woensdag 8 juni 2011

2525

P.

gisteren en vandaag 156

Van gisteren wil ik onthouden dat ik het interviewboek van Martin Heylen met Raymond van het Groenewoud uitlas en besloot dat ik er toch wel erg veel interessante zaken in gelezen had, dat ik op de trein wegdroomde bij het meeslepende Down By The River van Neil Young, en dat ik ’s avonds werkte aan mijn aanvullende project ‘Suspicious Landscapes Plan B’.

Vandaag moet ik werken.

dinsdag 7 juni 2011

getekend 65

Richard Yates, Revolutionary Road

Richard Yates laat Revolutionary Road niet zomaar met een toneelvoorstelling beginnen. Of, preciezer, met een mislukte toneelvoorstelling. Zijn personages, eens terug in ‘het gewone’ leven, handelen en voelen altijd in een verdubbeld zelfbesef. Ze voelen en wéten dat ze voelen en dat ze aan dat gevoel een uitdrukking horen te geven. Dat gaat natuurlijk niet, het huilen gaat nogal gemakkelijk in lachen over. De hevige gevoelens – liefde, haat – worden halfbewust, onspontaan, nabootsend opgevoerd. Niets is onvermengd oprecht, in de verbeelding speelt altijd een of andere filmster mee die het al eens heeft voorgedaan. En de replieken worden lang op voorhand gerepeteerd.

De structuur van Yates’ verhaal heeft ook veel van dramaturgie, het boek leent zich perfect voor een toneelbewerking: wisselende scènes, duidelijk geprofileerde personages die opkomen en afgaan, een dwingende plot, goed gearticuleerde dialogen…

Yates beschrijft de uitzichtloosheid van het welvarende leven in een Amerikaanse suburb – maar het had net zo goed nu kunnen zijn, in de verkaveling om de hoek. De relaties, carrières, vooruitzichten liggen klemvast – en misschien nog het meest van al: de woonplaatsen. Yates kent duidelijk heel goed de beklemming die je kunt ervaren als je beseft: ‘Dit is nu het huis waar ik de talrijke komende jaren en misschien wel voor de rest van mijn vruchtbare en potente leven ga wonen met mijn partner, die er ook maar een is die de loterij van het leven mij uit het reservoir van vele tienduizenden mogelijkheden heeft aangeleverd.'

Het is een tragisch uitgangspunt. Het leven draait zijn lome cirkels, deze mensen hebben een besef van iets hogers maar weten niet hoe ze boven hun lauwe middelmaat moeten uitstijgen, en ze bekennen zich van de weeromstuit heel conformistisch tot kleinburgerlijke idealen, obligate roddelbijeenkomsten en wederzijdse sociale controle. En ze kijken besmuikt naar de vrouw van het bevriende koppel of naar de secretaresse op het werk die geen weet heeft van hun treurige huwelijk. Ofwel is het het naïeve geloof dat het gras aan de andere kant altijd groener is, ofwel is het cynisch opportunisme.

Richard Yates is stilistisch of literair zeker geen vernieuwer, en ook inhoudelijk niet, maar hij weet wel zijn personages op te voeren, ze tegen elkaar uit te spelen, hun karakters te profileren en de ontknoping van zijn stuk met de vereiste noodwendigheid op ons af te laten komen. Revolutionary Road is een spannend boek. De spanningslijnen worden zorgvuldig uitgezet. Er slingeren nogal wat wapens rond in de eerste hoofdstukken, weinig vriendelijke nevenpersonages laden met hun dreigende optreden de verdenking op zich en zetten de lezer op het verkeerde been, en uiteindelijk krijgt de plot alsnog een onverwachte maar volstrekt plausibele ontknoping.

Maar de kern zit niet in deze spanning of in de psychologie van de karakters. Dit is ook een filosofische roman, een die iets probeert te zeggen over onze tijd, die inderdaad is begonnen in die tweede helft van de jaren vijftig. Het is een tijd waarin er een besef begint te ontstaan van de conventionaliteit van onze waarden, de arbitrariteit van onze conformismen, de ijdelheid van onze strevingen. De uitzichtloosheid van een bestaan waaruit alle transcendentie is verdwenen. We kunnen nu eenmaal niet allemaal de top bereiken en de uitgestelde compensatie van het Rijk Gods, daar geloven we niet meer in. De autoriteit verdwijnt, de vaderfiguur laat het afweten (uitdrukkelijk ook een van de thema’s in het boek: de vader-zoonrelatie). De waarden blijken niets dan woorden te zijn en het geloof dat nodig is om die woorden meer dan woorden te laten zijn, verkruimelt. Er blijft een lege huls over. Met nog wat glans van beleefde omgang en goede manieren, maar een lege huls.

