maandag 9 november 2009

random 4

Start mijn bevroren
hart, keer om en kras
verloren kronkels
op mijn levensweg.

dag 801 – 091026 maandag

overschrijven 130

…zelfs als u, buiten iedere baan om, met de samenleving alleen een vluchtig en zelfstandig contact had gezocht, zou dit benauwende gevoel u niet bespaard zijn gebleven. Het is overal zo, maar dat is nog geen reden om bang te zijn of bedroefd; als er tussen de mensen en uzelf geen verbondenheid is, probeer dan de dingen nabij te zijn: zij zullen u niet in de steek laten. Nog zijn de nachten er, en de winden die door de bomen waaien en over vele landen; nog is onder de dingen en bij de dieren alles rijk aan gebeuren, een gebeuren waaraan u mag deelnemen; en de kinderen zijn nog zoals u als kind bent geweest, zo bedroefd en gelukkig – en als u aan uw jeugd denkt, dan leeft u weer onder hen, onder de eenzame kinderen, en de volwassenen zijn niets, en hun status bezit geen waarde.

Rainer Maria Rilke, Brieven aan een jonge dichter, vertaling Theodor Duquesnoy, Balans 2004(10)

facebookbericht 137

las de beleefde brief van Luckas Vander Taelen, vandaag in De Standaard, aan Kristien Hemmerechts, die hem vorige week op een blog van deredactie.be (in een stukje over Benno Barnard) onwaarschijnlijk brutaal schoffeerde.

1952

Ieper - 091101

zondag 8 november 2009

random 3

Kijk mij hier zitten verdorren.
De bloem van mijn jeugd, roze
blozend, veegt mij de vloer aan.
Geen stok kan haar verjagen.

dag 800 – 091025 zondag

droom #31
Op het braakliggende terrein achter mijn ouderlijke huis is een enorme berg opgerezen. Ik besluit die berg te beklimmen maar heb blijkbaar, wanneer ik een vooruitspringend deel van de rotswand probeer te passeren, niet voldoende vooraf de moeilijkheidsgraad ingeschat want ik kan op een gegeven ogenblik noch voor- noch achteruit. Als in een onhandige omhelzing sta ik daar geblokkeerd. Ik peil de diepte achter mij, beoordeel de mogelijkheid om door andere klimmers uit mijn hachelijke positie bevrijd te worden (géén mogelijkheid), en besluit dat redding alleen van hogerhand kan komen: door middel van een touw dat van boven op de rots wordt neergelaten of desnoods uit een helikopter. Lang mag het in elk geval niet duren want ik voel hoe de krachten razendsnel uit mijn armen verdwijnen… Zal ik tijdig worden gered…?

1951

P.

zaterdag 7 november 2009

random 2

Geen torenspits drijft een
wig in dit koppel van
– nog steeds – geliefden.
Enkel een pot geraniums.

debuut 13

Genese

Met Baaierd is Henry Sepers (1955) niet aan zijn proefstuk toe. Hij publiceerde tussen 1993 en 2005 liefst vijf romans. Maar dichten heeft hij altijd al gedaan. Gedichten van hem verschenen eerder, nogal sporadisch, in enkele tijdschriften. Maar Baaierd is wel degelijk zijn debuutbúndel.

Iemand die al vijf romans heeft geschreven, treed je, onwillekeurig, op een ‘aangepaste’ manier tegemoet. Schroomvol, schoorvoetend. Van zo iemand kun je wel iets verwachten.

De titel van de bundel keert terug in het openingsgedicht ‘Baaierd’ van de derde cyclus, die ‘mythisch’ heet. Het is een gedicht over de oorspronkelijke chaos waaruit nieuwe dingen kunnen ontstaan. Laat ons misschien dáár beginnen – niemand zegt dat dat niet mag en hier lijkt het bovendien niet ongepast.

