dinsdag 30 april 2013

geen verloren tijd 52

 

Hier begint mijn lectuur van Autour de Mme Swann, het eerste deel van A l’Ombre des jeunes filles en fleurs, het tweede deel van A la Recherche du temps perdu van Marcel Proust. De lectuur van het eerste deel, Du Côté de chez Swann, is hier te vinden.

 

I:431-438

Marcels ouders vatten het plan op om de Marquis de Norpois te dineren te vragen. Moeder stelt dat het jammer is dat ze bij deze gelegenheid dokter Cottard, die op reis is, en ook Swann, die uit de gratie is gevallen, niet kunnen uitnodigen. Vader vindt het wat betreft Cottard jammer, maar is ervan overtuigd dat Swann met sa manière de crier sur les toits ses moindres relations (431:26-27) door de Marquis een ‘onbeschaamde vlegel’ zou gevonden worden en derhalve niet zou bijdragen tot het welslagen – en dat is: statusverhoging bekomen – van het geplande diner. Dat behoeft, richt de schrijver zich rechtstreeks tot de lezer, misschien wel een woordje uitleg, certaines personnes se souvenant peut-être d’un Cottard bien médiocre et d’un Swann poussant jusqu’à la plus extrême délicatesse, en matière mondaine, la modestie et la discrétion (431:30-33). We zullen dus nu eerst een korte toelichting krijgen bij de verschillende personages, achtereenvolgens Swann, Cottard en Norpois.

Ten eerste Swann. Zijn persoon valt in twee delen uiteen: de jonge en onbesproken Swann, die vaak bij de ouders van Marcel op bezoek kwam, en de oudere Swann, die uit de gratie is gevallen door zijn statusverlagende huwelijk met de cocotte Odette, van wie hij een dochter heeft, Gilberte, op wie Marcel smoor is. Men kan zich afvragen wat de verfijning van de vroegere Swann dan kan hebben ingehouden. Is het iets dat eigen is aan zijn ras – Swann is een jood –: une forme plus raffinée de la vanité (432:19), het vermogen om een ware aard van ‘het naïefste snobisme en van de grofste lompheid’ te verbloemen in la plus fine politesse (432:23-24)? Neen, zo gaat het niet. De deugden, die een persoon in zich heeft, ‘vergeten’ soms te veranderen in functie van de gewijzigde omstandigheden. Swann heeft zijn kwaliteiten behouden, maar in de lagere status waarin hij is terechtgekomen doen ze lomp en misplaatst aan. De transformatie van de jonge, gloriërende, naar de oudere, gevallen, Swann heeft zich overigens al voorgedaan op het ogenblik dat de jonge Marcel op de Champs-Elysées naar de gunsten dong van Swanns dochter Gilberte – en de verandering was toen onopgemerkt gebleven bij de jonge Marcel. Misschien was hij toen te jong om dergelijke subtiele maatschappelijke veranderingen te lezen, maar bovendien is er altijd ook de neiging om blind te zijn voor veranderingen: l’idée qu’on s’est faite longtemps d’une personne bouche les yeux et les oreilles (433:11-12); we zien met andere woorden wat we weten.

Met betrekking tot Cottard stelt de schrijver dat we ons hem wellicht zouden herinneren als bien médiocre (431:31). Het is goed eens te kijken waar precies we, in het vorige deel, kennisgemaakt hebben met de dokter. Proust helpt ons: l’époque où l’on a vu assister aux débuts de Swann chez les Verdurin (433:21-22). Het gaat om de passage helemaal in het begin van Un Amour de Swann, hier geparafraseerd in geen verloren tijd 27.

Waar Swann zijn eer is kwijtgespeeld, heeft zich bij Cottard de omgekeerde beweging voorgedaan: voor hem geldt: les honneurs, les titres offficiels viennent avec les années (433:23-24). Aanvankelijk werd hij aangezien als een illettré (433:25) die zich bezondigt aan flauwe woordspelinkjes, nu erkent iedereen zijn capaciteiten als dokter. Deze late erkenning heeft zijn uitwerking niet gemist op Cottards karakter: dat is helemaal gedraaid, un véritable vêtement retourné (434:7-8). In plaats van onzeker is hij nu hautain en koel, eropuit zelfs de dire des choses désagréables (434:16).

De Marquis de Norpois ten slotte is een reactionaire diplomaat en politicus. Hoewel het politieke tij gekeerd is, wordt hij toch nog door de meer vooruitstrevende ministers aangesteld dès qu’il s’agissait des intérêts supérieurs de la France (434:40-41). Van zijn loyaliteit kunnen zij zich verzekerd weten. M. de Norpois beschikt over een diplomatieke ervaring die langdurig genoeg is geweest om geheel doordrongen te zijn van een esprit négatif, routinier, conservateur, dit ‘esprit de gouvernement’ (435:35-36). Wij zouden hem, in onze tijd, een realpoliticus noemen. En zo zien we dat, over de statusverschillen heen, niet la communauté des opinions maar de consanguinité des esprits (436:1-2) de mensen samenbrengt: niet de overeenstemming in de meningen maar de gelijke geaardheid van de geesten.

Norpois heeft geleerd dat het beter is te zwijgen, of toch zeker om weinig woorden te gebruiken – op basis daarvan geniet hij in de commissie, waarin hij samen met Marcels vader zetelt, de reputatie koel en berekenend te zijn. Marcels vader verwondert zich dan ook over de gevoelens van vriendschap die Norpois hem gunt. Hij is zich ervan bewust dat Norpois hem misschien vooral vriendschappelijk bejegent omwille van zijn vrolijke karakter dan omwille van zijn qualités intellectuelles of zijn sensibilité, die toch vaak vooral als lastig en veeleisend worden ervaren.

Marcels moeder is niet zo geporteerd voor de intelligentie van de markies. Zijn taalgebruik is in elk geval op het clichématige af oubollig – zo oubollig dat Proust betreurt er niet zorgvuldiger notitie van te hebben genomen, zodat hij ons nu er enkele voorbeelden van zou hebben kunnen geven. Maar Marcels moeder verbergt haar antipathie voor de markies voor haar echtgenoot omdat ze diens vreugde om de vriendschap met de diplomaat niet wil bederven. Daarmee doet zij niet anders dan haar plicht, op dezelfde manier als dat zij ervoor moet zorgen que la cuisine fût soignée et le service silencieux (437:34-35). Zij doet zelfs haar best de markies toch sympathiek te vinden, al was het maar om ten aanzien van haar man niet leugenachtig te moeten zijn! Dat kost haar al bij al niet al te veel moeite want ze bewondert toch wel Norpois’ stijlvolle voorkomendheid, die hem, wanneer hij op straat Marcels moeder tegenkomt, ertoe brengt om, avant de lui envoyer un coup de chapeau, zijn cigare à peine commencé (437:41-43) weg te gooien, alsook zijn stiptheid, die hem brieven zo snel doet beantwoorden dat de geadresseerde de indruk krijgt dat hun beider brieven elkaar gekruist hebben, en die hem geen enkele uitnodiging doet afslaan, al komt deze van iemand die op de maatschappelijke ladder toch een paar sporten lager staat.

