zondag 12 april 2009

Dag 592 vVH&C

Overschrijven (115)

Zwijgplicht

Ik praat. Ik maak de hele dag geluid,
want eigenlijk ben ik zo'n zwijgzaam man,
dat ik onmoog'lijk zoveel zwijgen kan.
Daarom stel ik mijn zwijgen pratend uit.

Ik schrijf. Ik zie die hand maar gaan,
maar eigenlijk ben ik nog nooit begonnen
aan mijn verhaal. Het is nog niet verzonnen.
Ik schuif het schrijvend op de lange baan.

Ik leef. Ik vind mijn leven kort,
maar eigenlijk trek ik alleen gezichten,
die horen bij een handvol daagse plichten.
Zo wacht ik levend tot ik eens geboren word.

Ik praat. Geen ramp heeft me nog stilgekregen.
Ik schrijf. De snelle woorden gaan hun gang.
Ik leef – maar in de nacht denk ik soms bang:
Straks zwijg ik. Heb ik dan genoeg gezwegen?



Karel Bralleput (1913-1987)
uit: Fabriekswater (1956)

Met dank aan Laurens Jz. Coster

1741

Brugge, Pottenmakersstraat – 071026

zaterdag 11 april 2009

37 * 27,60 * 407

Ik herinner mij dat ik gisteren van plan was om in het verslag van mijn ritje melding te maken van de volgende waarneming: hoe in Eernegem enkele ouderlingen de kerk verlieten waar zij wellicht, het was Goede Vrijdag omstreeks drie uur in de namiddag, hadden herdacht dat omzeggens tweeduizend jaar geleden, genageld aan een houten kruis, God-op-aarde de Geest teruggaf aan zijn Vader-in-de-hemel, niet zonder de klacht te hebben geuit, om niet te zeggen het verwijt: ‘Waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Maar ik vergat het op te schrijven.

De rit van vandaag is een ingekorte variant op die van gisteren: ik volg het kanaal tot in Zandvoorde, sla linksaf naar Oudenberg en daar weer linksaf richting Ettelgem, Zerkegem, Jabbeke en Varsenare. Helemaal in het begin van mijn rit zie ik langs de vaart een koppel in zijn derde leeftijd poseren voor een ondernemende fotograaf: in de berm, met op de achtergrond een fotogenieke rij populieren. Heer heeft zijn beste pak, mevrouw haar mooiste tailleurtje aangetrokken. De aanloop naar een goudenbruiloftsfeest?

Dag 591 vVH&C

Overschrijven (114)

Dat alziend oog scheen nooit ver weg te zin toen ik een kind was. Soms volgde het me op de voet of lag het op de loer, altijd bereid aanstoot aan me te nemen. Of liever: altijd in de hoop dat ik me zou misdragen.

Toen ik een tiener was, begon ik het oog arrogant en aanmatigend te vinden, hoogmoedig en zelfs preuts. Soms zag ik in gedachten de eigenaar: een oude man op een bankje die broodkruimels strooide voor duiven en spreeuwen en beledigd was als de vogels vochten om de kruimels aan zijn voeten.

Olaf Olafsson, De thuisreis, 151

1740

L.

De dingen (5)

Fietselastiek

vrijdag 10 april 2009

49 * 26,29 * 370

P. laat het in laatste instantie afweten: hij heeft ‘het schot’ in de rug door tijdens het verzetten van een bloembak te moeten niezen. Mannen kunnen geen verschillende dingen tegelijk doen. Ik vertrek dus alleen richting Oudenburg. De hele tijd heb ik een strakke zijwind licht in het voordeel, dat belooft niet veel goeds voor de terugtocht. Ik zie een hele tijd een oudere man voor mij uit rijden en wanneer ik hem dan eindelijk heb bijgehaald, zet ik hem nog een kilometer of zes uit de wind. Tot een conversatie komt het niet – ik verneem enkel dat hij uit Loppem is vertrokken en straks via Torhout opnieuw huiswaarts keert. Ik besluit, gezien de windrichting, ook iets dergelijks als parcours te kiezen, zeg dat aan de man (zodat hij, als hij dat wenst, in mijn wiel kan blijven zitten). Toch blijkt hij voorbij het sas van Zandvoorde zonder boe of ba te zijn verdwenen. Ik zet mijn tocht dus alleen voort. Opvallend tijdens deze rit zijn de kleurige duo’s, trio’s of kwartetten: ik zie drie renners in het zwart, twee in het roze, vier in het turkoois, nog eens drie in het rood en twee in het geelgroen… Oudenburg. Twee kilometer recht tegen de wind in naar Westkerke, vier kilometer idem tot in Eernegem. Ik zie een bord met reclame voor een ‘anti-bob-fuif’, een beetje verder een voor een zwaailichtfuif. Dan gaat het op Zedelgem af en vervolgens naar Aartrijke. Hoe meer ik de steven opnieuw naar het noorden wend, hoe meer de wind goed zit. Door het Tillegembos en langs het Olympiastadion en de gevangenis huiswaarts. Laatste gedachten, aan de plek gebonden: dat ik maar beter Cerclesupporter wordt als het Clubbestuur inderdaad in Loppem de verstrengeling van sport en commercie gaat consacreren, en hoe het zou zijn met J, die hier woont.

