donderdag 5 november 2026

boekverhaal 84 / getekend 540

In deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij betekenen.


1995

Genadeloze zelfkennis

Ik was ontroerd toen ik de voorbije zomer, iets meer dan een halfjaar na zijn overlijden, in Watou zijn diepe, warme, trage, bedachtzame stem hoorde weerklinken. Hij las een van zijn bekendere gedichten voor, ik weet niet meer hetwelk. Geen wonder, want ik was – en ben – nooit in de eerste plaats in zijn poëzie geïnteresseerd geweest. Ik las maar een paar van zijn bundels: Honing en as, Bres, Voorbijganger. En hier en daar een gedicht of een vers in een eerste versie van zijn verzamelde gedichten, Hart tegen hart. Gedichten 1975-1990. Zoals de lijn ‘Mijn benen doen pijn van het niet naar je toe kunnen komen’, waarmee het vaak geciteerde gedicht ‘Verklärte Nacht’ eindigt.

Neen, wat mij vooral naar Leonard Nolens deed opkijken, en nu doet ómkijken, waren zijn dagboeken. En zijn persoonlijkheid. Maar dat is min of meer hetzelfde want het is niet overdreven te stellen dat zijn dagboek, als uitgepuurde poging om zichzelf te portretteren, met zijn persoon samenviel. Zo genadeloos is het bijwijlen.

‘Genadeloze zelfkennis bevordert het geleidelijk loskomen van zichzelf’, tekent Nolens op een vrijdag-de-dertiende op in 1981 (Stukken van mensen. Dagboek 1979-1982, 130). Hij is dan bijna 34 jaar. De uitspraak klinkt behalve ambitieus ook pretentieus. Zoals Nolens in zijn dagboeken met al zijn ernst vaak klinkt – in die zin was hij een wandelend anachronisme, want ernst wordt in het beste geval enkel nog gedoogd. Hij biedt dan ook, in dezelfde alinea, meteen weerwerk: ‘Wie niet bewust begaan is met zijn lot, met zijn bestemming, is evenmin begaan met het lot en de bestemming van anderen.’ Dat citaat echoot dan weer het motto van het eerste dagboekdeel: ‘Nadenken over het eigen lot heeft geen ander doel dan een gemeenschap vinden die een einde maakt aan de verbanning’ (Leopold Flam).

Op het voorblad waarop dat motto staat, tref ik een tekening aan die iets zegt over de omstandigheden waarin ik Stukken van mensen las (zie illustratie onderaan). Blijkbaar slaagde Nolens er niet in om mij die hele warme zomerdag in Zuid-Frankrijk bij de les, bij het lezen, te houden.



Maar dat belet niet dat ik grote bewondering had – en nog altijd heb – voor zijn dagboek. Eerst dit eerste deel, en daarna de volgende:
Blijvend vertrek. Dagboek 1983-1989, De vrek van Missemburg. Dagboek 1990-1993 en Een lastig portret. Dagboek 1994-1996. Ze werden stuk voor stuk mooi en in een uniforme vormgeving uitgegeven. Na een lange stilte vond het vijfde deel een plek in het volledige, in 2009 uitgegeven Dagboek van een dichter. 1979-2007. Uit de ‘Verantwoording’ op pagina 1059 blijkt dat dit vijfde deel ‘als werktitel had “Verborgen agenda 1997-2007”’. Die verantwoording eindigt overigens met de droge vaststelling: ‘In 2007 heeft de auteur zijn dagboek afgesloten.’ Alsof alles wat de dichter Leonard Nolens, zichzelf genadeloos bespiegelend, met betrekking tot zijn dichterschap te zeggen, te overwegen en door te denken had, gezegd, overwogen en doorgedacht was. Ook al had hij dan nog bijna twintig jaar voor de boeg en moest een aanzienlijk deel van de in de Verzamelde gedichten. Manieren van leven (2012) opgenomen bundels nog worden geschreven.

Ik vond het lijvige Dagboek van een dichter op 8 januari 2011 voor de helft van de prijs in de soldenbak van de Fnac. (Ik kan het ook niet helpen dat dat rijmt.)

