maandag 7 december 2009

dag 831 – 091125 woensdag

Les Liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos is een verbluffend meesterwerk. (Ik las het in het Nederlands, in de, afgezien van de titel (Gevaarlijk spel met de liefde), voortreffelijke vertaling van Adriaan Morriën.) Alleen al omwille van de structuur is dit boek verbluffend, de manier waarop alle brokjes informatie die noodzakelijk zijn om de verhaallijn, de chronologie, de karakters, de intriges, de motieven, de strategieën en de algemene context te begrijpen: dat is onvoorstelbaar ingenieus gedaan. Alles past naadloos in elkaar, er zijn nauwelijks herhalingen en – wellicht – al helemaal geen hiaten. En dat in een brievenroman, dat wil zeggen een roman die uitsluitend uit brieven bestaat, brieven van A naar B, van A naar C, van B naar A, enzovoort – en dat met een tiental briefschrijvers, die allemaal glashelder uit elkaar te houden zijn.

Laclos heeft, zo zegt men, met zijn brievenroman de zedenverloedering van zijn tijd willen hekelen. Althans de zedenverloedering in de hogere kringen. (Waar hij zelf net geen deel van uitmaakte: hij viel, maatschappelijk gesproken, tussen wal en schip. Een ideale positie, eigenlijk, om zich aan het schrijven te zetten: mét maatschappelijke frustratie én genoeg vrije tijd en comfort.) Dat is toch de officiële interpretatie. Ik meen echter iets anders te hebben gelezen. Een hekeling der zeden zou veronderstellen dat Laclos een hogere dunk van de mens zou hebben. Ik ben daar niet van overtuigd. Me dunkt dat hij van de mens helemaal niet zo’n hoge dunk heeft en dat hij helemaal niet gelooft in de morele waarden op grond waarvan hij zijn kritiek op de heersende zeden in een bepaalde bevolkingslaag zou kunnen verantwoorden.
Wat doet Laclos dan wel? Hij ként het wereldje, hij vergroot een aantal kenmerken ervan uit, hij drijft situaties ten top. Eigenlijk is zijn hele verhaal een gedachte-experiment: wat gebeurt er als een zekere logica tot het uiterste wordt doorgedreven? Realisme is niet zijn grootste zorg.

Ik vind voor deze stelling een bevestiging in de afwikkeling van het verhaal. Op het eind moeten bepaalde personages – ik zal maar niet verklappen welke – boeten voor wat zij allemaal hebben mispeuterd. Hier drijft Laclos niet alleen ten top, hij overdrijft – en hij doet dat opvallend nadrukkelijk. X wordt niet alleen getroffen door de zwarte pokken maar, alsof dat nog niet erg genoeg was, door ‘een kwaadaardige vorm van zwarte pokken’. Je voelt zo dat Laclos hier een moraliserende toegeving doet aan de in die tijd nog heersende opinie dat gerechtigheid moet geschieden maar er zelf niet meer in gelooft dat boontje inderdaad om zijn loontje komt. Nog vijftig of honderd jaar verder in de literatuurgeschiedenis, en het kwaad zal niet – al was het maar voor de galerij – het onderspit delven zoals in Les Liaisons dangereuses maar zegevieren.

reactie

Ja, moet ik nu antwoorden: Petrarca was eerder?
Het gaat over het witregelloze sonnet met dit specifieke rijmschema (& deze voeten), bovendien in een verhalende context.
En wat betekent hier geparafaseerd? Citaat, graag.
Sybelius

reactie

De ergste pijn is die van de permanent afgewezenen, de uitgeslotenen door onze harde maatschappij: de armen, de psychisch zieken, de 'vreemdelingen'... Zij krijgen het gevoel 'niemand' te zijn, er niet bij te horen en geloven vaak dat ze zelf schuldig zijn.
(mooie tekst overigens!)
Lieve

reactie

De bibliotheek is een stilteoord.
Multum legendum est,
non multa
veel moet je lezen, niet velerlei
in de diepte lezen, niet in de breedte
diepgaand lezen, niet velerlei
Bibliothérapie
lire, c'est guérir

http://www.kunstbib.ugent.be

reactie

deze foto komt uit de Kunstbib Ugent en is gelegen met zicht op de Boekentoren van Henry Van de Velde.

facebookbericht 161

struikelt niet graag, en zeker niet over punten en komma’s.

facebookbericht 160

heeft het wel gehad met al die wedstrijden en polls en verkiezingen waarbij iedereen zijn hele adresboek aanschrijft met de bede 'Stem op mij!' - zo wint nooit de beste maar wel diegene met het grootste adressenbestand c.q. de minste trots.

