € 55.000 van Beeldende Kunsten. Mandelinck: ‘We vissen altijd in twee vijvers – die van de poëzie en die van de beeldende kunst – en niemand weet ons goed te plaatsen. Ik heb vaak meer moeten leven van het schuim dan van wat écht in het glas zit. Ach, en zeggen dat ik met een handeltje in beeldende kunst en wat meer branie al multimiljonair had kunnen zijn. Het tegendeel is waar! Materieel heeft Watou mij niet rijker gemaakt, maar geestelijk gelukkig wel. Er is een netwerk van sympathieën en vriendschappen ontstaan.’

‘Ik zou natuurlijk een boek kunnen schrijven over die 25 jaar. Maar ik heb daar geen tijd voor, ik zou liever nog een paar bundels schrijven. Ik vraag me ook af of het wel opportuun zou zijn. Ik heb veel gehoord en veel gezwegen in die kwarteeuw. Ik zou tegen heel wat schenen kunnen schoppen, veel vijanden maken. En dat wil ik niet.
Ik heb het me niet gemakkelijk gemaakt door in 1980 te beginnen met dat apocalyptische complot tussen dichters en beeldend kunstenaars. Het bleef altijd een gok, iets onberekenbaars. Het gevecht dat we uitvechten tussen woord en beeld is een constante crisissituatie. Dat maakt brokken, en vaak komt het tot hoogoplopende discussies – al heb ik hier nog nooit iemand met slaande deuren weten vertrekken. Het komt altijd wel tot een catharsis, een verlossing – hier en daar blijft er iets over van die strijd. En wat stel ik nu vast? Dat we er altijd óp zaten. In 1982 hadden we hier José Vermeersch, hetzelfde jaar dat hij in de Biënnale van Venetië ons land vertegenwoordigde. En dit jaar hebben we met de Franse kunstenares Annette Messager de winnares van de Gouden Leeuw van de Biënnale in huis. Vreemd hoor, ik heb hier nog de hele afgelopen week met collectioneur Lieven Declerck gediscussieerd over de plaatsing van het werk van Messager. En zie, dan wint zij een van de meest prestigieuze prijzen ter wereld. We zitten heel dicht bij de actualiteit van de beeldende kunst. We zijn een soort Biënnale van Venetië in het klein. Mijn grootste probleem bij de selectie is in de loop der jaren geworden dat ik steeds vaker mensen uit de wereld van de beeldende kunst moet weigeren. Ik krijg aanbiedingen uit Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië. Watou is echt wel een lanceerplatform voor artistieke carrières geworden, intussen.’

‘De vraag is natuurlijk altijd geweest hoe je dat beeldend werk kunt samenbrengen met gedichten. Poëzie staat in een andere relatie tot de tijd. Er is om te beginnen een andere technologie. De dichter moet het doen met zijn 26 letters. In de beeldende kunst is er altijd wel weer iets nieuws. Je stelt dan ook vast dat de jongere dichters beter mee zijn met de hedendaagse beeldende kunst. De oudere dichters associeer je toch nog altijd gemakkelijker met kunstenaars als Raveel of Westerik, met de Cobrabeweging. Het gaat allemaal zo snel in de beeldende kunst. Als je ziet welke evolutie we in Watou hebben meegemaakt, van Vermeersch tot nu. De dichters houden langer stand. Een Claus vind ik nog altijd even actueel als een Verhelst of een Hertmans. Claus heeft zijn eigen onnavolgbare accent. En, hoe actueel hij nog altijd moge zijn, hij brengt ook het verleden mee, zoals ook in zijn gedicht in die gelegenheidsbundel [het ‘Ode’ getitelde en aan ‘eminente Gwij’ opgedragen gedicht van Claus, overigens, eindigt met een lovende vermelding van de ‘milde muze’ Agnes, PC]. Daarin zegt hij “de penne” te ontlenen…

van wie het zoveel beter zei,
Gezelle zelf:
“Ik, de al oude verzenvinder,
die op rijm van hier en ginder
menige reke, rijp en rond
lijk gevonden vruchten vond.”


Ik grijp zelf ook steeds vaker terug naar Gezelle. Hij mag dan soms te moraliserend zijn, hij is toch dé dichter van verzen. Zijn mozartiaanse muzikaliteit staat voor mij boven het inhoudelijke aspect. Die muzikale kwaliteit van Gezelles poëzie is tijdloos.
Ja, dode dichters… De dichters blijven hier wonen tot over de dood. Mijn straat is al helemaal een dodenstraat. In het begin van de straat heb je de hommages aan Van Wilderode en De Coninck, en ginds aan het Grensland heb je het monument voor Van Vliet. ’s Winters achtervolgen deze dode dichters mij. De tekens die ze hebben achtergelaten. Ze schrijven doorheen mijn winterse gedichten, wanneer de aarde kraakt. Dan spreken ze me toe vanuit de grond. Dan ben ik niet meer alleen. De Coninck, Van Wilderode, Van Vliet en ik, we zijn met z’n vieren – we zouden kunnen kaarten!’

Achter Mandelincks pastorie staat nog steeds het monument voor Eddy van Vliet in de wei waar ook de as van de dichter werd uitgestrooid. Het bestaat uit een stukje muur met een raam en, in dat raam, een gedicht van de overleden dichter op de ruit. Mandelinck heeft heel wat commissies en klachten moeten trotseren om het monument niet langer als ‘zonevreemd’ te laten bestempelen. ‘Ik ben ervoor tot bij de directeur-generaal van Ruimtelijke Ordening en twee ministers gegaan. En kijk, nu is het al opgenomen in het toeristisch pakket van Poperinge!’

