dinsdag 10 mei 2011
gisteren en vandaag 127
Van gisteren zal ik nooit vergeten hoe Wouter Weylandt in de Giro-etappe stierf en dat ik op dat moment naar de rechtstreekse reportage zat te kijken waarin de twee commentatoren tot kort voor het ongeluk grapjes zaten te maken maar dan stilvielen en zich afvroegen wat ze daar zaten te doen. Ik wil me ook herinneren dat de vader van Els Dottermans mij niet alleen fysiek maar ook met zijn mimiek en manier van praten heel hard aan Jan Decorte deed denken, dat Gert Verheyen in Studio Eén vergeten was dat hij vier of vijf jaar topschutter van Club Brugge was geweest, en dat Hugo Camps in Reyers Laat zijn excuses aanbood aan Paul Marchal omdat hij, Hugo, hem, Paul, tien of vijftien jaar geleden te hard had aangepakt. Alvast daarvoor is de nakende vervroegde vrijlating van Michèle Martin goed.
Vandaag moet ik werken.
Vandaag moet ik werken.
maandag 9 mei 2011
debuut 34
Verplichte vrijheid
De titel van de debuutbundel van Maud Vanhauwaert (1984), Ik ben mogelijk, is op zich een programma, een intentieverklaring. Hij wijst op een nog lege ruimte die erom vraagt ingevuld te worden, op een nog niet gedifferentieerd zijn, op een nog openliggende toekomst. De keuzes zijn nog niet gemaakt, de beperkingen en afgrenzingen die nodig zijn om hoe dan ook iets te kúnnen doen, zijn nog niet vastgelegd. Alle begin is moeilijk want je moet ‘ergens’ beginnen. Je kunt niet overal beginnen. En aangezien je geen twee keer kunt beginnen, kun je nooit nog ergens anders beginnen. Je vertegenwoordigt, of je hebt, of je bent een mogelijkheid, maar die veronderstelt het afstoten van talloze andere.
In de laatste twee gedichten van de bundel wordt die tweespalt, die niets minder is dan de existentiële – en paradoxale – conditie van het-moeten-opnemen-van-de-vrijheid, duidelijk gemaakt. Vanhauwaert schrijft in het eerste van die twee gedichten, het voorlaatste dus van de bundel: ‘altijd iets willen, het liefst een hand / achter de hand’. Je wilt altijd iets achter de hand houden: dat is de voorzichtigheidsoptie. Laat de keuze nog even niet definitief zijn. En zelfs dat nog niet: wie nog een hand achter de hand houdt, kan achter die tweede hand nóg iets achter de hand houden.
De eerste drie strofen van dat voorlaatste gedicht beginnen met dat dwingende en weinig ruimte latende ‘altijd’. Het lijkt een litanie: ‘altijd iets willen’; ‘altijd een argument moeten verzinnen’; ‘altijd een noemer nodig’. Je bent altijd onderworpen aan het verlangen, je moet je altijd verantwoorden, je moet altijd de dingen een naam geven. Dat is lastig. In strofe twee gaat het over de basis die je nodig hebt om jezelf te lanceren: ‘een huis […] / om vanuit te kunnen gaan […] om van leegte / op zijn minst een holte te kunnen maken’. In de leegte van vóór het kiezen kun je niet schuilen. Maar als je in het ene huis woont, kun je niet in het andere wonen. Kiezen is altijd verliezen.
Vaak hebben we niet met continuüms te maken maar is het een kwestie van of-of: ‘zoals je het licht kan dimmen / zo kan je niet een beetje / van een brug af springen’ (uit het openingsgedicht van de laatste cyclus ‘Voor de zekerheid’). Als je voor het ene ideaal kiest, amputeer je het andere. En dan heb je: ‘idealen met fantoompijn’ – zoals het in strofe drie (van opnieuw het voorlaatste gedicht van de bundel) staat.
Al dat moeten kiezen, al dat afstoten van mogelijkheden: dat is een moeilijke opdracht en de vraag is dan ook: ‘of ik, toen ik klein was en met wasco’s / hiervoor wel heb getekend’.
Het laatste gedicht citeer ik integraal. Het corrigeert het gevoel van ontreddering en ontevredenheid van het voorlaatste:
zoals alle mensen
heb ik de meeste prijzen op deze wereld
niet gewonnen
het ik de meeste boeken niet gelezen
er nog minder van geschreven
heb ik de meeste kinderen niet gebaard
de meeste mensen nooit ontmoet
de meesten niet eens gekust
dat stelt mij voor vandaag gerust
Ondanks al dat ‘niet’ en ‘minder’ en ‘nooit’ toch gerustgesteld zijn. Toch voor vandaag. Want mogelijk zijn kun je alleen als je aanvaardt dat daardoor heel veel onmogelijk wordt.
Aan deze twee slotgedichten gaat een sobere, uitgepuurde, complexloze bundel vooraf. Hij bestaat uit vijf cycli, op hun beurt voorafgegaan door een openingsgedicht waarin meteen naar de titel van een van de cycli, ‘Geschubd zenuwachtig pootje’, wordt verwezen:
in de put waar alles opeengestapeld ligt
wat mensen ooit vergaten: een geruit vestje
een fietssleutel, de belofte om nog een keer
langs te komen, mijn naam
ligt ook een geschubd zenuwachtig pootje
Deze evocatie van ‘alles’ door middel van een summiere – en verre van volledige – opsomming van enkele disparate elementen doet mij denken aan Borges, die in het verhaal ‘De Aleph’ dezelfde techniek toepast: ‘ik zag trossen, sneeuw, tabak, metaaladeren, waterdamp, ik zag golvende woestijnen aan de evenaar en elke zandkorrel ervan op zichzelf, ik zag in Inverness een vrouw die ik niet zal vergeten, […] ik zag een kring droge aarde op een pad, waar eerst een boom stond, ik zag een buitenhuis in Adrogué, een exemplaar van de eerste Engelse vertaling van Plinius’ – enzovoort, het gaat een bladzijde of twee door en als je die hele opsomming hebt gelezen, heb je werkelijk de indruk dat het personage van Borges inderdaad álles gezien heeft, waarna hij besluit dat zo niet te leven valt: wie alles al heeft gezien, kan niet meer worden verrast. ‘Gelukkig had, aan het eind van enkele slapeloze nachten, de vergetelheid weer vat op me.’
Over vergeten heeft Vanhauwaert het in de cyclus ‘Geschubd zenuwachtig pootje’. Die opent met de vaststelling dat gebeurtenissen kunnen worden gerelativeerd door het besef dat ergens anders op hetzelfde moment ook vanalles aan de hand is. In een Kempisch bos zijn twee eekhoorns blij terwijl ‘een dame in Parijs / de straat oversteekt’. Een West-Vlaamse boer sakkert omdat er ‘graancirkels in zin / veld zijn getrokken’ terwijl in Kinshasa een man wordt overreden. Ook hier, lijkt Vanhauwaert te suggereren, blijkt dat er moet gekozen worden: je kunt niet op alles tegelijk gefocust zijn, je moet vergeten. Het derdelaatste en het voorlaatste gedicht van deze cyclus bevatten een opsomming van wat de ‘ik’ allemaal vergeten is: ‘hoe het voelt om als kikker geschminkt te zijn’, ‘hoe het was om in de nek van mijn vader te zitten’, ‘de naam […] van de leidster op Jommekeskamp’, ‘waarom ik als kind masturbeerde / denkend aan een felbehaarde Jezus’, ‘hoeveel ik van je hield’, ‘wat de zigeunerin […] / in mijn handen heeft gelezen’. Ook hiermee sorteert Vanhauwaert dat borgesiaanse effect: de opsomming van disparate zaken creëert de indruk van een totaliteit, in casu de totaliteit van de onherroepelijk voorbije kindertijd. Dat laatste, van die handlezende zigeunerin, doet Vanhauwaert overigens besluiten: ‘Mijn eigen toekomst / ben ik dus vergeten.’