DvVH&C 590 / Debuut (6)

Tuinravage

Wij maken meteen kennis met twee personages: ‘ik’ en ‘D’, die, zoals de auteur van het boek, der mannelijke kunne is. D en ik rijden graag auto, liefst zonder doel, als het weer een beetje tegenzit of als we een afspraak hebben waar we echt niet onderuit kunnen. D stuurt, ik bedien radio en raampjes en zorg voor commentaar. Dat, en nog een paar andere zaken, vernemen we in het openingsgedicht ‘D en ik’. Alleen staat het er anders:

D en ik rijden graag auto,
liefst zonder doel, als het weer
een beetje tegenzit of als we
een afspraak hebben waar
we echt niet onderuit kunnen.
D stuurt, ik bedien radio en raampjes
en zorg voor commentaar.

Dat ziet er al veel beter uit. Hoewel? Afgezien van de typografie zie ik enkel in de alliteratie radio-raampjes en eventueel in de ‘tegenzit’ iets poëtisch – dat laatste omwille van de dubbele betekenis van het woord in deze context. Maar voor het overige?

Laat ons echter niet te vlug oordelen. Want zie hoe het gedicht wordt voortgezet:

D en ik vinden beiden dat autorijden
zonder bruut gekanker
op de bestuurder stukken minder
interessant wordt, zeker
in de witte Dodge die bij D’s ouders
achter in de tuin staat.

En dan komt de aap helemaal uit de mouw:

D heeft me beloofd dat hij dit jaar
nog zijn rijbewijs haalt.


Het is ineens niet meer duidelijk welk jaar ‘dit jaar’ is: het jaar van de verre zomer waarmee de bundel aanvangt, of dit jaar, nu dus, het jaar waarin de auteur, die misschien de ik is, zijn bundel schrijft.

Het komt mij voor, al valt dat niet met sluitende zekerheid te zeggen, dat de twee delen waarin de bundel uiteenvalt – ‘In de tuin’ en ‘In het donker water zien’ – zich in twee verschillende tijden situeren: de adolescentietijd van D en ik, en het nu, de volwassenheid waarin de ikfiguur terugblikt op een verloren jeugdvriendschap.

Dat het slecht gaat aflopen, is al in de eerste gedichten duidelijk: het latere lot werpt zijn donkere schaduwen vooruit in de vorm van gif, duizelingwekkende diepte, berusting, een gevallen kind, het verlangen naar de eigen ondergang. De verwijdering is onontkoombaar, er is sprake van achterdocht en uiteindelijk van ontrouw, zoals in het gedicht ‘Ontrouw’:

D is ontrouw gebleken.
Opeens duurt de zomer hem te lang,
hij wil iets anders; in een open rijtuig
door de straten het plebs toewuiven,
bruiswijn drinken, met de pink omhoog.
De vraag is waar ik blijf,
in dit nieuwe leven van D.
Het voelt vreemd niet te weten
wie er over je lot beschikt,
naast iemand te zitten
die twijfel noch wroeging kent
en zich oefent in het buigen.

Er komt een eind aan de aanvankelijk nog eindeloos lijkende zomer van onbezorgdheid, van exploratie van elkaar, van nooit genoeg hebben: ‘D wil eens naar bed met een ander / vooruitzicht, is nu heel die zomer beu.’ Het lukt dus niet om de idylle gaaf te houden. ‘Het heeft gewaaid. De tuin is een ravage.’ ‘Het is ons verdomde lot,’ schrijft Andriessen in zijn titelgedicht, ‘niet te aanvaarden / dat dit alles is.’

Mischa Andriessen (1970) kiest voor een misleidend-spreektalige poëzie. De lezer dient alert te blijven want anders ontgaan hem misschien de valstrikken en de geheime doorgangen naar de diepten onder de schijnbare oppervlakkigheid. Die mogelijke deviaties compenseren het gebrek aan franje en de toch wat schrale thematiek.


Mischa Andriessen, Uitzien met D , De Bezige Bij, Amsterdam, 2008

Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2009-1

Driekleur (1)

We bleven minutenlang zwijgen. Ik keek naar de zwarte weg die onder de auto door gleed, de lange lijnen van de telefoonkabels boven ons, zag het rood en geel dat hier en daar nog restte in de groepjes bomen die het vlakke landschap onderbraken, en voelde de koele lucht door het open raampje langs mijn oor suizen.