‘Een kwarteeuw Watou. Wat doe je eigenlijk, heb ik me al vaak afgevraagd. [Watou je eigenlijk?, PC] De afstand die in de afgelopen 25 jaar werd afgelegd heeft voor mij toch in de eerste plaats met poëzie te maken. Als dichter heb ik een hele evolutie doorgemaakt. Ik heb dat traditionalisme waarin ik in de jaren 1980 zat achter me gelaten. Dat heeft veel te maken met wat ik hier heb meegemaakt. Ik ben in een veel ruimere context terechtgekomen. Er heeft zich in mijn werk een soort van ontgrenzing voorgedaan. Ik heb me van dit dorp losgeschreven. De Poëziezomers hebben me wel zeker vijf dichtbundels gekost. Vijf dichtbundels die ik daardoor niet heb kunnen schrijven. Maar zal het iets uitmaken? Ik ben al blij dat iemand als Remco Campert me zegt dat hij enkele van mijn gedichten prachtig vindt. Misschien kan ik er daar nog één of twee aan toevoegen. Ik moet dringend opnieuw beginnen te schrijven. Het rommelt en borrelt en gist hier al (wijst naar voorhoofd en maag).’
Met de Poëziezomers heeft Mandelinck niet alleen bij zichzelf een verschuiving teweeggebracht, maar ook in de hele poëziebeleving of, om het met dat lelijke en hopeloos onvermijdelijk geworden woord te zeggen, het poëziegebeuren.
‘Poëzie is, zeker in Vlaanderen, een schimmige aangelegenheid geworden. Er is nauwelijks nog poëziekritiek. Als het er om gaat de poëzie in de actualiteit te brengen, hebben de poëzie-evenementen het roer overgenomen. Niet iedereen is daar gelukkig mee. Men schuift mij zelfs een soort van schuld in de schoenen. Maar ik weet dat ik vrijuit ga. De Poëziezomers zijn toch, net als poëziekritiek in de tijd dat poëzie nog nieuwswaarde had, een promotie voor de poëzie? De tijd dat de dichter op zijn zolderkamer vastgepind zat, is allang voorbij. Dichters nemen deel aan evenementen, festivals, vertaalsessies, residenties…
Als je nagaat, we hebben hier in de afgelopen 25 jaar bijna 400.000 bezoekers gehad. Geen enkele bloemlezing bereikt zoveel mensen! Al die mensen kregen een bad, een douche van woorden. Toch minstens een aantal van hen heeft honger gekregen naar meer…
Ik heb bovendien altijd kwaliteit nagestreefd. Als er nu poëzie-evenementen zijn met onvoldoende kwaliteit, ligt dat niet aan mij.
En nog iets. Er is hier intussen een immens poëziearchief ontstaan. Een boekenplank catalogi. Zeshonderd stemmen, we zijn er nu een cd mee aan het samenstellen.
Ik heb nooit gedacht aan het promotioneel, economisch, toeristisch aspect van de hele onderneming. Dat de prijs van de huizen hier de pan uitswingt, is een neveneffect. Voor mij gaat het om de poëzie, om wat poëzie is: iets met weerhaken. Poëzie staat haaks op het leven. Goede poëzie moet verontrusten, moet – vergeef me deze zware woorden – een existentiële verontrusting teweegbrengen. Watou heeft altijd tegen de haren in gestreken. Onmacht en angst zijn de twee belangrijkste emoties die ik hier heb leren kennen. Angst dat je de kwaliteit die je nastreeft niet zult kunnen bereiken. En dat veroorzaakt onmacht. Elke kunstenaar kent dat gevoel. Daarom zei Jan Hoet indertijd: “Ik ben blij dat ik geen kunstenaar ben.”
Watou heeft me ook doen inzien dat je het raam tussen jezelf en de wereld moet ingooien en je kwetsen aan de scherven. Je moet bloeden, en dan met creativiteit de wonden stelpen en ontsmetten. Dat hebben de kunstenaars me geleerd: dat je dat met creativiteit kan. Watou heeft me harder gemaakt. Ik besef dat ik met enorm veel vragen blijf zitten. Dat harde zat al in me. Als kind, dat was vlak na de Tweede Wereldoorlog, we hebben nog honger gehad – als kind las ik Dostojevski. Mijn vader zag het en wist dat ik er niets van begreep, maar liet me begaan. Karamazov is me letterlijk op m’n hoofd gevallen. Rond m’n dertigste wilde ik een soort euforie beleven in de context van een tuin – “waar de zon aan overuren doet / heeft men zich dagen verslapen”. Dat paradijselijke werd plots weggevaagd door een confrontatie met het leven zelf. Je kunt het paradijs niet in stand houden. De dood is altijd aanwezig.
Watou is: onmacht en angst en kwetsuur. Maar ook: bevrijding. Bevrijding van het dorpse, het provinciale. Paradoxaal: ik zit hier nu al 26 jaar maar eigenlijk ben ik een zwerver. Ik ben naar hier gekomen om in de stilte te kunnen schrijven, maar ik heb dit dorp altijd verlaten.
Bevrijding van de actualiteit. Ik ben altijd blij als ik eens een dichter of beeldend kunstenaar kan presenteren die níet actueel is. De hang naar actualiteit doet je soms de essentie uit het oog verliezen. Maar je kunt natuurlijk niet om de actualiteit heen, zeker niet in de beeldende kunst, die toch vaak politiek geïnspireerd is. Ik denk bijvoorbeeld aan de video die Laura Waddington heeft opgenomen in het vluchtelingencentrum in Calais. Je ziet er Afghaanse vluchtelingen die de grens tussen Calais en het paradijs willen oversteken: het Nauw van Calais. Met dat paradijs moet elk mens afrekenen. [Hoe nauw ook het Nauw, dat paradijs blijft onbereikbaar, PC.]
De bevrijding waar ik het over heb is een ontgrenzing. Je moet niet meteen aan landsgrenzen denken of zo. Dat is het ook, en zeker hier in Watou, een grensdorp – maar dat is het niet uitsluitend. Laat mij met een voorbeeld duidelijk maken wat ik bedoel. De Vlaamse kunstenaar Jan Decock, een Vlaamse kunstenaar die hier ook nog gewerkt heeft en het internationaal aan het maken is, stuitte op een dag in het dorp op een “vinkenzetting”. Hij moest zijn schoenen uittrekken om geen lawaai te maken. Want anders fluiten die vogeltjes niet. Telkens zo’n vink zijn liedje fluit, zetten de vinkenzetters met krijt een streepje bij op hun stok. Ze turven. Welnu, precies datzelfde motief, vier verticale streepjes en dan een diagonaal er dwars doorheen om het vijftal rond te maken – wat de telling vergemakkelijkt –, blijkt nu te zijn teruggekeerd op de cover van die gelegenheidsbundel die Anton Korteweg voor Agnes en mij maakte. Het getal 25 staat er niet in Arabische cijfers op maar in vinkenzettingsstreepjes. Twee dingen komen, onafhankelijk van elkaar, samen. Vanuit twee aparte werelden. Zo vallen grenzen weg. Dat is wat ik bedoel met ontgrenzing, bevrijding.
Maar ook dit: alle onderscheiden vallen in onze tijd weg. We leven in een tussentijd. Er is een enorme mobiliteit ontstaan, alles verschuift. We leven heel erg op de tast. Iedereen moet zijn weg zoeken. Ook de dichters. Bevrijding is niet altijd iets comfortabels.
Grensoverschrijding is er ook in het ontsluiten van privé-collecties. De vorige jaren hebben we samengewerkt met het SMAK, dat is inmiddels een vrij bekende collectie, een soort van canon. Maar je kunt je niet voorstellen hoeveel moderne kunst er in privé-collecties steekt. Zeker hier in Zuidwest-Vlaanderen. Dat zijn wel zeer diepe spaarsokken! Ik heb de indruk dat die collectioneurs tegenwoordig wat minder schrik hebben van de fiscus, ze komen al wat gemakkelijker naar buiten. En zo creëer je passages naar het onbekende. Een goed voorbeeld van zo’n collectie-item is het geknakte kruis van de Canadees Christian Eckart in de kerk.
We doorbreken ook grenzen tussen genres. Tussen het statische van beelden en installaties en foto’s, en de dynamiek van videobeelden. Theaterfestival-curator Cis Bierinckx heeft zich de videokunst aangetrokken. Ik heb hem meteen duidelijk gemaakt dat ik niet van dat gevisualiseerd drijfzand wil maar wel zaken die bijblijven. Bierinckx is daar in geslaagd, denk ik, onder meer met de “Jungle Book”-video van Pierre Bismuth, onmiddellijk als je de eerste locatie betreedt. Dat is het voorportaal van de 25ste Poëziezomer: een video waarop je acteurs in negentien talen in een kinderkamer het jungleboek laat spelen en zo een nieuwe jungle laat creëren. Een talenjungle. Bierinckx heeft in elke locatie een video centraal geplaatst en tegen de stilstaande, gematerialiseerde beelden en de gedichten afgewogen.
Een aantal van die beelden, of installaties, wordt in situ gemaakt. Zo ontstaat nog een andere mobiliteit, die tussen het front Watou en het thuisfront. Er wordt heel nadrukkelijk rekening gehouden met de ruimte waarin de werken komen.’

‘Het thema van de ontgrenzing, waarnaar ook de titel van dit jaar verwijst – “Nous le passage” – heeft ook Koen Van Synghel geïnspireerd. Van Synghel is architect en architectuurpublicist. Wij vroegen hem om de gedichten te visualiseren. De erg succesrijke printers van vorig jaar, waarbij elke bezoeker de gedichten kon laten uitprinten, waren niet voor herhaling vatbaar. Van Synghel koos voor legstenen, de oudste vorm van architecturale afdekking – in de vorm van de zerk op het graf, of van de deksteen als plafond in een eenvoudige constructie. De gedichten worden op die legstenen aangebracht, en met behulp van licht komen ze te voorschijn. Om dan weer te verdwijnen. Zo worden die legstenen lichtstenen. Behalve de legstenen zijn er ook ramen. Er worden gedichten aangebracht op vensters die uitkijken op de verte. Een verwijzing naar ‘De man voor het venster’ van Maurice Gilliams. Ja, ik vind het belangrijk dat we nog eens de man voor het venster spelen! Daarnaast werkte Van Synghel ook met het thema “grens”. Hij maakte slagbomen, ze worden hier en daar opgesteld. Af en toe gaat die slagboom omhoog en dan komt van zes meter hoog de stem van een dichter naar beneden. Als nodigde die je uit om de grens over te steken. Maar dan gaat de slagboom weer neer: je moet jezelf beveiligen, je moet ook kunnen binnen blijven, je moet jezelf beschermen tegen al te grote versplintering.
“Nous le passage”, de titel van dit jaar, heb ik ontleend aan de enkel bij fijnproevers bekende Franse dichter Henri Meschonnic. Claus en Nolens kenden hem.
Wij als passage: we zijn vluchtig, alles gaat voorbij. Uiteindelijk is het dat wat we hier al 25 jaar leren.’

Ik vraag Mandelinck mij, die Meschonnic niet kende, de naam Meschonnic te spellen. ‘De naam van een dichter mogen spellen is een van de mooiste dingen die je kunt meemaken.’
Gwy Mandelinck praat en praat. Hij is niet te stuiten. Soms spreekt hij als een bevlogen poëet, soms als een boekhouder die niet meer weet hoe hij scheve cijfers moet rechttrekken, soms als het door onpeilbare zorgen gekweld orakel dat ik nu al tien jaar bijna jaarlijks raadpleeg – één dag in het jaar: genoeg om de toenemende diepte van de groeven in zijn gelaat te meten.
De wrochtende dichter, zoekend naar woorden en wendingen die je in een conversatie maar zelden hoort. In de loop van het gesprek krijgt hij tandpijn, neemt een smeltaspirine. En zegt: ‘Ik zei bij de tandarts dat ik op een nachtmerrie had gebeten.’ En hij zegt ook: ‘Hier wordt taal geknarsetand.’ Of: ‘Telkens als ik Claus lees, drink ik een soort gorgeldrank.’ Of: ‘Ik heb met de kater van de euforie tot één uur vannacht gewerkt.’ Ja, ik krijg zelfs het gevoel dat de dichter-organisator mij, de scribent, een beetje regisseert. Zo heeft hij het herhaaldelijk over vuur. Over de hel en het vagevuur en een impulsief gemaakte reis naar Italië, ‘waar de zon zo groot is’. En hij steekt de kachel aan met briketten, hij heeft het koud. ’t Zou een mooie rode draad kunnen zijn, het vuur, maar ik laat het toch maar achterwege – u moet dat vuur zelf ontdekken. (‘Den haerinck brandt, den haerinck brandt, / En moest den haerinck niet branden, / Wat lag er dan in onze handen? / Den haerinck brandt, den haerinck brandt / En dat doet ons veel deugd.’ – de eerste strofe van Peter Verhelsts gelegenheidsgedicht in de bundel Terugdoen zinspeelt op Mandelincks échte naam.)
Mandelinck praat en praat. Voor het eerst in de tien jaar dat ik hem ken ook wat meer over zichzelf, over zijn kinderen. Over nationalisme, het dubbele daarvan. Hoe Guido zich daar met ‘traditionalistische’, stevig in de Vlaamse klei gewortelde verzen niet meteen van wist los te maken. Hij liet zich Gwij noemen en later zelfs Gwy (een nuance waar zelfs de samenstellers van de gelegenheidsbundel niet meer goed wijs uit geraakten), als teken van appreciatie voor de Middelnederlandse letteren. ‘“Van den vos reynaerde” en “Egidius” blijven onsterfelijke meesterwerken. Wat de portretten van Memling en Van Eyck zijn in de schilderkunst, zijn deze teksten in de literatuur.’ Maar ten aanzien van het extreme nationalisme kan niet fors genoeg afstand worden genomen, vindt Mandelinck. En dan vertelt hij met veel vaderliefde over zijn kinderen: eentje trouwde met een zwarte vrouw als getuige, en hardde zich in Afrika als arts zonder grenzen. ‘Ik schreef haar een hele reeks brieven op blauw papier…’
Het thema nationalisme is ook bij de dichters aanwezig. Mandelinck: ‘Uitdrukkelijk bijvoorbeeld bij de Spanjaard Matéo Mate, die een video toont over extreme vormen van nationalisme. De beelden worden doorheen vlaggen geprojecteerd. En eigenlijk is het thema impliciet aanwezig bij alle Nederlandse en Vlaamse dichters: ze blijven hoe dan ook toch hun eigen klank behouden. Bij de Franse dichters die ik dit jaar – voor het eerst – in de selectie heb opgenomen, is dat natuurlijk nog duidelijker. Vorig jaar waren er al Waalse dichters. Dit keer dus Fransen. Onder meer René Char, Pierre Reverdy, Henri Michaux. En dan zijn er nog enkele pijnlijk onbekenden, zoals Michel Deguy, de hoofdredacteur van Poésie, en de al genoemde Henri Meschonnic. Ik laat de Franse gedichten ook horen. Acteur François Beukelaers leest ze in, net zoals de Nederlandse vertalingen. (De Nederlandstalige gedichten worden meestal door de dichters zelf ten gehore gebracht.) Ik vind dat de Franse poëzie in het Nederlands taalgebied stiefmoederlijk wordt behandeld. Er is een suprematie van de Angelsaksische poëzie ontstaan.
Ik heb de Franse gedichten laten vertalen omdat onze kennis van het Frans is verzwakt, en natuurlijk ook omdat de altijd talrijke Nederlandse bezoekers nog veel minder vertrouwd zijn met die taal. Overigens zijn ook alle Nederlandstalige gedichten naar het Frans vertaald, onder meer door Jan H. Mysjkin.’