13 in z/w 109

Westkapelle

los ingeslagen 88


20 februari 2013

Het wordt tijd dat ik mijn gezondheid in de gaten begin te houden. De klachten stapelen zich op. Tanden, prostaat, cholesterol, lever, enkele vreemde plekken op mijn huid, de rug die af en toe dreigt het te laten afweten, de hoofdpijn en/of duizeligheid die ik soms voel bij plotse hevige inspanningen, mijn algehele flauwe fysieke conditie… Meer dan één doktersbezoek dringt zich op. Natuurlijk komt het plotse overlijden (‘hartfalen’) van een held dan aan als een waarschuwing: beter op tijd tijd investeren in een preventieve controle dan als het te laat is geen tijd meer te hebben (letterlijk) om er iets aan te doen.

3216

Koksijde - 121226

zaterdag 27 april 2013

Joseph Conrad, Hart der duisternis


Sommige boektitels duiken opvallend vaak op in mijn lectuur; er wordt zo vaak naar verwezen dat je gerust kunt stellen dat het gaat om literaire werken met een iconische of paradigmatische status – of hoe moet je dat zeggen. Je móet ze, voor zover dat al niet is gebeurd, gelezen hebben. De Ilias van Homeros is zo’n boek. Of Don Quichote (1615) van Cervantes. Gargantua en Pantagruel (1532) van Rabelais. Het Leven en de Opvattingen van de Heer Tristram Shandy (1767) van Laurence Sterne. Les Rêveries d’un promeneur solitaire (1778) van Rousseau. Madame Bovary (1856). Alice in Wonderland (1865). En ik vergeet er vele andere. Wellicht is Heart of Darkness (1899) van Joseph Conrad een van de laatste boeken in dat rijtje want, zoals we weten, de tijd van de Grote Verhalen is onherroepelijk voorbij.

Ik had Heart of Darkness (Hart der duisternis) nog niet gelezen, hoewel onder meer W.G. Sebald mij in De ringen van Saturnus daartoe had aangezet. Of ook Ferdinand Céline, die zich overduidelijk door Conrad liet inspireren voor Reis naar het einde van de nacht. Ook bij de lectuur van De droom van de Ier van Mario Vargas Llosa kan Conrads boek van pas komen. En dan heb ik het nog niet gehad over een goed begrip van Apocalyps Now van filmregisseur Francis Ford Coppola.

Het kan niet anders of een boek dat zo vaak door anderen wordt opgepakt, moet op zeer voorbeeldige wijze een gevoelige snaar raken.

Conrad vertelt een vrij eenvoudig reisverhaal met concrete personen, maar zijn perspectief is eigenlijk veel breder: hij heeft het over de kolonisatie en de rechtvaardiging daarvan in de publieke opinie, en uiteindelijk over de condition humaine, over hoe mensen werkelijk blijken te zijn wanneer het laagje beschaving dat zij met zich meevoeren onder druk van de omstandigheden in het ‘hart der duisternis’ (door toedoen van klimaat, gevaar, angst, hebzucht, eenzaamheid, verveling) wegvalt en hun ware aard, hun ‘duisternis des hartes’, bloot komt te liggen.

De centrale metaforiek waarvan Conrad zich bedient, is de tegenstelling tussen licht en duisternis. De blanke schipper Marlowe voelt zich aangetrokken tot de witte plekken op de kaart. Niet alleen zijn huidskleur is blank, ook, bij manier van spreken, zijn hart of geweten is dat: hij is onschuldig en naïef. Hij wil de nog niet ontdekte gebieden inkleuren. Hij laat zich meeslepen door het missioneringsverhaal, en begrijpt pas later, door wat hij te zien krijgt, dat het een ideologische leugen is. De ondernemers, die uiteraard alleen op geldgewin uit zijn, wenden voor de zwarten uit de donkerte van hun bestaan te willen optillen naar het helle licht van de blanke, westerse, christelijke en verlichtingswaarden, de vooruitgang en de unieke waarheid, en op die manier hen af te helpen van de duistere krachten van bijgeloof en kannibalisme. Zij spannen in dit streven de Kerk voor hun kar. Maar in werkelijkheid weegt natuurlijk de agenda van de ondernemers het zwaarst door: hun is het om het ivoor te doen, de witte grondstof die zij uit het hart van de duistere jungle snijden en die een licht werpt op de morele duisternis in hun eigen hart.

Marlowe moet Kurtz opsporen. Kurtz, die diep in het binnenland een handelspost beheert en die net als Marlowe met een bevlogen inspiratie was vertrokken, maar die zou zijn ontaard tot een gewetenloze schurk. Marlowe komt te laat om Kurtz levend terug naar de zogenaamde beschaving te brengen en beseft dat hij uit deze hel weg moet als hij zijn eigen geweten wil vrijwaren. Hij keert terug naar het vaderland, waar hij ervoor kiest om de verloofde van Kurtz, die resideert in een duister huis, niet te informeren over Kurtz’ ware aard. Hij laat de duisternis van de leugen en de illusie primeren op het licht van de waarheid.

Conrad lijkt met zijn – vanwege de klare taal, de pregnante beelden, de ingehouden woede – indrukwekkende parabel te suggereren dat na de gruwelijke praktijken van de kolonisatie het – tot dan veronderstelde – licht van de waarheid onherstelbare schade heeft opgelopen. Dat is de reden waarom hij in zijn boek de rouw een belangrijke rol laat spelen. (En dat is, vast en zeker, de reden waarom W.G. Sebald in De ringen van Saturnus Conrad zo’n prominente rol laat spelen.) Het licht van de verlichting (vroeger, voor de recentste spellinghervorming, werd de naam van dát Grote Verhaal nog met hoofdletter geschreven) blijkt op een onomkeerbare verduistering uit te draaien.

mijn woordenboek 358


ARBITRAIR

Een vreemde speling van het vocabulaire: van een arbitrage verwacht je nu net niet dat zij arbitrair is. Toch gebeurt het wel eens dat het liberum arbitrium van de arbiter tekortschiet.

Aan het ‘arbitraire’ kleeft – toch zeker voor wie graag de controle bewaart – een negatieve connotatie: het adjectief wordt gebezigd bij willekeurige voorvallen, bij gebeurtenissen die ons met noodlottigheid treffen. (Het lot kan ons ook gunstig gezind zijn, als het dat wil, maar dat wil het maar al te vaak niet. Het lot is graag een noodlot, blijkbaar.)

Arbitrariteit is een eigenschap die kan worden toegeschreven aan het Lot – of aan God, wat in vele gevallen hetzelfde is. De bliksem die ons huis vernielt, en niet dat van de buren. De verdwaalde kogel die de hulpvaardige soldaat doodt die net zijn gewonde kameraad in veiligheid wilde brengen en niet de sluipschutter voor wie hij was bestemd. De door de middenberm gekatapulteerde bestelwagen die frontaal het busje treft met zes van een bedevaart terugkerende nonnen.