Siri Hustvedt, Het verdriet van een Amerikaan, 283

1739

P.

donderdag 9 april 2009

Koen Peeters, Grote Europese roman

090326 – Het was lang geleden dat ik nog iets van Koen Peeters las. Bezoek onze kelders, De postbode, Het is niet ernstig, mon amour… Dat kon ik wel smaken. Maar er was iets mis mee. Van pomo neemt Peeters vooral de luchtige kant op, ik mis gewicht bij hem. Het is inderdaad niet ernstig (al kijkt de man wel altijd zo). Het is zelfs niet ernstig genoeg. Ik was dan ook maar matig benieuwd naar Peeters’ in 2007 verschenen Grote Europese roman. De recensies van dat boek zijn aan mij voorbijgegaan – ik kocht het nu omdat het goedkoop in zo’n krantenaanbod zat. En ik vind de coverillustratie van Jan De Maesschalck wel tof – maar dat doet er natuurlijk niet toe. Ik heb aan het lezen van Grote Europese roman bijzonder veel plezier beleefd. Het is opnieuw speels en ironisch, maar dit keer gaat het toch ook over meer dan alleen maar over de neiging van melancholisch en ironisch aangelegde bureaucraten om bizarre verzamelingen aan te leggen. De newspeak van het managersvolkje, dat zich bezighoudt met assessments, stakeholders, werkvloeren en functiewegingen als betrof het géén gebakken lucht, vormt een van de doelwitten voor Peeters’ olijke spervuur van spotternijen. Maar het gaat ook over héél ernstige dingen. De Holocaust, bijvoorbeeld. En over welke sporen die tot op heden trekt in de Europese geschiedenis. Grote Europese roman is een compilatie van gelijkwaardige hoofdstukjes, genoemd naar Europese hoofdsteden, van Ankara tot Zagreb. Robin, werknemer (‘medewerker’) van een bedrijf dat in relatiegeschenken doet, moet om onduidelijke redenen een aantal van die steden aandoen. Hij werkt aan een rapport. Hij heeft oog voor vrouwelijk schoon. Zijn bedrijf verkeert in moeilijkheden en staat op het punt te ‘herstructureren’. De spanning daarover neemt toe. Robins baas heeft een Joodse achtergrond. In Amsterdam bezoekt Robin het huis van Anne Frank. En een paar bladzijden verder zit hij met zijn vriendin in de catacomben van Breendonk (waarover W.G. Sebald in Austerlitz zoveel méér te vertellen heeft). Het is mij niet echt duidelijk geworden waarheen Peeters mij op deze reis wilde meenemen. Welke inzichten hij mij diets wenste te maken. Ik denk dat het iets moet te maken hebben met wat je de ‘ware eenheid’ van Europa zou kunnen noemen. Je kunt in elke hoofdstad – en mijn god, het verschil tussen bijvoorbeeld Oslo en Lissabon, of tussen Valletta en Tirana, is onnaspeurbaar – proberen de couleur locale te vangen en het specifieke karakter van de plaatselijke ‘geest’ die er hangt, maar je zult wel overal in deze geglobaliseerde wereld stuiten op een kern van rationaliteit en commercie, maar meer nog op een algemeen-menselijk patroon van onvermogen tot communicatie en algehele zinloosheid van elk streven. Maar het kan ook zijn dat Peeters een vermetel verband wenst te leggen tussen Holocaust en kapitalisme. Zoals de Jood in nazistische tijden zijn koffertje klaar moest hebben staan, zo kan elke werknemer (‘medewerker’) ook maar beter te allen tijde, en zeker in tijden van crisis, op ‘het ergste’ voorbereid zijn. De grootste kwaliteit van Grote Europese roman ligt al bij al in de stijl. Dat is de grote vooruitgang die Peeters gemaakt heeft. Hij speelt met zichtbaar plezier – en nu ook met de taal, niet enkel met de inhoud en met onze leesverwachtingen. Hij fabriceert schitterende beschrijvingen. Neem bijvoorbeeld de wandeling die hij rond het hartvormige hart van Brussel maakt. Aan Jacqmain bewonderde hij de stapeling van de grijze hoogbouw. De avond voerde er zijn spektakel op met roze en rode verf. Het hart van Brussel, de Brusselse vijfhoek was rood van verkeerslichten en achterlichten, rood van aardbeien, krieken, rood van het rood van zachte monden, tongen. In de verte, boven de Kruidtuin, was de hemel een rode zaal met sluiers, rode banen, kanalen van bloed in de hemel, pogroms. Op de Place Rogier keek hij naar de bouwwerken, of waren het afbraakwerken? Een toren werd uitgekleed en onherkenbaar opgetuigd. Hier stond vroeger het oude Noordstation, herinnerde hij zich. […] Bij de Kruidtuin ging het bergopwaarts. Hij hoorde in de flarden van woorden van voorbijgangers de taal van zijn vader en moeder. […] Op het Queteletplein keek Theo naar de stroom en tegenstroom van het verkeer. Rode achterlichten en witte voorlichten als in het schema van de bloedsomloop. (251-253) Nog een uitsmijter: een van mijn collega’s krijgt een nevenrolletje in Grote Europese roman. Het gaat op een gegeven ogenblik over alle mogelijke vreemde verzamelingen die mensen aanleggen. Welnu, perenblog collectioneert al een tijdje quotes waarin de bliksem voorkomt. En dat wordt door Peeters op p. 234 vermeld: Het langst praat ik die avond met Pieter. Zijn interesse is de bliksem, of eigenlijk boeken waarin hij bliksempassages aanstreept. In zijn blog heeft hij een lijstje van al die literaire vermeldingen. Bij deze solliciteer ik naar een alinea in Peeters’ volgende roman. Koen? Ik interviewde je ooit nabij het Atomium (maar ik vind dat interview niet meer terug in mijn archief) en droeg op die manier bij tot je bekendheid en succes. Doe je het?