In het laatste gedicht van deze cyclus reflecteert Vanhauwaert op dat vreemde – en opnieuw: paradoxale – fenomeen dat het vergeten toch is. Je hebt het nodig om te focussen – merk de parallel met de noodzaak om vele mogelijkheden weg te snijden om zelf mogelijk te zijn – maar tegelijk wéét je ook altijd wat je vergeten bent. En ben je het dus, in zekere zin, níet vergeten:
en hoe ik niet vergeet wat ik vergeten ben, meer nog
dat wat ik vergeten ben, daaraan denk ik nog het meest
Het moge duidelijk zijn dat Maud Vanhauwaert in haar poëzie achter een schijnbare gemakkelijkheid en zelfs achteloosheid blijk geeft van stevig denkwerk, van een filosofische instelling. In veel gedichten voel ik die quasi naïeve maar intelligente blik. Bovendien verwoordt deze dichteres sprankelend en speels, en geeft ze in de aaneenrijging van haar gedichten blijk van een zin voor doordachte compositie.
Als uitsmijter dit prettige en pretentieloze liefdesgedicht (waarin opnieuw dat thema van het móeten kiezen aanwezig is):
zul je voorzichtig zijn
ze moet het beloven
maar zij en ik weten dat je niet naar links
en rechts kunt kijken tegelijkertijd
ze houdt haar hand als een luifel
schuin boven haar hoofd
het is haar helmpje: ze belooft
kom je weer bij me na je reis
ze glimlacht in een frons
denkt aan de lijst van alles wat maar twee keer komt
eb in een dag, de dood
van een van ons
Maud Vanhauwaert
Ik ben mogelijk
Querido, Amsterdam, 2011
57 p./ € 18,95
Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2011/2
De titel van de debuutbundel van Maud Vanhauwaert (1984), Ik ben mogelijk, is op zich een programma, een intentieverklaring. Hij wijst op een nog lege ruimte die erom vraagt ingevuld te worden, op een nog niet gedifferentieerd zijn, op een nog openliggende toekomst. De keuzes zijn nog niet gemaakt, de beperkingen en afgrenzingen die nodig zijn om hoe dan ook iets te kúnnen doen, zijn nog niet vastgelegd. Alle begin is moeilijk want je moet ‘ergens’ beginnen. Je kunt niet overal beginnen. En aangezien je geen twee keer kunt beginnen, kun je nooit nog ergens anders beginnen. Je vertegenwoordigt, of je hebt, of je bent een mogelijkheid, maar die veronderstelt het afstoten van talloze andere.
In de laatste twee gedichten van de bundel wordt die tweespalt, die niets minder is dan de existentiële – en paradoxale – conditie van het-moeten-opnemen-van-de-vrijheid, duidelijk gemaakt. Vanhauwaert schrijft in het eerste van die twee gedichten, het voorlaatste dus van de bundel: ‘altijd iets willen, het liefst een hand / achter de hand’. Je wilt altijd iets achter de hand houden: dat is de voorzichtigheidsoptie. Laat de keuze nog even niet definitief zijn. En zelfs dat nog niet: wie nog een hand achter de hand houdt, kan achter die tweede hand nóg iets achter de hand houden.
De eerste drie strofen van dat voorlaatste gedicht beginnen met dat dwingende en weinig ruimte latende ‘altijd’. Het lijkt een litanie: ‘altijd iets willen’; ‘altijd een argument moeten verzinnen’; ‘altijd een noemer nodig’. Je bent altijd onderworpen aan het verlangen, je moet je altijd verantwoorden, je moet altijd de dingen een naam geven. Dat is lastig. In strofe twee gaat het over de basis die je nodig hebt om jezelf te lanceren: ‘een huis […] / om vanuit te kunnen gaan […] om van leegte / op zijn minst een holte te kunnen maken’. In de leegte van vóór het kiezen kun je niet schuilen. Maar als je in het ene huis woont, kun je niet in het andere wonen. Kiezen is altijd verliezen.
Vaak hebben we niet met continuüms te maken maar is het een kwestie van of-of: ‘zoals je het licht kan dimmen / zo kan je niet een beetje / van een brug af springen’ (uit het openingsgedicht van de laatste cyclus ‘Voor de zekerheid’). Als je voor het ene ideaal kiest, amputeer je het andere. En dan heb je: ‘idealen met fantoompijn’ – zoals het in strofe drie (van opnieuw het voorlaatste gedicht van de bundel) staat.
Al dat moeten kiezen, al dat afstoten van mogelijkheden: dat is een moeilijke opdracht en de vraag is dan ook: ‘of ik, toen ik klein was en met wasco’s / hiervoor wel heb getekend’.
Het laatste gedicht citeer ik integraal. Het corrigeert het gevoel van ontreddering en ontevredenheid van het voorlaatste:
zoals alle mensen
heb ik de meeste prijzen op deze wereld
niet gewonnen
het ik de meeste boeken niet gelezen
er nog minder van geschreven
heb ik de meeste kinderen niet gebaard
de meeste mensen nooit ontmoet
de meesten niet eens gekust
dat stelt mij voor vandaag gerust
Ondanks al dat ‘niet’ en ‘minder’ en ‘nooit’ toch gerustgesteld zijn. Toch voor vandaag. Want mogelijk zijn kun je alleen als je aanvaardt dat daardoor heel veel onmogelijk wordt.
Aan deze twee slotgedichten gaat een sobere, uitgepuurde, complexloze bundel vooraf. Hij bestaat uit vijf cycli, op hun beurt voorafgegaan door een openingsgedicht waarin meteen naar de titel van een van de cycli, ‘Geschubd zenuwachtig pootje’, wordt verwezen:
in de put waar alles opeengestapeld ligt
wat mensen ooit vergaten: een geruit vestje
een fietssleutel, de belofte om nog een keer
langs te komen, mijn naam
ligt ook een geschubd zenuwachtig pootje
Deze evocatie van ‘alles’ door middel van een summiere – en verre van volledige – opsomming van enkele disparate elementen doet mij denken aan Borges, die in het verhaal ‘De Aleph’ dezelfde techniek toepast: ‘ik zag trossen, sneeuw, tabak, metaaladeren, waterdamp, ik zag golvende woestijnen aan de evenaar en elke zandkorrel ervan op zichzelf, ik zag in Inverness een vrouw die ik niet zal vergeten, […] ik zag een kring droge aarde op een pad, waar eerst een boom stond, ik zag een buitenhuis in Adrogué, een exemplaar van de eerste Engelse vertaling van Plinius’ – enzovoort, het gaat een bladzijde of twee door en als je die hele opsomming hebt gelezen, heb je werkelijk de indruk dat het personage van Borges inderdaad álles gezien heeft, waarna hij besluit dat zo niet te leven valt: wie alles al heeft gezien, kan niet meer worden verrast. ‘Gelukkig had, aan het eind van enkele slapeloze nachten, de vergetelheid weer vat op me.’