Het Lot, of God, is wreed – maar wij aanvaarden Hun arbitrariteit. Wij kunnen immers niet anders. Anders is het als de mens voor Lot of God speelt. De kampbeul trancheert met vertoon van macht en cynische zelfgenoegzaamheid de pas aangekomenen tussen links en rechts, tussen leven en dood. Dit is onaanvaardbaar. Dit komt de mens niet toe.

Al wie van voetbal houdt, en ik reken mijzelf daar ook bij, weet dat van een arbiter geen arbitraire ingrepen mogen geduld worden: hij is geen robot. Maar precies door zijn menselijkheid blijft het mogelijk dat hij dwaalt – de uitdrukking scheidsrechterlijke dwaling is zelfs staand. Refs zijn maar refs voorzover ze ook slecht kunnen fluiten. Dan fluiten wij hen uit, of terug, maar toch: we moeten aanvaarden dat het mogelijk is. En het is, geef toe, een van de elementen die het spelletje boeiend maken: de onvoorspelbaarheid van de mate waarin de scheidsrechter zal dwalen – wat samenhangt met zijn onvermogen om echt helemaal onarbitrair te zijn.

Behalve onschuldige kinderhanden kunnen enkel robotten arbitrair zijn. Machines die lottoballen uitselecteren. Machines van het Lot. God, die niet menselijk is.

De arbitrariteit waarmee God een kind kanker laat hebben. Of een miljonair de lotto laat winnen.

Veel van onze creativiteit – die vaak uit verontwaardiging wordt geboren – heeft met deze arbitrariteit te maken. Wij proberen er verklaringen, vergoelijkingen voor te vinden. Stel: elke ingreep van het Lot zou rechtvaardig zijn, wij zouden snel geen voer voor gesprek meer hebben. Precies omdat het onrecht ons, en anderen, voortdurend wordt aangedaan (omdat wij ons lot niet in eigen handen hebben, omdat het überhaupt niet in iemands handen is), moeten wij aan het werk. Zonder arbitrair wereldbestel, zonder wrede God, geen filosofie, geen literatuur, geen godsdiensten, geen kunst. En ook geen voetbalverslaggeving.

3213

Londen - 130101

vrijdag 26 april 2013

geen verloren tijd 51


I:421-427

Wanneer Marcel nu – en de vraag is wanneer dit ‘nu’ is, cette année (421:43)? – een wandeling maakt in het Bois de Boulogne, openbaart zich de complexe structuur van dat bos weer aan hem. Hij kon er niet aan weerstaan om die wandeling te maken, gelokt als hij is door het zonlicht dat op de herfstkleuren van ce mois de novembre (422:2) speelt: november, ce mois de mai des feuilles (442:38), ’t is t zeggen de maand waarin de bladeren bloeien. Dit bos, met zijn hele – op deze bladzijden zeer omstandig beschreven – kleurenpracht, doet Proust terugverlangen naar een aan vrouwelijkheid, of aan de herinnering van vrouwelijk schoon, verbonden idée de perfection (424:40). Maar – Helas! (425:8) – de koetsen waren vervangen door automobielen: il n’y avait plus que des automobiles (425:9)! En de dames dragen niet meer dezelfde kleren als indertijd Mme Swann… En – horreur! – de mannen dragen geen hoge zijden meer, ze dragen zelfs geen hoeden meer, stel je voor! Ils sortaient nu-tête. (425:24) Het schouwspel dat het Bois de Boulogne nu te bieden heeft, is wanordelijk, beroofd van de beauté que mes yeux eussent pu essayer comme autrefois de composer (425:28-29). (De zin is belangrijk: schoonheid is in the eyes of the beholder, niet in de dingen zelf!) Voortaan moet Marcel het doen met un attachement fétichiste (425:35) aan de dingen van weleer, die hij ooit op eigen kracht heeft weten te bezielen. Nu zijn de Goden dood (het staat er nogal enigmatisch, apodictisch en lapidair): wij zijn het goddelijke vermogen om de dingen te bezielen kwijt.

Quelle horreur! (425:39), zucht Marcel, en hij realiseert zich dat hij misschien te oud is geworden. Hoe zich te troosten aujourd’hui qu’il ny a plus d’élégance (426:5-6)? Ma consolation, c’est de penser aux femmes que j’ai connues (426:5). Een hele wereld is verloren gegaan. Niet alleen die van de kleren en de calèches, maar ook de woningen waar de cocottes ontvangen: die hebben niet meer die atmosfeer van vroeger, neen, il n’y avait plus que des appartements Louis XVI tout blancs, émaillés d’hortensias bleus (426:43-427:2). De tijd van Mme Swann in haar volle glorie is voorbij; ’t is nu niet meer dan une année lointaine, (…) un millésime vers lequel il ne m’était pas permis de remonter (427:7-8). Het verlangen om daarnaar terug te keren is al even onvervulbaar als het genot dat de kleine Marcel destijds had nagejaagd. Marcel – de ouder geworden, en van zijn goddelijke vermogens om schoonheid in de dingen te leggen beroofde Marcel! – beseft nu dat het paradoxaal is de chercher dans la réalité (het huidige Bois de Boulogne) les tableaux de la mémoire, auxquels manquerait toujours le charme qui leur vient de la mémoire même (427:31-34). Datgene wat het verleden zo aanlokkelijk maakt, heeft alles te maken met de herinnering en situeert zich dus in het… heden! Wat toch wel een troostende vaststelling is. De conclusie is simpel en evident: La réalité que j’avais connue n’existait plus. (427:34-35) Elke nostalgie is dus vruchteloos en onvruchtbaar. Maar de herinnering maakt veel goed, meerbepaald: het speciale plezier dat de herinnering kan verschaffen.
 
 
 
Hier eindigt mijn lectuur van De kant van Swann, het eerste boek van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust. De volledige lectuur is hier terug te vinden: rechercheur.

geen verloren tijd 50


I:413-421

Marcel koestert een plattegrond van Parijs, enkel en alleen omdat daarop de straat is terug te vinden waar M. en Mme Swann wonen. Hij spreekt graag de naam van hun straat uit – zoals hij het er ook op aanlegt om de naam ‘Swann’ zoveel mogelijk te laten vallen en ook anderen in de mond te leggen. Die naam lijkt hem, ainsi qu’il arrive à certains aphasiques à l’égard des mots les plus usuels (413:22-23), nieuw te zijn, en vreemd. Marcel ziet en hoort de naam in zijn brute materialiteit. (Het fenomeen is bekend: als je een woord, of een naam, voortdurend herhaalt en je hyperbewust bent van de letters en klanken waarin het uiteenvalt, komt het in zijn loutere materialiteit voor je te staan en raakt het ook los van zijn betekenis. Nabokov beschrijft het fenomeen in het verhaal ‘Verschrikking’, in Het vernietigen van tirannen: ‘zoals er alleen een absurd geluid overblijft als je vaak genoeg achtereen het meest alledaagse woord herhaalt zonder te denken aan de betekenis: huis, huisss, huiwzz’).