‘Bij de selectie van de dichters laat ik mij leiden door mijn lectuur, en daarin dan weer door een verlangen naar de einder, de verte, het andere. Ik kies niet voor één stroming of één generatie. Ik moet vaak denken aan die beeldeninstallatie die vorige zomer in De Panne te zien was: menselijke figuren stonden in de branding. Bij vloed gingen ze bijna kopje onder, maar als de stroming weg was, kon je ze volledig zien. Dat heb ik ook met poëzie. De individuen spreken mij meer aan dan de stromingen. Ik vind zowel in de zogenaamd traditionele poëzie als bij de postmodernen mijn gading. En natuurlijk heb ik mijn lievelingsdichters, die ik elk jaar aan bod laat komen. Ik kan niet objectief zijn, en dat wil ik ook niet. Schiet mij neer als ik mijn liefde niet mag verklaren. Trouwens, als ik het verschil zie tussen de bloemlezingen van Komrij en Deleu… Zo objectief kunnen hun standaarden toch ook niet zijn.’

zaterdag 15 augustus 2026

watou 2026

notitie 521


Ik ben de voorbije dertig jaar wel een keer of twaalf, misschien vijftien, naar de Poëziezomer van Watou geweest. Ik heb niet alles in digitale vorm bewaard, maar op mijn blog is achter de zoekterm‘Watou’ wel het een en ander – in woord én beeld – daarover te vinden. Ik vind dat ik recht van spreken heb als ik zeg dat de editie 2026 van de Poëziezomer – tegenwoordig heet het evenement ‘Kunstenfestival’ – de meest teleurstellende is die ik al heb bezocht.

Ik ga niet in op de beeldende kunst of de gedichten. Ik had geen zin om de catalogus te kopen die ik daarvoor nodig zou hebben. Niet alleen omdat ik 25 euro entreegeld al meer dan genoeg vond, maar ook omdat wat er te zien viel mij daartoe niet noopte. Van de vaak zeer marginaal aangebrachte gedichten las ik hier en daar een flard, maar toch ook niet veel meer dan dat. Het gedicht van Pim Cornelussen in de kerk las ik wel helemaal. Het sprak me aan omdat het adequaat verwoordde wat ons allemaal bezighoudt of zou moeten bezighouden omdat het maar zeer de vraag is of we een tweede kans zullen krijgen, een toegift, een toe-kans:

Ergens aan de andere kant van de evenaar
wordt een bos gerooid, bezwijkt een veld
vol palmbomen en opvliegende toekans.

In een van de kamer weerklonk de vertrouwde stem van de onlangs overleden Leonard Nolens, en een van de drie debutantengedichten, keurig verdeeld over drie stalletjes van de Douviehoeve, sprak me ook wel aan. Ik geloof dat het van Sarah de Koning was.

Van de kunstwerken zal ik al evenmin veel onthouden, vrees ik. Ik bekijk de foto’s die ik maakte en stel vast dat ik vooral off topic heb gefotografeerd: dingen die me opvielen maar die niet als ‘kunst’ bedoeld waren. Dingen die eigenlijk altijd te zien zijn in Watou, ook wanneer het jaar er zijn gewone beloop kent. Ik zeg niet dat er niets waardevols was (ik kan, om dat te verifiëren, nog altijd eens de website van het kunstenfestival raadplegen), wel dat mijn blik afdwaalde, dat ik er mijn aandacht niet voldoende bij hield. Ik weet hoe dat kwam. Het was omdat de algemene teneur van de presentatie – rommelig, onverzorgd, zonder duidelijke eenheid – mijn aandacht niet vasthield.




In enkele kamers leek een vrachtwagen van de kringloopwinkel zijn lading te hebben uitgestort. Vensters die zijn volgekleefd met allerhande documenten vermogen ook niet lang mijn aandacht vast te houden. En als ik een in prikkeldraad verpakte urinoir zie – en wie denkt dan niet aan Marcel Duchamp? – met daarin reproducties gekleefd van iconische gruwelfoto’s (de pistoolexecutie van een man door een soldaat ergens in het Verre Oosten; de foto van het naakte meisje dat vlucht voor een napalmaanval), dan voel ik mij geschokt, verontwaardigd, kwaad. Iconische foto’s zijn foto’s die je maar beter niet gebruikt, en al zeker niet in een al te nadrukkelijke uitbeelding van…, ja waarvan eigenlijk? De prikkeldraad lijkt te suggereren dat de iconische foto’s, die de kunstenaar zich heeft toegeëigend, uit dat op zich ook al iconische recipiënt niet wég kunnen. Ik weet niet wat ik daarbij moet voelen of denken.

Het experiment met de door AI ‘vervaardigde’ gedichten vond ik interessant. Je moest uit drie geanonimiseerde gedichten het ene gedicht selecteren dat níet door AI was geschreven. Met dit leuke spelletje kon je ten overstaan van je medebezoekers pronken met je vermogen om echte poëzie van lukraak geproduceerde versjes te onderscheiden. Ook een stel tarotkaarten met visualisaties van de toestand waarin onze wereld verkeert, vermocht mijn aandacht te trekken.




Na het in vergelijking met vroegere edities vrij mager uitgevallen parcours in het dorp wordt de bezoeker, die uiteraard waar voor zijn dure entreekaartje wenst, uitgenodigd om zich naar de laatste locatie te verplaatsen: het kasteel De Lovie in Proven. Binnen in dat kasteel was het aanzienlijk frisser dan buiten, dat viel dus mee. Maar de in verschillende ruimtes aangebrachte kunstwerken oogden minder ‘fris’. De vermenging van gerenommeerde highbrow kunst met de maaksels van amateurs uit de plaatselijke hobbyclub draagt nu eenmaal niet bij tot een juiste focus. En wat de betekenis was van de ultratrage choreografie die in een van de grotere kamers door enkele jonge dansers van beiderlei kunne werd uitgevoerd, werd mij ook niet duidelijk. Waarom dat topless moest gebeuren al evenmin.

De afgelegen locatie van De Lovie (7 kilometer verwijderd van het dorpsplein van Watou) noopte niet tot een terugkeer naar een van de horecazaken in Watou voor een nabeschouwing – ik kan mij voorstellen dat de plaatselijke neringdoeners niet zo opgezet zijn met dit manoeuvre.

Het mooiste kunstwerk – ook al was het waarschijnlijk niet de bedoeling het als kunstwerk in dit kunstenfestival op te nemen – vond ik het horizontaal bewaarde restant van een monumentale boom op de site van de Douviehoeve. Een verwijzing naar de duizenden slachtoffers, bomen maar ook andere levende wezens, van de hitte en de klimaatverandering. Het was inderdaad bijzonder warm, daar in Watou. Er viel alweer een ‘record’ te noteren. Neen, niet in het aantal bezoekers, want het viel toch wel op dat die zeer weinig talrijk waren. Als Watou wil blijven bestaan, zullen de toekomstige curatoren het over een andere boeg moeten gooien.



zaterdag 9 september 2006

‘Beweging bedwingen tot dingen’

De hier volgende tekst staat in het nieuwe nummer van de Poëziekrant.


Onder de noemer ‘Extiem’ loopt in Watou de 26ste Poëziezomer. U kan er nog tot 10 september komen nadenken over het neologisme extiem en aan den lijve ondervinden wat het allemaal kan betekenen.

Een neologisme als titel, is dat wel een goed idee? Is hier warm water uitgevonden? In ‘Extiem’ klitten extern en intiem samen. Buiten en binnen. Het vreemde en het eigene. Het nieuwe en het vertrouwde. Het nieuwe woord suggereert iets superspecifieks (waarom anders het in het leven roepen?), maar dat lijkt te botsen met het feit dat het alles heeft van een passe-partout. Je kunt het op vanalles toepassen. Op het exotische (Surinaams, Fries, Zuid-Afrikaans) in de eigen taal. Op het gegeven van de verschillende locaties – met telkens een interieur en een exterieur – in een dorp dat zelf behoorlijk in de marge ligt, excentrisch is. Op het watouïaanse samengaan (of naast of door elkaar gaan) van beeldende kunst en poëzie. De voor de hand liggende vraag is natuurlijk wat deze 26ste editie ‘extiemer’ maakt dan de andere?
Iets wat – afgezien van de evidente wisselingen van selecties en keuzes – in elk geval veranderde in vergelijking met de vorige edities is de manier waarop de poëzie wordt gepresenteerd. Ooit werd ze breed uitgesmeerd op schuurgevels, dan weer rolde ze uit printers of stond ze afgedrukt op lichtbakken… Dit keer zorgden Koen Van Synghel en Marc Goethals voor een wonderlijk sobere, evidente en efficiënte oplossing: ze tonen zwartwitfoto’s van de gedichten in de dichtbundel zelf waarin ze thuishoren terwijl deze wordt opengehouden door de hand van een lezer.