1980

Gent, Boekentoren, Kunstboekenbibliotheek – 091030

zondag 6 december 2009

mijn woordenboek 235

AFWIJZING

Afgewezen worden doet pijn. Maar het is een venijnige pijn. Je krijgt niet meteen de volledige dosis toegediend. Het is een pijn met napijnen. Het is een drietrapspijn. Je stoot je drie keer. Door de afwijzing zelf, door het verlies van mogelijkheden dat er het gevolg van is, en dan nog eens, als toetje, als heel venijnig toetje, door het gevoel dat je in je hemd bent gezet.

De pijn van de afwijzing ligt deels in de toekomst, deels in het heden, deels in het verleden.

In de afwijzing gaat een toekomstperspectief verloren. Dat doet het minste pijn omdat je je niet kunt kwetsen aan wat niet, of nog niet, bestaat. Verdriet om een verloren toekomst is altijd abstract verdriet. Cerebraal verdriet. Een gedachte met weerhaken. De brildrager die zijn droom piloot te worden in rook ziet opgaan – omdat hij een bril draagt – vindt, geholpen door het doorzettingsvermogen dat hij aan de dag zou moeten hebben gelegd om piloot te worden, wel een andere bestaansvervullende bestemming. Waarom zou hij het bijvoorbeeld niet op de lange omvaart proberen? De veerkracht die hiervoor nodig is, is een kwestie van persoonlijke sterkte. Welbeschouwd zijn persoonlijke sterkte en veerkracht synoniemen. De ziel hoort elastisch te zijn.

De afwijzing is op het moment zelf een harde dobber. In de afwijzing wordt het heden volledig opgezogen. De afwijzing is als een zwart gat. Zij is een en al conflict, confrontatie. De afwijzing is absoluut. (Ook al omdat er geen gradaties zijn tussen het ja en het neen.) Op het ogenblik van de afwijzing (‘Je mag niet mee.’; ‘Ik zie je niet meer graag.’; ‘Jij mag niet komen spelen.’) bestaat enkel dat en niets anders. Het slachtoffer is volledig uit zijn lood geslagen, verstomd, perplex. Hij wordt geconfronteerd met een vernietigende weigering, iets wat hem (of haar natuurlijk) tot niets herleidt. Hij past niet in de plannen, in de wereld van mensen bij wie hij graag had gehoord, met wie hij graag samen iets had ondernomen. Afgewezen worden is botsen op een muur en dat komt hard aan. Maar het gaat voorbij. Dat soort pijn blijft nooit duren. En het hardt je. Je leert het: niet te veel af te zien van afwijzingen. En het vreemde is – zo wreed zijn mensen wel – dat wie blijk geeft er goed tegen te kunnen, veel minder het gevaar loopt te worden afgewezen.

Zie maar wat kinderen elkaar soms aandoen. Het gepest en het gepest worden als leerschool. Pesten heeft altijd iets met uitsluiten en afwijzen te maken. ‘Jij hoort er niet bij.’ Vandaar de defensieve houding die gepeste kinderen aannemen: ze doen alsof ze die wens van er bij te horen niet meer hebben. Wie die horde zonder kleerscheuren neemt (geen garantie!), kan tegen een stootje.

De ergste pijn van de afwijzing vindt zijn grond in wat eraan is voorafgegaan. Maar hij komt pas achteraf. Het is een venijnige pijn. Een die te maken heeft met het feit dat de afgewezene zich door zijn vraag om er bij te horen kwetsbaar heeft opgesteld. Hij (of zij, ik weet het) stond daar. Met open handen, nederig, ontvankelijk, blootgesteld aan brute macht. Vol vertrouwen. Of misschien tegen beter weten in. Naakt.