Marcel voelt zich zondig vanwege het genot dat het horen van de naam ‘Swann’ hem verschaft. Maar hij kan het niet laten alles wat verband houdt met Gilberte steeds opnieuw ter sprake te brengen. Ook de oude vrouw die op de Champs Elysées de Débats leest. Dat blijkt Mme Blatin te zijn, Marcels moeder loopt helemaal niet hoog met haar op: Mme Blatin is van lage komaf en probeert bij iedereen op een goed blaadje te staan. Ze heeft ooit eens tot Marcels moeder gezegd dat Marcel ‘trop beau pour un garçon’ is (414:15-16). Niet bepaald een gunstige insteek voor het verwerven van een ‘gezonde’ seksuele identiteit.

Marcel herhaalt niet alleen voortdurend Swanns naam, hij probeert ook op de fat te gelijken. Hij neemt zijn tics over en betreurt het niet even kaal te zijn als Swann. Wanneer midden in een saai tafelgesprek de naam ‘Swann’ valt, fleurt Marcel meteen op. Zijn zijn ouders dan niet gebrouilleerd met Swann, die omwille van zijn extravagante relatie met Mme Swann niet meer in Combray wordt uitgenodigd? Marcels moeder ontwijkt de vraag: ze kunnen toch niet iedereen uitnodigen? Zij ontmoet Swann soms in Parijs en vertelt Marcel dat Swann naar Marcel heeft geïnformeerd. Het feit dat hij blijkbaar in de geest van Swann een plaats heeft, windt Marcel danig op. Het verwondert hem dan ook dat zijn ouders niet bepaald veel belang schijnen te hechten aan Swann. Voor hen is Swann een van de velen en vertegenwoordigt hij rien d’unique (416:16). Zij kunnen niet zien wat Marcel in Swann ziet, aangezien ze niet voorzien zijn van ce sens supplémentaire et momentané dont m’avait doté l’amour (416:28-29).

Op de dagen dat Gilberte niet naar de Champs-Elysées komt, probeert Marcel op zijn wandelingen met Françoise het huis van de Swanns zo dicht mogelijk te naderen. Alles wat maar enigszins naar Gilberte verwijst, bezet hij du même charme douloureux que j’avais ressenti dans le nom de Gilberte (417:7). Zo hoopt hij ook Mme Swann te kunnen aanschouwen op een van haar ritjes door het Bois de Boulogne. Aan de manier waarop zij zich kleedt en voortbeweegt en gedraagt, is het voor iedereen duidelijk dat zij een belangrijke dame is. Menig man herinnert zich een onstuimige nacht met haar te hebben doorgebracht: Je me rappelle que j’ai couché avec elle le jour de la démission de Mac-Mahon, herinnert er zich een van de mannen die haar nu door het Bois ziet flaneren (420:43-421:1). Maar tegelijk wordt toch ook haar rekening gemaakt: elle ne doit plus être de la première jeunesse (420:42-43). Marcel beseft dat het nog wel een tijdje zal duren vooraleer hij haar met dezelfde status zal kunnen groeten als deze mannen. Hij neemt zijn hoed af met een brede zwaai en ziet hoe Mme Swann, die steevast in het gezelschap verkeert van quelque ami, souvent coiffé d’un ‘tube’ gris (‘een grijze hoge zijden’; 421:36-37), glimlacht om dat jongetje, dat ze niet kent.

13 in z/w 104

P. in Ieper

3212

Londen, Tate Modern - 121231

donderdag 25 april 2013

los ingeslagen 87


20 februari 2013

Waarom schrijf je het niet allemaal op?, vroeg C. mij gisteren, toen ik haar een beetje over mijn moeder vertelde. Ja, inderdaad, waarom schrijf ik het niet allemaal op. Ik zou een boek over haar kunnen schrijven. (Maar dat kun je over elk mensenleven, een boek schrijven. Ook het minst interessante. Ik bedoel: ook het minst interessante mensenleven. Al kun je natuurlijk ook zeer oninteressante boeken schrijven over interessante mensenlevens.)

Wanneer is een mensenleven interessant? Dat is alvast een zeer interessante vraag. Neem eens de proef op de som en vertel je eigen leven. Is het interessant? Hoeveel hoogtepunten, spanningslijnen, rode draden tref je aan? Zou je een gezelschap weten te boeien met je verhaal? Of zou je het van de manier moeten hebben waarop je je verhaal vertelt?

Elke levensloop is een plot – alleen is het vaak jammerlijk voorspelbaar. In het geval van mijn moeder nam de voorspelbaarheid in de loop der jaren toe. Ze startte onvoorspeld: ze was ‘een achterkomer’. De oorlogsjaren vormden het laatste grote avontuur in onze contreien en zij maakte dat avontuur mee. Zij ontsnapte aan het keurslijf van haar zeer voorspelbare omgeving: boers, katholiek, provinciaal, Zuid-West-Vlaams. Zij belandde in een maalstroom van rampspoed, calamiteiten, ongeluk. Zij moest haar taal achterlaten, haar achterban, haar evidente kindergeluk. Haar huwelijk was ongelukkig. Twee van de vijf kinderen die zij op de wereld zette, stierven voortijdig – hoewel zij het nooit met zoveel woorden zei, moet dat haar hebben getekend. Haar kinderen en haar man verlieten een na een het huis dat zij met veel moeite had verworven en onderhouden. Zij was voortijdig oud en versleten.

Dat is summier haar leven. Een leven. Natuurlijk valt er ook wel hier en daar iets positiefs over te zeggen. Maar de wet le bonheur se raconte mal is onverbiddelijk. In die zin is haar leven zeker in een boek te vatten want er was heel wat malheur. Zou ik het alsnog doen? Ik denk het niet. Mijn informatiebron is weg. Wat ben ik blij dat ik een jaar of zes geleden haar nog enkele anekdotes heb weten te ontfutselen.

3211

Londen - 121231

13 in z/w 103

Eisden

dinsdag 23 april 2013

13 in z/w 102

's-Gravenvoeren

geen verloren tijd 49


I:393-413

Marcel is ook te ziek om naar de schouwburg te mogen. Er zit hoogstens een wandeling in naar de Champs-Elysées, aan de hand van Françoise. Mocht Bergotte nu eens die laan hebben beschreven in een van zijn boeken, dan zou Marcel de vooraf ingebeelde werkelijkheid kunnen toetsen aan de echte werkelijkheid, en dan zou een wandeling naar de Champs-Elysées nog interessant zijn. Maar niet dus. De Champs-Elysées blijken saai! Tot hij een tennissend meisje de naam ‘Gilberte’ hoort roepen naar haar vriendin – wat op slag bij Marcel een hele vervlogen en onbereikbare wereld van herinneringen aan en verlangens naar Mlle Swann oproept. Vanaf nu blijft Marcel telkens in de buurt van die meisjes dralen – totdat hij mag meespelen. Gilberte is er evenwel niet altijd bij. Bijvoorbeeld wanneer het weer niet goed genoeg is, wat Marcel elke ochtend bij het raam de meteorologische situatie doet inschatten. In het spel van de schaduwen van het smeedwerk op de steen van de vensterbank onderkent hij de promesse du bonheur immédiat que la journée refuse ou accomplira, et par là du bonheur immédiat par excellence, le bonheur de l’amour (397:11-13).

