maandag 20 april 2026

LVO 335

fragment uit Het maaiveld



In het derde middelbaar hadden we meneer Slabbinck voor Frans. Zijn bijnaam was – waarom weet ik niet – Mobutu. Waarschijnlijk omdat hij nog had gewerkt in Congo, dat toen Zaïre heette. Hij had een stopwoordje: om de haverklap zei hij ébbèh. Ik turfde het aantal keren dat het stopwoord viel. Vooral Erwin S. vond dat ook grappig en turfde mee. Eén keer zei Mobutu het twee keer na elkaar – ébbèh-ébbèh – wij slaagden er maar met moeite in om niet in een slappe lach uit te barsten. Meneer Slabbinck had de gewoonte om, wanneer hij iets op het bord schreef, zich plots om te draaien: hij moet, niet geheel ten onrechte, voortdurend het gevoel hebben gehad dat er achter zijn rug met hem werd gelachen.

Turven deden we ook bij meneer Demeyer van aardrijkskunde. Die zei voortdurend, tot wel dertig keer per lesuur van vijftig minuten, dat de dingen belangggrijk waren – hij blies de g aan tot tegen zijn verhemelte, alvorens hem schrapend in de r te laten overgaan. De staalindustrie in het Luikse Bekken was erg belangrijk, en zo waren ook de passaatwinden en de activiteit in de haven van Antwerpen belangrijk. Meneer Demeyer had overigens nog wel iets opmerkelijks, een eigenschap die hij met nog andere leerkrachten deelde: de neiging om het West-Vlaams weg te drukken onder een soort van Noord-Nederlands, een purisme dat indertijd werd gepropageerd op radio en televisie. Dan zei hij bijvoorbeeld, in een les over de Siberische toendra: Dan set je daar je schapen op, die freten alles kààl! Ik heb hetzelfde verschijnsel veel later ook kunnen vaststellen bij Paul de Wispelaere, die overigens ook in Assebroek was opgegroeid, maar dan enkele decennia eerder. In onder meer Tussen tuin en wereld schetst hij een mij zeer aansprekend beeld van de overgang van de nog goeddeels rurale wereld waarvan ik enkel de nadagen heb meegemaakt naar het totaal verkavelde en functioneel versnipperde en verminkte landschap waarin ik mijn kinderjaren sleet.