1738

080920

woensdag 8 april 2009

1737

080913 - veerboot Breskens-Vlissingen

dinsdag 7 april 2009

Microficties (4)

Decolleté

– Veel belang hebben de genitaliën voor mijn vrouw nooit gehad.

Ze heeft die van haar laten dichtnaaien. Ze hoopte dat er alleen maar een litteken van zou overblijven, dat dan uiteindelijk zonder een spoor achter te laten zou verdwijnen. Maar de natuur is hardnekkig en het geval ging onvermijdelijk weer open, zonder spoor van naad, wagenwijd als de snavel van een vogel die razend is omdat hij werd uitgehongerd door een vogelaar die, het gekweel beu, hem de bek had dichtgebonden met een eindje touw.

Mijn echtgenote is overigens zeer mondain. Op de recepties die zij organiseert loopt de hele bourgeoisie van ons honderdtwintigduizend zielen tellende stadje elkaar voor de voeten. De traiteurs kosten ons een bom geld, en dan moet je nog het orkestje betalen, en de gage van de personaliteiten van de lokale televisie want die zouden zich nooit gratis bij ons willen vertonen. Ik denk maar aan één ding: alle vrouwelijke genodigden neuken – ook al is het merendeel lelijk. Maar dan moet het natuurlijk mogelijk zijn dat ik met mijn geslacht in het hunne kan. Ik achtervolg ze in de gangen, schurk me tegen hun geparfumeerde lijven aan, lik hun halzen, kneed hun borsten, die ik uit hun decolletés pulk, eerst de ene en dan de andere.

Ik til zelfs hun jurk op, ruk hun slipje aan flarden en glijd het in de zak van mijn vest, waarna ik hen zonder mededogen penetreer – zoals ik het in pornofilms heb zien doen. Volgens mij zijn er bij die zich niet verzetten. De anderen durven niet te roepen omdat ze bang zijn dat ze mijn vrouw op stang zouden jagen – zie dat zij hen de volgende keer niet meer uitnodigt.

– De avonden die we alleen doorbrengen, spelen we schaak.

We zijn niet intelligent genoeg om strategieën te ontwikkelen, we kennen nauwelijks de spelregels, en uit verveling overkomt het me wel eens om al in het begin van de partij ‘schaak’ en ‘mat’ te roepen. Het enige wat we dan nog kunnen doen, is gaan slapen. Mijn vrouw kleedt zich uit, ontschminkt zich voor de wastafel. Ik ga op de rand van het bad zitten en bekijk haar. Ik heb een stijve, ik krijg de indruk dat ik een vrouw ben met een kunstpenis voor. Ik zeg haar dat ik naar haar verlang.

– Je bent gek.

– Toen we pas getrouwd waren, vrijden we nog.

– Je weet best dat seks voor mij niets méér is dan een slechte herinnering.

In de hoop dat hij zichzelf uiteindelijk als niet meer dan een schrammetje ziet en ermee instemt weg te schrompelen, besprenkelt ze, vooraleer ze in bed kruipt, haar geslachtsorgaan met mercurochroom.

Régis Jauffret, Microfictions 169-170 – mijn vertaling

1736

080913

maandag 6 april 2009

zondag 5 april 2009

Dag 586 vVH&C

Ferroviaire observaties (20)

Je ziet niet zoveel mensen meer met een trouwring. Zeker geen jonge mensen. De jongeman die op het bankstel voor mij zit, is een bijzonder knappe jongeman. De gelaatstrekken scherp, het lichaamsgewicht perfect, ik beeld me het wasbord van zijn buik in wanneer hij zich voor de spiegel opspant. Lang blond haar, mooi achter de oorschelpen gedrapeerd. Het zou de zoon van onze minister van Buitenlandse Zaken kunnen zijn. Met blauwe ogen kijkt hij dromerig naar de film van het voorbijglijdende landschap; het scherm is het ‘sortie de secours’-raam naast het verzegelde rode hamertje waarmee je het glas kunt breken. Je moet eerst het zegel breken, dan het glas. Je moet een goede reden hebben om het zegel te verbreken. Als je dat nog kan, tenminste, want eerst moet er iets ergs gebeuren en het valt nooit te voorspellen hoe je dáár uit komt. Het landschap is: modder, winterstruweel, sombere lintbebouwing. Sluiers van regen die als natte vodden tegen de trein slaan. Lichtblauw hemd, vers gestreken (misschien door de handen waaraan het pendant van deze ring blinkt), donkerblauwe das, diepgrijs kostuum met donkerrosse krijtstreep.