April, het vrouwelijke hoofdpersonage, belichaamt deze filosofische – of existentiële – crisis. Zij is een mislukt actrice (!) en niet bij machte de leegte die door deze mislukking is geopend met een nieuwe bestaansvervulling weg te werken.

In een dispuut, of ruzie – een van de vele – met haar echtgenoot, tegenspeler in het drama, gaat het over de conventionaliteit van de moraal en over volwassenheid. April:

‘Het zijn voor mij enkel wóórden, Frank. Ik zie je praten en ik denk: Verbazingwekkend. Hij dénkt echt zo, die woorden betekenen echt iets voor hem. Het lijkt weleens of ik al mijn hele leven mensen zie praten en dat erbij denk’ – haar stem werd nu onvast – ‘en misschien betekent het dat er iets verschrikkelijks met me aan de hand is, maar het is waar. […]’


Dat ‘onvaste’ in Aprils stem is heel belangrijk. Alle vastigheid, van de waarden, de waarheid, het geloof daarin, glijdt weg. We zijn hier getuige van niets minder dan de doorbraak van de postmoderne bestaansconditie.

En wat blijft er dan over? Dit:

‘Ik weet alleen wat ik voel,’ zei ze ten slotte. ‘En ik weet wat me, naar mijn gevoel, te doen staat.’


‘[N]aar mijn gevoel’. Je kúnt nog iets weten, maar er is geen rede meer om het te gronden. De weg naar emocultuur en sentimentalisme ligt wijd open. Een anti-intellectuele tijd kan beginnen.

Richard Yates situeerde zijn verhaal in 1955 en publiceerde het in 1961.

gisteren en vandaag 155

Van gisteren zal ik mij vooral herinneren dat het concert in Ruiselede was geannuleerd omdat uitgerekend de dochter van de geluidsman het kind was dat eergisteren op de autocross van Ruiselede een losgeslagen wiel tegen het hoofd kreeg en aan de gevolgen van dat absurde ongeluk overleed. En hoe wij daar stonden, na alles voor deze avond vrijgemaakt te hebben en dertig kilometer te hebben gereden, aarzelend tussen ontgoocheling en medeleven.

Vandaag moet ik werken.

2524


Brugge, Station


maandag 6 juni 2011

van boeken bezeten 6

In mijn hoofd is de mooie titel van een door Martin Heylen gemaakt interviewboek met Raymond van het Groenewoud. De zanger draagt een valabel argument voor het lezen aan. Boeken bieden het overzicht dat het werkelijke leven niet in petto heeft. En je kunt ze ook gelijk wanneer aan de kant leggen, wat je met dagelijkse beslommeringen niet kunt. Dat zijn geen te veronachtzamen troeven.

proza in huis 151-155

151
Hermann Broch
Huguenau of de zakelijkheid
vertaald door Piet Meeuse

Ambo/Athenaeum – Polak & Van Gennep, 1988
359 p.
27 mei 1995, Brugge
400 frank

eigen stempel en nummer (‘1468’) in rode inkt

ongelezen


152
Harold Brodkey
Verhalen op vrijwel klassieke wijze
vertaald door Ronald Cohen

Amber, Amsterdam, 1993
681 p.
13 april 1993, Brussel
0

eigen stempel en nummer (‘1129’) in rode inkt; ter hoogte van p. 258 een kindertekening van T. met, door mij geschreven, de toevoeging ‘auto “oma rode auto”’ en de datum ‘26XII92’; en ter hoogte van p. 299 een recensie uit Knack van 1 september 1993 ‘Begrijpen is huiveren’ en een interview met Brodkey uit De Morgen van 15 april 1994: ‘Een beroemde beroemdheid’

gedeeltelijk gelezen in mei 1993


153
Joseph Brodsky
Kade der ongeneeslijken
vertaald door Sjaak Commandeur

De Bezige Bij, 1992
98 p.
8 december 1992, Brussel
0

eigen stempel en nummer (‘1086’) in rode inkt; ter hoogte van de titelbladzijde een essay uit De Morgen van 14 augustus 2002 van Benno Barnard: ‘Bezoek aan het dodeneiland’; en ter hoogte van p. 98 een strookje papier met daarop een uit rode arcering bestaande droedel

gelezen in juli 1993 en in mei 2001


154
Jan Brokken
Afrika

Atlas, 2001
509 p.
geen datum van verwerving
?

