In
deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde
boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij
betekenen.
april
1995
J.M.H.
Berckmans, Taxi naar de Boerhaavestraat
Vuurwerk
Recent
kwam J.M.H. Berckmans opnieuw in de belangstelling. Achttien jaar na
zijn overlijden op 54-jarige leeftijd in 2008 werd in een 1350
bladzijden tellende, Barakstad genaamde baksteen zijn
verzameld oeuvre opnieuw tot leven gewekt. Op een groots
georganiseerde boekvoorstelling spraken een aantal coryfeeën van de
Vlaamse letteren hun bewondering uit voor hun in miserie
weggedeemsterde collega. Hij werd er bejubeld als de beatschrijver,
als de howlende Allen Ginsberg en punkprozapleger van de
Vlaamse literatuur, als de vaandeldrager van Generatie Nix, als de
erfgenaam van Beckett en Boon. Enfin, ik was zelf niet aanwezig op
die boekvoorstelling, maar het zal wel in die richting zijn gegaan –
ik baseer mij voor deze korte evocatie op de verslagjes die mij via
Facebook bereikten.
Niet
dat J.M.H. Berckmans al helemaal vergeten is. Zijn boeken, waarvan er
toen hij nog leefde meestal maar een paar honderd exemplaren een
koper vonden en die derhalve, bij mijn weten, nooit een tweede druk
haalden, genieten tegenwoordig de status van collector’s item.
Op de tweedehandsmarkt halen ze bedragen die hun nieuwprijs, nog
in Belgische franken uitgedrukt, overtreffen. Toen ik een paar jaar
geleden het voorrecht had om uit de privébibliotheek van een
overleden literatuurliefhebber uit Assebroek ten eigen gerieve een
keuze te maken – ‘Anders belandt het toch maar op de container,’
zei de niet-bibliofiele erfgenaam –, trof ik in die nalatenschap
ook wat berckmansiana. Ik heb ze niet meegenomen omdat ik (a) de
kans klein achtte dat ik ze ooit zou lezen, maar ook omdat ik (b) het
mijn plicht vond om de erfgenaam te wijzen op hun pecuniaire waarde:
mits wat zoekwerk op occasiesites of een telefoontje naar een
antiquariaat zouden ze mogelijk nog een flinke cent blijken op te
leveren. Ik weet niet of de goede man mijn advies heeft opgevolgd,
dan wel of hij de kleinodiën alsnog op de container heeft gekieperd.
Om
maar te zeggen: de eeuwigheidswaarde van de schone letteren is
relatief en staat niet in een rechtevenredige verhouding met de
geboden kwaliteit.
Kwaliteit?
Ik neem eens het zorgvuldig uitgegeven en dito door Dooreman
vormgegeven drukwerk 4 laatste verhalen ter hand. Het werd –
postuum – uitgebracht in 2009. Ik verwierf het acht jaar later voor
enkele eurocenten op de jaarlijkse kiloverkoop van de Brugse
stadsbibliotheek. Het boek zag er zo goed als ongelezen uit, wat ook
de reden moet zijn geweest voor de genadeloze verwijdering uit de
collectie. Van de 128 bladzijden zijn er slechts 86 met door
Berckmans geschreven tekst bedrukt: vier ‘verhalen’ en ‘enige
nagelaten brieven’ aan een zekere Kristien. (Dat zal wel niet
Kristien Hemmerechts zijn geweest.) Er volgt nog een 4 bladzijden
tellend anoniem (!) nawoord. De rest bestaat voornamelijk uit
witruimte en maagdelijke bladzijden.
De
4 laatste verhalen, en vooral de hele sfeer die erin is
neergeslagen, katapulteren me dertig jaar terug in de tijd, toen ik
dit werk en de auteur ervan met, toegegeven, gemengde gevoelens
leerde kennen. Desalniettemin droeg ik als de literair journalist die
ik toen was mijn steentje bij tot de Berckmanshype – getuige
daarvan de wervende quote van mijn hand op het achterplat van Bericht
uit Klein Konstantinopel, een verhalenbundel uit 1996: ‘Een
tekst van Berckmans is vuurwerk.’
Een
willekeurig gekozen citaat – boek openslaan, vinger op een passage
leggen – doet meteen de hele Berckmans-sfeer herleven: ‘En welja
mijn naam is Schraalhans Keukenmeester, ondoorvoed en onvoldaan, and
Yes, my name it is Sam Hall and Fuck ‘em all, is het niet, m’n
lieve Rachel Zilverschat.’ (4 laatste verhalen, 75) Bij
wijze van tegenproef, zelfde vinger, andere bladzijde: ‘Het zij nu
eenmaal zo, ‘t zij altijd zo, ‘t zij om Godswil altijd zo, laat
me niet alleen, dan kan ik nadenken en hoef ik niet langer te denken
aan Jan & Alleman & Pontius & Pilatus, Kristus Jezus,
Barabbas in een kroonluchter naast het Maltezer kruisje van ons
hypotetische huisje.’ (sic en ibid., 105-106)

Het
boek dat ik, in drukproefvorm, las ter voorbereiding van het
interview
dat ik in 1995 van J.M.H. Berckmans afnam – Taxi naar de
Boerhaavestraat – heb ik niet bij
de hand om uit te citeren want ik heb het niet meer in mijn bezit (of
heb het nooit gehad, dat herinner ik me niet meer). Ik herinner me
wel vaag de setting waarin het gesprek plaatsvond – ik citeer uit
het interview, zoals het op donderdag 13 april 1995 verscheen in De
Standaard der Letteren: ‘één hoog: een appartement met kleine
kamers en lage plafonds. Het is er kil en grauw. Niet bepaald
ordelijk ook. Op de tafel bij het raam staat een tekstverwerker.
Tegen de muur een rek met boeken. En overal: paperassen en asbakken.’
Berckmans was toen 41 jaar oud en goed op weg naar de lagere wal waar
hij uiteindelijk zou wegkwijnen en verdwijnen.
Het
hierboven
geciteerde achterplatcitaat
is
niet bepaald een literair hoogstandje, dat
geef ik grif toe. Mocht
ik geweten hebben dat de achterplatredacteur uitgerekend dat ene
zinnetje uit het interview zou plukken, dan had ik er zeker
iets over een in eigen hand ontploffende vuurpijl aan toegevoegd. Of
iets met een dak dat afbrandt
door een verdwaalde
gillende keukenmeid.
Ik
herinner mij dat ik het niet
voor
de
volle honderd
procent meende
toen
ik het zinnetje schreef.
En
dat
was niet
omdat ik helemaal
niet van vuurwerk houd.
Ik
geef toe: ik ben even in de verleiding gekomen om Barakstad te
kopen, maar ik heb daar dan toch aan kunnen weerstaan.