Er ontstaat een goede verstandhouding tussen de jongeman met de trouwring en mij. Ik zie hoe hij glimlachend een pas opgestapte jonge vrouw gadeslaat. Bijna onmiddellijk daarna is er tussen ons even een vluchtig oogcontact – waardoor medeplichtigheid ontstaat. Ik voel hoe hij ziet dat ik met gesloten ogen genietend van mijn muziek achteroverleun. We kunnen allebei onze benen strekken want geen van ons heeft iemand naast zich en we zijn zo solidair geweest om diagonaal geschrankt onze plaats te bezetten. De lichtbruine klassiek-lederen schoenen van deze jongeman zijn keurig gepoetst. Aan zijn vinger fonkelt de ring. Op het tafeltje voor hem ligt De Tijd.

1734

Hotelkamer Caen - 080720

zaterdag 4 april 2009

Mijn woordenboek (223)

AFVEGEN

Op een gegeven ogenblik voel je verwondering opkomen bij de herinnering aan de tijd dat je stond te dringen om het bord te mogen afvegen. Die slaafse gezagsgetrouwheid. Dat opkijken naar de meester en het je geborgen weten in de zekerheden van zijn autoriteit. Die kruiperige uitsloverij. Het is weg en het keert nooit meer terug. Jammer!

1733

Tussen Jumièges en Amiens - 080721

vrijdag 3 april 2009

Brieven naar Bunnik (2)


Brugge, 3 april 2009

Beste JWL,

Ja, veel zintuiglijk genot gaat er niet gepaard met het openen van een bericht uit de mailbox. Bits en bites kun je niet aaien. Maar dat vermindert geenszins het plezier dat jouw schrijven mij doet. Als ik kan kiezen tussen dit genoegen en de vluchtige vreugde om het puberale geneuzel in de enige geparfumeerde brief die ik ooit, dertig jaar geleden, mocht ontvangen, dan wéét ik het wel. Om maar te zeggen: de boodschap lijkt mij belangrijker dan de verpakking.

Hoewel, dat reukje is altijd aangenaam in mijn geheugen blijven rondwaren. Toen ik er vele jaren later nog eens, op een ander (om het maar eens plat te zeggen), mee werd geconfronteerd, begon ik meteen plotsklaps te tintelen en zag mijn geestesoog een hele set van aangename indrukken – het waren meer indrukken dan beelden – aan zich voorbijtrekken. Omgekeerd, toen ik een jaar of zeven nadat ik het I genaamde meisje dat mij die van een odeurtje voorzien missive had gezonden voor het eerst én laatst een kuise kus had gegeven (waarna ik haar nooit meer had teruggezien), in een Leuvens studentenrestaurant totaal onverwacht voor mij zag opduiken, begon ik – daarin gestuurd door god-weet-welk mechanisme – van lieverlêe opnieuw dat parfum te ruiken. Hoewel ze het niet óp had, toen.

Gôh, wat zou het onderwerp ‘herinnering’ mij op het lijf geschreven zijn! Proust en zo, weetjewel.

Niet dus.

Ik had het moeten weten, dat je dát onderwerp zou aansnijden. Het bestaan van God, godbetert! Jij, een Nietzsche-lezer met een Taizé-verleden! – zoals blijkt uit een hele reeks teksten die je me al op je blog voorschotelde. Niet Gôh maar God, niet god uit ‘god-weet-welk’ maar die met de grote g.

En ik had je nog zo proberen te verleiden met m’n Bouwmeester-voorplatje.

Het toeval wil dat ik net een passage heb gelezen bij Julian Barnes die in die mate van toepassing is op de door jou aangekaarte materie, het eventuele bestaan van God en ons geloof daarin, dat ik niet eens overweeg er géén gebruik van te maken. Ik voel mij als de spits die de bal maar in een leeg doel te leggen heeft.

Barnes schrijft vooraan in zijn semi-autobiografische, semi-filosofische opstel Niets te vrezen over zijn verblijf als beginnend leraar in een Bretoense, door paters gerunde katholieke school. Een van die paters kreunt onder de nadelen van het celibaat maar troost zich met de gedachte dat een verzekerde toekomst in de hemel daar tegen opweegt: ‘Je dacht toch niet dat ik het allemaal zou doorstaan als er straks geen hemel was?’ Het doet Barnes denken aan de ‘befaamde gok van [jawel!] Pascal’: ‘Als je in God gelooft en Hij blijkt niet te bestaan, dan verlies je, maar niet half zoveel als wanneer je verkiest niet te geloven en er pas na je dood achter komt dat er wel een God is.’

Barnes tekent, terecht naar mijn aanvoelen, bezwaar aan tegen deze vorm van geloof uit welbegrepen eigenbelang. Op die manier je hemel verdienen: het kan niet anders of het moet in een tijd zijn geweest dat men voor het meten van het zielenheil de aflaat als eenheid hanteerde.

