dinsdag 8 oktober 2019

LVO 27



Het grootste deel van het jaar waren mijn grootouders van vaderszijde een verre factor waarmee nauwelijks rekening diende te worden gehouden. Dat daarbij niet enkel de afstand een rol speelde, heb ik pas veel later vermoed en uiteindelijk ook beseft.

Want inderdaad: Stokkem lag in die tijd een halve werkdag autorijden van Brugge verwijderd. En uiteraard lag het meer voor de hand dat wij naar ginder reisden dan dat mijn vaders ouders tot bij ons zouden komen. Ik kreeg bonne maman en bon papa dan ook maar één, hooguit twee keer per jaar te zien. Ik stond er niet bij stil dat dit betekende dat mijn vader zijn ouders al even zelden ontmoette – en natuurlijk was ook het omgekeerde waar: ook zij zagen hun kind maar weinig. Als ik er dan nog bij denk dat het contact met de familie in Limburg werd verbroken toen ik een jaar of vijftien was, kom ik tot de conclusie dat ik, alles bij elkaar geteld en los van die twee keer één week ‘vakantie’ die ik bij hen doorbracht, mijn grootouders slechts een twintigtal keer heb gezien. En wellicht nog minder.

In mijn ouderlijk huis heb ik mijn grootouders maar één of twee keer te zien gekregen. Ik denk dat het naar aanleiding van mijn eerstecommuniefeest moet geweest zijn, maar ik herinner het mij niet meer precies. Misschien was het de plechtige communie van mijn zus. Of van mijn broer. Ik zie nog een lange feesttafel voor me waarvoor, om hem geplaatst te krijgen, mijn moeder in de woonkamer de schikking van de meubels volledig had moeten omgooien. Ik voel nog altijd de angst om mijn witte overhemd te bevlekken met de bosbessengelei die samen met het gebraad en de aardappelkroketten werd opgediend. Ook het damasten tafellaken, dat enkel bij hoogst bijzondere gelegenheden werd bovengehaald en uitgespreid, was akelig wit.

Hoeveel keer zou mijn moeder dat tafellaken hebben gebruikt?

De definitieve verwijdering en verzuring zouden pas later intreden. Voorlopig kon de relatie met het verre Stokkem maar beter worden onderhouden, al waren de beweegredenen opportunistisch: je wist nooit dat er nog iets uit de kast viel met Nieuwjaar of Sinterklaas. Zo diende, om de banden strak te houden, een correspondentie te worden gevoerd. Met Pasen en Kerstmis werd mij uitdrukkelijk verzocht, om niet te zeggen dat ik ertoe verplicht werd, om een kaartje met beste wensen ‘naar Stokkem’ te sturen. De voorzijde van het kaartje toonde aangepaste, met de voet of de mond geschilderde tekeningen – iets met een haas en eieren met Pasen, terwijl de winterse iconografie ijspret, sledes en met sneeuw overladen pijnbomen voorschreef. Af en toe werd ik aangemaand om aan bonne maman en bon papa een uitgebreider schrijven te richten om te berichten over mijn alweer uitstekende schoolresultaten. Alles in het Frans gesteld, uiteraard.

Het zal, zoals veel van dit soort zaken, maar een paar keer zijn voorgevallen – maar toch is de tegenzin waarmee ik mij van deze schrijftaak kweet mij bijgebleven. Ik wist immers niet wat ik die voor mij vreemde mensen moest melden, de emotionele band was te dun om mijn woorden het aura van oprechtheid te verlenen. Ik bezondigde mij derhalve aan een inspiratieloze opsomming van clichés over het weer en de school. Een terugblik op de voorbije zomervakantie mocht natuurlijk niet ontbreken. En ik verzuimde niet uitermate beleefd en geijkt te informeren naar de gezondheid van mijn grootouders. Ten slotte zal mijn moeder er wel op hebben toegezien dat ik niet vergat de wens uit te drukken de volgende zomer toch zeker minstens een week nog eens in het verre Stokkem te mogen doorbrengen.

(wordt vervolgd)
Lees hier LVO vanaf het begin