In het park is er, ook ’s winters, altijd een oude, aristocratische dame die Marcel doet vermoeden dat hij, indien hij haar zou kennen, via haar beter toegang tot Gilberte zou krijgen. De oude dame leest de Débats, een conservatieve krant. Wel een vreemde situatie, gezien de barre weersomstandigheden: Françoise en Marcel gaan kijken naar de dichtgevroren Seine, en de sneeuw doet de oude dame denken à de l’hermine (398:40). Wanneer Marcel  het niet meer verwacht, komt Gilberte dan toch nog aangestoven – of beter: aangegleden. Zo wordt een dag, waarvan Marcel al dacht dat hij op een mislukking was uitgedraaid, alsnog gered – en het is alsof deze plotse ommekeer, te midden van ‘de ijzigheid, de verlatenheid en de neergang van de omringende dingen’, de intimiteit van hun vriendschap nog versterkt. Wat dan weer Marcels vertrouwen verstevigt: je prenais plus de confiance en la vitalité et en l’avenir de notre amitié (399:14-15). Keerzijde van de medaille is dat Marcels verlangen naar deze ontmoetingen zo hevig is, dat hij er niet van kan genieten als ze dan toch plaatsvinden: ces moments où j’étais auprès d’elle (…) n’étaient nullement des moment heureux (400:1-5). Hij is dus niet gelukkig als hij bij haar is, en al evenmin als hij niet bij haar is want dan verhindert zijn smachten dat hij iemand anders graag kan zien: on n’aime plus personne quand on aime (399:43-400:1). En bovendien verlangt hij zo hard naar een beleving van deze liefde, terwijl deze niet is uitgesproken, dat hij begint te twijfelen aan de echtheid en oprechtheid van zijn gevoelens. Deze onzekerheid wordt nog versterkt door de gewaarwording dat de ervaring van de reële Gilberte niet strookt met de herinnering aan de gedroomde Gilberte. Deze beide instantiaties van Gilberte krijgen een aparte individualiteit, ja hun onderlinge verschillen zijn zo groot dat ze wel twee individuen lijken die elk tot een aparte soort behoren! Marcel slaagt er niet in beide instantiaties van Gilberte te doen samenvallen en al evenmin weet hij vorderingen te maken met zijn wens om nader tot haar te komen; hij keert telkens onverrichterzake huiswaarts en moet zijn voornemen de lui dire les paroles qui pouvaient faire faire à notre amour les progrès décisifs (402:18-20) uitstellen tot de volgende namiddag, wanneer hij – misschien – zijn eerstvolgende kans zal krijgen om haar te ontmoeten.

Gelukkig is het zo dat vooraleer Marcel zich laat terneerslaan door deze ontnuchterende vaststellingen, hij zich meestal verliest in het concrete spel of in oppervlakkige opmerkingen of in een vluchtige bekoring (knikkers in een kraam).

Toch worden er vorderingen gemaakt. Bijvoorbeeld door middel van een boekje van Bergotte over Racine, dat Marcel haar door middel van een telegram had gevraagd voor hem mee te brengen. En op een dag stelt zij hem voor elkaar te tutoyeren.

Jammer genoeg, beseft Marcel nu, was het zo dat hij moest vaststellen: au moment même, je ne pouvais apprécier la valeur de ces plaisirs nouveaux (404:13-14). Marcel maakt zichzelf tot slachtoffer van zijn eigen overdreven geprakkezeer: zolang de liefde niet is uitgesproken, wordt het mogelijke genot van ‘de kleine gunsten’ (boek, tutoyeren…) ondergeschikt gemaakt aan het vooruitzicht van de nog moeizame, lange weg naar le bonheur que je n’avais pas encore rencontré (404:31).

Het geluk is in elk geval niet volkomen want soms doet Gilberte alsof het haar helemaal geen plezier doet Marcel te zien. Dat zijn de gelegenheden waarbij Marcel  een glimp opvangt van le mystère de sa vie inconnue (406:29-30). Die vervreemding – de ontoegankelijkheid van Gilbertes bestaan – wordt voor Marcel het duidelijkst wanneer hij ziet hoe zij wordt opgehaald door haar vader, M. Swann, die Marcel goed kent van diens bezoekjes aan zijn grootouders in Combray – zonder dat Swann evenwel bij die gelegenheden Marcels speciale belangstelling had weten op te wekken. Nu echter, door de amoureuze bezetting van Gilberte (comme rien n’avait plus pour moi de prix que dans la mesure où mon amour pouvait en profiter (407:40-42)), ervaart Swann un inconnu inaccessible, un charme douloureux (407:4-5). In  Marcels beleving is Swann, de vader van Gilberte, een andere dan Swann, de vriend van zijn grootouders – maar Marcel beseft toch pijnlijk duidelijk dat er wel degelijk een verband tussen die twee moet bestaan, zeker ook in de herinnering van Swann zelf, waardoor hij, Marcel, nu als liefdeskandidaat van Gilberte, in de ogen van Swann (de vader) besmeurd wordt door de identificatie met het kind dat zich indertijd in de ogen van Swann (de huisvriend) belachelijk maakte door van zijn moeder te eisen dat ze hem nog een nachtkus zou komen geven – waardoor hij, de jongere Marcel, het gezellig samenzijn van zijn ouders met de grootouders en de huisvriend Swann verstoorde.

Zonder te beseffen wat ze aanricht, laat Gilberte Marcel weten dat ze de eerstvolgende dagen, en tot na Nieuwjaar, niet naar de Champs-Elysées zal komen. Dat komt hard aan bij Marcel, maar zijn liefde vermindert er niet door. Elke avond opnieuw hoopt hij een brief van Gilberte te ontvangen. Hij verzint hoe die brief er zou kunnen uitzien – maar wanneer hij beseft dat de brief die hij mogelijk zou kunnen ontvangen onmogelijk dezelfde kan zijn als deze die hij verzon, en dat dit zelfs niet wenselijk zou zijn aangezien dat afbreuk zou doen aan de echtheid van haar liefde, begint hij het door Gilberte aan hem overhandigde boek van Bergotte over Racine te lezen. Marcel beseft dat hij van Bergotte houdt à cause de Gilberte (410:29). Met precies hetzelfde gevoel bezet hij de envelop waarin zij het boek heeft verpakt en de knikker die hij van haar heeft gekregen. Maar hij beseft dat zowel de knikker als de tekst van Bergotte ouder zijn dan zijn liefde, dat ze niet anders zouden zijn geweest dan ze nu zijn wanneer Gilberte niet van hem zou houden, dat ze dus onafhankelijk bestaan van die liefde (ondanks de belangstelling waarmee hij ze, door die liefde, bezet) en dat, bijgevolg, rien (…) m’autorisait à lire en eux un message de bonheur (411:6). Dit soort kleine ontnuchteringen zijn als de losliggende draden waarmee dans l’ombre de moi-même une ouvrière inconnue (411:9-10) een patroon weeft dat niet overeenstemt met de wens maar met de werkelijkheid. En die is bitter: Gilberte houdt helemaal niet van Marcel, ja, zij heeft zelfs helemaal geen belangstelling, laat staan bijzondere belangstelling, voor hem. Eindelijk ziet Marcel onder ogen que le sentiment de Gilberte pour moi, trop ancien déjà pour pouvoir changer, c’était l’indifférence (412:32-34). Op basis van dit inzicht vraagt Marcel aan Gilberte de vriendschap die hen bindt te herdefiniëren: de jeter les bases d’une nouvelle amitié (413:1).