Over vergeten heeft Vanhauwaert het in de cyclus ‘Geschubd zenuwachtig pootje’. Die opent met de vaststelling dat gebeurtenissen kunnen worden gerelativeerd door het besef dat ergens anders op hetzelfde moment ook vanalles aan de hand is. In een Kempisch bos zijn twee eekhoorns blij terwijl ‘een dame in Parijs / de straat oversteekt’. Een West-Vlaamse boer sakkert omdat er ‘graancirkels in zin / veld zijn getrokken’ terwijl in Kinshasa een man wordt overreden. Ook hier, lijkt Vanhauwaert te suggereren, blijkt dat er moet gekozen worden: je kunt niet op alles tegelijk gefocust zijn, je moet vergeten. Het derdelaatste en het voorlaatste gedicht van deze cyclus bevatten een opsomming van wat de ‘ik’ allemaal vergeten is: ‘hoe het voelt om als kikker geschminkt te zijn’, ‘hoe het was om in de nek van mijn vader te zitten’, ‘de naam […] van de leidster op Jommekeskamp’, ‘waarom ik als kind masturbeerde / denkend aan een felbehaarde Jezus’, ‘hoeveel ik van je hield’, ‘wat de zigeunerin […] / in mijn handen heeft gelezen’. Ook hiermee sorteert Vanhauwaert dat borgesiaanse effect: de opsomming van disparate zaken creëert de indruk van een totaliteit, in casu de totaliteit van de onherroepelijk voorbije kindertijd. Dat laatste, van die handlezende zigeunerin, doet Vanhauwaert overigens besluiten: ‘Mijn eigen toekomst / ben ik dus vergeten.’
In het laatste gedicht van deze cyclus reflecteert Vanhauwaert op dat vreemde – en opnieuw: paradoxale – fenomeen dat het vergeten toch is. Je hebt het nodig om te focussen – merk de parallel met de noodzaak om vele mogelijkheden weg te snijden om zelf mogelijk te zijn – maar tegelijk wéét je ook altijd wat je vergeten bent. En ben je het dus, in zekere zin, níet vergeten:
en hoe ik niet vergeet wat ik vergeten ben, meer nog
dat wat ik vergeten ben, daaraan denk ik nog het meest
Het moge duidelijk zijn dat Maud Vanhauwaert in haar poëzie achter een schijnbare gemakkelijkheid en zelfs achteloosheid blijk geeft van stevig denkwerk, van een filosofische instelling. In veel gedichten voel ik die quasi naïeve maar intelligente blik. Bovendien verwoordt deze dichteres sprankelend en speels, en geeft ze in de aaneenrijging van haar gedichten blijk van een zin voor doordachte compositie.
Als uitsmijter dit prettige en pretentieloze liefdesgedicht (waarin opnieuw dat thema van het móeten kiezen aanwezig is):
zul je voorzichtig zijn
ze moet het beloven
maar zij en ik weten dat je niet naar links
en rechts kunt kijken tegelijkertijd
ze houdt haar hand als een luifel
schuin boven haar hoofd
het is haar helmpje: ze belooft
kom je weer bij me na je reis
ze glimlacht in een frons
denkt aan de lijst van alles wat maar twee keer komt
eb in een dag, de dood
van een van ons
Maud Vanhauwaert
Ik ben mogelijk
Querido, Amsterdam, 2011
57 p./ € 18,95
Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2011/2
gisteren en vandaag 126
Van gisteren wil ik onthouden dat ik vernam dat sinds 1970 30 procent van alle diersoorten is verdwenen en dat E. zei dat hij altijd gelukkig is.
Vandaag wil ik lezen, schrijven, officiële documenten van financiële aard in orde brengen, fietsen, eten met mijn jongste zoon en vroeg gaan slapen.
Vandaag wil ik lezen, schrijven, officiële documenten van financiële aard in orde brengen, fietsen, eten met mijn jongste zoon en vroeg gaan slapen.
zondag 8 mei 2011
proza in huis 136-140
136
Jorge Luis Borges
De Zahir
vertaling: Annie Sillivis
De Bezige Bij, 1982 (3de druk)
203 p.
17 april 1984, Leuven
490 frank
geen bijzondere kenmerken
gelezen in mei 1985
137
Jorge Luis Borges
Doctor Brodie’s Report
uit het Spaans vertaald naar het Engels door Norman Thomas di Giovanni
Penguin Books, 1985 (4de druk)
106 p.
28 augustus 1986, Brussel
200 frank
geen bijzondere kenmerken
niet gelezen
138
Jorge Luis Borges
Labyrinths
uit het Spaans vertaald naar het Engels door diverse vertalers
Penguin Books, 1976 (5de druk)
287 p.
4 oktober 1983, Leuven
95 frank
eigen stempel en nummer (‘136’) in rode inkt
gedeeltelijk gelezen
139
Alain de Botton
The Romantic Movement
Picador, 1995
326 p.
verworven door S.
geen bijzondere kenmerken
niet door mij gelezen
140
Alain de Botton
Essays in Love
Picador, 1994
249 p.
verworven door S.
geen bijzondere kenmerken
niet door mij gelezen
Jorge Luis Borges
De Zahir
vertaling: Annie Sillivis
De Bezige Bij, 1982 (3de druk)
203 p.
17 april 1984, Leuven
490 frank
geen bijzondere kenmerken
gelezen in mei 1985
137
Jorge Luis Borges
Doctor Brodie’s Report
uit het Spaans vertaald naar het Engels door Norman Thomas di Giovanni
Penguin Books, 1985 (4de druk)
106 p.
28 augustus 1986, Brussel
200 frank
geen bijzondere kenmerken
niet gelezen
138
Jorge Luis Borges
Labyrinths
uit het Spaans vertaald naar het Engels door diverse vertalers
Penguin Books, 1976 (5de druk)
287 p.
4 oktober 1983, Leuven
95 frank
eigen stempel en nummer (‘136’) in rode inkt
gedeeltelijk gelezen
139
Alain de Botton
The Romantic Movement
Picador, 1995
326 p.
verworven door S.
geen bijzondere kenmerken
niet door mij gelezen
140
Alain de Botton
Essays in Love
Picador, 1994
249 p.
verworven door S.
geen bijzondere kenmerken
niet door mij gelezen
gisteren en vandaag 125
Van gisteren wil ik onthouden dat we een heel goed gesprek hadden met P., dat ik 56 asperges schilde en ’s avonds een kleine pantomime ten beste gaf bij Mexico van Luis Mariano.
Vandaag wacht een enorme afwas, maar zal er zeker ook tijd zijn voor lectuur en misschien ook wel de fiets.
Vandaag wacht een enorme afwas, maar zal er zeker ook tijd zijn voor lectuur en misschien ook wel de fiets.