Als je de baaierd terugbrengt een mengelklomp
van zaden hun lompe plompe zwaarte
innerlijk strijdig in modder je roert
het droge door vocht het harde door
zacht heilige en zondaar man en
vrouw versmelt je tot amalgaam
vereencelligd in oersoep

als je de baaierd terugbrengt en de wateren
vergaderen niet langer maar verenigen
zich met uitspansel en jij roept
(nogal hysterisch)
er zij duisternis! duisternis!

dan pas valt er weer te scheppen

Als je alle onderscheiden hebt weggewerkt, alle tegenstellingen hebt ongedaan gemaakt, alle individualiteiten hebt opgeheven, en als je na een soort van omgekeerde beweging te hebben gemaakt, van licht naar duisternis in plaats van omgekeerd, als je ‘(nogal hysterisch)’ en eenzelvig bent ‘vereencelligd’ en terug in die baaierd bent gekeerd, dan kun je weer opnieuw beginnen. Schep maar op, die oersoep!

Een baaierd, leert Van Dale is, behalve een passantenhuis, een nachtasiel of een gelagkamer, ook: ‘de ongevormde elementen waaruit naar het boek Genesis de aarde is geschapen, syn. chaos’.

Maar ‘passantenhuis’ houdt in het geval van Sepers ook wel steek want Sepers reist graag en heeft al vele watertjes doorzwommen.

Van die derde cyclus, ‘mythisch’, zijn, blijkens de aantekeningen, een aantal gedichten geïnspireerd door de Metamorphosen van Ovidius. Twee tegenpolen staan al in het geciteerde openingsgedicht – ‘ het harde door / zacht’ – en dat begrippenpaar komt vaak terug: mensen die in standbeelden veranderen, die dan met mos overgroeid raken, of ze worden een boom en grijpen met hun takken naar de lucht en graven met hun wortelen in de bodem. Het zijn, als ik het me goed herinner want het is een eeuwigheid geleden dat ik Ovidius ter hand nam, ook motieven die in de Metamorphosen voorkomen, inderdaad.

Zo in ‘Daphne’:

[…]
springt de player op Pegasus briest zijn
bloedmotor scheurt hij haar achterna
over de provinciale weg

remt het meisje zo schielijk dat zij de berm
inschiet en zich daar plant voor eeuwig sluit
zij de benen achter schors kreunt haar hart
armen reiken als hemeltakken

boort de god zich in haar sterft aan haar stam

Een hilarisch accident is dat overigens want ‘de god van de polder’ die ‘in disco De Zon’ zijn oog had laten vallen op de preutse ‘blonde chick’ was eerder op de avond al op haar kuise njet gestoten.

Het fragment is, overigens, stilistisch representatief: zeer verhalend en met talloze enjambementen die het hoge prozagehalte nauwelijks vermogen te verdunnen (verdichten) en verraden dat de dichter al vijf romans in de vingers heeft en dus graag vertelt.

Sepers laat ook intelligent zijn gedichten in elkaar overgaan door motieven van het ene naar het andere mee te nemen. In ‘Erysichthon (1)’ vinden we die boom terug waarin de god van de polder zich op voor hem onverwacht aseksuele wijze heeft geboord:

Uit de bast van de boom kwam het bloed
en het bloed kwam uit god en het bloed was god
[…]

U kent dat riedeltje wel. Zijn herkomst verhoogt de ‘mythische’ impact in aanzienlijke mate. En we zijn meteen terug in Genesis, het allerprilste begin, nog vóór het begin eigenlijk, de vereencelligde oersoep waaruit de dichter, mits goed roeren en op smaak brengen, alles opnieuw kan doen ontstaan. Hoewel, de poëet heeft maar een geringe macht, ‘het moorden’ van ‘krijgers en snevers’ kan hij niet stoppen – en dan gaat het zo verder in het gedicht ‘Lampetides’:

als een pianist in de saloon niet schieten niet schieten
begeleidt de poëet het onritmische gereutel
want cultuur is commentaar is niet leven laat het leven
en nu hij zelf ter aarde stort en gaat zingen voor de schimmen
klinkt het laatste levenslied als een hymne voor de dood