op het voorplat een prijssticker ‘ƒ 25,- / 458 F’

ongelezen


155
De gezusters Brontë
Verwoeste levens. Een selectie uit de brieven
vertaald door Ria Loohuizen

De Arbeiderspers (privé-domein 234), 1999
197 p.
geen datum van verwerving, Brugge
11,10 euro

geen bijzondere kenmerken

ongelezen

van boeken bezeten 5

Die paniek die mij overvalt omdat niet alles zal gelezen kunnen worden tegenover de geruststelling dat ik mij nooit nog zal vervelen.

gisteren en vandaag 154

Van gisteren wil ik mij een gesprekje herinneren met C. en S. over geluk en het zich herinneren van geluk en of dat al dan niet tot nog meer ongeluk leidt als je al ongelukkig bent – het uitgangspunt was het citaat van Dante: ‘Geen groter verdriet dan de herinnering aan geluk in tijden van ellende!’ Ik zou me ook kunnen herinneren dat we verbaasd keken naar het janhagel en de hang naar kicks op de Meifoor, en dat we ’s avonds met T. buiten scrabbelden tot het zo donker was dat we niet meer konden nadenken.

Vandaag moet ik nog een debuutbundel lezen en bespreken, en in de Biekorf een leesclub begeleiden. Vanavond gaan we, nadat mijn kinderen hier gegeten hebben, naar de Banana Peel in Ruiselede voor het ‘Dylan Tribute’ van Derek en Bruno Deneckere.

2523

Ieper, huisconcert Derek 3/3 - 110408

zondag 5 juni 2011

van boeken bezeten 4

Naast mij op de trein leest een man een boek op zijn iPad. Vreemd hoe de typografie van dat toestel die van het traditionele – ‘analoge’ – boek zoveel mogelijk nabootst. Een vormgeving die wortelt in het verleden – daarvan moeten in de geschiedenis van het boek – of breder: van de informatiedragers – zeker nog voorbeelden te vinden zijn. Zelfs het omdraaien van de bladzijden wordt in zo’n digitaal boek nagebootst. Wel specifiek is de mogelijkheid om quotes te kopiëren en in een document te plakken. En wellicht kun je ook een zoekmachine aan het werk zetten.

wolken 106-107

Richard Yates, Revolutionary Road


106
De ene rij ramen stapelde zich op de andere, elk raam kleiner en perspectivisch korter dan dat eronder, tot de steeds smaller wordende onderdorpels en lateien in elkaar leken over te gaan. Stel je voor dat je van de bovenste verdieping viel! Toen zag hij dat heel hoog de kroonlijst langzaam en gestaag langs de lucht naar voren kwam… het gebouw viel over hen heen!… maar hij zag zijn vergissing in voor hij in paniek kon raken: de lucht bewoog, witte wolken dreven in achterwaartse richting over de dakrand, en op het moment dat hij in gedachten dit beeld voor zich zag, voelde Frank hoe er bij de reusachtige granieten kracht en roerloosheid van dit gebouw een huivering van ontzag over zijn ruggengraat ging. (78)


107
De wachtende kantoorgebouwen in het centrum van Manhattan zouden hen opslokken en insluiten zodat het als je in een van die torens stond, met dwars over het ravijn uitzicht op nog zo’n toren, zou zijn alsof je een reusachtig stil insectarium bekeek waarin honderden piepkleine roze mannetjes in witte overhemden te zien waren die niets anders deden dan papieren verschuiven en in telefoons fronsen en onder de soevereine onverschilligheid van overdrijvende lentewolken hun enthousiaste stomme showtje opvoeren. (123)

gisteren en vandaag 153

Van gisteren zou ik kunnen onthouden dat ik mij herinnerde dat ik een paar dagen geleden droomde dat ik minister van Justitie Stefaan De Clerck een rondleiding gaf op de sportredactie van Het Nieuwsblad, thans, althans in die droom, gevestigd in een oude schoenenfabriek, en dat we tevergeefs vóór Schiavoni en tégen die onsympathieke Chinese supporterden.

Vandaag moet ik werken voor de Poëziekrant en is er wellicht ook wel tijd voor lectuur en misschien vanavond een spelletje scrabble met T.

