fragment uit Het maaiveld
Het derde en vierde jaar van de middelbare school lieten in mijn geheugen nauwelijks een spoor achter. De twee titularissen, meneer H. en meneer D., blonken uit in onopvallendheid, onnadrukkelijkheid, onveelzeggendheid, onbeduidendheid.
Bert Palfyn hoefde in onze grijze klas echt geen moeite te doen om een dominante figuur te zijn. Niet dat het vestimentaire in die tijd een grote rol speelde, en al zeker niet bij ons, maar door enkele accenten te leggen met een sjaal, een daim blazervest of een groene parka-anorak, kon je je al flink van de rest onderscheiden en wij waren daar natuurlijk ook, op onze manier, op uit. In de winter mocht een lange gebreide sjaal niet ontbreken. Bert droeg kleren die mij deden inzien dat mijn garderobe door mijn moeder met maar heel weinig inspiratie werd gestoffeerd. Ook haarlengte speelde een rol. Bij mij reikte het op een gegeven ogenblik tot op mijn schouders, Bert had een bruine krullenbol.
Met zijn gave gebit kon hij zich een gulle lach permitteren. Aangezien hij graag lachte, kwam hem dat goed uit. Ja, dat was wel zijn opvallendste kenmerk: zijn lach. Als hij voluit lachte, en dat deed hij vaak, kneep hij de ogen in zijn bolle aangezicht dicht en weerklonk er ergens diep in zijn keel een schrapend geluid. Niemand lachte zoals hij.
De jongen met wie ik zo graag bevriend wou zijn, probeerde trouwens in alles voluit te gaan: hij voetbalde graag en goed, blokte zich te pletter voor examens en toetsen (die wij repetities noemden) en had de neiging te dwepen met zijn idolen. Dat voluit gaan was, zo vermoed ik nu, wellicht het kenmerk dat mij het meest in hem aantrok. Ik was gematigd, bezadigd, voorzichtig. En daardoor ontevreden want mensen die voluit gaan en risico’s nemen maken meer kans om gelukkiger te zijn.