3209

Londen - 121231

13 in z/w 101

Herstal

maandag 22 april 2013

13 in z/w 100

Brugge, Beenhouwersstraat

wolken 619-626


wolkenfragmenten uit John Williams, Stoner

619
Het was onbewolkt, de halfvolle maan scheen over een dun laagje sneeuw dat die middag was gevallen. (60)

620
Hij voelde dat hij naar buiten werd getrokken door het wit, dat zich uitstrekte zo ver hij kon zien, en dat deel uitmaakte van het donker van waaruit het oplichtte, van de heldere en wolkeloze hemel zonder hoogte of diepte. (203)

621
De machtige dennen, groenigzwart afgetekend in de sneeuw, verhieven zich majestueus richting de bleekblauwe wolkeloze hemel. (230)

622
De kornoeljebomen langs het voetpad en in de voortuinen stonden in volle bloei, en voor zijn ogen trilden ze als zachte wolken, doorschijnend en teer. (240)

623
Het was aan het eind van de middag, en de zon, die net achter de horizon verdween, wierp een rode gloed op de onderkant van een lange rafelige wolk die in het westen boven de boomtoppen en de huizen hing. (302)

624
Ze gaf geen antwoord, en hij draaide zich weer richting het open raam en zag de hemel donkerder worden, tot er niet meer dan een vage paarsachtige streep op de wolk in de verte over was. (302)

625
Zijn gehoor leek buiten zijn lichaam te treden en als een wolk boven hem te zweven, vanwaar het elk subtiel geluidje aan hem doorgaf. (308)

626
Toen zag hij de hemel buiten, het diepe blauwzwart van de ruimte, en het vage schijnsel van de door een wolk heen schijnende maan. (309)

3208

S. in Londen - 301230

reactie

Laat mij nog even terugkomen op deze foto
die de paradox van het leven insluit.
De metafoor van waarheid en leugen.
 
Er was geen kat te zien.
En als dat wil zeggen: 'er was geen mens te bekennen'
dan is dàt de waarheid. Hic et nunc.
 
Maar, o, contradictio in terminis: er zit een kat. Te zien.
Hoe leugen en waarheid elkaar opheffen. Toedekken.
O, zoete paradox van het leven.

Uvi

zondag 21 april 2013

13 in z/w 99


Sint-Andries

13 in z/w 97

J.

3207

Londen - 121230

geen verloren tijd 48


Ik hervat mijn lectuur van Prousts A la Recherche du temps perdu. Het volledige verslag tot nu toe is hier te vinden.


I:383-393

Parmi les chambres dont j’évoquais le plus souvent l’image dans mes nuits d’insomnie, aucune ne ressemblait moins aux chambres de Combray (…) que celle du Grand-Hôtel de la Plage, à Balbec (383:15-129). Geen kamer zo verschillend van die in het grootouderlijk huis in Combray dan de hotelkamer in Balbec, aan de Normandische kust. Maar net zomin gelijkt het in slapeloze nachten voor het geestesoog gehaalde Balbec op het wérkelijke Balbec. Groot is derhalve het verlangen om naar Balbec te reizen, waar krachten uit een ver verleden zich mengen met straffe stormen (waarvoor Françoise Marcel waarschuwt terwijl ze over de Champs-Elysées wandelen: ze verbiedt hem dicht tegen de gevelrij aan te lopen opdat er geen afgewaaide dakpannen op zijn hoofd zouden vallen; meteen is een verwijzing aangebracht naar de Champs-Elysées, die verderop in dit Plaatsnamen: de naam, een apart onderdeel van de Recherche, een rol zullen spelen). Stormen lijken Marcel overigens, méér dan artefacten, ook deze die schoonheid bedoelen op te wekken, toegang te verschaffen tot de ware schoonheid, les beautés des paysages ou du grand art (384:7). In de schoonheid zoekt Marcel ce que je croyais plus vrai que moi-même (384:8-9), iets van de natuur lós van de mens: la grâce de la nature telle qu’elle se manifeste livrée à elle-même (384:11-12). Het spreekt dan ook vanzelf dat in het ervaren van een dergelijke schoonheid van sporen van menselijke tussenkomst geen sprake kan zijn: de Bretonse stormen moeten inbeuken op een authentieke rotskust, niet op une digue récemment créée par une municipalité (384:19-20).

Marcel beeldt zich tijdens zijn slapeloze nachten in Combray hoe in dat voorwereldlijke kustlandschap achtereenvolgens de Romaanse en de gotische kunst vorm kregen – en door de vermenging van dat voorwereldlijke, onmenselijke, met de middeleeuwse mensenaanwezigheid, vat hij het verlangen op om niet alleen de Balbecse stormen te ondergaan maar ook de uitingen van bouwkunst, zoals die te aanschouwen zijn in de kerk van Balbec, volgens Swann peut-être le plus curieux échantillon du gothique normand (385:1-2). En Marcel droomt weg bij zijn spoorwegmaatschappijfolder, bij de namen van de plekken die de trein aandoet op weg naar Balbec.

Maar Marcels ouders plannen een reis naar Noord-Italië. En bij de toponiemen van dáár horen ándere droombeelden. Marcel wordt van het ene verlangen – Balbec en storm – naar het andere geslingerd – Fra Angelico, Firenze en frisse lente. Hij koppelt de verlangens aan de namen, zodat hij voortaan niet enkel bij storm aan Balbec kan denken; de naam Balbec volstaat, ook midden in de zomer, om in hem het beeld van een storm te ontketenen. En net zo kan hij midden in de winter, wanneer van een reis naar Noord-Italië geen sprake kan zijn, bij de naam Firenze wegdromen bij Noord-Italiaanse beelden…

Doordat de eigennamen zo individueel zijn, riskeren ze zich van de werkelijkheid te onttrekken, waardoor je je een onrealistisch beeld van die stad (of persoon) vormt en een confrontatie ermee in de werkelijkheid je alleen maar kan ontgoochelen. Dit in tegenstelling tot woorden, die een bepaalde klasse van dingen aanduiden, choses conçues comme pareilles à toutes celles de même sorte (387:41-42): daar steekt het zo nauw niet, de betekenis is min of meer abstract. Een eigennaam dekt altijd een concrete, unieke inhoud.