2522

Ieper, huisconcert Derek 2/3 - 110408

wolken 98-105

Marcel Proust, Combray


98
Françoise, moet u kijken, die zwarte wolk achter de toren en dat gemene licht op de dakpannen, het is wel zeker dat het geen dagje wordt zonder regen. (156)


99
Na het middagmaal bleef de zon, beseffend dat het een zaterdag was, een uur langer hoog aan de hemel rondhangen, en als iemand zei, denkend dat we ons hadden verlaat voor de wandeling: ‘Wat, is het pas twee uur?’ bij het horen langsgaan van de twee klokslagen van de Saint-Hilaire (die vanwege het middagmaal of het dutje erna gewend zijn nog niemand tegen te komen op de verlaten wegen, langs de beweeglijke, blanke rivier waar zelfs de hengelaar van is weggelopen, en die eenzaam voorbijvliegen in de lege hemel waar alleen een paar lome wolken verwijlen), antwoordde iedereen in koor: ‘U bent in de war doordat we vandaag een uur vroeger hebben gegeten, u weet toch dat het zaterdag is!’ (167)


100
Er zitten vanavond in de wolken zeer mooie violetten en blauwen, is het niet, makker, zei hij tegen mijn vader, een blauw vooral van bloemen, meer dan van luchten, een cinerariablauw, dat je niet verwacht van de hemel. En dat roze wolkje, heeft dat ook niet de tint van een bloem, van een anjelier of van hydrangea? Vrijwel alleen aan het Kanaal, tussen Normandië en Bretagne, heb ik grootsere waarnemingen kunnen doen van zo’n plantenrijk van de atmosfeer. Daar, bij Balbec, dat zo woeste gebied, ligt een kleine, allerlieflijkste baai waar de zonsondergang van het Auge-land, de rode en gouden zonsondergang die ik overigens beslist niet versmaad, weinig karakteristiek is, niets bijzonders; maar in die vochtige, zachte atmosfeer verschijnen er ’s avonds in een paar seconden tijds hemelse blauwe en roze boeketten die uitwaaieren – weergaloos, en er vaak uren over doen om te verwelken. Sommige ontbladeren meteen, en dan is het nog mooier om de hele hemel bezaaid te zien met die versnippering van ontelbare zwavelgele en roze bloemblaadjes. (189)


101
Ik volgde in de berm die achter de haag steil opliep naar het veld een enkele verdwaalde klaproos, enkele lui achtergebleven korenbloemen die hem hier en daar met hun bloemen versierden als de rand van een wandtapijt waarin verspreid het motief opduikt van de flora die in het middenvlak zal zegepralen; sporadisch nog, ver uit elkaar zoals de alleenstaande huizen die al de nabijheid van een dorp aankondigen, kondigden ze mij de ontzaglijke verten aan waar het koren golft, waar schapenwolken drijven, en het zien van één klaproos die haar rode vlam in de top van het want hijst en laat zeilen op de wind boven haar morsige zwarte boei deed mijn hart bonzen als dat van een reiziger die op laaggelegen land een eerste gestrande boot gewaarwordt waaraan een breeuwer bezig is, en uitroept, nog voor hij hem heeft gezien: ‘De Zee!’ (199)


102
Vaak verborg de zon zich achter een wolk die zijn eironde vorm aantastte en die er een geelgekleurde rand van kreeg. (212)

103
Als we een reeks mooie dagen leken te krijgen, als Françoise, vol wanhoop omdat er geen druppel regen viel voor ‘de arme oogst’, bij het zien van de paar witte wolkjes die aan het kalme, blauwe hemeloppervlak dreven, zuchtend uitriep: ‘Lijkt het warempel niet net of je daarboven zeehonden ziet spelen met hun snuit boven water? Ach, al waar ze aan denken, niet om het te laten regenen voor de arme landbouwers. Maar als het koren hoog staat, dan begint het te plenzen van je tiktaktik, zonder ophouden, zonder nog te kijken waar het neerkomt, alsof het op zee was’; en als mijn vader zowel van de tuinman als van de barometer onveranderlijk hetzelfde gunstige antwoord had gekregen, dan werd ’s avonds aan tafel zegt: ‘Als het morgen hetzelfde weer is gaan we de kant van Guermantes op.’ (230)

104
Langs de zondagse hemel flaneerde langdurig een nietsdoende wolk. (236)

105
Haar ogen werden zo blauw als een maagdenpalmbloempje, niet te plukken en mij toch door haar toegedacht; en de zon, bedreigd door een wolk maar nog met volle kracht brandend op het plein en in de sacristie, gaf een geraniumachtige tint aan de rode tapijten die voor de plechtigheid waren neergelegd en waar Mme de Guermantes zich al glimlachend over voortbewoog, en liet hun wollen weefsel een roze fluweligheid krijgen, een opperhuid van licht, het soort zachtaardigheid, het soort ernstige tederheid bij pracht en praal en vreugde die sommige passages van Lohengrin en sommige schilderijen van Carpaccio kenmerken, en die begrijpelijk maken dat Baudelaire voor de klank van de trompet het epitheton ‘delicieus’ gebruikte. (244)