zaterdag 7 mei 2011
wolken 75-76
Javier Marías, Koorts en lans
75
Zoals de ogen van zijn collega en vriend en gelijke Rylands iets vloeibaars hadden bezeten en erg opvallend waren geweest door hun verschillende kleuren – het ene oog olijfkleurig, het andere flets askleurig, het ene arends- of kattenoog en wreed, terwijl in het andere, een honden- of paardenoog, een uitdrukking van rechtschapenheid lag –, zo hadden die van Wheeler iets mineraalachtigs en waren te identiek zowel wat betreft de tekening als de afmeting, als twee bijna violette, gemarmerde en zeer doorschijnende knikkers, of bijna mauvekleurig maar dan geaderd en verre van ondoorzichtig, of zelfs bijna donkerrood als granaat, of het waren amethisten en morganieten, of chalcedonen wanneer ze blauwiger waren, ze varieerden afhankelijk van de belichting, afhankelijk van de dag en de nacht, het jaargetijde en de wolken en de ochtend en de middag en het humeur van degene die ze bestuurde, of het waren granaatappelpitten als ze zich verkleinden, de pitten van de vruchten uit de eerste herfst in mijn jeugd. (85)
76
Je denkt dat ze zich genoodzaakt zien te zwijgen en vaak hun keel te schrapen, verlegen te worden vanwege hun lange pauzes, verschillende scherpzinnigheden over de regen en de wolken te verdragen en pijnlijke stiltes die horen bij reeds lang ontzielde of direct doodgeboren tijden, wegens hun totale gebrek aan ideeën, ingevingen, kennis, inspiratie om elkaar iets te vertellen, talent en dialoog en zelfs monoloog, aan intelligentie en substantie. (347)
75
Zoals de ogen van zijn collega en vriend en gelijke Rylands iets vloeibaars hadden bezeten en erg opvallend waren geweest door hun verschillende kleuren – het ene oog olijfkleurig, het andere flets askleurig, het ene arends- of kattenoog en wreed, terwijl in het andere, een honden- of paardenoog, een uitdrukking van rechtschapenheid lag –, zo hadden die van Wheeler iets mineraalachtigs en waren te identiek zowel wat betreft de tekening als de afmeting, als twee bijna violette, gemarmerde en zeer doorschijnende knikkers, of bijna mauvekleurig maar dan geaderd en verre van ondoorzichtig, of zelfs bijna donkerrood als granaat, of het waren amethisten en morganieten, of chalcedonen wanneer ze blauwiger waren, ze varieerden afhankelijk van de belichting, afhankelijk van de dag en de nacht, het jaargetijde en de wolken en de ochtend en de middag en het humeur van degene die ze bestuurde, of het waren granaatappelpitten als ze zich verkleinden, de pitten van de vruchten uit de eerste herfst in mijn jeugd. (85)
76
Je denkt dat ze zich genoodzaakt zien te zwijgen en vaak hun keel te schrapen, verlegen te worden vanwege hun lange pauzes, verschillende scherpzinnigheden over de regen en de wolken te verdragen en pijnlijke stiltes die horen bij reeds lang ontzielde of direct doodgeboren tijden, wegens hun totale gebrek aan ideeën, ingevingen, kennis, inspiratie om elkaar iets te vertellen, talent en dialoog en zelfs monoloog, aan intelligentie en substantie. (347)
driekleur 51
Hij maakte in het appartement geen licht en liep meteen naar de kamer waar een grote metalen archiefkast stond, bruin, lelijk en log, loodzwaar – gekocht bij de Gebroeders Waterloo schuin tegenover, toen zij daar nog een uitdragerij hadden en nog niet met hun grote zwart, geel en rood geschilderde marktwagens overal in de noordelijke provinciën Belgische frieten gingen verkopen: ‘Belg of niet! Eet de drie gebroeders Jan, Harry en Milano Waterloo zijn fijne verse Vlaamse friet.’
Marc Reugebrink, Menens, 200
Marc Reugebrink, Menens, 200
gisteren en vandaag 124
Van gisteren wil ik onthouden dat G. erin slaagde mijn wc-spoelbakvlotterpomp of hoe noem je dat toestel te herstellen, en dat de gitaar spelende en zingende Katleen Vandenhoudt en Pascale Michiels in De Verloren Hoet in Hansbeke tegen het cafégerucht van ongeïnteresseerde aanwezigen en de klachten van de buren in erin slaagden om in een schitterend country- en bluesconcert de som meer te laten zijn dan het samenbrengen van de delen en daar ook zichtbaar en voelbaar van genoten.
Vandaag is een vrije zaterdag die vooral aan het geschreven woord zal besteed worden, maar ook aan boodschappen en de keuken want vanavond krijgen we J. en L. en F. en P. op bezoek. Maar eerst komt ook nog P., om […].
Vandaag is een vrije zaterdag die vooral aan het geschreven woord zal besteed worden, maar ook aan boodschappen en de keuken want vanavond krijgen we J. en L. en F. en P. op bezoek. Maar eerst komt ook nog P., om […].
vrijdag 6 mei 2011
mijn woordenboek 317
ANIMAAL
Soms produceert een mens animale geluiden en geuren. Laten wij ons beperken tot de geluiden, die zijn het gemakkelijkst te beschrijven. En het is ook niet zo onsmakelijk, al kunnen sommige wel eens tot stank aanleiding geven. Geeuwen, niezen, winden laten, maag- en darmgeluiden: dat zijn vaak ongecontroleerde of zelfs oncontroleerbare geluiden die ons, hoe zal ik het zeggen, ontsnappen. Maurice Merleau-Ponty, de ooit zeer bekende Franse fenomenoloog, sprak in dat verband over les processus en troisième personne: ‘processen’ die zich weliswaar in ons maar dan toch buiten onze wil om voltrekken. Vertering, zenuwbanen, bloedsomloop. Maar ook knorknor ’s nachts in bed naast de partner en lastige ontluchtingen des ochtends bij het ontwaken. Niets mee te maken. Dat is iemand anders, zeggen we dan. En ja, dan doen we ook ironisch. We veesten fier en wijzen over onze schouder iemand anders die er niets mee te maken heeft aan als de schuldige.
Ja, die behoefte om altijd schuldigen aan te wijzen is zeer zeker on-animaal, om niet te zeggen: menselijk. Een koe die een scheet laat, ziet niet om en graast voort en je kunt haar zeker niet als zondebok aanwijzen voor de uitstoot van broeikasgassen. Een koe is geen bok.
’t Zijn allemaal min of meer onschuldige zaken. Een knorrende maag, dat wordt getolereerd. Daar kun je nu eens echt niets aan doen en echt last heb je er ook niet van als je naast zo’n maagknorrer zit. Okselgeur of zweetvoeten, dat valt al wat minder in de gratie want er bestaan middeltjes voor. Ik kan voor respectievelijk oksel en voet de Silver Protect-spray van Nivea For Men en de antitranspiratiegel Pedi Relax van Pierre Fabre, verkrijgbaar in de betere apotheek, aanbevelen. Een bedorven adem, tja, dat is een structureler probleem. Af en toe een wind de Umwelt insturen kan de sociale cohesie schaden maar ook bevorderen. Enfin, ’t is een kwestie van doseren en context. En van goede smaak.
Vormen van animaal gedrag: het zijn eigenlijk geen vormen van gedrag. Je moet denken: een dier kan niet bewust een boer of een luchtje inhouden – en op hun aberraties zijn onze, menselijke, ethische principes niet van toepassing. Als de beleefdheid, de stijl, de sociale conventie er niets tegen vermogen, dan is het veeleer een kwestie van lijdzaam ondergaan. Zoals ook de dieren doen, waarmee we gemeen hebben dat we sterfelijk zijn en onvolkomen.
Afgezien van dat alles hebben mensen, mannen meestal, naast de eigenschap het animale in zich minder goed te kunnen of te willen verbergen, ook het vermogen om zich ‘als een beest’ te gedragen. Zo zegt men dat dan, maar het is in veel van die gevallen, tussen ons gezegd en gezwegen, weinig complimenteus voor de dieren.
Soms produceert een mens animale geluiden en geuren. Laten wij ons beperken tot de geluiden, die zijn het gemakkelijkst te beschrijven. En het is ook niet zo onsmakelijk, al kunnen sommige wel eens tot stank aanleiding geven. Geeuwen, niezen, winden laten, maag- en darmgeluiden: dat zijn vaak ongecontroleerde of zelfs oncontroleerbare geluiden die ons, hoe zal ik het zeggen, ontsnappen. Maurice Merleau-Ponty, de ooit zeer bekende Franse fenomenoloog, sprak in dat verband over les processus en troisième personne: ‘processen’ die zich weliswaar in ons maar dan toch buiten onze wil om voltrekken. Vertering, zenuwbanen, bloedsomloop. Maar ook knorknor ’s nachts in bed naast de partner en lastige ontluchtingen des ochtends bij het ontwaken. Niets mee te maken. Dat is iemand anders, zeggen we dan. En ja, dan doen we ook ironisch. We veesten fier en wijzen over onze schouder iemand anders die er niets mee te maken heeft aan als de schuldige.