Tegenover een zorgvuldig afgewogen achtergrond vormt het witte vlak van de bladspiegel een compositie van grijswaarden. Zo de bij het gedicht ‘Binnenbrand’ van Menno Wigman opengeslagen bundel die, als een half openstaande poort, tot binnentreden noodt. Zo het gedicht ‘Zelfportret’ van Rutger Kopland, gehouden voor een spiegel: ‘ik kijk en kijk in dat gezicht / en inderdaad – ben ik dat?’
Het zelfportret: ja, dat levert een fameuze ‘extimiteit’. Het ‘ik’ valt uiteen, wordt in eerste (tweede?) instantie niet herkend. Er is vervreemding. ‘De oren toegestopt, in stilte, denk ik dag in dag uit mij in dat ik / die ene ben en steeds een ander…’ (Anneke Brassinga, ‘Roeping’).
Je kunt veel zeggen over Watou, bijvoorbeeld dat het, als het instituut dat het inmiddels is geworden, vecht tegen de herhaling en gevangen zit in vernieuwingsdwang. (Organisator Gwy Mandelinck stelt aan het slot van zijn inleiding uitdrukkelijk: ‘Is de Poëziezomer na de jubileumeditie van vorig jaar een vorm van zelfrechtvaardiging, een aanhef van ijdelheid geworden?’ – waarbij die ‘ijdelheid’ onvermijdelijk de associatie met het kijken in spiegels oproept.) Als er op de formule al iets van sleet zit, dan daarop: op dat steeds opnieuw zoeken naar vernieuwing. Maar dan moet je meteen ook stellen dat in dat gevecht Watou ook altijd een uitnodiging, een dwingende uitnodiging is geweest – en nog altijd is – om ópen te staan voor vernieuwing. Het element zelfbevraging, of noem het zelfkritiek, blijft uitdrukkelijk aanwezig. Dat bedoelde ik met mijn neologisme: watouïaans. In tegenstelling tot de talloze epigonen overal te lande, die ad nauseam ‘in het straatbeeld’ met gedichtjes knutselen, blijft Watou een zelfonderzoek, een verkenning van de mogelijkheden van het tentoonstellen en het aanbieden van poëzie.
Het heeft – het zal wel onvermijdelijk zijn – hier en daar iets krampachtigs. En het evenement heeft, vooral door toedoen van het vaak amateuristische epigonisme, te lijden van saturatie.
Daarom is het alvast een verademing om vast te stellen dat voor de presentatie van de gedichten voor die evidente oplossing werd gekozen. Een oplossing die zichzelf niet spectaculair als vernieuwend presenteert en die efficiënt is precies door zijn bescheidenheid en onopvallendheid. En dat is misschien een les die uit deze editie te trekken valt: omdat van de kant van de kunst de vernieuwing verplicht lijkt (al smacht een mens wel eens naar een ambachtelijk gepenseeld landschapje) – het is een misvatting dat je dat van de kant van de presentatie van de gedichten ook zou moeten verwachten.

Het gedicht ‘Omdat alles onvast is’ van Esther Jansma lijkt iets te zeggen over de cluster van problematieken waarmee Watou elke zomer opnieuw probeert af te rekenen:

Op het land belande natuursteen beroepshalve
tot zelfportretten in de vorm van duivels en buiken
hakkende, u wilt beweging bedwingen tot dingen
en dat lukt u niet. Ooit heeft u mij gemaakt

nu heeft u spijt. Met mij komt tijd, verwarring
binnen in uw stelsel, ik moet weg – maar zie
daar ben ik weer. Ik maak u heel. Ik sloop, ik schop
voorbijgaan op uw erf. Uw collectie spiegels

uw stellingen vol definities trek ik om. Ik breng u
geen geluk, ik breng u niets, vlekken, uw eigen
oude hand die mij ooit vasthield, uw verleden.
Ik breng het duizelige weten dat u niet bij mij kunt.


De afstand blijft onoverbrugbaar. Extern-intiem. Alleen altijd maar vernieuwde vernieuwing lijkt soelaas te bieden (ik trek uw spiegelverzameling, uw definitiesstellingen om). Of zoals Hans Verhagen het in ‘(Wraak der lelies)’ stelt: ‘[We zitten] gevangen / , zolang we in dezelfde richting blijven kijken.’ Of neem eens een ander alfabet om alles helemáál anders te zien, zoals Jan Vercruysse doet met een transscriptie van een fragment uit Pessoa’s ‘De Sigarenwinkel’ in een tekensysteem dat is gebaseerd op de schoppen, harten, ruiten en klaveren van het kaartspel.
Wat is trouwens vernieuwing? Wat kan vandaag, nu alles schuift, nog vernieuwing zijn? Misschien komt het er op neer dat we ons losrukken van de spiegel. Dat we niet uit zijn op zelfherkenning, zelferkenning, zelfbevestiging. Pas dan ontstaat er wellicht iets als vertrouwdheid tussen onszelf en het ons vreemde, tussen onze intimiteit en het externe. Dat is misschien de essentie van kunst. Jan Fabre verwoordt het met zijn eigen bloed in niet-vlekkeloos Frans in zijn ‘Manifest’: ‘on ne s’habitue pas à l’art […] dans un monde où tout est dû au hasard, l’artiste dispose tout au plus d’une chance, de remporter une victoire sur la chance’. De kunstenaar die, nochtans, aldus nog altijd Fabre, ‘seul avec lui-même’ is, ‘comme un marin naufragée [sic]’, beschikt over de mogelijkheid om iets met die vreemdheid te doen, om een brug te slaan tussen het intieme en het externe. En dat ondanks het harnas waarin hij zich hult (zoals te zien is in het bij deze programmatische tekst geprojecteerde video ‘Sanguis/Mantis’).

De pantserhardheid van Fabres harnas doet, overigens, denken aan het gedicht ‘Behandeling van de okkernoot’ van Huub Beurskens:

Aan niets anders dan aan wat gesloten okkernoten
besloten denken kunnen kunnen okkernoten denken

zie toch hoe opengebroken de helften in halve schil
gelijken wat geen hoofd van zichzelf bekijken kan of

bekijken laten wil inhoud van lijken passend in twee
handen een paskwil o waren wij zo’n hard omsloten

dubbel hersenstel geweest dan ervoeren we wellicht
ook niet dit leven als levend van ons einde af te weten

zie de notenboom eens heerlijk aan de wandel door late
kleuren gerijpt met invallen van eeuwigheden volstaan

ga eronder zitten hoogbejaard en probeer vergeefs je
met een noot de schedel in te slaan roepend waarom

moeder heb je me dit aangedaan tot het kraakt dan
proef hoe het smaakt naar de kindertijd met je dader.


De vreemdheid als confrontatie tussen het intieme en het externe uit zich op allerlei manieren (ik zei het al: als noemer is het neologisme extiem zeer algemeen toepasbaar).
Vooreerst heb je natuurlijk de evidente cultuursociologische of zo u wil cultuurgeografische tegenstelling tussen het gat Watou en de grootstedelijkheid die doorgaans van het fenomeen moderne kunst afstraalt. Uitgerekend op een plek waar de tijd stille is blijven staan, komen de grote vernieuwers en trendsetters (want dat zijn de kunstenaars, collectioneurs, conservators, kunstpausen en tentoonstellingsmakers die hier over de vloer komen toch?) ‘hun ding doen’. Uit de musea, galeries en collecties van Gent, Amsterdam, Londen, New York… worden installaties, videokunst, sculpturen en wat weet ik al niet aangesleept en hier voor een paar maanden in een gammele schuur of kelder uitgestald. De ware aard van deze plek – die zonder de Poëziezomer ongetwijfeld even ingeslapen zou zijn als de ingeslapen oorden van min of meer gelijke omvang in de buurt (Winnezeele, Houtkerque, Roesbrugge-Haringe, Proven, Abele) – wordt al een kwarteeuw ironisch genegeerd; hier wordt iets ondorps gedaan; Watou is óók Va Tout, zoals al even ironisch in zwarte letters op een roodomrand geel gemeentegrensbord aan de ingang van het dorp staat geafficheerd. Rien ne va plus, wist ook Claude Chabrol en dus: Tout va!
Hierbij toch twee kanttekeningen. Eén: Watou is, ik zei het al, een instituut geworden. Het is allang geen dorp meer zoals de genoemde andere dorpen in de buurt. Het vervult in cultureel en zeker ook economisch opzicht een ándere, niet in- maar uitgeslapen functie. Overal in de Lage Landen wordt Watou tegenwoordig meer vereenzelvigd met de jaarlijkse Poëziezomer dan met de verzameling huizen en boerderijen die er rond de kerk geschaard staan of zelfs met de brouwerij die het toponiem in het vaandel voert.
Twee: Watou is toch ook niet zo onmuseaal als wordt gesuggereerd. Natuurlijk kun je het hoge agrarisch gehalte van de accommodatie voor deze jaarlijkse kunst- en poëziehappening niet ontkennen. Wethuis, Grenslandschuur, Douviehoeve: dat zijn en blijven locaties waarvan de oorsprong en bestemming hoe dan ook weinig met hedendaagse kunst te maken hebben en die dus wel degelijk dat element van vreemdheid – waarop het parool extiem zinspeelt – lijken aan te brengen. Maar is dat wel zo? Wordt, anders gezegd, het effect ‘kunst in een nauwelijks voor het onthaal van kunst toegeruste schuur’ hier nog gerealiseerd? Ik denk het niet. In de loop der jaren werden steeds nadrukkelijker tentoonstellingsmakers en kunstzinnige architecten onder de arm genomen en die hebben het museale in Watou binnengebracht en zo het effect van vervreemding dat gepaard gaat met het inplanten van hedendaagse kunst op uitgerekend deze schuren, zolders en kelders tenietgedaan. Muren worden er egaal witgeschilderd (zoals in onze musea van moderne kunst), de belichting wordt geregisseerd, er worden gangen en circuits gecreëerd – zodat de sensatie die je, vaak op een onbewust niveau, hebt als je in een museum rondstapt, je ook hier bekruipt. In dat opzicht is Watou niet meer zó extiem. Het externe en intieme lijken hier vervangen door het vertrouwde van de museale codes en de anonimiteit van het witgekalkte museum dat, in Gent evengoed als in New York, een universaliteit representeert.
Dat effect wordt nog versterkt door de tentoonstellingsbouwer van dit jaar, Joost Declercq, directeur-curator van het Museum Dhondt-Dhaenens, die uitdrukkelijk stelt dat er níet wordt ingespeeld op het omringende landschap (‘negeren van het specifiek plattelandelijke’, heet het in Declercqs catalogustekst). Dat lijkt geen gelukkige keuze. Declercq negeert daarmee het specifiek watouïaanse. De interactie tussen de locaties en de omgeving wordt niet meer nagestreefd – en met dit op-zich-terugplooien verdwijnt iets noodzakelijks, iets wat je alléén in Watou zou moeten kunnen aantreffen.
De afwending van het landschap versterkt echter tegelijk een andere gewaarwording, die vanuit een andere hoek toch nog het externe binnenbrengt: de locaties verwijzen onvermijdelijk naar wat zich er de vorige jaren heeft afgespeeld. De bezoeker die hier eens per jaar langskomt, ervaart een temporele gelaagdheid; hij merkt dat de vorige edities vaak heel sterk meespelen in zijn nieuwe ervaring.
Waar bijvoorbeeld nu een van die piepschuimen geluidskoepels hangt (waar je onder moet gaan staan om naar een gedicht te luisteren – alsof een gedicht iets extraterritoriaals is, dat slechts met grote koepelantennes kan worden gecapteerd), hing de vorige keer een grote zwarte vogel, of zat er een ineengedrongen silhouet, of stond er op een staander een jurk gemaakt uit groene kevers… Al die herinneringen gaan uiteraard met elkaar een uitermate pittige conversatie aan. Ook dat is Watou: een oncontroleerbaar door en over elkaar heen schuiven van edities. Het ‘beweging bedwingen tot dingen’ van Esther Jansma krijgt hier een andere dimensie: het is alsof je bij het aanschouwen van wat nú wordt getoond de beweging die ontstaat tussen het nu en de vorige edities moet indijken – sommige associaties die je onwillekeurig maakt door je te herinneren wat hier de vorige keer te zien was, dreigen de ervaring van wat er nu is te verstoren.
Ook deze dimensie geeft dus inhoud aan het begrip ‘extiem’: de eigen, intieme, ervaring is overgeleverd aan oncontroleerbare, contingente, externe invloeden: herinneringen, associaties en verwijzingen.