zaterdag 4 juni 2011

37 * 26,26 * 694

Roxy Music – Over You
Bojan Z Trio – The Joker
The Doors – Yes, The River Knows
Johnny Cash – I Corinthians 15:55
Bach: St. Matthew Passion, BWV 244. Buss Und Reu
Patti Smith – Cartwheels
Cher – Strong Enough
Bach – Suite No. 4 In E Flat, BWV 1010. Sarabande
Loona – Hijo De La Luna
Tom McRae – End of the World News (Dose Me Up)
Vivaldi – Sonata nr. 6 B Flat Major
Monteverdi – L’Orfeo. Sinfonia
Bert De Coninck – Evelyne
Giovanna Daffini – Amore, mio non piangere (Emilia)
Mozart – K.136: II. Andante: Divertimento No.1 In D Major, K.125a
Alain Bashung – Sommes-Nous
Elvis Presley – Burning Love
Red Hot Chili Peppers – Suck My Kiss
Daniel Lanois – The Maker

I’m a stranger in the eyes of the Maker

gisteren en vandaag 152

Van gisteren wil ik onthouden dat S. me de hommage-cd tels Alain Bashung cadeau deed en dat G. vertelde dat hij aan de Siphon aardbeien kocht van een man die dezelfde familienaam had als hijzelf – tiens, dat is toeval, had die man gezegd, gisteren stond hier ook iemand die zo heette, en dat bleek dan, zei G., G.’s vader te zijn geweest.

Vandaag moet ik poëziedebuten bespreken, wil ik fietsen en gaan we naar De Panne, waar we zeker een wandeling zullen maken tot aan de zee, maar waar ik ook wil lezen en schrijven.

2521


Ieper, huisconcert Derek 1/3 - 110408


vrijdag 3 juni 2011

debuut 36

Hoe de liefde verslijt


Op het voorplat staat de titel tweemaal, een eerste keer doorgestreept en dan gewoon voluit: Meisje dat ik nog moet. In de doorgestreepte titel is het woord ‘ik’ dubbel doorgestreept. Toeval? Ik ga ervan uit dat de vormgever instructies uitvoert.

Ik heb nog niet één gedicht gelezen en sla al aan het interpreteren. De ‘ik’ heeft het over een meisje dat hij ‘nog moet’. Nog moet hébben, denk ik dan. Maar hij – dat het een ‘hij’ is, daarover kan denk ik geen twijfel bestaan – is niet aan zijn proefstuk toe. Een eerste meisje heeft hij al gemoeten en gehad. Zij is al doorgestreept – zoals een item in een agenda of een gedane boodschap op het boodschappenlijstje. De ‘ik’ heeft daarbij enige averij opgelopen – vandaar de dubbele doorstreping. Hij is een beetje minder geworden, denk ik dan. Hij heeft er een litteken en een ervaring bij.

Is dat gehineininterpretierd? We zullen zien.

Y.M. Dangre (1987) schreef eerder al de roman Vulkaanvlucht. Zijn poëziedebuut Meisje dat ik nog moet telt drie afdelingen. De eerste, ‘Meisje’, is onderverdeeld in twee cycli. ‘Aurora pro nobis’ telt negen ‘Aurora’s’: ‘Eerste Aurora’, ‘Tweede Aurora’, enzovoort. Daarna volgen dertien ‘Sargedichten’. De afdeling ‘Wij bidden u’ (alweer bidden) valt uiteen in de vier gedichten tellende reeks ‘Vivaldi’ die, het zal niet verbazen, genoemd zijn naar de vier seizoenen, en in de zes gedichten tellende cyclus ‘Onze woonst’. Seizoenen en woning: tijd en ruimte. De bundel sluit af met de gebedachtige afdeling ‘Gratia plena’, ‘Vol van genade’ zeg maar, die als ondertitel ‘Een gedicht voor Marie’ voert en niettemin uit veertien, of zeven koppels van twee, gedichten bestaat die, op twee uitzonderingen na, allemaal twee aan twee met dezelfde beginregel starten – waarbij het eerste koppel min of meer als titelgedicht kan doorgaan want daar luidt de beginregel telkens: ‘Gegroet, meisje dat ik nog moet’.