Ja, die behoefte om altijd schuldigen aan te wijzen is zeer zeker on-animaal, om niet te zeggen: menselijk. Een koe die een scheet laat, ziet niet om en graast voort en je kunt haar zeker niet als zondebok aanwijzen voor de uitstoot van broeikasgassen. Een koe is geen bok.
’t Zijn allemaal min of meer onschuldige zaken. Een knorrende maag, dat wordt getolereerd. Daar kun je nu eens echt niets aan doen en echt last heb je er ook niet van als je naast zo’n maagknorrer zit. Okselgeur of zweetvoeten, dat valt al wat minder in de gratie want er bestaan middeltjes voor. Ik kan voor respectievelijk oksel en voet de Silver Protect-spray van Nivea For Men en de antitranspiratiegel Pedi Relax van Pierre Fabre, verkrijgbaar in de betere apotheek, aanbevelen. Een bedorven adem, tja, dat is een structureler probleem. Af en toe een wind de Umwelt insturen kan de sociale cohesie schaden maar ook bevorderen. Enfin, ’t is een kwestie van doseren en context. En van goede smaak.
Vormen van animaal gedrag: het zijn eigenlijk geen vormen van gedrag. Je moet denken: een dier kan niet bewust een boer of een luchtje inhouden – en op hun aberraties zijn onze, menselijke, ethische principes niet van toepassing. Als de beleefdheid, de stijl, de sociale conventie er niets tegen vermogen, dan is het veeleer een kwestie van lijdzaam ondergaan. Zoals ook de dieren doen, waarmee we gemeen hebben dat we sterfelijk zijn en onvolkomen.
Afgezien van dat alles hebben mensen, mannen meestal, naast de eigenschap het animale in zich minder goed te kunnen of te willen verbergen, ook het vermogen om zich ‘als een beest’ te gedragen. Zo zegt men dat dan, maar het is in veel van die gevallen, tussen ons gezegd en gezwegen, weinig complimenteus voor de dieren.
gisteren en vandaag 123
Van gisteren wil ik onthouden dat ik nog eens, met veel plezier, de volledige lp A Night At The Opera van Queen beluisterde en merkte dat ik nog veel van de teksten uit het hoofd kende. Thunderbolts and lightning - very very frightening me.
Vandaag is er leesclub in Knokke. Deze namiddag moet ik boodschappen doen en zal ik misschien nog eens fietsen. Vanaf komen de kinderen eten en dan gaan we naar Zomergem, naar G. en G., voor een optreden van Katleen Vandenhoudt.
Vandaag is er leesclub in Knokke. Deze namiddag moet ik boodschappen doen en zal ik misschien nog eens fietsen. Vanaf komen de kinderen eten en dan gaan we naar Zomergem, naar G. en G., voor een optreden van Katleen Vandenhoudt.
donderdag 5 mei 2011
facebookbericht 286
verspreking van de week: Goedele Wachters in het één-journaal van 19 uur tijdens een gesprekje met Steven Samyn over diens boek 'Koning zonder land': "Er is veel sfeer in uw broek, euh, boek"...
mijn woordenboek 316
ANGSTVALLIG
Hoe heet dat spel waarbij je houten staafjes uit een vooraf met behulp van die staafjes opgetrokken toren moet trekken, en er daarbij voor moet zorgen dat die toren niet omvalt? Ik weet het niet, even opzoeken. Verwant hieraan is het spel mikado, waarbij je uit het kluwen dat is ontstaan door een in de vuist vastgeklemde bundel houten brochettestokjes in een uiteenvallende waaier op het tafelblad te laten vallen, een voor een die stokjes te voorschijn moet pulken, stokjes die overigens, met het oog op het installeren van een puntenhiërarchie, voorzien zijn van kleurstroken in wisselende combinaties. Deze verwijdering uit de stokjeshoop waarin, naargelang van de manier waarop de stokjes in de vuist werden vastgehouden of waarop de vuist werd geopend, of als gevolg van een combinatie van deze beide factoren en de dosering van beide elementen (vasthouden en openen) daarin, niets anders dan een chaos valt te onderkennen dan wel een begin van straalsgewijze ordening – de verwijdering dus dient te gebeuren op zulkdanige wijze dat er niet één ander stokje in beweging wordt gebracht. En zo zullen er nog wel veel van die behendigheid, beheersing en handvastheid vergende spelletjes bestaan waarbij het evenwicht, de bestaande ordening of constructie en de na de vorige beroering tot stand gekomen stabiliteit dienen te worden bewaard.
Welke typering past bij de manier waarop dit streven kan worden bewerkstelligd? Voorzichtig, omzichtig, behoedzaam. Angstvallig is te sterk. De inzet is niet groot genoeg: het gaat maar om spelletjes. Het verlies dat kan worden geleden is hoogstens symbolisch en rechtvaardigt geen angstvalligheid. Wie speelt, moet bereid zijn iets op het spel te zetten en wie angstvallig is, moet niet spelen.
In het werkelijke leven is de inzet wel reëel. Waardoor sommigen vaak, en soms te vaak, terugdeinzen voor de gewijzigde situatie die eventueel door hun toedoen kan ontstaan.
Maar in bepaalde situaties is verandering nodig. Wie dan te voorzichtig is en bij het bestaande zweert en lijstjes bijhoudt en kneuterige verzamelingen aanlegt en het niet afwijken van de gebaande paden tot levensmotto verheft omdat hij schrik heeft van verandering, trapt in de angstval. Hij houdt angstvallig vast aan het bestaande en doet er alles aan om ervoor te zorgen dat de Jenga-toren – zo heet dat spel, heb ik inmiddels gevonden – niet omvalt.
Je kunt niet angstvallig iets willen veranderen. Als je verandering wilt doorvoeren, mag je geen schrik hebben om iets te verliezen want dan ben je nog altijd aan het vergelijken met wat er was: het bestaande blijft de norm. De wil tot verandering kan niet anders dan radicaal zijn en is noodzakelijkerwijs altijd een blinde stap in het ongewisse. Dat vergt het tegenovergestelde van bekrompen angstvalligheid: genereuze moed. Wie het volle leven wil, gaat geen risico uit de weg. Spelers hebben een voordeel.
Hoe heet dat spel waarbij je houten staafjes uit een vooraf met behulp van die staafjes opgetrokken toren moet trekken, en er daarbij voor moet zorgen dat die toren niet omvalt? Ik weet het niet, even opzoeken. Verwant hieraan is het spel mikado, waarbij je uit het kluwen dat is ontstaan door een in de vuist vastgeklemde bundel houten brochettestokjes in een uiteenvallende waaier op het tafelblad te laten vallen, een voor een die stokjes te voorschijn moet pulken, stokjes die overigens, met het oog op het installeren van een puntenhiërarchie, voorzien zijn van kleurstroken in wisselende combinaties. Deze verwijdering uit de stokjeshoop waarin, naargelang van de manier waarop de stokjes in de vuist werden vastgehouden of waarop de vuist werd geopend, of als gevolg van een combinatie van deze beide factoren en de dosering van beide elementen (vasthouden en openen) daarin, niets anders dan een chaos valt te onderkennen dan wel een begin van straalsgewijze ordening – de verwijdering dus dient te gebeuren op zulkdanige wijze dat er niet één ander stokje in beweging wordt gebracht. En zo zullen er nog wel veel van die behendigheid, beheersing en handvastheid vergende spelletjes bestaan waarbij het evenwicht, de bestaande ordening of constructie en de na de vorige beroering tot stand gekomen stabiliteit dienen te worden bewaard.
