vrijdag 4 april 2025

afscheid van mijn digitaal bestaan 515

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

6 augustus 2020

PER FIETS NAAR DE MIDI 6

etappe 5/9 – Anost-Charolles – 93 km (a)


Om de voorspelde hitte voor te blijven, vertrek ik al om zeven uur. Ik krijg meteen twee fikse hellingen voor de wielen geschoven. Een buizerd, vlak voor mij op de weg gezeten, vliegt op en wint een eind voor mij uit hoogte. Tot hij het bos in zwenkt. Ik herinner mij dat ik gisteren, op een van de schaarse stukken nationale die ik aandoe, omdat het nu eenmaal soms onvermijdelijk is, bijna van de weg werd geblazen door een Poolse vrachtwagen die me inhaalde. Niet toevallig niet een Franse vrachtwagen want dat moet ik – met grote genoegdoening – vaststellen: de Fransen zijn in dit land aanzienlijk vriendelijker geworden voor fietsverkeer dan pakweg twintig of dertig jaar geleden. Je wordt pas ingehaald wanneer het tegenoverliggende vak volledig vrij is, zodat er een ruime boog kan worden beschreven. Déze anderhalvemeterplicht, hier en daar gememoreerd op speciale verkeersborden, wordt met andere woorden ruimschoots geëerbiedigd.

Onderweg maak ik een praatje met een jonggepensioneerd koppel uit Wageningen. Ze hebben ooit al Marokko befietst. Nu maken ze, met een camping als uitvalsbasis, ritjes met de racefiets, nooit meer dan 50 of 60 kilometer. Wat verderop, in Saint Léger, vraag ik aan een man die aan zijn huis aan het werken is de weg. Ook hij is Nederlander, wordt al snel duidelijk. ‘Laat ons dan maar in het Nederlands praten,’ suggereer ik. Daar is hij het meteen mee eens, maar hij blijkt niet te weten dat de weg die achter zijn huis rechts afbuigt naar het door mij beoogde Maison-de-Bourgogne leidt.



Het is een mooi huis waar die Nederlander aan werkt. Dat zijn ze hier vaak, de huizen: mooi. Wellicht is in deze streek de mooiste architectuur van heel Frankrijk te vinden: kloeke natuursteen, elegante details. Onbegrijpelijk dat er niet zorgzamer mee wordt omgesprongen en dat wie nog in een dorp of in een kleine stad wenst te wonen – er zijn daar steeds minder bewoners te vinden – de karakterloosheid van een anonieme nieuwbouw in een verkaveling in de rand verkiest boven het robuuste comfort van een negentiende-eeuws huis in de kern.

In Charbonnat tref ik op het terrasje van een bakkerij enkele mountainbikers uit Nancy. Op de deur staan de telefoonnummers van het Élysée en het Matignon vermeld: de bakkerin is het beu het gezeur over de mondmaskerplicht zelf te moeten behandelen.

Ik nader het Zuiden: de eerste cicades, de eerste zonnebloemenvelden, de eerste natuurstenen huizen, de eerste hagedis die op een warme steen wegfrut, het eerste smeltende asfalt – en straks de eerste platanenrijen en de eerste olijfbomen en lavendelvelden…




7518

Sijsele - 250309


donderdag 3 april 2025

getekend 467

2006 (?)


afscheid van mijn digitaal bestaan 514

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

5 augustus 2020

PER FIETS NAAR DE MIDI 5

etappe 4/9 – Tonnerre-Anost – 112 km


Vertrek om half acht. Ontbijten doe ik pas 25 kilometer ver, in het uitermate pittoreske stadje Noyers: stadspoort, onregelmatig geplaveide straten, scheefgezakte vakwerkgevels – alsof ik in een tekening van Anton Pieck ben terechtgekomen. Bij de bakker respecteert de rij gemondmaskerde klanten plichtsgetrouw de anderhalvemeterregel. Ik neem plaats op een terrasje. Drie ouwe gabbers, de intello’s du coin, bespreken de toestand. Welke toestand, wordt me niet meteen duidelijk. Eentje kijkt ternauwernood op van zijn Canard enchaîné. Gerookt wordt hier niet meer. En ze drinken koffie. Neen, de wilde haren en de jaren zestig zijn definitief voorbij.



Samen met het reliëf sluipt de twijfel binnen. Soms vind ik mezelf een bofkont, soms vervloek ik dit stomme idee om godbetert per fiets een auto te gaan ophalen aan het Lac de Sainte-Croix. Weeral ben ik te zwaar, is mijn fiets te zwaar, heb ik te veel bagage meegenomen. En ja, het wordt wel heel erg warm. De temperaturen klimmen nu vlotjes een eind boven de dertig graden. Waar is de tijd dat we bij dertig graden van hitte spraken?

