maandag 20 juni 2022

notitie 218

VAN YES

Donderdag fietste ik naar Oostende. Om, in haar appartement dat uitkijkt op het casino, de dijk en – uiteraard – de zee, mijn goede vriendin A. te bezoeken, maar ook om eventjes mee te stappen met de Bloomsday-optocht die was georganiseerd door een select groepje Joyceanen. Een belle époque-fanfare liep voorop met jazzy tunetjes en werd gevolgd door een dertigtal mensen die hun best hadden gedaan om er vestimentair zo interbellumistisch mogelijk uit te zien: witte overhemden, fleurige bretellen, strooien hoeden, wandelstokken. Het zomerse weer speelde aardig mee. Op gezette tijden hield het vrolijke gezelschap halt om te luisteren naar een passage uit Ulysses die werd voorgelezen.

Een van de organisatoren van dit ludieke eerbetoon aan James Joyce, die enige tijd in Oostende verbleef (wat de herdenking op deze plek legitimeerde), was de vooraanstaande en zeer minzame Vlaamse schrijver Koen Peeters. Hem hoopte ik te kunnen begroeten. Dat zou dan voor het eerst zijn sinds 1996, toen ik het genoegen had hem te mogen interviewen naar aanleiding van zijn roman Het is niet ernstig, mon amour. (Dat interview was voor De Standaard, ik plaatste het hier: https://pascaldigital.blogspot.com/2022/04/interview-met-koen-peeters-1996.html.) Ik werd in mijn hoop niet teleurgesteld. We voerden een aangenaam en openhartig gesprekje.

We hadden in de loop van de kwarteeuw dat we elkaar niet meer hebben teruggezien af en toe wel eens contact. Recent nog, naar aanleiding van De elfde teen, het eerste deel van de autobiografie die ik aan het schrijven ben. Ik dacht er toen nog aan om met die ‘elfde teen’ toonaangevende uitgeverijen te bestoken, en het leek mij een goede strategie om aan die uitgeverijen verbonden schrijvers die ik persoonlijk ken te vragen om mij daar een handje bij te helpen. Koen Peeters was een van hen. Hij las mijn boek en vond het goed genoeg (dat was de voorwaarde die ik vooraf had gesteld!) om een aanbeveling te schrijven. De zending van boek plus aanbeveling plus eigen brief werd evenwel bij De Bezige Bij verticaal geklasseerd – ik kreeg althans geen antwoord. Niet eens een bevestiging van ontvangst, wat in het kader van de elementaire beleefdheid toch een minimum minimorum zou zijn geweest.

Koen betreurde dit ook en vond het jammer. ‘Je boek heeft zeker kwaliteiten,’ zei hij. ‘Maar mag ik mij veroorloven twee kleine puntjes van kritiek te geven?’ voegde hij er voorzichtigjes aan toe. ‘Uiteraard,’ zeg ik, geheel naar waarheid. ‘De opmerkingen van een echte schrijver kan ik niet anders dan enthousiast ter harte nemen en er zo mijn voordeel mee doen.’

Koen gaf zijn opmerkingen. Ik spitste mijn oren – ik kom er morgen nog op terug. Kijk, ja, daar had ik eten en drinken aan. Ik stapte, jazeker, nog een eindje mee op met de Joyce-fanfare. Het gezelschap kwam tot stilstand tegenover hotel L’Océan waar James, toen dat hotel nog niet vermassacreerd was tot het uit de jaren zeventig daterende gedrocht dat het nu is, een poos had verbleven. En daar luisterden we naar een meneer die, in het Engels, in – yes yes – Iers-getint Engels, de laatste bladzijde van Ulysses te berde bracht, en jawel, dat sloeg aan. Yes!