1979

Gent, Citadelpark – 091030

zaterdag 5 december 2009

dag 842 – 091205 zaterdag

droom #32

Onder het dak van een open wasplaats of kiosk, die midden in een stad op een helling staat zodat er een uitzicht mogelijk is op het panorama dat langs de ene zijde over daken en torens tot de einder reikt terwijl langs de andere zijde rechte, zich straalsgewijs van de kiosk verwijderende straten naar hoger gelegen punten leiden, woon ik een les bij van een professor in de psychologie. Ik ben iets te laat en val daardoor in midden in een redenering. Het gevolg is dat ik niet alle gebezigde termen snap, wat mijn argwaan tegen het psychologengespuis nog aanscherpt – want ik moge dan al niet beslagen zijn in hun vak, wél weet ik dat elk door hen gebruikt woord te duiden is omdat het meerdere betekenislagen toedekt en dat je dus, als je tot hen het woord richt, méér dan op je hoede moet zijn: alles zien zij als door verdraaiing of verdringing verkregen pervertering van de waarheid, die nochtans, dat blijf ik althans geloven, althans in mijn droom, toch ook heel simpel en eenduidig kan zijn. De sfeer is dreigend, niets is wat het lijkt.

In het verdwijnpunt van een van de naar boven leidende rechte straten zie ik het silhouet van het Brusselse Justitiepaleis. Vreemd, want het panorama aan de andere zijde leek wel dat van Rome. De fotograaf in mij realiseert zich dat het perspectief op het paleis een pittoresk beeld oplevert, dat dús niet voor fotografisch vastleggen in aanmerking komt – of misschien juist weer wel, een postmodern-ironisch aanvoelen van kitsch en het pittoreske is mij niet vreemd. Het doel van een dergelijke fotografie is dan niet het vastleggen van het gebouw, maar van het pittoreske van het gebouw. Ook hier: verdubbeling en verdraaiing. Een interessante parallel tussen het psychologen- en fotografenbedrijf!

Het zicht op het Justitiepaleis smokkelt bovendien iets morele-instantieachtigs in mijn droom binnen, dat zich meteen op de psychologieprofessor vastzet. Zijn gejongleer met waarheid en leugen verliest daardoor zijn ethisch neutraal of vrijblijvend karakter: hier staat een scherprechter die niet alleen beslist over het waar en het vals van wat de patiënt hem zegt maar ook over het goed en het kwaad daarvan. De psycholoog als God, of dan toch minstens als priester. De professor maakt zich nu kwaad. Het eerste deel van zijn betoog blijkt een autobiografische notitie te zijn geweest. Ik denk meteen: hij zal op het examen toch geen vragen stellen over zijn cv? Maar ik onderschat het belang dat de prof aan dat eerste deel hecht en moet zijn tirade ondergaan.

Hier vertoont de droom een cesuur. Hij valt in twee stukken uit elkaar. Het komt mij nu, bij het opschrijven, voor dat die cesuur er in de droom zelf niet was, dat er een naadloze narratieve overgang was van het eerste (de les in de kiosk) naar het volgende deel, maar dat de cesuur is ontstaan door mijn deficiënte herinnering, die dus een verdringing, verdraaiing… is. Het volgende deel is kort. Twee kleine, in het wit geklede meisjes, spelen op twee keurig geknipte grasperkjes. De – geometrische – vorm van die perkjes lijkt mij om de een of andere reden belangrijk. Iemand komt de twee meisjes twee geitenkaasjes brengen: voor elk meisje een. En die kaasjes hebben op hun beurt een geometrische vorm, zij het nu in drie in plaats van twee dimensies, een vorm die op de een of andere manier te maken heeft met of aansluit bij de vorm van de grasperkjes.

1978

Assebroek, Baron Ruzettelaan – 091030

vrijdag 4 december 2009

random 18

Tegenlicht in vrieskou toont van dit
bouwsel het silhouet
en daarmee een stille essentie.
In vrieskou geborgenheid.

facebookbericht 159

genoot gisteren van het contrast tussen de bedrukte gezichten in de wagon en de olijke stem van de omroeper die, als las hij een lijst namen van mannequins die zo dadelijk op een imaginaire catwalk de nieuwe lingeriecollectie zouden gaan showen, de namen opsomde van alle stations tussen Brugge en Eupen waar de trein in de komende tweeënhalf uur zou stoppen.