Vreemdheid (externiteit) en intimiteit zijn er ook in andere aspecten dan het cultuurgeografische, het dorps-stedelijke en de presentatie in wat je een agrarisch-museale context zou kunnen noemen. (Ik laat de kerk en de brouwerij even buiten beschouwing. De brouwerijlocatie zou je tot dat agrarische kunnen herleiden. Met de (weinige) werken die in de kerk worden getoond (en de gedichten die er ten gehore worden gebracht) is het enigszins anders: daar heb je willens nillens af te rekenen met een religieus getinte externiteit, wat maakt dat deze locatie altijd een beetje hors circuit valt.)
Als andere aspecten van vreemdheid en intimiteit noem ik hier de taal, de tijd en de liefde – en ik belicht ze vanuit enkele gedichten en kunstwerken die mij dit jaar in Watou zijn opgevallen.

Dirk van Bastelaere begint het titelgedicht van zijn nieuwe bundel De voorbode van iets groots met een simpele, als ik het goed heb naar Nabokovs ‘finesses van een zonsondergang’ knipogende, vaststelling:

Soms ontsnappen ons dingen

als…
je weet wel in
de zin, in deze

zin dat
de duif uit haar Veren ploft

of uit talloos
vele
avondwandelingen het model
van een zonsondergang
te voorschijn klapt als een postkaart
[…]

Dat de taal fundamenteel ontoereikend is, weten we en het is maar goed ook (dat het zo is én dat we het weten): in de kloof tussen woord en betekenis ontstaat de behoefte tot praten. Stel dat alles meteen duidelijk was, er zou nogal worden gezwegen! En er zou allicht veel minder poëzie worden geschreven!
Het externe/vreemde in de taal is uiteraard ook aanwezig in de exotische gedaanten van het Nederlands die in deze Poëziezomer nadrukkelijk aanwezig zijn. De vertaalproblematiek waartoe dat leidt, opent ook al een marge van ontoereikendheid en dus vreemdheid, externiteit. Als illustratie de eerste strofe van Albertina Soepboers ‘Fierlân/Verland’, eerst in het Fries…

Op ‘e fyts mei griene learzens.
Donker ferskynt it lân under my,
in wurdleas teken fan wat ik net
beneame kin. Beide witte wy dat
ik frjemdling bin. Us talen swije.

…en dan in het Nederlands van Jabik Veenbaas:

Op de fiets met groene laarzen.
Donker verschijnt het land onder me,
een woordloos teken van wat ik niet
kan benoemen. Beiden weten we dat
ik vreemde ben. Onze talen zwijgen.

De slotregels van Soepboers gedicht zeggen op een bepaalde manier toch ook wel iets over wat ik hier poog aan te duiden: de verwevenheid van plaats en cultuur, en hoe de taal daarin meespeelt:

Wond waar ik een andere taal op plak.
Land dat benoembaar wordt. Later
is het dat we weer vreemden worden.

Met dat ‘later’ is meteen een overgang gemaakt naar de tijd, het tweede aspect waarop de vreemdheid zich ent. Heel pregnant in dat verband vond ik de allusie op tijd die wordt gemaakt in de video van Wineke van Muiswinkel, voor mij – door toedoen van een misverstand – een van de hoogtepunten van deze editie van de Poëziezomer.
We krijgen interieurs te zien in zwart-wit, mensen die gekleed en gekapt zijn zoals mensen in de schriele jaren veertig of vijftig van de vorige eeuw. Je hoort voortdurend het gedender van een trein en de camera die dit alles in zwart-wit vastlegt, staat ook behoorlijk onvast mee te deinen. De mensen die worden gefilmd zijn in zichzelf gekeerd. Ze kijken op – of kijken niet op. Er hangt een apathische, gelaten, trieste sfeer.
Door een toeval viel ik in net na het begin van deze in loop vertoonde video. Ik kreeg dan ook pas helemaal op het eind van mijn bezoek aan deze locatie de titel te zien, die bij het begin van de video wordt getoond: ‘Over enkele ogenblikken’. Daardoor had ik een heel andere spanning opgebouwd, een die zeker niet werd gekleurd door de toekomstdimensie die in de titel wordt gesuggereerd.

En dan de liefde, bij uitstek het terrein waar externiteit en intimiteit samenklitten in wat je, inderdaad, het ‘extieme’ zou kunnen noemen.

als ik mijn benen spreid
doe ik alsof het vleugels zijn

Els Moors wijst in de slotregels van haar gedicht op navrante wijze op díe betekenis van intimiteit, en ze brengt met haar ‘alsof’ uitdrukkelijk het externe binnen in haar amoureus discours.
Seksualiteit, erotiek en naakt zijn overigens op deze editie van de Poëziezomer zeer nadrukkelijk en expliciet aanwezig. De al van 1972 daterende video ‘Hommage à… I’ van Lili Dujourie; de meer dan levensgroot geprojecteerde bewegingsstudies ‘Verroering’ en ‘Beginnings/Endings’ van Charlotte Vanden Eynde in de grote schuur;
de foto’s van François Hers, Ed Templeton en Larry Clark; enkele schilderijen van Ina van Zyl: er is veel bloot in Watou. Op de website van de Zuid-Afrikaanse kunstenares Van Zyl (http://www.inavanzyl.com/fs_writings.html) vind ik een tekst van Marcel Vos, die duidelijk maakt waar ‘extiem’ hier zou kunnen op slaan.

Ideaalbeelden overheersen en worden, vooral wat betreft vrouwelijke schoonheidsidealen, in stand gehouden door een complex geheel van voorschriften en verwachtingen, fantasieën en identificaties.
Maar de keerzijde blijft. Als een schaduw die niet wijkt. Novalis, de jong gestorven Duits-romantische dichter, schreef ooit: ‘In de verte wordt alles poëzie, verre bergen, verre mensen, verre gebeurtenissen.’ Maar de fysieke liefde kan het – gelukkig, maar soms ook helaas – niet stellen zonder de grootst mogelijke nabijheid; met alle risico’s van dien, van ongewenste en ongewilde vervreemding tot benauwende depersonalisaties.

Lut de Block beseft het: liefde is altijd ‘extiem’. Er zit ook altijd een uitgang aan, je kunt weggaan.

Er slaapt een man in huis. Soms noem ik hem de mijne.
Hij neemt fauteuil en ether in, hij snijdt mijn adem af.

Dan sluip ik nors de kamer uit, ze werd te veel de zijne.
Te veel zijn lucht, zijn bloed, zijn brood dat ik wel eten moet.
De hand die ik dan bijt en die me steeds weer voedt.


Of neem Leonard Nolens in ‘Je mond vult het gat van de deur’:

En daar, in die diepte, daar langs
Dat water noteren je voeten
Zichzelf en je weggaan, je wegen
Die zich daarginder verliezen
In iemand. Lief niemand, je klinkt
Als keien schillen vannacht.


Of Anton Korteweg, die met ‘Men verplaatst zich’ het toonzettende kleinood schreef waarmee de bezoeker meteen in de eerste locatie wordt onthaald:

Men verplaatst zich, maar
nooit even snel, in
tegengestelde richting.