Mooie wegen, dat wel. In Massangis staan een paar leuke huizen te koop. Hoe zou het zijn om naar hier te verkassen? Maar wat zou ik hier doen wat ik niet thuis evengoed kan? Hoe eenzaam zouden de winters hier zijn? En de herfst en de lente en de zomer uiteindelijk ook? Neen, het is geen goed idee – al blijft het om de een of andere reden wel lokken. Zeker nu het Vlaams-nationalisme bij ons het klimaat vergiftigt.

Nabij de snelweg Parijs-Dijon te Maison-Dieu zie ik een zwerm van wel tien of twaalf zwarte wouwen jagen op klein grut dat zich te goed doet aan het graan dat is achtergebleven op een pas geoogste akker. Wat een spektakel. Een van de vogels heeft iets in zijn bek. Meteen wordt hij achternagezeten door zijn gezellen. Hij laat zijn prooi vallen. Allemaal duiken ze nu naar de grond.

In Cussy-les-Forges vind ik een klein winkeltje. De uitbaatster lijkt op Meyrem Almaci. Voor mij bedient ze een zwarte koerier die in zijn nek Japanse karakters heeft laten tatoeëren. Op de drempel van de kerk is er een schaduwplek om te picknicken. Notabelen verlaten de gloednieuwe, en bijgevolg uitermate smakeloze, mairie voor hun middagpauze. Zwaluwen vliegen af en aan naar de nesten die ze hebben gebouwd in de oksels van de ramen van de école communale des garçons – ik maak een schets van de mooi geproportioneerde gevel.




In het iets verderop gelegen Quarré-les-Tombes vind ik een nieuwe schuilplaats tegen de hitte. Ooit, 32 jaar geleden, raakte ik hier gefascineerd door de tegen de kerk opgestelde sarcofagen. Nu zwijgen ze in alle talen en zeggen ze me niets. Twee jongemannen met rugzakken en wandelschoenen pauzeren op de bank naast mij. Ze vinden het maar raar dat een al wat oudere man hen aanspreekt. Er komt geen gesprek van. Boven de straat zit een mus achter een vlinder aan.

De Morvan. De weg voert nu naar hoogtes boven de 600 meter. In Montsauche-les-Settons vind ik een kruidenier. Maximum zes personen tegelijk in de winkel en uiteraard: mondmaskerplicht! (Ik vergeet het altijd.) Beneden aan het stuwmeer is er een camping, maar die is vermoedelijk erg druk, afgaande op het af- en aanrijdende kampeerwagenverkeer. Ik verorber een slaatje tegen de honger die komt en vervolg op goed geluk mijn weg. Het is per slot van rekening nog maar half zes en de koelste uren van de dag komen er nog aan. Maar mijn krachten nemen af. Gelukkig vind ik wat verderop op de D37 een wegwijzer naar een te Anost gelegen camping. Ik word er om zeven uur onthaald door de vriend van de Nederlandse uitbaatster. Een vrolijke Frans. Hij biedt me een flesje Brugse Zot aan – dat ik afsla aangezien ik deze fietstiendaagse alcoholvrij wens te houden. Maar: c’est le geste qui compte. Mijn tent plaats ik naast een vader met twee jonge zonen. Geen moeder te bespeuren. Ik hoor een van beide kinderen protesteren: dat maman de tomaten niet zus snijdt maar wel zo. De man doet zijn best.

Op een bankje aan de zwemvijver schrijf ik op wat ik van vandaag wil onthouden. Nog een vader alleen, met een kind. Ze wil zwemmen. Hij raadt het haar af: moeder heeft gezegd dat ze door de kille avondwind kou zou vatten wanneer ze nat uit het water komt.

Ik leg het dekzeil niet over de tent. Zo zie ik de sterren. Later in de nacht de volle maan. Uilen roepen elkaar aan: een van de mooiste geluiden die ik ken.