Dat is dichten: niettegenstaande, toch. Of ook: ‘geen geil zonder dood’ (‘Traciaensche wijnpaepinnen vallen Orpheus aan’) maar er had ook ‘heil’ kunnen staan denk ik dan.
Over de eerste twee afdelingen dient zeker ook nog iets gezegd. In de veel toegankelijkere gedichten van de eerste cyclus ‘nostalgisch’ harkt Sepers zijn jeugdsentiment aan.

‘Verbijsterend was de naaktheid van de christelijke meisjes.’ De anekdoten die hier worden opgedist zijn in zekere zin ook ontstaansmythen en passen dus heel goed bij de lijn die in deze bundel wordt opgezet: van scratch herbeginnen. Het gaat over christelijke indoctrinatie en seksueel ontluiken, wat mooi samenkomt in de verzen over ‘[m]ijn eerste meisje’: ‘Nam ik haar mee naar huis en haar billen / werden een opengeslagen Bijbel. / Las ik haar stiekem onder de lakens.’ De vader, die al in de eerste regels de concurrentie moet dulden van de hemelvader – ‘Hij had ons zelf / gemaakt en daarom hielden we van hem. Omdat hij nooit iets / terug zei, zeiden wij hetzelfde. Zegen. Spijze. Oude wijze.’ – delft het onderspit maar kan niettemin op zoonliefs mededogen rekenen: ‘O moge mijn vader na zijn dood naar de hemel gaan / dat het geen bedrog is geweest, / zijn Boek geen leugen.’

In de amper zes gedichten tellende middencyclus ‘aride’ ten slotte bevinden we ons, de titel zegt het zelf, in de woestijn. De woestijn die overblijft, zou je kunnen denken, als al het jeugdsentiment is opgeruimd. Hier moet opnieuw iets ontstaan want de woestijn is te leeg. ‘Er is de luchtspiegeling van een sprinkhanenrace tussen / twee volkeren.’ De woestijn is zo leeg ‘dat men besluit de mode in te voeren / van de zoutpilaar’. God heeft al evengoed iets luchtspiegelingachtigs, Hij is niets meer dan ‘het kruid van onvruchtbare streken’. Hier kan misschien iets nieuws ontstaan – maar de maker moet zich bewust zijn van het contingente karakter van zijn interventies: ‘er zijn duizend andere vormen van genese’. Dat noopt tot bescheidenheid maar het maakt je ook heel vrij. Precies wat de dichter nodig heeft! Hij dient echter wel op te letten want eens benoemd komen ‘de dieren, planten, dingen’ […] niet meer / los van zichzelf’. ‘De leeuw werd gekooid in zijn leeuwheid.’

Baaierd van Henry Sepers is een dichtbundel die pas na vele lectuurbeurten zijn geheimen begint prijs te geven – en dan nog. Je zou het, enigszins gedragen, de genese van een authentiek en waardevol dichterschap kunnen noemen.

Henry Sepers
Baaierd
De Arbeiderspers, Amsterdam, 2009
59 p./ € 17,95

Deze recensie verscheen in Poëziekrant 5, 2009

random 1

Een rode dame
naast een wankele muur.
Een wandeling van een uur
in zomers Zwankendamme.

facebookbericht 136

is – maar u zult het misschien pedant vinden dat ik het hier zo onverbloemd zeg – de thematische verwantschappen tussen De dood in Venetië van Thomas Mann en de Phaedrus van Plato aan het uitvlooien.