dag 830 – 091124 dinsdag

In een aarzelend gesprek (opgenomen in La solitude heureuse du voyageur) heeft Raymond Depardon het over de relatie die er voor hem bestaat, of kan bestaan, tussen woord en beeld, tussen onder- of bijschrift en foto. Heel behoedzaam komt het eruit: die relatie heeft een morele ondergrond. Als fotograaf voelt hij zich altijd ook ‘een dief’. Hij ‘neemt’ beelden. Het is in elk geval een ‘ongelijke uitwisseling’. Dat is een ervaring die, bijvoorbeeld op straat, steeds lastiger wordt. A fortiori in heikele omstandigheden. Zoals een oorlog. Of zoals op die foto, in Biafra genomen door een collega, Gilles Caron, waarop Depardon is te zien terwijl hij een stervend kind fotografeert, voorovergebogen, ‘als een gier’. (Het is een erge foto. Depardon zegt zelf er erg veel moeite mee te hebben. Caron heeft de foto aanvankelijk niet gepubliceerd, uit respect voor zijn collega. Wie het wil, kan de foto hier bekijken.) Depardon heeft het dus over de teksten die hij stilaan bij sommige van zijn foto’s is beginnen te schrijven. Daarin expliciteert hij niet wat er te zien is. Hij heeft het over zichzelf, zijn eigen achtergrond. Over het motief dat hij heeft om die bepaalde foto te maken (en te publiceren). Over de gewetensbezwaren die knagen wanneer de fotograaf, door foto’s te maken van erge dingen (mensen), zoals van een stervend kind in Biafra, impliciet een beroep doet op ‘de retoriek van het medelijden’. Nodig, dat wel, om de wereld een besef bij te brengen, maar o zo gemakkelijk en gevaarlijk. (‘Il me semble toutefois que cette rhétorique de la compassion est utilisée souvent pour éviter le travail nécessaire de compréhension et d’observation.’)

1977

Brugge, Rodestraat – 091102

donderdag 3 december 2009

de dingen 16


reactie

Poesjkin-sonnet? Shakespeare was eerder.
En Mallarmé werd geparafraseerd door Nijhoff.
Vale,
Remco

facebookbericht 158

hoort met verbijstering dat kieken van 'Voor de dag' zeggen tegen Frank Deboosere, die net zacht en nat weer heeft voorspeld: 'Als het maar zacht is'. Slachten!

facebookbericht 157

realiseert zich dat de uitdrukking 'Reken maar!', gebruikt om prat te gaan op het eigen gelijk, meestal wordt gebruikt in situaties waar het niet op tellen aankomt en waarin zelden een vergelijk bereikbaar is.

1976

P. en enkele onbekenden – Fotomuseum Antwerpen, 091103

woensdag 2 december 2009

dag 829 – 091123 maandag

@[facebookvriend] Lieven Deflandre
Hoe zou het zijn met ZZ en de Maskers. Aan welke toog hangen ze vandaag weer hun straffe verhalen te vertellen aan niemand in het bijzonder? In welke luie zetel kijken ze, omringd door de restanten van een uitgeblust huwelijk ('Ik Heb Genoeg Van Jou'), te kijken naar welk onnozel programma? Zijn ze nog wel tot zingen, gitaar-tokkelen, drummen en hammondorgel-bespelen in staat - of liggen ze al languit in het graf? Dat zijn de gedachten die in mij opkomen als ik dit filmpje zie.

reactie

Dag Pascal,

Dat witregelloze sonnet met genoemd rijmschema staat inderdaad bekend als de On(j)egin-strofe of het Poesjkin-sonnet. Behalve door Nabokov is het ook nog gebruikt door o.m. Vikram Seth in The Golden Gate en, in het Nederlands, door Paul Claes in 'De Bloomiade' (onderdeel van 'De driehoek', in Het laatste boek, 1992), een nadichting, zogenaamd door Joyce zelf, van Ulysses.

De uitspraak van Kouwenaar is niets meer dan een Hollands-ordinaire variant van een beroemde, veel te vaak geciteerde zin van Mallarmé: 'Ce n'est pas avec des idées qu'on fait des vers, c'est avec des mots.'

Sybelius

random 17

Geen muur van Hadrianus
maar van een villa in een villawijk.
Voor een schamele straat voert zij
de naam: wat naar voor Yourcenar.

1975

P. & J. – Fotomuseum Antwerpen, 091103

de dingen 15

dinsdag 1 december 2009

reactie

Dag Pascal,

Dat is nu nog eens een mooie bespreking! Een waarin mijn intenties duidelijk naar voren worden gebracht en waarin, voor het eerst, de Joyce-citaten worden aangehaald. Ik ben er erg blij mee!