Nooit met eenzelfde zakdoek
mooi symmetrisch wuivend –
even wit, even droog.

Eén blijft er staan,
verwijdert zich.

Bij gebrek aan wie verliet
langzaam kleiner wordend.

Dat is ‘extiem’: blijven staan en zich toch verwijderen.
Kan de liefde dan nooit de afstand overwinnen? Leo Vroman, negentig en nog altijd smoor op zijn Tineke, suggereert – ook al benadrukt hij de afstand die ook de beste relaties kenmerkt – van wél in zijn psalmachtig ‘Voor wie dit leest’:

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,
mijn hete hand uit dit papier niet steken;
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.
Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven,
ben menigen een vreemdeling gebleven
en wien ik griefde weet ik niets te geven:
liefde is het enige.

[...]

Maar beeldend kunstenares Birgit Brenner lijkt met haar installatie ‘He made me do this’ een andere mening toegedaan.
De installatie bestaat uit een opeenhoping van borden zoals die in een betoging worden meegedragen – borden met tekst en borden met foto’s. ‘Freitag um 18 Uhr bringe ich dich um. Ich liebe dich’, spellen de potige zwarte letters op een binnenmuur van de grote schuur. ‘Wenn ich dich getötet habe, werde ich jemand sein.’

En zo kun je een tijd doorgaan, eigen associaties maken, eigen parcoursen afleggen: in de locaties, in de catalogus, in het universum dat Watou elk jaar opnieuw oproept. Ieder legt zijn eigen accenten, zijn eigen vrije interpretatie. En aan die interpretatie komt derhalve nooit een eind. Dat is wat ik met het adjectief watouïaans bedoelde, en het is wellicht op zich een vorm van extimiteit: de interpretatie is persoonlijk (intiem) en in zijn onuitputtelijke onmededeelbaarheid vreemd (extern).
‘Extiem’: een goede titel? Neen en ja. Neen omdat hij te algemeen is, niet specifiek voor deze editie. Ja omdat hij zeer goed weergeeft waar het in Watou, en in de kunst in het algemeen om draait: om het overbruggen van de afstand, om het – in de taal, de tijd en de liefde – zoeken naar overeenstemming, het samenvallen, het sluiten van tijdelijke verbonden. Fabres tekst, met bloed geschreven (en dus pijn en afstand suggererend), snijdt hout: ‘l’artiste dispose tout au plus d’une chance, de remporter une victoire sur la chance’. Nous sommes des marins naufragés. We mogen dan al op ons vlot een storm hebben overleefd, we blijven schipbreukelingen zonder vasteland in zicht.

woensdag 22 augustus 2012

zappen door een totaalbeleving


De hier volgende tekst verscheen in Poëziekrant 4. Ik plaats hem nog eens hier. Watou is nog te bezoeken tot 2 september.

 
Na 28 Poëziezomers onder leiding van Gwy Mandelinck proberen Jan Moeyaert en zijn vzw P’ART, na de overname en renovatie, hun versie van ‘Watou’ te consolideren. Geen evidentie, nu Vlaams cultuurminister Joke Schauvliege als een Dulle Griet op een tot monsterachtige proporties uitgegroeide kaasschaaf door de Westhoek raast. En laat de Westhoek nu net een streek zijn waar nog zoveel meer fraais op Brussel rekent: Beaufort, de ‘Groote Oorlog’, Dranouter…
De tekst hieronder is gebaseerd op de drukproeven van de catalogus en probeert te anticiperen op wat het vierde Kunstenfestival van Watou deze zomer bij u zou kunnen teweegbrengen.

 
Geniet u ook altijd zo van catalogusvoorwoorden?

Want dat is het wel: een totaalbeleving! Genieten van kunst, genieten van het landelijk schoon…, genieten tout court.

Aan het woord is de bevlogen Gunter Pertry, die als gedeputeerde voor Kunst en Cultuur van de provincie West-Vlaanderen ook zijn woordje ‘placeert’ in de catalogus.
Het is een eigenaardig genre, het catalogusvoorwoord. Meestal sla je die teksten genadeloos over – en zeer vaak terecht. Maar het loont toch de moeite ze eens door te nemen. In het door toespraakclichés en het niet door al te veel kennis van zaken gehinderde discours van de cultuurbobo’s, die nu eenmaal, doordat zij op de vetpotten zitten, zonder slag of stoot de eerste bladzijden van de mede door hen gefinancierde publicatie bezetten, treedt een manier van denken aan het licht waaruit toch wel een en ander af te leiden valt. De gedeputeerde van dienst heeft het in zijn door mij aangesneden alinea verder ook nog over de steun van zijn provincie aan de ‘totaalbeleving’ die, in zijn ogen, het Kunstenfestival Watou, al aan zijn vierde editie toe en daarmee ‘verankerd in het rijtje van culturele zomerfestivals’, wel is:

Het Kunstenfestival kiest opnieuw voor een kruisbestuiving tussen taal en beeld en brengt bijgevolg een brede waaier aan diverse vormtalen en disciplines: muziek, woord, theater, fotografie en beeldende kunst.

Een ‘kruisbestuiving’, ‘bijgevolg’. Waar is de logica?
Nu ja, we hadden het over ‘genieten’, het genieten van de ‘totaalbeleving’ – en wel: ‘tout court’. We moeten er niet aan denken dat we aan dat genieten zullen ontkomen want: ‘Een van de speerpunten van het provinciaal cultuurbeleid is namelijk “genieten”.’ Let op de aanhalingstekens. Zie ze als een juk rusten op de schouders van dat woord ‘genieten’. Of we het nu willen of niet, we zúllen genieten, een van de provinciale speerpunten op de keel.
Dat geforceerde kunstenfestivalhedonisme blijft wel haken, moet ik zeggen – al doet Pertry nog zijn best om de pil te vergulden. Want, zegt hij, bij dat ‘genieten’ hoort zeker ‘kunst ontdekken op een ongedwongen manier’.
Ach, voorwoorden in catalogi: het is en blijft een lastig genre. Sponsors en politici drummen zichzelf naar de voorgrond en benemen zo het zicht op datgene waar het de cataloguskoper echt om te doen is. Maar tegelijk illustreert het genre genadeloos hoe het reilt en zeilt in de hedendaagse kunstensector. Grootschalige evenementen verdringen elkaar in een niet op wederzijdse liefde gebaseerde verstrengeling met de toeristische branche – mét al haar tentakels: strand, city marketing, gastronomie, streekbieren… Op basis van enkel de ticketverkoop kunnen de festivals het niet rooien. Uitgegroeid tot reuzen op lemen voeten, schurken ze daarom tegen de machthebbers aan, machthebbers die niet per definitie om kunst geven – zelfs eerder per definitie niet. Van de inspiratie en bevlogenheid van artiesten en curatoren hebben zij meestal, getuige hun kromtaal in de catalogi, geen kaas gegeten. Als de plaatselijke horeca er maar wel bij vaart.
Ik liet me even gaan. Maar kom, ik til u over die voorwoorden heen. Vergezel mij op deze virtuele wandeling door het betere deel van de catalogus en door de – op het ogenblik dat ik dit schrijf – nog niet bestaande vierde editie van het Kunstenfestival. (Iets anders had ik nog niet tot mijn beschikking: een kwestie van deadlines. Ik zal het voornamelijk hebben over de locaties waar ook poëzie in het geding is.)

Sofie Muller toont in het Klooster beelden van schoolkinderen die gevangen zitten tussen hun verlangen naar vrijheid en de eis dat zij hun plicht doen. Eentje schuurt met zijn hoofd tegen de witte muur en laat daarbij een brede zwarte houtskoolstreep achter, een ander zit voorovergebogen in een schoolbank, met de handen tastend naar de leegte boven het hoofd. Deze kinderen zijn, voor zover zij passen in onze clichés over ‘het kind’, anoniem. Dat suggereert in de catalogustekst ‘De Hele Woordenschat’ Bart Moeyaert, van wie verder ook nog twee gedichten naast het werk van Sofie Muller te lezen zijn. Maar de kinderen zijn toch ook individuen: ‘Door de kinderen een naam te geven, bestaan ze meer.’ En zo kunnen Brandt en Clarysse, want zo heten de beelden van Sofie Muller, het voorwerp vormen van onze hoop, onze liefde, ons verdriet.
Misschien zegt dit benoemen iets over de werking van poëzie, die toch ook altijd algemene en abstracte gevoelens en ideeën concreet en bevattelijk maakt en daardoor ons persoonlijk appelleert.

In Kerk, Gemeentehuis en Rode Hoed eist de beeldende kunst alle aandacht op. In de Douviehoeve is de poëzie prominenter aanwezig. Je kunt er de integrale documentaire O Amor Natural (1996) van Henny Honigmann bekijken. Bejaarde Brazilianen lezen fragmenten voor uit de erotische gedichten van Carlos Drummond de Andrade en praten honderduit over hun erotische ervaringen.
De installatie Coming World van Koen Vanmechelen is een aflevering van zijn ‘Cosmopolitan Chicken Project’ (CCP), dat – en nu citeer ik even de website van de kunstenaar – mikt op: ‘the creation of true cosmopolitan chicken as a symbol for global diversity’. Het experiment CCP is ambitieus, wetenschappelijk onderbouwd en natuurlijk knettergek – en derhalve ook, zullen we maar zeggen: ‘poëtisch’. Coming World toont, als ik het goed heb begrepen, een (houten) ei dat op een wereld van staal op zoek is naar de juiste plek om uit te komen. Bij deze installatie werden zes gedichten geselecteerd, voor elk continent één: ‘Aan de poëzie’ van Remco Campert en nog vijf andere die behalve in hun oorspronkelijke taal ook worden gepresenteerd in een Nederlandse vertaling. De bezoeker kan kijken, lezen en ervaren hoe ‘land van genade en verdriet’ van Antjie Krog, ‘Een kunst’ van Elizabeth Bishop, ‘Bezit van het gisteren’ van Jorge Luis Borges (‘Er zijn geen andere paradijzen dan verloren paradijzen.’), ‘Een eenvoudige biografie’ van Wang Jiaxin en ‘Byron Bay: winter’ van Robert Gray zich verhouden tot het tussen de continenten van cortenstaal ronddobberende ei van Koen Vanmechelen.
Uit ‘Een kunst’ van Elizabeth Bishop, in de vertaling van Guus Luijters:

Ik verloor twee mooie steden. En, op de grote kaart,
een continent, twee stromen, uit koninkrijken kon ik kiezen.
Ik mis ze, maar het is geen wereld die vergaat.