Welke typering past bij de manier waarop dit streven kan worden bewerkstelligd? Voorzichtig, omzichtig, behoedzaam. Angstvallig is te sterk. De inzet is niet groot genoeg: het gaat maar om spelletjes. Het verlies dat kan worden geleden is hoogstens symbolisch en rechtvaardigt geen angstvalligheid. Wie speelt, moet bereid zijn iets op het spel te zetten en wie angstvallig is, moet niet spelen.
In het werkelijke leven is de inzet wel reëel. Waardoor sommigen vaak, en soms te vaak, terugdeinzen voor de gewijzigde situatie die eventueel door hun toedoen kan ontstaan.
Maar in bepaalde situaties is verandering nodig. Wie dan te voorzichtig is en bij het bestaande zweert en lijstjes bijhoudt en kneuterige verzamelingen aanlegt en het niet afwijken van de gebaande paden tot levensmotto verheft omdat hij schrik heeft van verandering, trapt in de angstval. Hij houdt angstvallig vast aan het bestaande en doet er alles aan om ervoor te zorgen dat de Jenga-toren – zo heet dat spel, heb ik inmiddels gevonden – niet omvalt.
Je kunt niet angstvallig iets willen veranderen. Als je verandering wilt doorvoeren, mag je geen schrik hebben om iets te verliezen want dan ben je nog altijd aan het vergelijken met wat er was: het bestaande blijft de norm. De wil tot verandering kan niet anders dan radicaal zijn en is noodzakelijkerwijs altijd een blinde stap in het ongewisse. Dat vergt het tegenovergestelde van bekrompen angstvalligheid: genereuze moed. Wie het volle leven wil, gaat geen risico uit de weg. Spelers hebben een voordeel.
gisteren en vandaag 122
Van gisteren wil ik mij herinneren dat ik voor het eerst in mijn leven een hap glutenvrij brood at.
Vandaag moet ik werken. Op de trein is het Menens. Deze avond ga ik slapen in de Boudewijnlaan.
Vandaag moet ik werken. Op de trein is het Menens. Deze avond ga ik slapen in de Boudewijnlaan.
woensdag 4 mei 2011
geen verloren tijd 25
I, 182-186
Net zozeer als de wandelingen naar de kant van Guermantes aanleiding hebben gegeven tot zoete dagdromen van forel vissen met de duchesse en van bootje varen op de Vivonne, dragen die lange namiddagen van langoureus geluk, waarbij van het leven lijkt te kunnen worden verlangd dat het niets anders is dan une suite d’heureux après-midi (182:31), ook een stil verdriet in zich: zodra de terugkeer is aangevat, beseft de kleine Marcel al dat hij die avond, doordat het avondeten vanwege de lange wandeling pas laat zal worden aangevat, al meteen na de soep naar boven zal worden gestuurd en dat zijn moeder, omdat zij haar maaltijd nog niet zal hebben beëindigd, hem geen nachtkus zal komen geven. Daardoor ontstaat het besef van een strikte scheiding tussen twee ‘gemoedstoestanden’ waartussen geen vergelijk mogelijk is: enerzijds is er la zone où je m’élançais avec joie (183:5), anderzijds [l]a zone de tristesse (183:4). Beide ‘gebieden’ zijn van elkaar gescheiden zoals in een avondlucht een strook roze van een strook groen of zwart. Het zonet nog ervaren geluksgevoel lijkt in de tristessezone van geen tel meer. Ja, Marcel zou alle die dag ervaren geluk hebben opgegeven om de hele nacht in de armen van zijn moeder te mogen huilen! Deze angst om van de moeder gescheiden te worden zal later, zegt Proust, verhuizen naar de liefde waar hij onlosmakelijk mee verbonden kán blijven: cette angoisse qui plus tard émigre dans l’amour, et peut devenir à jamais inséparable de lui (185:9-10).
Die toestand van opperst verdriet zou duren tot de volgende ochtend – maar dan zou Marcel alweer vergeten zijn dat hem ’s avonds opnieuw het verdriet van de scheiding van zijn moeder te wachten staat.
En zo, besluit Proust, is het de kant van Guermantes die hem geleerd heeft dat in zijn leven de periodes van vreugde en triestheid elkaar opvolgen zoals ze elkaar binnen één en dezelfde dag opvolgen, zo strikt van elkaar gescheiden que je ne puis plus comprendre, plus même me représenter, dans l’un, ce que j’ai désiré, ou redouté, ou accompli dans l’autre (183:30-32).
En zo zijn we terug van de wandeling naar de kant van Guermantes, waarmee het tweeluik met Méséglise stilaan kan worden afgerond. De op beide wandelingen opgedane ervaringen vormen, zegt Proust in deze afsluitende bladzijden van het eerste deel van het eerste boek van A la Recherche du temps perdu, de humus waaruit zijn vie intellectuelle (183:37) is ontloken. Het ‘intellectuele leven’, dat ‘van de vele diverse levens die wij gelijktijdig leiden het meest vol wederwaardigheden, het rijkst aan voorvallen is’. Weliswaar denken wij dat dat intellectuele leven pas is ontstaan op het moment waarop we er ons bewust van werden – maar eigenlijk gaat het terug tot die talloze ervaringen, toen wij er ons nog niet bewust van waren, opgedaan tijdens die wandelingen: de geur van de meidoorns, de schittering van de waterlelies die drijven op het water, un bruit de pas sans écho sur le gravier d’une allee (184:12); ervaringen over tant d’années successives (184:14) die zijn blijven voortbestaan in de herinnering terwijl rond deze dingen en fenomenen ‘de wegen zijn weggevaagd en de mensen die ze betraden en de herinnering aan wie ze betraden dood zijn’. Herinneringen sterven zoals mensen sterven, maar die concreet gebleven herinneringen, die er door toedoen van de aandacht van het dromende kind toe geroepen werden ‘om in hun vergankelijkste bijzonderheden voort te leven’, vormen voor Proust nog steeds zijn sol mental (184:25), zijn ‘geestelijke grond’.
Die vroege herinneringen zijn cruciaal omdat ze berusten op een geloof in de dingen en de mensen. C’est parce que je croyais aux choses, aux êtres […] que les choses, les êtres qu’ils m’ont fait connaître sont les seuls que je prenne encore au sérieux et qui me donnent encore de la joie. (184 :26-30) Hoe kan dat nu? Ofwel is dat ‘geloof’ verdwenen, ofwel is het zo dat la réalité ne se forme que dans la mémoire (184:31) – feit is, zegt Proust nu, dat de bloemen die hij nu voor het eerst te zien krijgt hem geen echte bloemen lijken. Niets is zo echt, niets heeft die ‘onmiddellijke’ band met het hart behouden (immédiatement en communication avec mon coeur (186:2-3)) als de bloemen die hij als kind heeft ervaren of, beter gezegd, als de bloemen waarin hij als kind geloofde.