7517

Sint-Pieters, AZ Sint-Jan - 250307


woensdag 2 april 2025

afscheid van mijn digitaal bestaan 513

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

4 augustus 2020


PER FIETS NAAR DE MIDI 4

etappe 3/9 – Épernay-Tonnerre – 173 km

De hotelier die mij gisteren hartelijk ontving, volhardt ook vandaag in de vriendelijkheid. Bij het ontbijt vraagt hij of hij de tv moet aanzetten. Doe maar, zeg ik. Graag op France 2, dan kan ik nog eens naar Télé Matin kijken. Hoewel, eigenlijk is dat tegenwoordig meer reclame dan wat anders. De publiciteitsboodschappen worden aan elkaar geluld met zoete praatjes over toeristische bestemmingen, fitheidstips en lifestyleweetjes. Ik praat tussen croissant en pain au chocolat wat met de hotelier over de canicule. Het houdt hem bezig maar zolang de hitte niet méér dan vijftien dagen per zomer aanhoudt, wil hij toch geen airco in de kamers installeren: de investering is te groot. Overigens, zo overweeg ik later op de dag tijdens het fietsen door de weidse Champagne-vlakte, word je, wanneer je bij dit weer naar het zuiden fietst, langs twee kanten geroosterd: ’s voormiddags links en ’s namiddags rechts.

Op de parking van het hotel spreekt een Zwitser me aan. Dat hij een Zwitser is, zie ik aan de nummerplaat op zijn dikke SUV. Zo’n dikke auto, en toch zo’n goedkoop hotel? Mmmm. Maar goed, de man is vriendelijk. Hij herkent mijn Belgisch-Frans accent. Tiens, waar zou ik dat opgeraapt hebben?

Het is een zalige fietsvoormiddag. Wind in de rug, nog niet te warm, prachtig landschap tussen de wijnvelden, van de ene dure château naar de andere – zo passeer ik onder meer Veuve Cliquot. Bij een van de wijnboeren van Bergères, tegenover het gesloten etablissement met de onverbiddelijk woordspelerige naam ‘La Folie des Bergères’, is van de gevel de eerste A van ‘CHAMPAGNE’ naar beneden gekletst – zelfs hier slaat het verval onverbiddelijk toe. Ik raap de kapitaal op en plaats hem bij de gesloten voordeur van de proeverij.



Ik daal af naar de dorre graanschuur van Frankrijk. De oogst is binnen, dit lijkt wel een woestijn.



Ik doe onder meer de vlekken Fère-Champenoise, Euvy, Gourgançon en Salon aan. Boven rond een watertoren buitelt een gezin slechtvalken. Picknicken doe ik na 75 kilometer in Droupt-Sainte Marie. Of was het Droupt-Saint Basle, ik weet het niet meer. In elk geval, het was op een beschaduwd trapje van het Local des Associations dat ik schaduw én zitgelegenheid vond. Binnen zie ik een antieke tafel staan, met een stoel. Twee brandweerhelmen glimmen op de schoorsteenmantel.



Op het grind voor mij sleurt een mier een bijenlijk over de keitjes. Voor de mier zijn het manshoge rotsen. Soms valt zijn prooi terug en moet hij herbeginnen, maar hij vordert onverzettelijk en gestaag. Het beeld zal mij een paar keer voor de geest komen tijdens het overwinnen van de Bourgondische heuvels.

25 kilometer lang volg ik het fietspad langs het parallel met de Seine lopende Canal de la Haute Seine. Tot in Troyes. Daar drink ik op het terras van café Le St Nizier een koffie. Een type met Che Guevara-T-shirt monstert de op het rokerstrottoir voorbijstappende dames.



Troyes blijkt gemakkelijker te bereiken dan te verlaten, dat wisten de Grieken al. Langs Bréviandes lukt het me uiteindelijk toch. De gebruikelijke smoezeligheid en drukte van de uitvalswegen. Ik kom nu op heuvelachtiger terrein: het begin van mijn geliefde Bourgognestreek. (...)

Om kwart over zeven kom ik aan op de camping municipal van Tonnerre. In restaurant ‘Le Petit Gourmand’ wacht mij een van uitstekende frietjes vergezelde salade met onder andere ei, eend en – wat blijkt te zijn – een plak ganzenlever waarvan de nogal fletse smaak geenszins het veroorzaakte leed rechtvaardigt. Ik arroseer het geheel met een voortreffelijke fles Badoit.

7516

Sint-Pieters, AZ Sint-Jan - 250307


dinsdag 1 april 2025

boekverhaal 29

In deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij betekenen.


december 1983

AUTOSTOP


In de eerste helft van de jaren tachtig, ik herinner me het niet meer precies, maar het is best mogelijk dat het in 1883 en 1985 is geweest, ben ik samen met een goede vriend die ik toen had, Paul Van Mulders, twee keer naar Parijs gereisd. Al liftend. Dat kon toen nog, nu is het een manier van reizen die – teken des tijds – nagenoeg volledig verdwenen is. We lieten ons door een bereidwillige afzetten op een gunstig vertrekpunt. Vandaaruit probeerden we Parijs te bereiken. En we slaagden daar ook in, zij het niet in één dag. Gek genoeg herinner ik me van beide reizen zo goed als niets meer van wat we in Parijs deden, maar wel nog behoorlijk veel van de reizen zelf. Van het liften dus en van de ontmoetingen die we op die manier hadden.