De vraag naar het bestaan van God houdt mij niet bezig. Er is, me dunkt, zoveel evidentie voor het feit dat Hij niet bestaat, dat het mij hoogstens kan verbazen dat er nu nóg lieden zijn die zich met het tegenovergestelde bezighouden. Hoogstens kan ik mezelf, met enige goede wil, voorhouden dat het ‘bestaan’ waarvan sprake is, een ander soort van ‘bestaan’ moet zijn dan bijvoorbeeld in de zin ‘Ik weet wel zeker dat het toetsenbord waarop ik deze woorden rammel, bestáát.’ Spreken over het bestaan van God is, met andere woorden, voer voor wittgensteinianen. Het is een taalspel. En dat zegt meer over ons dan over mijnheer God.

Want dat Hij een mijnheer is, dat weet ik wel zeker. Hij is te hard om een vrouw te kunnen zijn. Te lomp. Te stom. Te wreed. Het kan niet anders of hij is even mannelijk als de duivel. Die trouwens ook niet bestaat, maar dat is een andere zaak.

Maar Hij bestaat dus – gelukkig maar! – niet. Dus kan Hij ook niet dood zijn, natuurlijk. En dus kan ik mij daar niet om verheugen. Ik spring niet op het graf van een dode die nooit heeft bestaan. Dat zou gek zijn.

En kijk, tóch, tóch bekruipt mij bij het schrijven van deze godslasterlijkheden, waarvoor ik een paar eeuwen geleden zou hebben kunnen bránden, een vaag schuldgevoel. Je kunt het niet maken, zo negatief over God te spreken. En jawel, je ziet het goed, ik gebruik de hoofdletter. Ik ben het namelijk volmondig eens met Gerard Reve, die een afkeer had van lieden die dachten God klein te krijgen door ál de letters voor Zijn naam uit de onderkast te halen.

Ook al bestaat Hij niet.

Het godsbeeld van Reve namelijk staat mij wél aan. Ja, in die zin wil ik wel aanvaarden dat God bestaat. Of doen alsof. De verpakking is belangrijker dan de boodschap.

Estheticisme. Rituelen. Doeken om de eigen ontoereikendheid af te dekken. Voor wiens oog? Voor het eigen oog natuurlijk. Het geestesoog.

Kijk, ik lees dan verder in dat boek van Barnes en stuit amper een bladzijde na de passage over mijn illustere naamgenoot, de pragmaticus Pascal, op… Wittgenstein. ‘Geloof maar, het kan geen kwaad’, schreef hij, schrijft Barnes. Ik ben het volledig met Wittgenstein eens!

Dat streelt mijn ijdelheid, zo’n coïncidentie: nog maar net had ik zelf de link met Wittgenstein gelegd en kijk, daar komt hij al ter sprake! Het behoort tot de vreugden van de lezer, de schrijver te zien expliciteren wat je zelf al had begrepen.

Bij uitbreiding is ijdelheid een bijzonder cruciale notie als je iets over esthetica mede te delen hebt. Ethisch niet hoogstaand, daarover zullen we het wel eens zijn, maar onmisbaar in de mechaniek van de esthetische ervaring.

Zonder God moet een mens wel ijdel zijn, een andere keuze is er niet.

Ja, volgens mij rest, wanneer de Grote Verhalen er niet meer zijn, enkel nog het intellectuele (taal)spel. Maar de vraag is maar of dat onvoldoende is. Je moet namelijk kritisch blijven ten aanzien van diegenen die, in naam van hún Grote Verhalen, anderen onrecht aandoen. De onthechte, estheticistische houding is niet per definitie een onverantwoordelijke houding. Fanatisme en fundamentalisme moeten koste wat het kost bestreden blijven worden. Het estheticisme kan niet zonder een diep geloof in de vrijheid en waardigheid van de individuele mens. Waar het wél geen antwoord op kan bieden, is de fundamentele eenzaamheid. De verbondenheid die gepaard ging met het aanhangen van een Groot Verhaal en die gecelebreerd wordt in collectieve rituelen – ja die is weg. En dat betreur ik. Daar heb ik geen antwoord op, behalve een soort van verbeten karaktersterkte.

Zie jij iets in die relatie tussen religie en esthetica?

Het ga je goed,

Pascal

Droom # 17

Ik sliep goed. Ik werd met de wekker wakker uit een droom waarin ik samen met een hond, een scheper natuurlijk, per trein door een grijs Duitsland reisde; de stations waren gore veestallen met smerige, zieke koeien.