En om het nog leuker te maken: dat laatste citaat ('Poëzie moet worden gemaakt uit taal, / niet op grond van gezeik met een idee') is een parafrase van een uitspraak van Gerrit Kouwenaar (interview met Ilja Leonard Pfeijffer in het NRC van 13 juni 2003: 'Poëzie moet uit taal gemaakt worden en niet op basis van gezeik met ideetjes.) Veel van wat het personage Arthur Wevers in dat 12de hoofdstuk zegt (inderdaad: niet toevallig het middelste van de 23 hoofdstukken) is uit het desbetreffende interview gehaald.

Met hartelijke groet,
Arthur Wevers 091104

debuut 15

Ironisch keurslijf

Laat ik het maar meteen zeggen: ik heb heel veel plezier beleefd aan Bittergarnituur van Arthur Wevers (1970). Ik moet zelfs méér zeggen: Bittergarnituur van Arthur Wevers stelt mijn leesattitude fundamenteel ter discussie.

Dat dit een bijzonder poëziedebuut is, zie je meteen. Bittergarnituur is een roman-in-verzen van 270 bladzijden met telkens veertien tien- of elflettergrepige regels volgens een – voor zover ik dat heb geverifieerd – strak ababccddeffegg-schema. Dat is, als ik het goed heb, een sonnetvorm – zij het dan dat de drie witregels tussen de vier strofen zijn weggelaten. Ik citeer, bij wijze van illustratie, de openingsbladzijde – let alvast op de inhoud:

Iets langer dan een halfjaar geleden,
dat was in 2008, in de tijd
dat ik helemaal was afgegleden
naar de bodem van het voldongen feit,
gebeurden er verschillende dingen
die amper met elkaar samenhingen
en die uiteindelijk ook allemaal,
op zichzelf genomen, als triviaal
en nikszeggend te omschrijven waren,
maar die zich wel zo samenvoegden dat
ik vermoedde dat er iets achter zat,
een zin die die toestand kon verklaren,
en dat terwijl zo’n verband er misschien
dus echt niet was. Hoewel… we zullen zien.

Een perfecte start: de verteller maakt nieuwsgierig, gooit zichzelf (of zijn ik) meteen in de strijd, rondt de bladzijde af met een cliffhanger. Ik weet niet hoe het bij u zit, maar ik kan alvast niet anders dan zo snel mogelijk de pagina omslaan en uitkijken naar wat komt.
Dat heeft zeker ook met de vorm te maken. Wevers toont overtuigend aan dat rijm en metrum niet toevallig eeuwen lang een orale verteltraditie hebben voortgestuwd. Dat klank en ritme een vanzelfsprekend middel zijn om de toehoorder bij de les te houden.

Bij de les blijven, dat doen we zeker. We volgen de ik die, dat blijkt meteen, niet Arthur Wevers is:

Het was in elk geval precies de dag
waarop mijn vriendin me vertelde dat
ze geen toekomst met mij voor zich zag
en het helemaal met me had gehad,
dat ik pas werkelijk de indruk kreeg
dat Arthur Wevers iets voor mij verzweeg.

Het verhaal dat Arthur Wevers, de schrijver, ons voorschotelt, heeft niet zo heel veel om het lijf. De ik, ‘Chris’, beseft dat hij als redacteur op een uitgeverij boeken van échte schrijvers moet beoordelen enkel en alleen doordat hij er zelf niet een is kunnen worden. Naast deze professionele malaise is er onvrede met de vriendin – net zoals ook bij zijn vriend Arthur Wevers de mot in de relatie zit. We leren de desbetreffende dames van zeer dichtbij kennen: Esther Krol en Wendy Schmidt heten ze, en ze hechten niet zoveel belang aan de klassieke betekenis die aan de seksuele act wordt vastgeklonken: ‘moderne vrouwen / die seks niet als iets intiems beschouwen’. Er wordt wat over en weer geknuffeld en gescharreld. En geneukt. De communicatie tussen de personages is gebaseerd op rond de pot draaien en op het verhullen van psychologisch onvermogen en karakterzwakte, maar ook op perfide opportunistische strategieën. De vraag is nog maar of we ooit weten wat de ander bezielt… En wat is de drive in deze ‘roman’, het ‘streven’ dat ons naar de ontknoping stuwt? Dat Christiaan een boek wil schrijven, een ‘autobiografische roman’ in verzen. De uitkomst van dit streven mag ik u wel verklappen: Chris laat uiteindelijk zijn plan varen.