Dat is een wel heel bijzondere, drastische en zelfs dramatische epistemologie! Het zo sterk met elkaar verbinden van realiteit en verleden leidt tot een zeer streng vonnis met betrekking tot de werkelijkheidswaarde van het héden – maar deze epistemologie past natuurlijk perfect bij de proustiaanse ontologie, waarbij de dingen – en de mensen – pas in de herinnering, de onbedoelde of willekeurige herinnering, écht tot leven komen en ‘onmiddellijk’ zijn, dat wil zeggen: niet bemiddeld door enig verslag of getuigenis of intellectuele tussenkomst. Dan en alleen dan is het genot van deze dingen puur en onversneden en volkomen authentiek. Deze onmiddellijkheid wijst op uniciteit, exclusiviteit. Een welbepaalde ervaring berust op een welbepaalde, ooit ervaren, werkelijkheid. Vandaar: il y a quelque chose d’individuel dans les lieux (185:2-3). Hoe mooi ook de toekomstige waterlelies die Proust nog te zien krijgt, of hoe mooi en verstandig de toekomstige ‘moeder’ door wie Proust – dit is uiteraard metaforisch te interpreteren – welterusten wordt gewenst: niets evenaart het unieke en onherhaalbare origineel! Geen enkele maîtresse heeft Proust ooit cette paix sans trouble (185:14) kunnen schenken die hij als kind bij zijn moeder heeft ervaren. Dat was pas the real thing! Alleen het echte is écht de moeite waard. En we krijgen er, om het helemaal duidelijk te maken, nog een voorbeeld bij van wat Roland Barthes l’effet du réel zou noemen: onder het oog van de zich over het kind buigende moeder ontwaart de kleine Marcel quelque chose qui était, paraît-il, un défaut (185:22), een klein onvolkomenheidje zeg maar, een schoonheidsvlek of een pukkel, que j’aimais à l’égal du reste (185:22-23), dat Marcel even lief was als al de rest. ‘Klein gebrek, geen bezwaar’, zou Gerard Reve zeggen. Of opnieuw met Barthes: in de vorm van een kleine onvolkomenheid, een punctum, wordt aan het totale beeld, het studium, een aura van onmiskenbare realiteit verleend.
Een dergelijke exclusiviteit is natuurlijk een tweesnijdend zwaard – en Proust wijst op dit gevaar. Enerzijds is er een schier onevenaarbare intensiteit en kan wellicht dat diepgewortelde geluk dat in de kindertijd zijn oorsprong heeft nog worden doorvoeld of nagevoeld en de basis vormen voor actuele intense (esthetische) ervaringen – anderzijds kan het tot teleurstellingen en zelfs fouten aanleiding geven, bijvoorbeeld wanneer Proust, in zijn latere leven, belangstelling opbrengt voor een persoon louter en alleen omdat deze persoon hem op een bepaalde manier doet denken aan een van die hem zo dierbare vroege herinneringen.
Maar de positieve impact van de (herinnering aan) Méséglise en Guermantes is natuurlijk de belangrijkste: Ils leur ajoutent aussi un charme, une signification qui n’est que pour moi. (186:1-2) En zo komt het dat terwijl, op een zomeravond, iedereen het naderende onweer verwenst, Proust als enige ‘in verrukking’ l’odeur d’invisibles et persistants lilas (186:7-8) kan opsnuiven.
lees de volledige close reading van Prousts A la Recherche du temps perdu hier
Net zozeer als de wandelingen naar de kant van Guermantes aanleiding hebben gegeven tot zoete dagdromen van forel vissen met de duchesse en van bootje varen op de Vivonne, dragen die lange namiddagen van langoureus geluk, waarbij van het leven lijkt te kunnen worden verlangd dat het niets anders is dan une suite d’heureux après-midi (182:31), ook een stil verdriet in zich: zodra de terugkeer is aangevat, beseft de kleine Marcel al dat hij die avond, doordat het avondeten vanwege de lange wandeling pas laat zal worden aangevat, al meteen na de soep naar boven zal worden gestuurd en dat zijn moeder, omdat zij haar maaltijd nog niet zal hebben beëindigd, hem geen nachtkus zal komen geven. Daardoor ontstaat het besef van een strikte scheiding tussen twee ‘gemoedstoestanden’ waartussen geen vergelijk mogelijk is: enerzijds is er la zone où je m’élançais avec joie (183:5), anderzijds [l]a zone de tristesse (183:4). Beide ‘gebieden’ zijn van elkaar gescheiden zoals in een avondlucht een strook roze van een strook groen of zwart. Het zonet nog ervaren geluksgevoel lijkt in de tristessezone van geen tel meer. Ja, Marcel zou alle die dag ervaren geluk hebben opgegeven om de hele nacht in de armen van zijn moeder te mogen huilen! Deze angst om van de moeder gescheiden te worden zal later, zegt Proust, verhuizen naar de liefde waar hij onlosmakelijk mee verbonden kán blijven: cette angoisse qui plus tard émigre dans l’amour, et peut devenir à jamais inséparable de lui (185:9-10).
Die toestand van opperst verdriet zou duren tot de volgende ochtend – maar dan zou Marcel alweer vergeten zijn dat hem ’s avonds opnieuw het verdriet van de scheiding van zijn moeder te wachten staat.
En zo, besluit Proust, is het de kant van Guermantes die hem geleerd heeft dat in zijn leven de periodes van vreugde en triestheid elkaar opvolgen zoals ze elkaar binnen één en dezelfde dag opvolgen, zo strikt van elkaar gescheiden que je ne puis plus comprendre, plus même me représenter, dans l’un, ce que j’ai désiré, ou redouté, ou accompli dans l’autre (183:30-32).
En zo zijn we terug van de wandeling naar de kant van Guermantes, waarmee het tweeluik met Méséglise stilaan kan worden afgerond. De op beide wandelingen opgedane ervaringen vormen, zegt Proust in deze afsluitende bladzijden van het eerste deel van het eerste boek van A la Recherche du temps perdu, de humus waaruit zijn vie intellectuelle (183:37) is ontloken. Het ‘intellectuele leven’, dat ‘van de vele diverse levens die wij gelijktijdig leiden het meest vol wederwaardigheden, het rijkst aan voorvallen is’. Weliswaar denken wij dat dat intellectuele leven pas is ontstaan op het moment waarop we er ons bewust van werden – maar eigenlijk gaat het terug tot die talloze ervaringen, toen wij er ons nog niet bewust van waren, opgedaan tijdens die wandelingen: de geur van de meidoorns, de schittering van de waterlelies die drijven op het water, un bruit de pas sans écho sur le gravier d’une allee (184:12); ervaringen over tant d’années successives (184:14) die zijn blijven voortbestaan in de herinnering terwijl rond deze dingen en fenomenen ‘de wegen zijn weggevaagd en de mensen die ze betraden en de herinnering aan wie ze betraden dood zijn’. Herinneringen sterven zoals mensen sterven, maar die concreet gebleven herinneringen, die er door toedoen van de aandacht van het dromende kind toe geroepen werden ‘om in hun vergankelijkste bijzonderheden voort te leven’, vormen voor Proust nog steeds zijn sol mental (184:25), zijn ‘geestelijke grond’.
Die vroege herinneringen zijn cruciaal omdat ze berusten op een geloof in de dingen en de mensen. C’est parce que je croyais aux choses, aux êtres […] que les choses, les êtres qu’ils m’ont fait connaître sont les seuls que je prenne encore au sérieux et qui me donnent encore de la joie. (184 :26-30) Hoe kan dat nu? Ofwel is dat ‘geloof’ verdwenen, ofwel is het zo dat la réalité ne se forme que dans la mémoire (184:31) – feit is, zegt Proust nu, dat de bloemen die hij nu voor het eerst te zien krijgt hem geen echte bloemen lijken. Niets is zo echt, niets heeft die ‘onmiddellijke’ band met het hart behouden (immédiatement en communication avec mon coeur (186:2-3)) als de bloemen die hij als kind heeft ervaren of, beter gezegd, als de bloemen waarin hij als kind geloofde.
