maandag 16 februari 2026

notitie 509

DRAMA’S MET SCHAPEN EN LAMA’S

Er was de voorbije week op de digitale platformen een hoogoplopende discussie over schapen en lama’s. U weet wel: het zijn allebei zoogdieren waar je sokken van kunt breien, ze gelijken enigszins op elkaar, maar ze verschillen toch ook aanzienlijk. Schapen kunnen bijvoorbeeld niet spuwen, wonen niet alleen maar in Zuid-Amerika en hebben geen disproportioneel lange nek. Ze hebben wel een díkke nek. Om maar dat te zeggen. Als ik aan schapen denk, denk ik aan Blauwke. (U begrijpt die associatie niet, maar dat is niet erg. En maakt u zich vooral geen zorgen want het is een associatie die slechts weinig mensen kennen – allemaal mensen, overigens, die op de een of andere manier deel uitmaken van mijn privéwereld, zodat het heel normaal is dat mensen die daar geen deel van uitmaken niet weten wat of wie Blauwke is. (Blauwke is wijlen een van de schapen die toebehoorden aan mijn vriend J.)) Dat voor wat betreft de schapen. Als ik aan lama’s denk, ziet mijn geestesoog altijd dat ene prentje in een Kuifje-album waar kapitein Haddock, oog in oog met zo’n specimen, een lamafluim in het oog krijgt (en onmiddellijk daarna in het oog krijgt). Waarna hij aan het vloeken slaat op de manier die we van hem kennen en waar we dus niet meer van opkijken. Heftig, brutaal en grappig. Stel dat een schaap zo opvliegend zou uitvliegen, dát zou wat anders zijn. Maar dat geheel terzijde.

Nu goed, er was een discussie. In eerste instantie op de kijkbuis: tussen een lama en een schaap. Het schaap had zijn nek uitgestoken en kreeg me daar een flodder in zijn oog die hem nog lang zal heugen. Hij lachte schaapachtig. De goegemeente was getuige en raakte er niet over uitgeblaat. Iedereen, schapen én lama’s, had een mening klaar en gaf daar luidruchtig lucht aan op de daartoe bestemde kanalen, die nauwelijks breed genoeg waren om al het sputum te kanaliseren.

Ik moet toegeven: ik had ook een mening klaar. En wel mijn mening. Maar ik las de verzuchtingen van deze lama en gene schaap, en ik stelde vast dat mijn oorspronkelijke mening niet anders dan prematuur kon worden genoemd want ze was grotendeels op vooroordelen gebaseerd. En dan moet ik nog iets toegeven: ik werd bang. Ik schrok ervoor terug om mijn mening kenbaar te maken. Met wat ik was toegedaan zou ik zowel in het kamp van de lama’s als dat van de schapen op beuh!-geroep worden onthaald. Ja, misschien kreeg ik wel een digitale fluim in mijn oog. Zoals peteine Dok, zoals een van mijn kinderen, toen hij nog klein was, de trouwe, misschien wel enigszins pedoseksuele vriend van Kuifje een tijdje noemde – tot de Gameboy in zijn verbeeldingswereld de jonge reporter definitief naar de achtergrond wegduwde, maar dat is een ander probleem.

Voor ik het wist, was de week voorbij en had ik alle mogelijke meningen – van schaap- tot lamaminded en alles daartussen – zien defileren en had ik zelf alle stadia doorlopen: besef van prematuriteit, twijfel en de angst die me ontraadde mijn nek uit te steken. En dan zie ik nu iedereen alweer zijn digitale ganzenveer aanscherpen voor het volgende efemeer incident, dat er ongetwijfeld zal komen, en dringt het tot me door dat het nu wel rijkelijk laat is om mijn mening over schapen en lama’s te ventileren en daarbij het risico te lopen mij te laten insmeren met pek en veren.

Ik zet mijn mening dus maar aan de kant en van de vrijgekomen tijd maak ik gebruik om een metamening te vormen. Een metamening over mijn meningitis.

Want wat is dat eigenlijk, die drang om niet alleen meningen te hébben over lama’s en schapen (het hadden evengoed geiten en ezels kunnen zijn, of, waarom niet, mannen en vrouwen)? En niet alleen meningen te vormen – meningen worden gevormd vanuit de grondstof ‘vooroordelen’ – maar ze ook nog eens te verkondigen, te delen, te publiceren, op de sociale media te zetten in de hoop dat anderen ze zien passeren?

Passeren in twee betekenissen: voorbijkomen en voorbijgaan.

Wat doet het ertoe dat u weet wat ik denk over schapen of lama’s en over hoe die twee met elkaar omgaan als de ene zijn nek uitsteekt en de andere spuwt? Dat is toch volstrekt onbelangrijk?

Ik vind: schapen en lama’s zijn allebei zoogdieren. Zoals wij, met onze meningen, dat ook zijn. Daar moeten we het mee doen. Of we nu zelf een lama zijn of een schaap, we moeten luisteren naar elkaars verhalen. Laat ons de afspraak maken dat we elkaars eigenheid herkennen en erkennen. Dat we verschillen aanvaarden en aanknopingspunten zoeken. Misschien is dat blaten en blazen en spugen niet altijd zo boos bedoeld als sommigen het nu laten uitschijnen. Misschien zit daar een vriendelijke kernboodschap achter. Veel lama’s hebben bovendien iets schaapachtigs (bijvoorbeeld de wol), en vice versa: veel schapen hebben, bijvoorbeeld met die rare blik van ze, iets lama-achtigs. (Of schrijf je dat met een trema in plaats van met een koppelteken: lamaächtigs? Laat me niet lachen! Overigens, en opnieuw geheel en al terzake, pardon, terzijde: door zijn klankverwantschap verwijst het woord ‘trema’ naar tremor en trillen. Van woede, van begeerte. En ja, het koppelteken, dat wijst zichzelf uit.)

Dus, neen, ik ga mijn mening over de hoogoplopende discussie niet ventileren. Als u goed hebt gelezen, dat wil zeggen: tot voorbij de prietpraat, dan kent u haar wel. Dan hoef ik daar geen tekeningske bij te maken.