Wij lezen dus een boek van Arthur Wevers waarin de ik, die niet het personage ‘Arthur Wevers’ is, besluit om niet een autobiografische roman-in-verzen te schrijven – terwijl wij, échte lezers (even in de arm knijpen!), er toch een in handen houden, en wel een die is geschreven door de échte Arthur Wevers…?

U hebt het verhaal van Chris vast wel eens eerder gelezen. In romans van en over mensen, mannen vaak, wier grootste avontuur erin bestaat dat ze een boek schrijven of willen schrijven over het feit dat ze niets meemaken. Milan Kundera wist het al (en ik citeer uit het hoofd): ‘Ons grootste avontuur is onze avontuurloosheid.’ Ik denk niet dat we Arthur Wevers, de schrijver, veel oneer aandoen als we stellen dat hij niets nieuws vertelt.

Maar we moeten nuanceren. Het is de manier waarop Arthur Wevers niets nieuws vertelt, die belangrijk is. De manier waarop hij de door hem gekozen vorm noodzakelijk laat zijn.
Wevers slaagt erin om met zijn 270 × 14 versregels een adequaat beeld van de hedendaagse bestaansconditie te schetsen. We leven levens waarin het banale detail op hetzelfde niveau wordt getild als de verheven waarde, waarin oppervlakkigheid en diepgang nauwelijks nog uit elkaar te houden zijn, waarin mensen naast elkaar heen praten en elkaars woorden en houdingen taxeren op basis van interpretaties en interpretaties van interpretaties, waarin de ‘grote verhalen’ – bijvoorbeeld het geloof in ‘de liefde’ of ‘de literatuur’ – danig zijn geërodeerd. In die levens is geen plaats meer voor een rechtlijnig en noodzakelijk verlopend verhaal met poten en oren, met een strikte ordening zeg maar waarin geen mus van het dak valt zonder dat dat een betekenis heeft, met een begin, een midden en een slot ofte een plot dat het hoofdpersonage door een crisis doet gaan waaruit hij eventueel beter of toch minstens ánders terugkeert.

Wevers schetst niet alleen een bepaald losbandig en vrij illusieloos pomosfeertje, hij verricht niets minder dan een diepgaand en ingrijpend onderzoek naar de bestaansmogelijkheid van de roman daarin. En hij doet dat op een creatieve, oorspronkelijke, uitdagende manier: zijn roman-in-verzen vormt een antwoord op de vraag hoe je dan eventueel wél nog een roman zou kunnen schrijven. Wevers bereikt dit resultaat niet door wat hij in zijn roman-in-verzen vertelt maar doordat het een roman-in-verzen is.

De kern van Bittergarnituur lijkt mij te bestaan uit de passages waarin de inhoud-vorm-kwestie uit de doeken wordt gedaan. Daarin legt de ik ons uit waarom hij zijn roman zo’n gekke vorm heeft wil geven. Inderdaad zoals – en het voorbeeld wordt met name genoemd – de Onegin van Poesjkin. (De roman-in-verzen Eugene Onegin, trouwens vertaald in het Engels door Vladimir Nabokov, die ook wel wat zag in het speelse genre van de roman-in-verzen, getuige zijn meesterlijke pastiche Bleek vuur. Maar dat terzijde.)

De vraag naar het genre wordt al vroeg in Bittergarnituur expliciet gesteld: ‘“Roman? Maar het waren toch gedichten? / Of heb ik dat verkeerd gezien?” […]’ En waarom moeten ‘het zo nodig sonnetten […] zijn’?

Het uitgangspunt – dat bleek al uit de openingsverzen – is dat de werkelijkheid bestaat uit een onoverzienbaar kluwen van gebeurtenissen en feiten die met elkaar geen uitstaans hebben maar waarin de immer naar zin hengelende mens zijn weg probeert te vinden. En dat kan hij alleen door ordeningen aan te brengen en systemen te bedenken, door verhalen te vertellen. Door, zou je kunnen zeggen, de bitterballen mooi op een schaal te schikken. Maar, zegt Arthur Wevers: elke benadering is subjectief, aan een perspectief gebonden en dus contingent en arbitrair. Vertel wat je wilt, het doet er niet toe.