1732

Bazenville – 080720

donderdag 2 april 2009

Dag 584 vVH&C

090323 en 090324 – Ik zie een documentaire over Ernst Happel, vooral de jaren waarin hij Club Brugge trainde, van 1975 tot 1978. Ik maakte die tijd van heel nabij mee, ik woonde veel van die Europese thuiswedstrijden bij. Ipswich, Hamburg, AC Milaan, Real Madrid, Juventus, Liverpool. Ik zie de beelden nu, en meet eraan hoe oud ik ben intussen ben geworden. De beeldkwaliteit, het tempo van het spel. Spelers, toen nog in de bloem van hun leven, die intussen al zijn gestorven. Maar ik zie ook: de grauwheid, het sjofele van de mensen van toen. Een tijd in zwart-wit, kleur stond nog niet op punt. Het was een crisistijd. De bakkebaarden, de mannen die roken, de vrouwen met grote brillen. Hooliganisme bestond nog niet. Businessseats ook niet. De broekspijpen waren wijd en de hemden nauw. Een leren jasje. Kinderen die met een blauwzwarte vlag zwaaien: ik stond daartussen. Vrienden die je nu niet meer ziet, niet meer kent. Een verloren finale.

Speler Julien Cools wordt geïnterviewd. Hij kon hard lopen, herinner ik mij. Hij was bekend van zijn rushes op de rechterflank. Julien, pak je vèlo! riepen de mensen op de staantribune. Julien Cools verloor een kind in de tijd dat Happel trainer was. Happel is hem persoonlijk gaan opzoeken en heeft toen gezegd dat hij maar terug naar de training moest komen als hij het zelf mogelijk achtte. ‘Toen heb ik gezien dat hij een mens was’, zegt Cools een beetje ongelukkig.

Op reis in Polen. Club moet een moeilijke terugwedstrijd spelen in Krakow. Happel laat de spelersbus omrijden naar Auschwitz. Hij laat de spelers het kamp zien. Velen zullen daar uit eigen beweging nooit komen, moet hij hebben gedacht. De documentairemakers lichten toe dat Happel als jongeling bij de Hitlerjugend is geweest. Happels chauffeur vergoelijkt: ‘Hij zou anders nooit hebben kunnen blijven voetballen.’ (Ernst groeide na de oorlog uit tot een van de grootste voetballers die Oostenrijk ooit heeft gehad.) De Brugse spelers komen gekraakt uit het strafkamp en verliezen ’s anderendaags in een supergrauw stadion de match tegen de Polen. Ze liggen uit de Europabeker, het jaar voordien hadden ze nog op Wembley de finale gespeeld. Het is nooit een goed idee Auschwitz te bezoeken.

1731

Caen – 080720

Ondertussen in Brugge (132)