Y.M. Dangre heeft duidelijk zorg besteed aan de structuur. (Er zijn nog wel meer formele kenmerken die voor een eenheid zorgen: alle gedichten van de eerste cyclus tellen drie of vier strofen, alle ‘sargedichten’ twee, alle gedichten van de cyclus ‘Wij bidden u’ drie…)

Niet alleen het gebed maar ook het bed speelt een toonaangevende rol in deze bundel, die vooral over de liefde gaat en – heel vaak – over seks. De toon wordt al meteen in het allereerste gedicht gezet. Dangre valt, om het zo te zeggen, met de deur in huis en leidt ons meteen de slaapkamer binnen. Waar Aurora net ontwaakt. Kreunend, en nog warm van de slaap. De woorden waarmee de dichter haar omvat en beschrijft en glunderend aan ons voorstelt, roepen meteen Hugo Claus op, het dichtersbranie waarmee die een ziel een achterbank zou kunnen toemeten of het lichaam van een vrouw, dat uiteraard moet worden ‘neergeschreven’, zou kunnen vergelijken met de plattegrond van een nog onbekende stad, met een huid ‘die enkel warmte en kruispunten kent’. Maar ook de geest van Herman de Coninck waart hier nadrukkelijk rond – al in het eerste gedicht valt het adjectief ‘lenig’…

Aurora, jij die mij wijdbeens
wakker maakt met de aubade
van je heupen, met het lenige
ritme van mijn lichaam
dat uitpuilt van jouw vingers.


Een aubade is, volgens de woordenboekdefinitie, een ‘ochtendhulde met muziek’ en dat is iets wat heupen normaliter niet kunnen ten beste geven. Maar goed, in een gedicht kan veel. Dat neemt niet weg dat Dangre zich hier een spagaat permitteert waarbij hij, wijdbeens, met zijn ene voet in het universum van Claus balanceert waarin entiteiten uit verschillende registers zich krols en krullend met elkaar vermengen en waarin vrouwen vloeien en breken, en met zijn andere been – zij het minder lenig – Herman de Coninck achternahinkt, die achter gindse hoek verdwijnt met een paar halfzachte vergelijkingetjes onder de arm.

Zelfs ’s nachts verken ik jou
zonder stratenplan, gezeten op de achterbank
van je ziel, waar je me besluipt
en lantaarns aansteekt in mijn stem.


Dan kreun ik tegen jouw koppig licht
en doe jij zwijgend mijn lichaam uit
al zijn zachtste bochten gaan.


O godin, hou nooit op en omvat
mij, rijd en berijd mij, maak mij
wagenziek van liefde.


Waar in ‘Eerste Aurora’ en ‘Tweede Aurora’ – de gedichten waaruit de twee citaten hierboven gelicht zijn – vooral de lichamen ontwaken, daar wekt Aurora in ‘Derde Aurora’ de dichter:

Daarom vraag ik je: knip mij
in stukken met de gulden snede
tussen je benen en vouw me weer
tot een papieren lier, een pratend huis
voor je mooiste schaduw die ik
in mijn gedichten knopen zal.


Helaas leidt dit niet, en zeker niet in deze eerste cyclus, tot grootse liefdeslyriek. Een droef dieptepunt wordt bereikt in de slotstrofe van ‘Vijfde Aurora’:

Onvergankelijk ben jij, lieveling,
met je eb en vloed waarvoor ik
mijn paal boven water zing
of als een satanskind in jou
buitel tot al mijn hese druppels
van jou tuiten.


De link tussen erotiek en lyriek, tussen bed en schrijftafel, wordt in ‘Zesde Aurora’ verwoord: ‘Ik ben dichter, maar jij bent beter / wanneer je me volschrijft met strelingen / tot mijn hele verbeelding / naar je handpalmen ruikt.’ Alsof de dichter zich nog niet tot het schrijven kan bepalen en nog even aan de kozende armen van zijn zonneglorende liefde de voorkeur geeft. En ja, in ‘Negende Aurora’ heet Aurora, die hier expliciet ‘muze’ wordt genoemd, nog ‘te sterk voor mij’; met haar ‘dichtklappende wieren’ verstrikt zij nog ‘mijn taal’ en ‘mijn verbeelding die ruimschoots / strandt tussen [haar] traagste benen’.

In ‘De sargedichten’ komt Dangre toch wat beter op dreef. Hij omschrijft daarin de muze in hem: ‘Er woont een heel kleine muze in mij’. Ze dreint kinderrijmpjes. ‘Ze zit […] / in het alfabet van mijn klapperende taal.’ ‘[Z]ij leidt almaar de tuin / van mijn poëzie om en blijft onvindbaar / als een verstekeling tussen de woorden / van mijn wagenwijde verbeelding’. ‘[O]ngrijpbaar klapt zij mij toe / in de wolfsklem van dit gedicht.’ Dit zijn toch verzen waarvan de woorden al beter in elkaar haken dan in die soms tenenkrullende eerste cyclus. Na het zich uitrekkende lichaam van de muze in het ochtendbed leren wij nu de muze kennen die ‘baantjes’ trekt in des dichters ‘bloedbanen’, een inwendige stem die ‘[o]nverzadigbaar’ is en ‘ongrijpbaar’, en die ‘het allemaal al eens / gehoord’ heeft.