Paul, die bedreven was in typografie en bladschikking – hij had aanleg voor tekenen en studeerde architectuur – maakte bordjes met daarop, in vet met alcoholstift aangezette kapitalen, de namen van onze bestemmingen. Elk om beurt gingen we aan de kant van de weg staan, met dat bordje en met een uitgestoken duim. Om de wachttijd te korten, die soms erg lang kon duren, lazen we elkaar voor uit een boek. De ene liftte dus, de andere las voor. Het moet voor de meestal met hoge snelheid voorbijrijdende weggebruikers een eigenaardig zicht zijn geweest.

Het boek dat we voor onze reis hadden meegenomen moest luchtig zijn en liefst ook grappig, en het mocht niet veel wegen. Het moest licht zijn dus, in beide betekenissen van dat woord.

De eerste keer hadden we gekozen voor Candide van Voltaire, de tweede keer voor verhalen van Thomas Mann. Van dat tweede boek ben ik niet meer helemaal zeker. Toen ik Paul onlangs voor het eerst sinds zeer lange tijd nog eens een brief schreef, maakte ik van de gelegenheid gebruik hem te vragen of hij het zich nog herinnerde. Hij wist het ook niet meer zeker. Misschien was het Tonio Kröger? Ik sla mijn exemplaar erop na: Tonio Kröger en andere verhalen. In die bundel is het titelverhaal het omvangrijkste. Maar er staat ook een verhaal in dat ‘De kleine meneer Friedemann’ heet. Deze titel sluit beter aan bij mijn herinnering. Werd dat verhaal ooit afzonderlijk uitgegeven? Of heeft er ooit onder die titel een verhalenbundel van Thomas Mann bestaan? In het Duits en Engels wel, zo zie ik op het internet. Maar een dergelijke Nederlandstalige uitgave vind ik niet terug. Enfin, eigenlijk is het niet zo belangrijk. Het is zelfs helemaal niet belangrijk. Wel belangrijk is dat we indertijd het wachten op bereidwillige chauffeurs op die manier flink bekortten, en dat we met hetgeen zowel Voltaire als Mann ons voorschotelde, vaak flink gelachen hebben.

De mensen die ons meenamen spraken er ons een paar keer over aan. Ze hadden het zicht vreemd gevonden: een jongeman met een kunstig maar toch ook efficiënt gekalligrafeerd bordje met de naam van de beoogde bestemming, en een tweede jongeman daar een klein beetje achter, lezend in een boek. (Vanuit de auto hadden ze natuurlijk niet kunnen vaststellen dat dat lezen een luidop voorlezen was.)

We hadden op onze twee reizen een paar fijne en frappante ontmoetingen. Ik herinner mij een verpleegster die tijdens het gesprek dat ze met Paul voerde meer naar hem keek dan naar de weg en op die manier bijna tegen een uitermate traag een helling oprijdende hooiwagen aanknalde (ik had nog net op tijd, na lang aarzelen omdat ik dacht dat ze het wel zou hebben gezien, een kreet geslaakt). Ik herinner mij ook een eierboer in zo’n uit golfplaten opgebouwde Citroën-bestelwagen op weg naar een markt (ik mocht zeer voorzichtig tussen de kratten plaatsnemen). De burgemeester van Saint-Omer bleek dan weer een communist te zijn, wat een interessant gesprek opleverde. Een echtpaar dat terugkeerde van een receptie werd, met ons beiden op de achterbank, door een vliegende gendarmeriebrigade tegengehouden. De man moest blazen. Het resultaat was positief en hij moest rechtsomkeer maken. Wij stapten uit en hoorden de vrouw nog zeggen: ‘Ik had het je nog gezegd dat je die twee niet moest meenemen!’


Thomas Mann, Tonio Kröger en andere verhalen (vertaald (1971) door Hans Hom)
Voltaire, Candide (vertaald (1970) door M.J. Premsela)

Een van die bijzondere liftbeurten, met een leraar die met een aftandse Citroën Ami 6 naar Amiens reed, heb ik hier beschreven: https://pascaldigital.blogspot.com/2006/02/mijn-eigen-namen-33-en-34.html


7515

Sint-Andries, Kanaal Brugge-Oostende - 250307