Namen zijn bovendien kort en je kunt er maar weinig herinneringen of beelden in kwijt, alles bij elkaar niet meer dan een paar summiere indrukken. De naam ‘Balbec’ bevat voor Marcel niet veel meer dan: des vagues soulevées autour d’une église de style persan (389:31). Proust bedenkt meteen: Peut-être même la simplification de ces images fut-elle une des causes de l’empire qu’elles prirent sur moi. (389:32-33) Samengeperst in de naam, laten de gecomprimeerde beelden zich gemakkelijker bevatten en kunnen ze ook beter een indruk maken.

Wanneer Marcels vader beslist om naar Florence en Venetië te reizen, begint Marcel in die namen een hele droomwereld te projecteren, gevoed door voorstellingen en lectuur van reisgidsen. Hij zet in die mate zijn verbeelding aan het werk, dat het moeilijk wordt zich te realiseren dat die plaatsen ook echt op een aanzienlijke afstand van de plek waar hij ze zich voorstelt bestaan, à une certaine distance de Paris qu’il fallait absolument franchir si l’on voulait les voir, à une certaine place déterminée de la terre, et à aucune autre (392:17-19). De concrete plannen van zijn vader om naar Venetië te reizen en Marcel mee te nemen, vervullen Marcel met dermate extatisch-verlangende droombeelden, die zozeer verwijzen naar de onontkoombare échtheid (in ruimte én tijd; de steden Venetië en Florence zullen op die en die onherhaalbare dag worden bezocht), dat hij er ziek van wordt en niet mee kan reizen.

vrijdag 19 april 2013

13 in z/w 94

Lille

3205

Londen - 121230

facebookbericht 373


"Ik denk dat we jarenlang een verkeerd idee hebben gehad over wat democratisering van het onderwijs precies inhoudt." (Stefan Hertmans) De ware democratisering van het onderwijs heeft niets met het wegwerken van drempels te maken maar alles met het klaarmaken voor de democratie. 't Is maar wat je onder het werkwoord 'democratiseren' verstaat: niet het onderwijs moet gedemocratiseerd, wel zij die onderwezen worden.
 

woensdag 17 april 2013

Charlotte Mutsaers, Dooier op drift


Lief en leuk en intens vilein

De presentatie van Charlotte Mutsaers’ nieuwe bundel Dooier op drift was een presentje voor haar verjaardag. Ze werd zeventig en daarover schreef ze het slotgedicht ‘Zeventig’:

De zilte struiken hielden mij
voortdurend uit de slaap
de honden naast me
dreven langs voor aap

Koreaanse oesters  met Koreaanse baarden
zeepaarden gestuwd door paardenstaarten
dennenstroop met tuiten langs de mastschacht
korenaren wiegend in de zweetnacht

Zo sliep ik in
mijn bed op open zee
alles normaal alleen
mijn leeftijd vreemd

Slapeloos in de eerste, ingeslapen in de laatste strofe. En tussen beide een catalogus van Mutsaersiaanse items, onder meer dennen (Zeepijn) en paarden (Paardenjam). De toon blijft op het eerste gezicht speels en onschuldig. Maar in de laatste strofe treedt de onrust binnen. Het enjambement van regel 1 op 2 scherpt het eufemistische ‘inslapen’ aan; in regel 3 klopt de eenzaamheid op de deur en de slotregel reveleert de angst voor de leeftijd: zeventig is, hoe jong van hart je nog bent, niet echt jong meer.

Dit gedicht krijgt een bijzonder statuut niet alleen doordat het de bundel afsluit maar ook doordat het door middel van een witpagina van de zesendertig andere gedichten is afgescheiden. Die zesendertig vallen op hun beurt in zes groepen van ongelijke omvang uiteen; zo ontstaat een geheel van zes afdelingen en de coda ‘Zeventig’. Opvallend is ook dat de bundel twéé titelgedichten bevat: twee gedichten die ‘Dooier op drift’ heten. Het eerste sluit de vijfde afdeling af, het tweede staat in de zesde afdeling.

Het eerste titelgedicht begint zo:

Een eivol ei
op een witte schimmel
zoals ik het zeg
een eivol ei
op een sneeuwwitte
schimmel
en de dooier
die men niet zag

De beschrijving van dat hippische ei begint met een pregnante waarneming: het ei is niet zomaar vol, het is eivol. (Zoals de schimmel ook niet zomaar wit is maar sneeuwwit.) Daar had ik nooit bij stilgestaan, dat een ei eivol kon zijn. Ook niet bij de mogelijke werkelijkheid waarin een ei een schimmel berijdt. Daarom, omdat ik daar nooit eerder had bij stilgestaan en omdat zij dat wéét, spreekt Mutsaers mij rechtstreeks aan: luister goed, zegt ze, het is ‘zoals ik het zeg’, en ze herhaalt de eerste twee regels. Maar dan zegt ze het natuurlijk weer niet zoals ze het de eerste keer heeft gezegd want die schimmel is nu niet meer wit maar sneeuwwit (en het adjectief en het substantief staan ook niet meer op dezelfde regel). Mutsaers scherpt de blik aan, ook voor wat niet kan gezien worden – maar wat er wél is: zij vraagt aandacht voor ‘de dooier / die men niet zag’.

En dan gaat het gedicht verder: een ‘ruiterkekuikerke’ komt – ‘Piep!’ – uit het ei tevoorschijn en wordt zo een vertegenwoordiger van het gild der ‘snaveljockeys in galop’. Alles volgens de eigen gekke logica van dit gedicht en van, bij uitbreiding, Mutsaers, die voor dit soort logica’s een zwak heeft. Let op, waarschuwt ze, want daar komt uit de tegenovergestelde richting, ‘Dwars tegen / rijmrichting spokend’ spookrijder ‘Verlichting’ aangereden. De ‘gevederde baby’ loopt gevaar. Een botsing is niet te vermijden:

Maar nee pardoes in het teer
zwarte asfaltlijm
plus gele bontekont
blood on the tracks

Zwart en geel en (rood) bloed brengen Mutsaers bij de Belgische vlag: niet het enige element dat naar haar particuliere wereld verwijst want in dat gekke land verblijft ze vaak. In dit gedicht vinden we ook: haar dierenliefde, het bont dat verwijst naar de titel van een autobiografisch boek van Mutsaers – en er is ook sprake van schilderkunst, een activiteit die Mutsaers naast het schrijven met, vergeef me de woordspeling, verve beoefent. Mutsaers vertelt in dit eerste titelgedicht op onrechtstreekse wijze over zichzelf, en dat doet ze ook in de laatste strofe – al klinkt die wel veel minder luchtig (en kluchtig):

Ik heb het al vaker gezegd:
men kan niet aan mij zien
wat ik allemaal weet
van wat er
van anderen
zal kunnen
geworden

Hier zegt de dichteres voor haar doen expliciet hoe je haar het best leest: achter de façade van lichtheid en kleur – zoals ze ook in haar uiterlijke verschijning is: slank en kleurrijk – gaat de bereidheid schuil om de ernstige thema’s niet uit de weg te gaan.