In de laatste twee gedichten van deze cyclus gaat Dangre echter opnieuw jammerlijk uit de bocht. De muze van het voorlaatste gedicht ‘beweegt niet en hoort mij / krakend, balkend achterop raken / nu zij alleen in mijn verte verdergaat / terwijl ik naar haar blijf staren / als een platgebrande herberg naar een reiziger’. Dit vergt bij de lezer nogal wat verbeeldingsacrobatiek, al dat stilstaan en toch verdergaan en door-elkaar-gehaspel van binnen en buiten. En in het laatste gedicht, het dertiende, zwijgt de muze en zakt ze dieper door ‘in mijn hart als in een eeuwenoude fauteuil / waarin onze stilte nu voorgoed haar pijp rookt’. Ik vermoed dat Y.M. Dangre ons hier het beeld ophangt van het soort schrijver dat hij zeker niet wil worden.

De vier gedichten van ‘Vivaldi’ zijn speelse variaties van levenslust en berusting: seksuele energie die opgaat in een uitbundige lente, zomers-orgastische uitbarstingen, langoureuze vertraging in de herfst en verstilde winterherinnering. Vivaldi en Venetië zijn van de partij, alsook allerlei attributen van muziek en liefde: lakens, gondels, strijkstokken, partituren.

De cyclus ‘Onze woonst’ is de meest voldragen, meest volwassene en beste van de bundel. Dangre beschrijft de beslotenheid en de onvermijdelijke neergang van het huwelijksleven: ‘wij / die elkaar steeds dieper duwen, de kop in / het zand van te vreugdevol voltooide jaren’. Enkel het gewicht van het steeds toenemende gedeelde verleden, de macht der gewoonte en de angst voor een toekomst zonder elkaars zekerheden behoeden voor algehele instorting. De echtelieden willen ‘ergens anders’ zijn; de paring wordt ‘steeds geruislozer’, ‘waarbij we steevast krabden en beten / in al wat verbeten moest worden: / onze huid en onze huidige jaartallen’. Of zoals het heet in ‘Onze voet van oorlog’: ‘meestal doen wij niets en wachten / op het vergeten dat wij naast elkaar liggen’. Het ontwaken in het huwelijksbed verloopt al heel wat minder uitbundig dan in de Aurora-gedichten:

Er is niets te vertellen, niets anders
dan dat we weer uit ons bed zijn
geveegd door de houten dageraad
waarin wij de zoveelste bijl planten,
turven hoe lang al, hoe lang nog
wij.


En de ‘nieuwe dag’ is, in datzelfde gedicht ‘Hout’, ‘als een schuur waarin wij voor dood liggen / en gestapeld worden als brandhout’. Heel wrang is dat, maar ook heel mooi en indrukwekkend verwoord.

Het veertiendelige ‘gedicht voor Marie’ sluit deze debuutbundel af. Zeven maal twee keer wordt een ‘meisje’ aangeroepen, en ze krijgt iedere keer een ander epitheton mee: ‘meisje dat ik nog moet’, ‘meisje dat ik nog wil’, ‘meisje dat ik nog zal’, ‘meisje in mijn midden’, ‘meisje dat ik niet mag’, ‘meisje dat ik niet kan’ en nog eens ‘meisje dat ik nog moet’. De cyclus gaat over bidden, over aanbidden, over schrijven ook. De gedichten vormen een ritmisch geheel en hebben daardoor iets van een incantatie, maar Dangre heeft zich te veel ingespannen om er muziek in te laten doorklinken, waardoor hij het inhoudelijke af en toe uit het oog is verloren. Zo komt het dat de rijmdwang stoort.

Sta stil, meisje dat ik nog wil,
meisje zonder wonden, lieve spil
van mijn lettergrepen ongeschonden,
eeuwig rijmende en druppelende stad
gehuld in winters en gezangen,
zal jij ooit horen mijn geril
of de warme ijspegels in mijn keel?


De bundel Meisje dat ik nog moet heeft een zorgvuldig opgezette structuur en bevat enkele prachtig wrange gedichten die bloemleesbaar zijn, maar met al die – wat je vergoelijkend zou kunnen noemen: – jeugdzonden is dit debuut verre van volmaakt en zeer ongelijk in kwaliteit.
 
