Het Spionkop genaamde huisorkest warmde tijdens het laatste kwartier voor de aftrap de sfeer op met een rondgang rond het terrein. Een trommelaar, twee trompettisten, een dirigent en een madame met een sacoche brachten de tribunes aan het zingen.
Serio, serio, in Brugge zingen ze zo...
Voor de tribune met de bezoekende supporters stond het orkestje even stil:
Anderlecht
buut'n en Standard kapot
Hiv
uus de beker en Brugge wor' zot.
Het was een goedig jennen, dat door de bezoekende supporters dan ook heel sportief werd opgevat. Tegenzangen werden ingezet, en die werden dan weer overstemd door het veel talrijkere thuispubliek. De Spionkop eindigde zijn rondgang voor de eigen tribune en vatte daar het door iedereen gedeelde repertoire aan, dat steevast eindigde met een poging tot You'll never walk alone. Na die rondgang klom het huisorkest naar zijn houten podium hoog in de volgelopen westtribune. De samengedrongen massa week uiteen, galant zoals eens de Rode Zee, voor het groepje muzikanten en de mevrouw met de handtas. Er was veel hilariteit en goede luim.
Van het hooliganisme, dat vanaf de jaren tachtig de sfeer danig zou verzieken, was nog geen sprake. De voetbaltribune werd nog door eenvoudige arbeiders bevolkt, niet door verwende macho’s die het voetbalstadion niet omwille van het voetbal als uitlaatklep voor hun agressie kozen maar omdat ze daar nu eenmaal een groot podium vonden voor de regeling van hun testosteronspiegel.