1950

G.

vrijdag 6 november 2009

dag 798 – 091023 vrijdag

In Das weisse Band schildert Michael Haneke een zeer streuveliaans dorpsdrama: boeren, de baron, de dominee. Seks, primaire drijfveren, bruut bestiaal geweld. De façade van keurigheid voor de buitenwereld, de duistere onderkant. Angst voor kerk en gezag. De moeders, de vaders. Ja, vooral de vaders: zij houden de teugels strak, zij vieren hun lusten bot, zij terroriseren alle andere levende wezens. Zij bepalen wat goed is en wat kwaad, zij delen straffen en beloningen uit. Zij bepalen de norm.

Het zwart-wit van de film is behalve oogstrelend en uitermate geschikt om die vergane wereld te tonen ook zeer functioneel om de morele invalshoek kracht bij te zetten: die wereld was ook zwart-wit – in die zin dat goed en kwaad nog duidelijk van elkaar gescheiden waren en iedereen wist waaraan zich te houden.

De vaders. Zij verzekeren de continuïteit van deze eeuwenoude samenleving die, desalniettemin, op het punt staat te verdwijnen. En wel zó grondig dat alle conflicten, hoe gruwelijk en ingrijpend ook, peanuts blijken in het licht van wat uit te breken staat: de Eerste Wereldoorlog. Want dáár heeft Haneke het over: hij doet, door in een willekeurig Duits dorp het kwaad uit te vergroten, een poging om te verklaren hoe het mogelijk is geweest dat in 1914, en dan nog eens in 1933, het absolute kwaad is kunnen openbarsten en hoe daardoor die hele middeleeuwse, nog feodale, streng en stevig gestructureerde samenleving is weggevaagd. (Het zich ontdoen van de vaders, en van hun driften en grillen, mag dan al geen achteruitgang worden genoemd – de vraag is wat wij daarvoor in de plaats hebben gekregen. Fanatisme, irrationaliteit, hysterie. Een nieuwe structuur die leven en dood even strak en doelmatig regelt? Neen, ik dacht het niet.)

Zeggen dat Haneke aantoont waar het fascisme is ontstaan, is simplistisch. Akkoord, het witte lint dat de kinderen om de arm wordt gebonden wanneer zij gezondigd hebben en zich aan de door de vader (door wie anders?) geregelde zuivering moeten onderwerpen, is een verwijzing naar dat andere markante kenteken waarmee de Duitsers twee decennia later een bepaalde bevolkingscategorie zouden aanpakken – maar dat is maar één aspect. Niet elke rurale samenleving is in fascisme uitgemond. Je kunt hoogstens stellen dat fascisme een mogelijk uitvloeisel is van een dergelijke paternalistisch, autoritair en totalitair gestructureerde samenleving (waarin het volgende dorp en al zeker de stad, met al haar kwalijke verlokkingen, schier onbereikbaar waren).

Een van de meest opvallende kwaliteiten van dit meesterwerk (naast de acteerprestaties, naast het ijzersterke scenario, naast de dwingende vertelling) is, wat mij betreft, de fotografie. Ik moest voortdurend denken aan het beeld dat August Sander van zijn wereld heeft proberen over te leveren. Sander startte zijn megalomane project om een staalkaart van Duitsland samen te stellen in… 1913.

De fotografie in deze film is technisch perfect: belichting, contrast, composities… En dit zonder dat het ook maar één keer té esthetisch wordt. Een van de opvallendste fotografische kwaliteiten is de kadrering. Zeker als er landschappen in beeld worden gebracht. Ik herinner het mij nu niet meer precies maar het komt mij voor dat er herhaaldelijk een landschapsbeeld is met een bijzonder hoge horizon. Bijna het volledige beeld wordt dan ingenomen door een besneeuwde akker of een korenveld. Er is dan heel veel bodem in beeld. Bloedbanden spelen een grote rol, de bodem al evenzeer. De mensen leven ervan. Maar de disproportie tussen hemel en aarde brengt in deze vreemd gekadreerde beelden nog iets anders tot uiting: het is alsof het aandeel hemel in een zo precair en simpel bestaan, spijts alle gebeden, nooit echt groot kan zijn.