woensdag 1 april 2009

1730

Gerard Reve, De ondergang van de Familie Boslowits / Werther Nieland

090319 en 090330 – Voor het eerst sinds lang las ik nog eens boek van Gerard Reve. Herlas ik, hetgeen met Reve nagenoeg onvermijdelijk is want ik kan niet meteen een boek van Reve noemen dat ik niet heb gelezen. Indertijd. Want ik heb het toch wel een beetje gehad. Ik herlees dan ook alleen maar zijn beste boeken. Het tweeluik De ondergang van de Familie Boslowits / Werther Nieland is een van Gerard Reves beste boeken. In een wat ondoordachte mail over dat boek aan S gaf ik te kennen dat ik het nu wel had gehad. Het is mooi geschreven en het is prachtig Nederlands, maar het moet toch ergens over gaan! S, die net ook Boslowits/Nieland had herlezen en me zin had doen krijgen om ook nog eens naar dat klassieke werk terug te grijpen, diende me op een gepaste wijze van antwoord: Je bent erg streng voor Nieland – ik vind dat het wel degelijk over iets gaat. Voor een zeldzame keer dat het over iets gaat bij Reve! Over iets anders dan over het tuchtigen van jongetjes. Het is zeker niet alleen maar mooi. Zeker niet. Het is buitengewoon fijn én rauw en van de mensen: wat zij zijn diep in zichzelf, in hun kinderlijkheid die nooit volledig is; wat zij zien van de waanzin, wat zij ervaren van verlies, hoe wreed ze kunnen zijn en machteloos moeten toekijken tezelfdertijd, en hoe zij juist om die machteloosheid te wreken, zich te buiten gaan met zwakkeren; hoe de verveling op de loer ligt en onmiddellijk ook de wanhoop, hoe fijn die grens is en hoe men dan speelt, met soortgenoten, met dieren, met zichzelf. Daar heb ik niet meteen van terug. S heeft gelijk. Iedereen die het boek aandachtig leest, zal dit bevestigen. Maar heb ik dan het boek zó slecht gelezen? Net voor ik S’s mail las, maakte ik een notitie, op basis waarvan ik dan hier een stukje zou schrijven. Ik stelde vast dat Nieland volledig in het stramien van De avonden past. (Reves publicatiedebuut, maar het werd later geschreven.) Een seriële opeenvolging van gelijkwaardige scènes met op zich vrij onbeduidende situaties. Bootje in brand steken, kijken naar een begerenswaardig speelgoedtuig in een etalage, boodschappen schrijven en verstoppen, clubs stichten, enzovoort. In De avonden zijn dat, grosso modo, de bezoeken die op de opeenvolgende laatste avonden van het jaar worden afgelegd. Maar het gaat om een accumulatie. De spanning wordt stilaan opgevoerd, het is alsof Reve de spanschroeven aandraait. De sfeer van leegte, verveling, ontluikende perversiteit, onvermogen wordt schier ondraaglijk. En dan, opeens, helemaal op het eind, transponeert hij dat op de spits gedreven gevoel op een op zich onbeduidend voorwerp. In De avonden zijn dat de rode bessen van de wijn-die-geen-wijn-is die de moeder op oudejaarsavond opdient (‘bessen-appel’), in Nieland zijn het de pauwenveren. ‘Dat is de muur’, zei ik hardop, ‘en dit zijn de teilen. De cither is binnen, met het lied er op. En in de vaas zijn de pauweveren.’ (142) Dat ene zinnetje, die nuchtere constatatie – ‘En in de vaas zijn de pauweveren’, nog zonder tussen-n – vormt het orgelpunt van het hele drama. Het contrast tussen de onbeduidendheid van die dingen en het gewicht van het gevoel doet de kruik barsten. Je bent ongevoelig voor literatuur als je voor een dergelijke dramatische spanning niet zwicht. Nieland is niet zó sterk als De avonden, onder andere omdat Reve er nog niet aan de verleiding kan weerstaan om het gevoel dat hij tot uiterste spanning brengt te benoemen. Op dezelfde bladzijde, iets voor de geciteerde passage: ‘Ik wist dat de grote treurigheid verschenen was […].’ Ik denk dat hij dat in De avonden weet te vermijden. Daar zit alles nog veel meer tussen de regels. Het verschil tussen Boslowits en Nieland ligt vooral in het feit dat Boslowits meer ‘ergens’ over gaat. Ik bedoel maar: de buitenwereld is aanwezig. Reve laat heel subtiel de oorlog en de deportatie meespelen, zonder ze expliciet te vermelden. Kijk maar hoe hij tot twee keer toe heel summier en discreet verwijst naar het bombardement van Rotterdam (of is het Schiphol?): …de diepe slagen met lichtverschijnselen aan de zuidwestelijke horizon… (26) De stad aan de Maas zal verwoest worden… (31) Precies in dat niet-benoemen schuilt de grote kracht van dit verhaal. Ik ben geneigd – al is het natuurlijk geen wedstrijd – om die reden De ondergang van de Familie Boslowits te verkiezen boven Werther Nieland. Ook al, en hier kom ik al dichter bij een repliek op S’s opmerking, omdat in Werther Nieland de obsessionele thema’s van de latere Reve, die zó vervelend kunnen zijn, ja des te vervelender naarmate zijn Nederlands gaver is en zijn zinnen gepolijster zijn en zijn stijl glanzender – omdat daar die obsessionele thema’s al iets té nadrukkelijk aan bod komen. In Boslowits gebeurt dat, net als in De avonden (dat ik een meesterwerk vind), veel meer in bedekte termen. En daar kom ik op een interessant punt – waarop ik zonder S’s kritiek niet zou gekomen zijn. Schrijft Gerard Reve in Werther Nieland over iets buiten zichzelf, of is hij wat hij schrijft? Ik bedoel: natuurlijk gaat het in die novelle over alles wat S aanhaalt: Het is buitengewoon fijn én rauw en van de mensen: wat zij zijn diep in zichzelf, in hun kinderlijkheid die nooit volledig is; wat zij zien van de waanzin, wat zij ervaren van verlies, hoe wreed ze kunnen zijn en machteloos moeten toekijken tezelfdertijd, en hoe zij juist om die machteloosheid te wreken, zich te buiten gaan met zwakkeren; hoe de verveling op de loer ligt en onmiddellijk ook de wanhoop, hoe fijn die grens is en hoe men dan speelt, met soortgenoten, met dieren, met zichzelf. Maar is er voldoende afstand tussen de auteur en datgene wat hij schrijft? Schrijft hij over een jongetje dat dit alles observeert, of schrijft hij zijn eigen ervaringen van zich af en zijn wij het die deze zaken, deze schrijnende zaken, observeren? Dat is, me dunkt, een essentieel verschil. Het gaat over de vraag: is wat we lezen een tekst over een ziekte of is die tekst de ziekte? In die zin bedoelde ik het eigenlijk, dat het ergens over moest gaan. Het maakt Werther Nieland niet tot een minder goed boek indien hier een nog jeugdige psychopaat aan het werk is geweest – maar het heeft wel implicaties voor onze leeshouding en ons oordeel. De afstand tussen de auteur en zijn onderwerp speelt wel degelijk een rol. Het is in dit opzicht zeker belangrijk om weten dat Reve De avonden heeft geschreven nadat zijn psychiater hem had gewezen op de mogelijkheid dat dit zijn problemen zou verlichten. Gerard Reve, De ondergang van de Familie Boslowits / Werther Nieland, Amsterdam 1984 (16de, herziene druk)