In het Gemeentehuis presenteert curator Hilde Teerlinck, net als tijdens de vorige editie van de partij, een selectie uit de collectie van ‘haar’ FRAC Nord-Pas de Calais. Een van de werken, Wedge van de Deense Nina Beier, zegt iets over de werking van poëzie.
(Zelfkritische opmerking. Hoe onbedachtzaam gebruik ik hier die wending ‘werking van poëzie’? Hoe onnadenkend, die veronderstelling dat poëzie moet ‘werken’, dat zij op een of andere machineachtige manier iets zou teweegbrengen, iets veroorzaken, iets produceren… Waarvan wij dan eventueel zouden moeten kunnen ‘genieten’. Al dan niet met in onze rug die speer van een provinciaal mandataris wiens door mij bespotte pragmatisch of instrumenteel denken over poëzie niet fundamenteel maar slechts gradueel van het mijne verschilt.)
Het werk van Nina Beier bestaat uit een blauwe damesschoen die niet meer als schoen maar als ‘deurstop’ of spie fungeert. De catalogus legt uit: ‘De manier van presenteren lijkt te suggereren dat ieder object een spiritueel magnetisme uitstraalt waardoor het zich linkt aan andere voorwerpen. Deze verbindingen zijn zowel zichtbaar als onzichtbaar, doordat de toeschouwer allerlei associaties aan het object gaat kleven.’ Ik probeer dit te begrijpen. Op zichzelf is de schoen niets, of hooguit niets anders dan schoen. Maar in een andere context, en in een andere relatie tot de toeschouwer (de ‘manier van presenteren’), komen andere betekenislagen tot leven. Of we dat nu ‘spiritueel magnetisme’ moeten noemen, laat ik in het midden. We kunnen het gewoon ‘een poëtische metamorfose’ of, korter nog, ‘poëzie’ noemen: door de dingen op een bepaalde manier te presenteren, noopt de kunstenaar (dichter) ons tot een manier van kijken die afwijkt van de gangbare manier.
Iets gelijkaardigs zien we gebeuren op een foto van Sergey Bratkov, ook in het Gemeentehuis. We zien een schaars geklede vrouw, het hoofd van de camera afgewend, zitten op een rood tapijt of stuk stof, dat uitgespreid is op een besneeuwde weide aan de rand van een bos. Ook hier is een dubbelzinnige lectuur mogelijk: de rode vod blijkt bij nader inzien een Sovjetvlag te zijn, en door het overbelichte wit van de sneeuw zou je kunnen denken dat de vrouw op een vliegend tapijt zit – een Magic Carpet, zoals de foto dan ook getiteld is.
Het poëtische in de beeldende kunst. Dat lijkt mij een heikel onderwerp, maar zo op het eerste gezicht (maar ik kan mij vergissen) heeft het vaak met (aanvankelijk foute) waarneming te maken. Charles Ducal zegt in Alle poëzie dateert van vandaag dat je in de poëzie moet lezen wat er staat. Wat Martinus Nijhoff er verder ook over moge denken. Ducal zegt eigenlijk: neem juist waar. Wat je leest, is wat de dichter bedoelt. In de beeldende kunst lijkt het – tegenwoordig – anders te gaan. De kunstenaar wijst vaak iets aan wat niet evident samenvalt met wat hij maakt of toont. De toeschouwer die enkel ‘leest’ wat er staat, leest fout en ziet niets. De kunstenaar nodigt uit om door zijn kunstwerk heen te kijken, of om er omheen te kijken. Met een zijdelingse blik benader je de essentie beter dan door middel van een frontale, onderzoekende, wetenschappelijke blik. Zo orakelt de catalogus over de Letse fotografe Ieva Epnere (haar werk is te zien in de Douviehoeve): ‘Ze beperkt zich niet tot hetgeen gezien kan worden, maar probeert steeds verder te zien, niet enkel naar de ruimte zoals die achter de blik van het model verborgen ligt, maar ook naar de ideale ruimte, de ruimte die steeds verborgen blijft en slechts bestaat in de anticipatie van het beeld.’
U ziet, ik worstel vaak met catalogusteksten. Maar het levert altijd wel iets op. Hier onthoud ik het concept ‘anticipatie’. Waarnemen is niet enkel ‘zien’ wat er ‘te zien’ is – hetgeen de kunstenaar dan gewoon zou registreren; het gaat veeleer over een ‘zien’ van wat ‘steeds verborgen blijft’ – en dat zou dan, in combinatie van die notie van ‘anticipatie’, ook iets te maken moeten hebben met een spanning tussen verwachting en effectieve registratie, en uiteraard met de nooit te vermijden discrepantie tussen die twee.
De vraag bij de foto Magic Carpet van Sergey Bratkov blijft, ook na al deze bespiegelingen, onopgelost. Wat toont die schaars geklede vrouw met afgewend gelaat op die vlag nu echt? Wat wil Bratkov mij eigenlijk zeggen? Hoe moet ik zijn foto interpreteren?
Anticipatie is uitermate belangrijk. We zien wat we weten: dat is een gekend epistemologisch principe. Dit zien is altijd ook een vorm van blindheid – en in die paradox is het dat de kunst haar speelterrein vindt. Kunst doorprikt de gemeenplaatsen, de vooroordelen, de kritiekloze verwachtingen waarmee we de werkelijkheid tegemoet treden. Zo wordt over het werk van Nick Hullegie, te zien in het Blauwhuys, gezegd: ‘Zijn werk maakt je bewust van je visuele vooroordelen.’ En ook Tom Jooris (Douviehoeve), aanvankelijk schilder van ‘de dingen om zich heen’ maar nu van ‘verdichte suggesties’, is het ‘niet om de pure afbeelding te doen’.
Het parallelle aanbod (ik vermijd het werkwoord ‘confronteren’) van beeldende kunst en poëzie is sinds jaar en dag het waarmerk van Watou. Deze parallellie doet ons misschien poëzie lezen zoals we naar beeldende kunst kijken – of omgekeerd. Staat er wat er staat, of niet? De manier van ervaren van het een zegt iets over de manier van ervaren van het andere. Deze vergelijking van beide ervaringsvormen leert ons iets over de manier waarop het ervaren in beide wérkt. Het gaat om: zijdelingse blikken, kijken achter de dingen; het gaat om anticiperen en verdichten; het gaat om suggestie.
Tom Jooris is goed geplaatst om het poëtisch procedé (voor zover in de uitdrukking ‘poëtisch procedé’ de nevenschikking van het adjectief ‘poëtisch’ en de voorspelbaarheid en organiseerbaarheid suggererende term ‘procedé’ zinvol is) in zijn kunst toe te passen want hij is de zoon van Roland Jooris. Het gedicht van Roland ‘Density’, gepubliceerd in 1977, past goed bij de abstracte composities van Tom, die in ’77 zes was.

Nevel. Zeg
nu niets.
Veel is verzwegen.
Weinig is veel.
Amper beweegt
het woord amper
in de wind
Die nergens is.
 
Zeg nu niets.
Veeg niets uit.
In het eenzelvig vlak
van de avond. Waartegen
nauwelijks en nergens.

Dat is wat het gedicht zegt (waarover of naar aanleiding waarvan, dat weten we niet). En dit zegt de catalogus (over de schilderkunst van Tom): ‘Van patronen en verzadigde kleurvlakken was geen sprake meer, de blik bleef haperen bij dunne verdwaalde vegen tegen de vale achtergrond of het blote doek.’

In de Douviehoeve is verder ook nog een aparte kamer gewijd aan Leonard Nolens, die liever niet had dat zijn poëzie samen met beeldende kunst werd gepresenteerd. Zijn indrukwekkende oeuvre werd vorig jaar geconsacreerd met een nieuwe uitgave van de Verzamelde Gedichten. Hier wordt 35 jaar dichterschap doorlopen met achttien gedichten, vanaf de derde bundel Twee vormen van zwijgen (de eerste twee worden door de dichter niet meer als volwaardig of representatief erkend), tot en met de twintigste en voorlopig laatste bundel, Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen.

In een van de geselecteerde Nolens-gedichten, ‘In naam van de vader en de zoon 5’ uit Manieren van leven, echoot nog even het Jooris-gezinsverband:

Ik ben in tweeën, ben in twee gezichten
Tweeëndertig jaar met heel je leven
Hevig aangeraakt, vermagerd tot een ik,
Met geen geweld te innen of te uiten.

Je hurkt en woelt in de knarsende schoot
Van het slot dat ik geworden ben,
Waaruit jij nooit volledig wordt geboren.
Je knoeit er met gedachten in mijn bloed.

Met jou alleen ben ik begaan, altijd, altijd.
Je bent bij het schrijven de wetende wet.
Hoe kan ik je van nu af aan bestaan.

In de tuin van het Blauwhuys staan vijf tipitenten opgesteld waarin telkens drie gedichten te horen zijn uit de bloemlezing Een keuze uit veertig jaar Poetry International Festival (2009). Je hoort de dichters zelf, of hun vertalers. Je kunt er onder meer een prozagedicht van Edoardo Sanguinetti beluisteren (waarvan ook de vertaling door Karin van Ingen Schenau wordt gebracht: ‘la più graziosa grazia (e più efficace) è la ragazza’ wordt ‘van een uiterst gracieuze (en efficiënte) gratie is het meisje’), of het gedicht ‘Domino’ van K. Michel (‘Er zwemt een barst door het huis’), of ‘Le temps de l’éclair’ van Jacques Roubaud (ook in de vertaling van Jan H. Mysjkin), of het gedicht ‘Au’ van Judith Herzberg, of ‘Tuin Dordrechts museum’ van Jan Eijkelboom:

Als ik gestorven ben
zal in de tuin van dit museum
boven het warrig bladerengedruis
een merel net zo helder zingen
op net zo’n late voorjaarsdag
[…]

En ook in dat gedicht zindert de vader-zoonrelatie na:

En als ik dan toch onder de zoden lig
dan zal mijn zoon nog eens
een merel net zo horen klinken
op net zo’n late voorjaarsdag.