Een ander opvallend shot krijgen we helemaal op het eind van de film. We zien de kerk. Geen mensen op het plein, alleen die oude romaanse kerkgevel. Een gebouw dat de tijd overleefd heeft. Drie opeenvolgende shots: dichtbij, verderaf, nog verder. In het eerste beeld is de kerk monumentaal, in het laatste klein en nietig. Offscreen wordt verteld wat er met de dominee verder nog gebeurt – hij verlaat het dorp en het laat zich aanzien dat ook God zijn greep op de dorpelingen lost.Dan wordt in Sarajevo een schot gelost. Een vorst sterft, de 20ste eeuw kan beginnen.

facebookbericht 135

vraagt zich af of het echt wel een goed idee is topsporters af te rekenen op hun bureaucratische kwaliteiten.

1949

M. en G.

donderdag 5 november 2009

uit het nieuws

Ik heb, op suggestie van mijn facebookvriend Luckas Vander Taelen, de blogs van Kristien Hemmerechts ('Benno Barnard') en Lucas Catherine ('Rellen in de Bozar') op www.deredactie.be gelezen en ben van de ene verbazing in de andere gevallen.

Catherine stoort zich aan het feit dat het drukke culturele leven der Marokkanen in Brussel niet wordt gecoverd door de Belgische ‘autochtone’ media, Hemmerechts ergert zich aan het ‘gezwollen ego’ van Benno Barnard, die recent, samen met enkele andere als links gecatalogeerde intellectuelen (Van Istendael, Vermeersch…), een flinkse positie heeft ingenomen in de discussie over de integratie van allochtonen in onze maatschappij (of het ontbreken van die integratie). Tweemaal was mijn verbazing groot en ik kan iedereen aanbevelen deze blogs te gaan lezen. Hemmerechts’ venijnige commentaar tart elke verbeelding. Ik voelde mij dan ook verplicht erop te reageren – benieuwd of de blogmoderator mijn reactie zal laten passeren:

Mevrouw Hemmerechts,
U brengt geen enkel inhoudelijk argument aan om de discussie te voeden, dus waarover hebt u het eigenlijk op dit podium - want dat is het toch? Qua retoriek kunt u een punt zuigen aan de kwaliteiten op dat vlak bij uw collega-schrijver Benno Barnard. Uw aanval ad hominem ten aanzien van de heer Vander Taelen is buitengewoon laag.
Ik begrijp dat een moderator de commentaren beoordeelt, maar misschien zou dat ook moeten gebeuren voor de stukken zelf. Ik mag hopen dat u voor dit venijn niet betaald wordt door De Standaard.
Vriendelijke groet,

Pascal Cornet

facebookbericht 134

heeft het afgelopen kwartier twee gesprekjes gehad met twee oude vrouwen met wie hij al jaren onder hetzelfde dak woont maar die hij alles bij elkaar misschien nog maar een keer of vijf heeft gezien.

1948

Naar West-Vleteren in de regen – 091101

woensdag 4 november 2009

dag 797 – 091022 donderdag

baraque lecture 37

In de vroege jaren zestig, het moet zo ongeveer ten tijde van het Vaticaans Concilie zijn geweest of kort daarna, gaf Julian Barnes een tijdje les in een katholieke school in Bretagne. Een van de paters die daar toen nog verbleven en werkten maakte zich zorgen over het feit dat Julian niet gedoopt was: ‘als ongedoopte maakte ik geen kans om in de hemel te komen’.

Deze passage uit Niets te vrezen is een van de talrijke in dat boek over godsdienst. Barnes vertelt in dit boek, dat hij uitdrukkelijk géén autobiografie noemt, onder meer over zijn ontwikkeling van atheïst tot agnost. Daarbij komt het agnosticisme toch enigszins in de buurt van een religieuze houding, alleen al omdat de rationaliteit er gedeeltelijk in achterwege wordt gelaten: de agnost zegt niet dat hij niet gelooft, zoals de ongelovige, en al evenmin, zoals de atheïst, dat hij wéét waarom hij niet gelooft, hij zegt enkel dat hij ‘het’ niet kan weten – hij schort daarom elke uitspraak over het bestaan van God of hemel op.