Naar aanleiding van het verschijnen van De vrek van Missenburg kreeg ik indertijd de gelegenheid om de dichter op te zoeken in zijn schrijfhok in het bospark van Missenburg, waar hij elke dag als een plichtsgetrouwe ambtenaar vanuit zijn woning nabij het KMSKA naartoe tramde. Het werd – wie had het anders verwacht – een moeizaam gesprek, waarvan het resultaat hier is terug te vinden. Het interview verscheen onder de titel ‘Is het geluk het ongeluk van de dichter?’ in De Standaard der Letteren van 28 september 1995. In mijn archief rust ergens een – voor mij – statusverhogende foto van Marc Cels waarop te zien is hoe ik de dichter aan een kruisverhoor onderwerp, maar ik vind die foto niet meer terug.

In de recensie die ik voor De Morgen (26 oktober 1998) maakte van Een lastig portret, deel 4 van Nolens’ dagboek verwoord ik waarom Leonard Nolens voor mij een belangrijke schrijver was – en nog altijd is – en hier volgt een lang citaat: ‘Het is zeker geen toeval dat Nolens in het begin van dit dagboekdeel instemt met het lemma “dagboek” in de Encyclopedie der wereldliteratuur, waar het stelt dat “het dagboek een boeiend grensgeval [kan] zijn in het domein der literatuur”. Dat woord “grensgeval” heeft onmiskenbaar een politieke dimensie. Het volgehouden zelfonderzoek is inderdaad een “ultieme test voor wie een onderzoek doet naar het democratische levensgevoel”. Het is, in de dictatuur van het populaire en het populisme – waaraan te veel intellectuelen in talkshows en praatjesprogramma’s duchtig en gedachteloos meewerken – onvermijdelijk geworden om elitair te zijn, als je nog een laatste bastion voor het kritische, vrije denken wilt vrijwaren. Dat elitarisme, met zijn “literaire maniertjes” en “luxeproblemen”, is, tegenover het dictatoriale anti-intellectualisme dat het artistieke klimaat verstikt, een uitermate maatschappelijke houding. Zelfs in de grootste afzondering staat de schrijver, althans voor zover hij erin slaagt zich hoorbaar te maken (en misschien moet die voorwaarde niet eens vervuld zijn), midden in de samenleving. Zo verantwoordt Nolens zichzelf. De goede lezer heeft die verantwoording niet nodig.’ Einde citaat.

In 2004 werkte ik met Leonard samen aan een project waarin mijn vriend de letterkunstenaar Kristoffel Boudens betrokken was. Dat leidde tot een publicatie, waarvan de door mij geschreven tekst hier is weergegeven.

In het interview uit 1995 gaat het op een bepaald ogenblik over de hang van de dichter naar contact met zijn lezers. Nolens antwoordt op mijn vraag ‘Maar u vroeg toch om een wedervraag?’ het volgende: ‘Misschien klinkt wat ik nu zeg te arrogant: de wedervraag ontstaat al in het leven zelf van mijn boeken. Ik kan dat ook afleiden uit die vijf brieven die ik per jaar ontvang, waarin mensen iets van hun eigen leven formuleren, nadat ze daartoe werden aangezet door wat ze bij mij hebben gelezen.’

Een van die vijf brieven per jaar was in 2013 een brief van mij. In mijn heel uitvoerige brief d.d. 6 november van dat jaar sprak ik – zeer tegen mijn gewoonte in want ik had niet de gewoonte door mij bewonderde schrijvers met mijn bewondering lastig te vallen – mijn onvoorwaardelijke waardering. De toon is misschien wat onderdanig, stel ik nu vast, maar de brief is oprecht en ook wel wat vertrouwelijk. Ik heb hem hier op mijn blog geplaatst. 

Veel later, ik was al geen letterenjournalist meer, liep ik Leonard nog één keer tegen het lijf. Geen idee wanneer dat was, maar wel nog waar: in het Antwerpse letterenhuis, zeer toepasselijk, ik denk op een tentoonstelling van het werk van vormgever Gert Dooreman. Leonard had mijn brief goed gelezen, verzekerde hij me, en ja, hij zou hem zeker beantwoorden, maar het kwam er alsmaar niet van. Het is er nooit meer van gekomen – en neen, ik neem het hem niet kwalijk.

Op bladzijde 231 van Voorhuwelijks sparen, het vijfde deel van mijn autobiografie, komt de dichter een laatste keer in mijn leven voorbij. We schrijven 1996 en bevinden ons in een Barcelonese bar, kort na een stevig door de Vlaamse Gemeenschap gesponsord prestigieus poëzieoptreden: ‘Leonard Nolens, al danig in de olie, gaf een jazzimprovisatie ten beste op een ongestemde buffetpiano.’


Leonard Nolens, Dagboek van een dichter 1979-2007