Mutsaers’ gedichten zijn luchtig, ook in hun vorm (die vaak doet denken aan kinderliedjes of aftelrijmpjes of klankgedichten van Paul van Ostaijen). Maar ze snijden uiteindelijk wel zware thema’s aan. Het gaat vaak over de dood. Enfin, het gaat in Dooier op drift eigenlijk bijna altijd over de dood – en wat je daartegen kunt inbrengen. De dood van vrienden, van individuen, van de ik zelf – maar ook de dood in een ruimere gedaante, die van de levenbedreigende catastrofe die, met welhaast kosmische impact, op ons af lijkt te komen:

Na de nieuwe Big Bang
is dit alles voorbij
de kip en het ei
en ook zij

Natuurlijk verwijst die dooier ‘die men niet zag’ uit dat eivolle ei niet alleen naar een nieuw begin (er komt een kuiken uit voort) maar ook, door de woordovereenkomst, naar de dood. Dood, dooier, doodst. Die dood ziet men aanvankelijk (wanneer men jong is) ook niet, maar hij is er wel en komt uiteindelijk ook uit het leven voort.

Al meteen doet de dood in deze bundel zijn intrede. In het openingsgedicht ‘When walls come tumbling down’ vreet Kronos ‘met smaak / zijn eigen kinders / op’, maar dat is ‘peanuts / naast / de aangevreten / hartenklop’. En in gedicht nummer twee, ‘Als het klokje binnenkomt’, komt er, zoals de titel al laat vermoeden, een klok binnen: het is de tijd die het leven binnentreedt en er dus niet altijd is geweest. Opeens is hij daar, ‘en het is nog niet zo laat’ en ‘er rest nog volop tijd’ – maar hij is daar toch maar mooi, met zijn ‘splijtzwam’ en zijn ‘hamvraag’. De tijd brengt als ongenode gast een onprettige tijding. (In het gedicht ‘Koekoekeenzang’ vraagt Mutsaers de koekoek om terug in zijn klok te kruipen: ‘Kruip terug / in je klok / en laat ons / met rust’.) Je kunt de gast paaien en hem bijvoorbeeld een glas ‘côte de nuits’ aanbieden. Wat dan ook gebeurt in gedicht nummer drie:

en zeg dan
proost mensen
en nogmaals proost
op (…)
het voorbij
gefladderde
allengs afgebladderde
lieve lieve leuke leuke
intens vileine leven

Geniet ervan, nu het nog kan. Nu de vrienden er nog zijn – maar er zijn er al veel vertrokken als je zeventig wordt. Vriendschap sluiten kun je zoveel je wilt maar er is er maar een ‘die recht van sluiten / heeft’ en dat is ‘de nietsontziende / claviger / geheten / Dood’ (in ‘Clausules der vriendschap’; een claviger is een sleuteldrager of conciërge).

In het gedicht ‘Alles van plastic is weerbaar’ (de hint naar de vaak aangehaalde Lucebert-quote is ei zo na opzichtig) bezoekt de ik op een aan zee gelegen ‘sluimerend kerkhof’ het graf van Ensor: ‘bloemen verwelken en schepen / vergaan bij bosjes hier aan de zee / maar alles wat dood is blijft eeuwig / bestaan en leeft levenslang met u mee’. Connotaties? Ah, ze zijn talloos. Alleen al in die laatste twee regels lezen we: de dood is eeuwig; hoe bestaat het?; levenslange opsluiting; medeleven… (In dat medeleven herken ik de kunst als troost, de kunst van Ensor maar ook van Mutsaers want zij bikt naast zijn naam de hare op zijn zerk)…

‘Alles van plastic is weerbaar’. Een ander gedicht heet ‘Kunststof’. Daarin wordt een dode vermalen ‘door het molenwiekend / kakement ener vuilniswagen’. Je kunt dan iets doen, iets maken ter nagedachtenis…

Opdat het strookt
voor eeuwig strookt
met de gevoelswaarde.

Maar dat zo’n artefact als gedenkmaal zal tekortschieten, is wel zeker. Of neem ‘In vitro’, waarin we een handleiding aantreffen om een pluisjesparasol van een paardenbloem te fixeren met haarlak. Het resultaat is mooi, maar wat heb je dan? Mutsaers lijkt te willen zeggen: je kunt de dood te lijf gaan met kunst, maar daarop zit, door het onvermijdelijk artificiële, altijd verlies. Of, omgekeerd geformuleerd (en dat zal haar behagen, dat omgekeerd formuleren want zij houdt ervan je met een ander perspectief op het verkeerde been te zetten): enkel de dood is authentiek.

Er lopen nogal wat kunstenaars in deze bundel rond. Ensor, Dalí, Raveel (die voor zijn negentigste verjaardag het gedicht ‘Vader & velo’ krijgt aangesmeerd), Bach (‘Op naar de Goldberg’), Louise – zo wreed / (…) opgezadeld / met de naam – Bourgeois, Umberto Eco (‘De geur van de roos in de naam’), Kafka (‘Herziene uitgave’), Proust (‘Kein peur mon trésor’), Deleuze (‘Inktlap als schaamlap het beste’), Rembrandt en Vermeer (in de eerste ‘Dooier op drift’), Ingmar Bergman en Woody Allen (in ‘Rum is meer dan Bergman, Fidel Castro en sigaren’ waarin verder ook The Beatles en de meidengroep Dolly Dots figureren), Kierkegaard en Mulisch en nog eens Kafka (‘Gehoornd bestek’)… En verder ook nog – impliciet via Engelse songtekstquotes –: Dylan in het citaat ‘blood on the tracks’, of Trini Lopez’ ‘If I had a hammer’ in ‘Keer omme, keer omme’, of Lennon in ‘“Help me, help me, help me through the night”’ (waarin ook de Strauss van de ‘Radetzkymars’ voorbijmarcheert, en de Ravel van ‘Gaspard de la nuit’ komt aandobberen). Ik bedoel maar: Mutsaers lijkt alleen maar een kinderlijk-onnozele-argeloze troostapotheek tegen Weltschmerz te bestieren (met middeltjes tegen ‘de stinkende / angst van het ik’), in werkelijkheid verwerkt zij, als verweer tegen het verderf, bibliotheken, discotheken en pinakotheken tot openbloeiende gedichtboeketten vol geurende schoonheid. En ze spuit er een klik haarlak over.

Dooier op drift is een onmisbare aanvulling op het Mutsaers-universum dat u nu maar dringend eens moet betreden, het is de hoogste tijd.
 
Charlotte Mutsaers
Dooier op drift
De Bezige Bij, Amsterdam, 2012
78 p./ € 17,90

Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2013-1