dinsdag 9 december 2008

Dag 468 vVH&C

081128 – Andreas Klein heeft het in Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf moeilijk met vrouwen. Op het einde van het boek zit hij met een groepje ‘beschadigde’ mannen te pintelieren op een Amsterdams terras. Voorwaarde om tot de club te behoren is: alleen zijn, verlatene of verlater. Wat moet je met vrouwen. Een oprechte vriendschap met deze vreemde wezens is onmogelijk: ‘De vriendschap van elke man, voor een vrouw, berust op misbruik […]. Dat is een treurige wet.’ Maar je kunt ook niet zonder want elke man is een kind dat terug naar zijn moeder wil. Opgenomen wil worden in de moederlijke warmte.

Hans Münstermann vertelt het verhaal van Andreas: hoe hij het huis verlaat en in de invloedssfeer komt van een enkele jaren oudere student, zijn eerste contacten met meisjes en vrouwen, de lang aangehouden maagdelijkheid, de rusteloze omzwervingen en het onverbeterlijke onvermogen om het sekseverschil te overbruggen. Uiteindelijk staat hij met een ruiker bloemen aan het ziekbed van een ‘rondborstige’ groentevrouw die hij heeft leren kennen in de kruidenierszaak om de hoek. Haar lievelingskonijn is net overleden, ze bewaart het kadaver nog even in het diepvriesvak. En nu mag Andreas haar troosten.

Münstermann hanteert een onderkoelde, franjeloze stijl. Heel veel dialogen, weinig duiding, een razend tempo. Hij plaatst flarden en woordpartijen naast en onder elkaar en vertrouwt erop dat dit iets genereert. Hij genereert niet altijd iets, vind ik.

Hij gebruikt heel vaak de harde return.

Naast de liefdesperikelen van Andreas Klein, krijgen we ook het een en ander over geloof en nationalisme opgedist. Andreas reist nogal wat in dit boek: naar een Grieks eiland (waar hij leert dat de ogen van mevrouw Guggenheim hem nooit zouden kunnen troosten – dat vond ik wel mooi), maar ook naar Praag en Polen en allerlei Duitse stadjes. Hier raken we een ranzig kantje van dit boek, iets waar ik niet goed mee overweg kan. Münstermann, dat is geweten, had zelf een Duitse vader. En zijn moeder was, als ik het goed heb, een joodse. De nationaliteiten- en rassenkwestie, en natuurlijk de hele Tweede Wereldoorlog, zijn uit zijn werk niet weg te branden. Ook hier komt het nadrukkelijk aan bod. Andreas reist met zijn joodse vriendin Deborah door Duitsland. Deborah heeft in alle casino’s van de plaatsen die met ‘Bad’ beginnen die ze aandoen het geluk aan haar zijde. Het lot zorgt voor een Wiedergutmachung. Andreas wil per se naar Berchtesgaden, naar Hitlers Arendsnest, en natuurlijk ook naar Auschwitz in Polen. Tegelijk, het verhaal speelt in 1974, staat Nederland in de finale van de Wereldbeker tegenover Duitsland. (Dat doet denken aan Fassbinders Wirtschaftswunder-film Die Ehe der Maria Braun, die eindigt op de voetbalfinale Duitsland-Hongarije van 1956.) Andreas Klein werpt zich op een brits in een van de stallen van Auschwitz en roept: ‘Die Gerd Müller, wat een klootzak.’

Ik weet niet wat ik hiermee aan moet. Münstermann roept de onmacht op die ontstaat bij wie het ondenkbare probeert te herdenken. ‘Het kostte [Deborah] nu heel even moeite om niet te lachen.’

Een beetje verder is het erover. De ‘beschadigde’ vrienden bestellen iets te eten. Carlos’ joodse vrouw is er vanonder gemuisd met een jonge knul. Met medeneming van haar, en Carlos’, dochter. Carlos sakkert: ‘“Ze was zo opgefokt de laatste tijd. En dan dat gedoe over haar joodse identiteit.” / De nasi wordt op tafel gezet.’

Hans Münstermann, Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf (Amsterdam 2001)