Dat is een wel heel bijzondere, drastische en zelfs dramatische epistemologie! Het zo sterk met elkaar verbinden van realiteit en verleden leidt tot een zeer streng vonnis met betrekking tot de werkelijkheidswaarde van het héden – maar deze epistemologie past natuurlijk perfect bij de proustiaanse ontologie, waarbij de dingen – en de mensen – pas in de herinnering, de onbedoelde of willekeurige herinnering, écht tot leven komen en ‘onmiddellijk’ zijn, dat wil zeggen: niet bemiddeld door enig verslag of getuigenis of intellectuele tussenkomst. Dan en alleen dan is het genot van deze dingen puur en onversneden en volkomen authentiek. Deze onmiddellijkheid wijst op uniciteit, exclusiviteit. Een welbepaalde ervaring berust op een welbepaalde, ooit ervaren, werkelijkheid. Vandaar: il y a quelque chose d’individuel dans les lieux (185:2-3). Hoe mooi ook de toekomstige waterlelies die Proust nog te zien krijgt, of hoe mooi en verstandig de toekomstige ‘moeder’ door wie Proust – dit is uiteraard metaforisch te interpreteren – welterusten wordt gewenst: niets evenaart het unieke en onherhaalbare origineel! Geen enkele maîtresse heeft Proust ooit cette paix sans trouble (185:14) kunnen schenken die hij als kind bij zijn moeder heeft ervaren. Dat was pas the real thing! Alleen het echte is écht de moeite waard. En we krijgen er, om het helemaal duidelijk te maken, nog een voorbeeld bij van wat Roland Barthes l’effet du réel zou noemen: onder het oog van de zich over het kind buigende moeder ontwaart de kleine Marcel quelque chose qui était, paraît-il, un défaut (185:22), een klein onvolkomenheidje zeg maar, een schoonheidsvlek of een pukkel, que j’aimais à l’égal du reste (185:22-23), dat Marcel even lief was als al de rest. ‘Klein gebrek, geen bezwaar’, zou Gerard Reve zeggen. Of opnieuw met Barthes: in de vorm van een kleine onvolkomenheid, een punctum, wordt aan het totale beeld, het studium, een aura van onmiskenbare realiteit verleend.
Een dergelijke exclusiviteit is natuurlijk een tweesnijdend zwaard – en Proust wijst op dit gevaar. Enerzijds is er een schier onevenaarbare intensiteit en kan wellicht dat diepgewortelde geluk dat in de kindertijd zijn oorsprong heeft nog worden doorvoeld of nagevoeld en de basis vormen voor actuele intense (esthetische) ervaringen – anderzijds kan het tot teleurstellingen en zelfs fouten aanleiding geven, bijvoorbeeld wanneer Proust, in zijn latere leven, belangstelling opbrengt voor een persoon louter en alleen omdat deze persoon hem op een bepaalde manier doet denken aan een van die hem zo dierbare vroege herinneringen.
Maar de positieve impact van de (herinnering aan) Méséglise en Guermantes is natuurlijk de belangrijkste: Ils leur ajoutent aussi un charme, une signification qui n’est que pour moi. (186:1-2) En zo komt het dat terwijl, op een zomeravond, iedereen het naderende onweer verwenst, Proust als enige ‘in verrukking’ l’odeur d’invisibles et persistants lilas (186:7-8) kan opsnuiven.
lees de volledige close reading van Prousts A la Recherche du temps perdu hier
gisteren en vandaag 121
Van gisteren wil ik mij het tv-portret in de reeks ‘Meneer Doktoor’ van dokter Buytaert in Dudzele herinneren: hoe een mensenleven wordt samengevat in een paar krachtige beelden en anekdotes, waardig verteld en getoond en met zorg uitgekozen, neem bijvoorbeeld het beeld van de klusjesman die in de tuin de surfplanken schrobt, al weet je dat de 88-jarige dokter, die van achter het raam zit toe te kijken, nooit nog de waterpret zal beleven die zo mooi is vastgelegd op de amateurfilmbeelden die hij een jaar of veertig vroeger, toen hij om het zo te zeggen in de fleur van zijn leven was, wellicht zelf heeft gedraaid; ik wil ook die man blijven zien hoe hij, negentig inmiddels en op zijn verjaardag omringd door vele, vele mensen die allemaal blij zijn dat hij bestaan heeft en nog bestaat en dat ze er bij mogen zijn, het eerste exemplaar in ontvangst neemt van het boek dat gemaakt is van de herinneringen die hij alsnog, met zijn laatste krachten als het ware, heeft opgeschreven omdat hij ‘nog zoveel te vertellen’ had en om dan toch iets van zijn rijke leven te laten voortleven in het aandenken van zijn kinderen – een uitzending om nooit te vergeten, eigenlijk, een van de mooiste televisiemomenten die ik ooit beleefde.
Vandaag moet ik werken, eerst voor de Poëziekrant en dan voor mijn werkgever. Vanavond komt B. zijn tekening leveren.
Vandaag moet ik werken, eerst voor de Poëziekrant en dan voor mijn werkgever. Vanavond komt B. zijn tekening leveren.
dinsdag 3 mei 2011
wolken 72-74
Ian McEwan, Amsterdam
72
Het wolkendek was hoog en effen grijs, het licht was helder en vlak, het pad droog. (80)
73
Nog meer slopende gedachten achtervolgden hem terwijl hij naar de pas klom, maar naarmate hij hoogte won en het minder steil werd, naarmate de regen ophield en een lange spleet in de bewolking de schrale troost van een waterig zonnetje toestond, kwam het er dan toch eindelijk van – hij ging zich lekker voelen. (83)
74
Door zijn naaktheid tegen het laken, het wilde kluwen beddengoed bij zijn enkel en de aanblik van zijn eigen geslachtsdelen, op zijn leeftijd nog niet helemaal onzichtbaar achter een opbollende en uitdijende pens, dreven er vage seksuele gedachten door zijn hoofd als verre zomerwolken. (100)
72
Het wolkendek was hoog en effen grijs, het licht was helder en vlak, het pad droog. (80)
73
Nog meer slopende gedachten achtervolgden hem terwijl hij naar de pas klom, maar naarmate hij hoogte won en het minder steil werd, naarmate de regen ophield en een lange spleet in de bewolking de schrale troost van een waterig zonnetje toestond, kwam het er dan toch eindelijk van – hij ging zich lekker voelen. (83)
74
Door zijn naaktheid tegen het laken, het wilde kluwen beddengoed bij zijn enkel en de aanblik van zijn eigen geslachtsdelen, op zijn leeftijd nog niet helemaal onzichtbaar achter een opbollende en uitdijende pens, dreven er vage seksuele gedachten door zijn hoofd als verre zomerwolken. (100)
facebookbericht 285
Obama toont met zijn inderdaad schokkende uitspraak ('Amerika bewerkstelligt alles waar het zijn zinnen op heeft gezet') zijn ware, cynische, gelaat: alles voor de herverkiezing. We zijn weer een illusie armer. Wat zal onze volgende illusie zijn?
gisteren en vandaag 120
Van gisteren wil ik onthouden dat ik in de leesclub met vuur en vlam een pleidooi afstak ten faveure van Koorts en lans van Javier Marías en onvermijdelijk ook dat, even later aan de balie van de bibliotheek, […]. Ook wil ik onthouden dat ik hoorde dat twee uur nadat bekend was geraakt dat de Amerikanen in Pakistan Osama Bin Laden hadden geliquideerd, op de beurs de dollar al flink gestegen was.
Vandaag moet ik werken, eerst voor de Poëziekrant en dan voor mijn werkgever. Vanavond ga ik, als ik op tijd terug ben, naar de cinema.
Vandaag moet ik werken, eerst voor de Poëziekrant en dan voor mijn werkgever. Vanavond ga ik, als ik op tijd terug ben, naar de cinema.
Abonneren op:
Posts (Atom)













