fragment uit Het maaiveld
Turven
deden we ook bij meneer Demeyer van aardrijkskunde. Die zei
voortdurend, tot wel dertig keer per lesuur van vijftig minuten, dat
de dingen belangggrijk
waren – hij blies de g aan tot tegen zijn verhemelte, alvorens hem
schrapend in de r te laten overgaan. De staalindustrie in het Luikse
Bekken was erg belangrijk, en zo waren ook de passaatwinden en de
activiteit in de haven van Antwerpen belangrijk. Meneer Demeyer had
overigens nog wel iets opmerkelijks, een eigenschap die hij met nog
andere leerkrachten deelde: de neiging om het West-Vlaams weg te
drukken onder een soort van Noord-Nederlands, een purisme dat
indertijd werd gepropageerd op radio en televisie. Dan zei hij
bijvoorbeeld, in een les over de Siberische toendra: Dan
set je daar je schapen op, die freten alles kààl! Ik
heb hetzelfde verschijnsel veel later ook kunnen vaststellen bij Paul
de Wispelaere, die overigens ook in Assebroek was opgegroeid, maar
dan enkele decennia eerder. In onder meer Tussen
tuin en wereld schetst
hij een mij zeer aansprekend beeld van de overgang van de nog
goeddeels rurale wereld waarvan ik enkel de nadagen heb meegemaakt
naar het totaal verkavelde en functioneel versnipperde en verminkte
landschap waarin ik mijn kinderjaren sleet.
