woensdag 7 januari 2026

vorig jaar 274

7 januari 2025

De eerste bijdragen aan het Liber amicorum voor Boudewijn Büch, dat ik lees nadat ik zijn [niet zo geslaagde] dagboek 1998 Een boekenkast op reis heb doorgenomen, slaan een opvallend olijke toon aan.

*

Afscheidsceremonie voor L., de op 94-jarige leeftijd overleden moeder van H. Ik ben wat te vroeg op de Blauwe Toren en maak eerst nog een kleine rondgang op de begraafplaats. Een perceel met [islamitische (?)] graven, en een perceel met militaire graven waartussen ik ook enkele uit steen gehouwen Duitse kruisen zie met Vlaams klinkende namen op. Die mannen zijn, zo blijkt uit de gebeitelde toponiemen, op Duitse bodem gestorven of gesneuveld, dat is niet duidelijk.

De teksten die tijdens de dienst worden voorgelezen zijn bijzonder mooi en treffend. De ene dochter van H. & B. heeft het over L.’s feilloze kennis van het Brugse stratenplan, ze vergelijkt het zelfs met hoe Joyce Dublin kende. De andere dochter spreekt over het Brugse dialect van haar grootmoeder. B. leest een gedicht van Pessoa voor (…) ‘Ik voel een enorme vreugde / Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is.’ H. ten slotte brengt een verslag van de laatste wandeling met zijn moeder. Het is liefdevol, maar hij vermeldt toch ook haar soms onredelijke ergernissen, bijvoorbeeld over een ontbrekend straatnaambord in de Boomkwekersstraat. Maar hij heeft het ook over haar verwondering over het feit dat de bomen zo hoog zijn, de hagen zo recht geschoren en de huizen zo wit. Wanneer H. met zijn dementerende moeder in de Vossensteert aankomt, waar zij als kind negentig jaar geleden vele jaren in een van de inmiddels al geruime tijd afgebroken kleine huisjes ter hoogte van het Paalbos en de Gemene Weiden heeft gewoond, rakelt ze een groot stuk van haar verleden op. Ze somt alle bewoners, winkels en cafés op die er ooit in die buurt zijn geweest. Een wandeling met mijn moeder, besluit H., is een les over de socio-economische geschiedenis van het Assebroek van de jaren dertig van de vorige eeuw.




Na de dienst fiets ik samen met K. door een bui van natte sneeuw tegen een hevige wind in terug naar Brugge, waar ik koud en nat net op tijd thuis ben voor een lange werknamiddag.

(…)


foto: kruispunt Vossesteert-Maalse Steenweg (1933), gevonden op Fotoretro - Sint-Kruis