Elke versie van een geschiedenis
is trouwens per definitie subjectief:
niemand is in staat het eigen perspectief
en de valse helderheid van de taal
los te laten als hij het ongewisse
gestotter van de gebeurtenissen
probeert weer te geven in een verhaal,
waarin de totale realiteit
tot een beperkt aantal feiten wordt herleid.

In dat ‘subjectief’ en ‘eigen perspectief’ schuilt natuurlijk de redding voor de kunstenaar – in acht genomen de bittere vaststelling dat het bestaan op zich, zoals we het in onze tijd beleven, zinledig is. We modderen en rommelen maar aan en niets lijkt echt van belang. De manier waarop je de zaken bekijkt daarentegen kan wél interessant zijn. De manier waarop je selecteert, ordent, structuur aanbrengt. En dan kan dit gebeuren:

Mijn leven zat vol bijzonderheden
die er schijnbaar nauwelijks toe deden
en waar geen verband tussen te vinden leek,
maar waartussen wel een samenhang
kon worden aangebracht, althans, zolang
je er op een bepaalde manier naar keek.

En dát moet de schrijver nu doen: die ‘bepaalde manier’ van kijken zichtbaar maken.
Het inzicht komt er voor Christiaan wanneer hij, ‘[v]anwege de uitoefening van zijn baan’, in café De Pels zit te kletsen ‘met een auteur wiens naam / ik hier maar niet zal noemen’. Ook die man schrijft een ‘autobiografische roman’, maar dan wel een ‘die zou worden gedragen door zijn stijl / en helemaal nergens over ging’. Als de inhoud niets is, of niets kán zijn vanwege de banaliteit en het onsamenhangende karakter van onze levens, dan moet de vorm het maar doen! Al bestaat er ook daarover twijfel, natuurlijk. In een beschouwing over, jawel, tieten vertrouwt Christiaan ons toe:

Ik betwijfel zelfs of een kwaliteit
uit het uiterlijk kan worden afgeleid.
Tieten zie ik eerder als een instrument
dat door de vrouw kan worden aangewend
om haar zelfbeeld mee te etaleren
of om een of ander fysiek gebrek
of een ongewenste karaktertrek
mee te verhullen of te camoufleren.

Zoals, jazeker, het knapperige laagje gefrituurde paneermeel de culinaire rotzooi van vermalen botten en vet in de bitterbalkern vermag ‘te verhullen of te camoufleren’!

Volgt u nog acrobaat Wevers’ halsbrekende toeren? Blijf kijken want het wordt nog ingewikkelder! Er komt nog een salto mortale! Want wat doet trapezist Wevers? (Wacht, ik verander hem eerst in goochelaar.) (…) Hij draait de kubus waarin hij de schaars geklede deerne Werkelijkheid in stukken zaagt om en toont ons het bedrog! De ordening, het verhaal, de garnituur…: die zijn er alleen maar om een leegte te verhullen. Maar nu is het net door dat verhullen dat de leegte zichtbaar wordt! Want waarom zou je verhullen als er geen leegte zou zijn? Arthur Wevers, de protagonist, bakt zijn bitterballen op een te hard vuur – waardoor ze ontploffen!

‘Verdomme!’ riep hij uit, ‘het is me wat…
De bitterballen zijn uit elkaar gespat…’

Om die reden doet het er niet zo toe dat de knapperige bitterballenpaneerlaag uitgerekend uit sonnetten bestaat. Het gaat om: ‘de vaste vorm… Ik had ook het dizijn / kunnen nemen… of alexandrijnen, / geassoneerde strofen, kwatrijnen, / dactylen, octaven of terzetten… / Maar uiteindelijk werden het sonnetten.’ Als er maar een vorm is: ‘Vorm, de waarheid van de literatuur!’ Zeker als het om een literatuur gaat die moet duidelijk maken dat in de wereld die zij beschrijft geen vormvaste waarheid meer te vinden is.

