zondag 19 maart 2006

Mijn woordenboek (115)

ACHTERWERK
Het onderwerp leek mij smakelijk, uitdagend, een beetje provocerend, prikkelend, kortom ronduit (zeg dat wel) interessant en ik keek er dan ook naar uit om het hier te behandelen, maar hoezeer ook ik mij er de afgelopen dagen de kop op heb gebroken, ja, ik heb me gewoon suf gepiekerd: veel heb ik er niet over te melden. (De rubriek moet decent blijven.) Ik heb gedacht aan associatieve uitwegen via de Maagdenburgse Bollen, het oeuvre van Gerard Reve, de heupwiegende gang van menige zich van dat heupwiegen bewuste deerne, de textieldoorslag van nauwelijks verhulde vormperfectie in een strakke – neen, niet té strakke – jeans, het contrast tussen de gave huid van de bips en de gore substantie die uit de duistere reet tussen beide vleselijk-blanke globehelften naar buiten glipt en die ons keer op keer vanuit het anonimaat van de pot op onze onontkoombare verwantschap met de brute materie wijst – maar veel verder kom ik niet. Dat stelt mij – en misschien ook u – een beetje teleur. Ik kwam tot de conclusie dat de essentie van het onderwerp is dat de essentie ervan niet in woorden te vatten is. Van het hele menselijke lichaam lijkt het achterste het meest onpersoonlijke, het meest ongedefinieerde. (Is het daarom zo aantrekkelijk? Is het daarom dat het kind op die plek billenkoek hoort te ontvangen, omdat op die manier zijn persoonlijkheid, door de onpersoonlijkheid van de geteisterde lichaamszone, het minst wordt aangetast? Is het achterste daarom zo onweerstaanbaar dat bijvoorbeeld handtastelijke – vreemde woordovereenkomst met ‘handtas’, maar dat terzijde – vrouwengekken het niet kunnen laten om als er eentje met zo’n volmaakt exemplaar achter zich aan passeert er een tik aan uit te delen – zeer tot ergernis, en terecht, van de bezitster van het achterwerk in kwestie want die voelt zich in haar persoonlijkheid gekrenkt, ja tot louter vleselijke onpersoonlijkheid gereduceerd?) Ja, je kunt zeggen dat een achterwerk dik is, of pezig, of smakelijk, of uitgezakt, of reviaans goddelijk – maar daarmee kom je niet verder dan een oppervlakkige benadering. Doorstoten, zonder in cynisch gemierenneuk te vervallen, tot de welhaast mythische kern (en mythisch moet die kern zijn want hoe anders moet je die onweerstaanbare aantrekkingskracht verklaren), is ten enenmale zeer moeilijk; wellicht is het een ideaal dat enkel is te benaderen door literaten die het hier behandelde item in een narratief weefsel weten te hullen.