En hij zal weten wie ik was
en ach, een vogel weet van niets.

Maar aan de andre kant alweer:
als merels aan hun vaders konden denken
wellicht dat ze dan krasten als een raaf.

In het Blauwhuys is verder ook beeldend werk te zien van John Isaacs, Nick Hullegie en Michelangelo Pistoletto. De installatie van deze laatste bestaat uit een bidstoel die naar een wandspiegel gekeerd staat. Hedwig Speliers schreef er het gedicht ‘The Judgment of the Mirror’ bij.

Bid mij een spiegel. Spiegel mijn gebed.
Maak mijn schaduw transparant.
Kneed mijn knieën met warmte,
kneed ze zacht als keien. Kalmte
klimt tussen mijn verkilde handen.
[…]

Een tussenpositie tussen beeldende kunst en poëzie bekleedt, ook in het Blauwhuys, Randall Casaer met de ‘graphic poem’ Ik zie u gaarne met een boek: een verhaal dat bestaat uit tekeningen en poëzieachtige teksten.
Poëzie is er ook in de ‘Zaplocatie’. Je kunt er een compilatie van filmfragmenten bekijken waarin 22 dode dichters voorlezen of voordragen. Poëziecurator Willy Tibergien verzamelde de fragmenten in het rijke VPRO-archief en koos voor, onder meer, Allen Ginsberg, Elisabeth Bishop, Anna Achmatova, Hugo Claus (‘geen Watou zonder Claus!’), Ernst Jandl, Robert Graves en Lucebert.

De (herinnering aan de) spiegel van Pistoletto keert terug in Brouwerijkelder. Daar wordt een installatie van Andreas Hetfeld gecombineerd met een gedicht van Claude Van de Berge. De installatie Raum des Glaubens bestaat uit honderden aan theezakjesgewijs aan draadjes opgehangen scherven die samen, tot leven gebracht door een gerichte belichting, een driedimensionaal volume vormen dat aan een schip of een spoel of een kogel doet denken. We zien ook (fragmenten van) gesculpteerde biddende handen, wat de titel van het werk inzichtelijker maakt. Het gedicht ‘Vervloeiing 5-4’ van Claude Van de Berge past hier wonderwel bij:

De onzichtbare spiegel weerspiegelt niets dan zichzelf.
In hem zingt de achtergelaten mond.

De doorschijnende vormen wachten op wat volmaakte
samensmelting is, ook in hun diepte, ook in
hun ondoordringbaarheid
[…]

En wie aandachtig de gedichten van Nolens heeft gelezen, hoort hier diens ‘Moedertaal’ resoneren:

Op straat, in bed, op reis, alleen
En binnensmonds loop ik te bidden,
En lig ik en sta ik te bidden […]

Dat soort associaties en spiegelingen en echo’s: dat is het principe, de mechaniek van de ontroering, de ‘poëtische werking’ waarop Watou – of het nu om een Poëziezomer of om een Kunstenfestival gaat – al vele jaren draait. Het voorwerp, de context, de manier waarop je ernaar kijkt. En dan ook nog: de volgorde waarin je de locaties aandoet, het toeval dat de blik leidt, het gezelschap, ja zelfs het weer. En natuurlijk wie jijzelf bent en wat je al eerder hebt meegemaakt, gezien en ‘genoten’. Elke unieke bezoeker stelt zijn eigen, unieke cocktail van ervaringen samen.
Ik kan me vergissen, maar ik heb de indruk dat het ‘genieten’ waarover gedeputeerde Pertry het in zijn voorwoord heeft, nog stamt uit een romantische of misschien zelfs klassieke, maar in elk geval prepostmoderne traditie waarin het sublieme en de cultus van het authentieke voelen respectievelijk de objectieve wetten van harmonie, compositie, proportie en kleurenleer de esthetische ervaring stuurden. In een dergelijke – voorbijgestreefde maar daarom niet minderwaardige – omgang met kunst gaat het in hoofdzaak om de confrontatie met een individueel kunstwerk. De toeschouwer kan getroffen worden door een plotselinge ervaring van verhevenheid, hij kan zich laten meevoeren door een herkenning van een in het kunstwerk weergegeven realiteit, of door zijn bewondering voor het vakmanschap van de kunstenaar. Maar bij een ‘totaalervaring’ – en dan niet in de betekenis die Wagner voor ogen stond met zijn Gesamtkunstwerk maar veeleer zoals Jan Moeyaert het bedoelt, gaat het – boven het individuele kunstwerk uit – om de grotendeels op toeval gebaseerde interactie: tussen de verschillende werken, over de genres van beeldende kunst en poëzie heen en zelfs met de omgeving en de wisselvallige omstandigheden… En met, niet te vergeten, het Watou dat we op Google Street View (zie hieronder) te zien krijgen.
De totaalervaring is, jawel, een totaal ándere ervaring en verschaft een totaal ander soort genot. Waar in de klassieke of romantische esthetische ervaring passiviteit een nog vrij grote rol speelt (de toeschouwer ondergaat, is in een staat van genade, is verbluft, aan de grond genageld, enzovoort), daar heeft de postmoderne estheet meer eigen inbreng, lijkt me. Hij wordt uitgenodigd om aan het werk te gaan en zijn fragmentarische beleving tot een eigen geheel om te smeden. Elke unieke bezoeker stelt zijn eigen, unieke cocktail van ervaringen samen. Dat is het wat intendant Jan Moeyaert – vermoed ik – in zijn inleiding aanvoert: een objectieve blik op kunst is onmogelijk. Het is altijd een ‘totaalervaring’ en daarin spelen zoveel elementen en factoren mee – contextuele maar ook persoonlijke, zoals ‘bagage, gedachten, herinneringen, dromen, verlangens, gevoeligheden’ – dat twee mensen nooit eenzelfde beleving kunnen hebben. ‘En zo zit elke toeschouwer er onvermijdelijk met zichzelf tussen.’

Ik heb samen met u de catalogus doorgenomen. We hebben een soort van virtuele wandeling door Watou gemaakt. En kijk, nu krijgen de Google Street View-foto’s, waarmee de catalogus is verlucht, een bijzondere betekenis. Ook met Google Street View kun je virtueel door Watou wandelen. Op de computer gaat die gadget snel vervelen. Maar hier, in deze catalogus, vind ik het gebruik ervan intrigerend en relevant. Op zich hebben de Google Street View-foto’s helemaal geen artistieke pretentie. Opgenomen in de context van een kunst- en poëziecatalogus, sorteren ze een bevreemdend effect. Ze prenten je een pregnant besef van absolute tijdelijkheid in: dit is Watou, dat ene uur van een zomerse dag een paar jaar geleden, toen dat vreemde Google-karretje er indiscreet kwam rondsnuffelen. Alles wat los is op die foto’s – geparkeerde auto’s, spelende kinderen, een fietser, de wolken – was daar en toen enkel op dat ene, zeer tijdelijke, moment. Het is allemaal zo reëel, dat het niet echt lijkt. Even en passant meegeven dat het thema, of de baseline, van deze editie van het Kunstenfestival luidt: ‘Over toevallige ontmoetingen en de dingen die niet echt voorbijgaan’.
De dingen gaan niet echt voorbij. (Zie de dubbelzinnigheid van dat ‘niet echt’ niet over het hoofd.) Zeker niet in Watou, althans voor wie in dat toponiem een hele wereld van voorbije ‘totaalervaringen’ hoort en voelt meezinderen. Want inderdaad: Watou is geen gewoon dorp meer. De banaliteit van het dorpse leven moet er opboksen tegen de nasmaak en de weerklank van 28 Poëziezomers en nu al vier Kunstenfestivals, tegen de beelden die op ons netvlies zijn gebrand en die wij, telkens wij daar komen, op de desbetreffende locaties blijven projecteren. Het bevreemdende effect van de Google Street View-foto’s zegt iets over de complexe verhouding die in de loop der jaren in Watou is ontstaan tussen fictie en werkelijkheid, tussen de jaarlijkse artificiële overval van de kunst en de dagelijkse gewoonheid, waarin Watou zich van geen enkel willekeurig ander Vlaams dorp onderscheidt. Op die Google Street View-foto’s, die in de catalogus de verschillende locaties van elkaar scheiden en door de uniforme manier waarop dat gebeurt tegelijk ook samenbrengen, zien we de bestelwagen van de groenteboer (twee bloemkolen voor € 1,50), geraniums op een vensterbank, een groepje bejaarde fietsers met fluohesjes (een van hen wordt weerspiegeld in het raam van een huis), kinderen op een schommel en het Christusbeeld op de markt. Ook Zijn gelaat is, zoals dat van alle andere ‘levende’ mensen op deze foto’s, door het Californische computerprogramma wazig gemaakt (‘geblurred’). Deze foto had een kunstwerk kunnen zijn – wat zeg ik, het is er een.

Wij hebben een wandeling gemaakt doorheen een op het ogenblik dat ik dit schrijf nog niet bestaande en dus nog virtuele editie van het Kunstenfestival van Watou. Ik ben – en ik hoop samen met u – benieuwd om alles met eigen ogen, hart, zintuigen en hersens na te voelen. Om de ‘totaalbeleving’ van gedeputeerde Pertry te ondergaan. Om ervan te genieten ook, maar dan zonder aanhalingstekens. Ter plekke want nergens anders dan ter plekke kan het echt.