11 februari 2025
Het is een eeuwigheid geleden dat het nog eens heeft gesneeuwd. Ik kijk om halfzes naar de bomen van het park, hoe hun takken een witte rand hebben gekregen, en ik zie in het licht van de anachronistisch archaïserende nieuwe verlichting van mijn heraangelegde straat de talloze vlokken door de lichtbundels dwarrelen. Nog twee uur te gaan vooraleer ik met de fiets door de dan alweer smeltende blubber naar het station kan rijden, om daar de trein naar Brussel te nemen: ik moet op mijn werk passeren om daar op mijn laptop een update te laten uitvoeren en om acte de présence te geven op een informatiesessie (…). Ik maak er wat informele praatjes met een paar collega’s die ik nauwelijks ken en ook met de zeer vriendelijke B. Het telefoontje van de IT-dienst, om te melden dat mijn laptop klaar is, komt onverwacht vroeg: een mooi alibi om me uit de infosessie te verwijderen. Ik verdwijn als een dief in de nacht: laptop ophalen op de zesde verdieping en dan, na een korte aarzeling, toch maar niet terug naar de sessie, maar wel linea recta naar het station en naar Brugge, waar ik de rest van de dag, tot iets voor acht, thuiswerk.
*
(…)
*
M vertelt hoe X in het begin van de avond nog zeer vriendelijk was en haar het gevoel gaf te luisteren naar wat ze te vertellen had, maar dat hij na verloop van tijd, en naarmate de drank meer in de man was, vooral oog had voor haar decolleté, waardoor zij het gevoel kreeg dat hij haar objectiveerde. F haalt naar aanleiding van dit verhaal een anekdote boven over Y: hoe Z (…) zich had laten meetronen naar diens appartement. Y was naar de keuken gegaan om voor Z een gekoeld fris wijntje op te halen en was daar, een dienblad voor zich uit balancerend, wat hij goed kon want hij was jarenlang cafébaas geweest, piemelnaakt van teruggekeerd. Iemand in het gezelschap vroeg of F wist of Y het dienblad op zijn vlakke hand droeg. Maar ernstiger: moet een vrouw die met een alleenstaande man (…) meegaat naar diens appartement zich aan dergelijke fratsen verwachten?
*
(...)