Maar goed. Het door de pater in Barnes’ Bretoense school uitgesproken zinnetje doet mij aan iets anders denken. Ik zet er een publiciteitsspotje naast, zoals wij het dezer dagen op de radio kunnen horen. Een man spreekt bij de hemelpoort Sint-Pieter aan. Hij verkoopt wentelpoorten en probeert er Sint-Pieter een aan te smeren. ‘U zult ermee in de hemel zijn!’, luidt het ultieme verkoopsargument.

Een redelijk geslaagde Witz, u zult mij hier niet gecrispeerd horen zijn. Een wentelhemelpoort, haha. En Sinte Pieter ernaast met zijn grote sleutel. Op een wolk. Je kunt er zo een cartoon bij maken.

Maar de grap – en daarover heb ik het hier – is volstrekt incompatibel met de leefwereld van de pater van Barnes. Niet dat die er niet tegen zou hebben gekunnen: we hadden in die tijd in de Lage Landen toch ook Fons Jansen (De lachende kerk) en Frater Venantius? Juist. Maar hun grappen en grollen zetten zich af tegen de achtergrondruis van katholieke controle op de geesten en fundamentalistische bigotterie. Nu is zo’n wentelpoortgrap niet veel méér dan een woordspeling. Niemand die er nog wakker van ligt.

Je ziet ze daar al zitten brainstormen in het bureau dat de reclame voor Hörmann-wentelpoorten heeft gemaakt. Wat denk jij bij ‘poort’? Kasteelpoort, digitale poort, de enge poort… Neen, daar valt niets mee te doen. Hémelpoort, dat moeten we hebben! Niet één hippe kerel in dat bureau die langer dan een nanoseconde aan de religieuze connotaties van dat woord denkt en aan de mogelijkheid dat sommige gelovigen zich eraan zouden storen dat een van de begrippen waar zij mee werken hier met oneigenlijke doelstellingen voor ogen wordt gebruikt.

Frater Venantius en Hörmann: dat zijn twee totaal verschillende werelden. Of neen, père Hubert de Goësbriand uit dat Bretoense schooltje en Hörmann. Die zitten, met hun trema’s, op de beide uiteinden van het spectrum tegenover elkaar – zo ver van elkaar verwijderd dat ze elkaar niet eens zouden begrijpen indien ze met elkaar zouden spreken. Venantius uit Schin-op-Geul is al cynisch genoeg om ergens tussen beide in post te vatten…

Tussen de denkwerelden van Goësbriand en Hörmann is geen vergelijk meer mogelijk. De kloof is onoverbrugbaar: wat de een zegt is voor de ander onbegrijpelijk en onnavoelbaar geworden.

Het is voor ons volstrekt onbegrijpelijk dat ooit, lang geleden, in het begin van de jaren zestig om precies te zijn, in het verre Bretagne, een pater met een mooie, adellijke naam heeft rondgelopen die in alle ernst kon beweren dat ongedoopten geen kans hadden om in de hemel te komen. Dat te beweren of te geloven, is een anomalie geworden. (En zolang het nog niet volledig een anomalie was, had je in de zaal bij Jansen of Sonneveld nog dat bigotte gegniffel.)