Y.M. Dangre
Meisje dat ik nog moet
De Bezige Bij Antwerpen, Antwerpen, 2011, 64 p.
Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2011/3

gisteren en vandaag 151

Van gisteren wil ik zeker onthouden dat P. de herinnering aan de uitstap naar Le Cateau van vorige week in een ets heeft vastgelegd, waarvan hij voor elk van ons een exemplaar drukte alvorens een streep te krassen door zijn plaat, en ook dat we, samen met E., J. en P., op de terugweg van P.’s tentoonstelling in Menen liedjes zongen in de auto.

Vandaag moet ik werken voor de Poëziekrant. Maar ik wil ook lezen en schrijven en fietsen. Dat wordt drummen. Op de middag komen de kinderen eten en vanavond is er een etentje met G., G., G. en M.-J. in Damme waardoor ik – stel ik nu vast – de voetbalmatch België-Turkije zal moeten missen.

2520

Brussel, Centraal Station - 110511

donderdag 2 juni 2011

proza in huis 146-150

146
T.C. Boyle
Verloren nachten
vertaald door Inge de Heer en Johannes Jonkers

Anthos, 2003
448 p.
geen datum van verwerving
0

geen bijzondere kenmerken

ongelezen


147
Stefan Brijs
Arend

Atlas, 2000
270 p.
geen datum van verwerving
0

geen bijzondere kenmerken

ongelezen


148
Stefan Brijs
De engelenmaker

Atlas, 2007 (17de druk)
429 p.
geen datum van verwerving
12,94 euro

geen bijzondere kenmerken

gelezen in februari 2008


149
Rétif de la Bretonne
Monsieur Nicolas of de menselijke inborst ontmaskerd. Deel I
vertaald door Zsuzsó Pennings; ingeleid en geannoteerd door Ivo Gay

Aristos, 1997
352 p.
geen datum van verwerving
0

op het voorplat een prijssticker van BoeKenMarKt De Markies (‘595 BF’); ter hoogte van p. 9 steekt een folder van de federale overheid: ‘’n huis of ’n thuis: het huurcontract’, en ter hoogte van p. 37 een bladwijzer van Boekenmarkt de Markies in Antwerpen: ‘Wie leest die leeft’

gedeeltelijk gelezen in juni 2000


150
Hermann Broch
Esch of de anarchie
vertaald door Jaap Walvis
Ambo/Athenaeum – Polak & Van Gennep, 1986
270 p.
27 mei 1995, Brugge
400 frank

eigen stempel en nummer (‘1467’) in rode inkt

gedeeltelijk gelezen in mei 2011

2519

Gent - 110418

gisteren en vandaag 150

Van gisteren wil ik onthouden dat er nu ineens een VN-rapport is dat stelt dat gsm-straling dan toch schadelijk zou zijn.

Vandaag is een vrije dag. Ik breng de voormiddag door in de Boudewijnlaan met werken en lezen. Na de middag gaan we koffie drinken bij J. en L. en wil ik fietsen. Vanavond gaan we met J., P. en E. naar een vernissage van P. in Menen.

woensdag 1 juni 2011

mirage 45

070529

ondertussen in brugge 165

reactie

Dag Pascal,


Reactie op een deel van je tekst 'anticiperen'; ondertussen is geweten dat vrouwen NIET 'allerlei taken tegelijkertijd' kunnen uitoefenen; hun hersenen kiezen en 'switchen' de hele tijd, in sneltempo. Tsjaktjsaktsjak, vlijmscherp.

Maar de indruk van 'allerlei dingen tegelijkertijd doen' blijft.

Ikzelf heb vele maanden geleden, na het oneindige en jarenlange 'te veel ineens' doen, beslist om dat zogenaamd vrouwelijke fenomeen te vermijden. Ik geef toe dat ik het soms nog doe, uit bittere noodzaak, maar ik vermijd het zo veel ik kan.

Een reactie op de reactie over het anticiperen (die reactie met dat dikke boek): Ik heb een stapel boeken gelezen die veel hoger is dan dat boek op de foto en ik denk dat ik nu een fractie van de mannen begrijp. Ik benadruk 'ik denk dat' en ik benadruk 'een fractie'. Big smile.

Foto 2512 vind ik erg mooi. Hij leeft, zij leven. Wat niet wil zeggen dat ik vind dat je andere foto's 'dood' zijn.

Gegroet!

Eliane

gisteren en vandaag 149

© Stephan Vanfleteren
Van gisteren zou ik mij kunnen herinneren dat ik in de trein tussen Gent en Brussel Centraal tegenover Roland Van Campenhout zat.

Vandaag moet ik werken.

2518

Brussel, Leuvenseweg - 110517