Die willekeur kan de pret niet drukken. Zo bitter smaken die ballen nu ook weer niet. Is het alleen maar een vorm, wel, ’t is een plezierige vorm. En Arthur Wevers, de schrijver, haalt werkelijk álles uit de kast om ons te vermaken. Virtuoos frituurt hij zijn verhaal in dat ironische keurslijf van witregelloze sonnetten. Hij maakt zijn paneerpapje niet té smeuïg, zodat het nog een beetje kan haken – waardoor wij niet indommelen bij een al te eentonig ritme.

Maar dat is niet het enige middel waarmee Wevers onze aandacht vasthoudt. Vaak zijn de rijmwoorden bijzonder grappig: ‘et cetera’ / ‘prullaria’; ‘maillots’ / ‘schoenendoos’; ‘scène’ / ‘gêne’… En uiteraard is Wevers zo verstandig zijn rijmelarij te relativeren. Hoe hij dat doet, verklap ik u niet: u moet het boek maar tot het einde lezen.

Ook de metrumdwang leidt tot hilarische toestanden. Over het algemeen krijg je niet de indruk dat Wevers krampachtig op die tien lettergrepen afstevent. Soms laat hij er al eens een elfde toe, het is alsof hij de strakke vormteugels dan wat viert. Maar hier en daar zet hij heel nadrukkelijk in de verf hoe plezierig het sonnettenkorset hem past. Wat kun je bijvoorbeeld beter doen als je nog drie lettergrepen nodig hebt dan dat met een absurde toevoeging als ‘als elders’ extra nadrukkelijk in de verf zetten? ‘Ik staarde naar / het donkere, kleine achtertuintje waar / de herfst, als elders, was ingetreden.’

Ook de afwisseling van registers, van gesofisticeerde filosofische redeneringen tot de goorste porno, sorteert een bijzonder grappig effect. Zeker als Wevers ze beide tegelijk bespeelt en zijn protagonist laat peinzen over ingewikkelde literaire en existentiële topics terwijl hij de del die op de bank voor hem haar benen spreidt uit haar roze string helpt ten einde zichzelf met zijn ‘enorme joekel van een paal’ toegang te kunnen verschaffen tot haar ‘doos’ die, vergeef mij het citaat, ‘even zompig als een dweil’ is.

Op een gegeven ogenblik knipoogt Wevers bijzonder vet naar James Joyce, die hij overigens voorin in het boek vermeldt in een lijstje namen zonder wie ‘[d]it boek […] nooit [zou zijn] geworden wat het geworden is’:

Statig stond plompe Arthur in de hal,
met in zijn ene hand een groot, wit bord
en in zijn andere hand een bitterbal.

Iedereen die het gelezen heeft – of daartoe een poging heeft ondernomen – ziet de verwijzing naar de openingszin van Ulysses. Die verwijzing zit ook verstopt, zij het al meer voor de echte fijnproevers, in de mededeling dat Arthur meer van bitterballen houdt dan van niertjes (zoals Leopold Bloom).

Bittergarnituur is echt een hilárisch boek. Zo vergelijkt Wevers, zeer zelfkritisch, zijn verzengeknittel met de karamellenpoëzie van de in Nederland verguisde dichter Driek van Wissen en laat hij op een gegeven ogenblik, in het recapitulatiehoofdstuk 18, een monstre sacré van de Nederlandse poëzie vertoeven in een woordengezelschap van wel zeer twijfelachtig allooi:

dikke tieten die van de zekerheden
van hun bestaansgrond leken afgesneden,
Gerrit Kouwenaar, een knetterende scheet
die een schertsvertoning de das omdeed

Om maar te zeggen dat ik mij danig geamuseerd heb bij deze roman-in-verzen. Niet alleen de verleidelijke paneerkorst heeft me gesmaakt maar ook de explosieve smurrie binnen in de bitterbal. Meteen is ook de expliciet door Wevers, de schrijver, gestelde vraag positief beantwoord: ‘of men nog poëzie / uit moest blijven geven’. Hij maakt waar wat hij zelf heeft aangekondigd – ‘Poëzie moet worden gemaakt uit taal, / niet op grond van gezeik met een idee.’ – en hij mag dus, a fortiori omdat hij met een zeer geslaagd experiment is van start gegaan – blijven.


Arthur Wevers
Bittergarnituur
Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2009
272 p./ € 24,95

Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2009/6

1974

P. & S. - 091103

facebookbericht 156

was vanavond op bezoek bij een Koekelarese kunstenares.