Door deze paradigmawissel (de term is van wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn) kan Julian Barnes over het christendom spreken als over een ‘dode’ religie. ‘Hoe zal het zijn wanneer het christendom op de lijst van dode religies komt en aan de universiteit als leergang volkskunde wordt gegeven, als godslastering niet meer legaal of illegaal is, maar simpelweg een onmogelijkheid wordt?’ De gedachte is fundamenteel. Het gaat om niets minder dan een copernicaanse wending. Het christendom wordt, samen met zijn gebruiken, betekenissen, contexten… volstrekt vreemd, even vreemd als de natuurreligie van een of andere Papoeastam of als de manier waarop, zoals Michel Foucault in Les Mots et les choses vermeldt, een Chinese encyclopedie het dierenrijk onderverdeelde in: dieren die de keizer toebehoren, gebalsemde, tamme, speenvarkens, sirenen, fabeldieren, loslopende honden, dieren die in deze indeling voorkomen, dieren die in het rond slaan als gekken, de ontelbare dieren.

Dan komen we in situaties zoals de hier volgende, zoals Julian Barnes haar in zijn interessante, knap geschreven, boeiende maar ook moeilijke boek Niets te vrezen beschrijft. In een museum staat hij een wijle stil voor een schilderijtje. Jezus Christus, de afgebeelde figuur, toont zijn wonden aan twee bij zijn voeten geknielde heiligen die elk hun symbolen showen: een lelie en een zwaard. Barnes beschrijft het schilderij van Petrus Christus met de gepaste ingetogenheid, maar moet toch tot de vaststelling komen dat het religieuze voor hem ondergeschikt is aan het esthetische en dat hij zich niet kan voorstellen hoe, in het verleden, mensen een dergelijk schilderij vanuit een religieuze instelling moeten hebben benaderd. En, voegt hij eraan toe: ‘als me was gevraagd wie de twee begeleiders op het schilderij van Petrus Christus zijn, had ik mijn iconografisch naslagwerk erbij moeten pakken’.

facebookbericht 133

zegt ja tegen het leven.

facebookbericht 132

stapte gisteren in Antwerpen door de regen.

1947

Gustavo Mulhall, architect in Gent – 091030

dinsdag 3 november 2009

1946

West-Vleteren, grot – 091101

maandag 2 november 2009

dag 796 – 091021 woensdag

baraque lecture 36

In het slotverhaal van Dubliners, ‘De doden’ (‘The Dead’), bouwt James Joyce op magistrale en zeer onspectaculaire wijze – maar dat is wellicht dubbelop – een zeer subtiele en onderhuidse en precies daardoor schier onhoudbare spanning op.

De eerste prik wordt natuurlijk al meteen in de titel gegeven. Maar daar leest een mens snel overheen, het gif zal pas later zijn uitwerking krijgen.

In de eerste bladzijden stappen we mee met de gasten binnen in een ruime Dublinse woning, waar een sympathiek middenklassegezelschap, bestaande uit krasse en bigotte tantes, een intellectueel, een artiest, wat jong volk en uiteraard de onvermijdelijke veeldrinker die het feest dreigt te verstoren, samenkomt om Kerstmis te vieren. Er wordt gedronken (zij het met mate en enkel door de mannen wat alcohol, stout meer bepaald) en gegeten (kalkoen met een zoete saus en selderijstengels voor wie de zoete saus niet lust), er wordt gedanst, er is een kort toespraakje waarmee de intellectueel van dienst, Gabriel Conroy, de gastvrouwen fêteert.

Alles verloopt rustig, peis en vree heersen en buiten sneeuwt het.

Pardon? Ja, het sneeuwt in Dublin. Het sneeuwt, overigens, in heel Ierland. Dat is, zo vroeg in de winter, bepaald uitzonderlijk voor een land met een zo nadrukkelijk gematigd zeeklimaat. Echt vriezen doet het niet (want de dames moeten overschoenen aantrekken om zich tegen de smeltblubber te beschermen), maar toch: het sneeuwt.
De sneeuw is een van de belangrijke vehikels waarop Joyce, zeer onnadrukkelijk, zijn spanning binnensmokkelt. Hij heeft het erover in het begin, en passant, terloops. Het wordt gezegd. Een personage gaat voor het raam staan om ernaar te kijken. De sneeuw komt later in het verhaal, in de afsluitende alinea waarin alles samenkomt en elke goede lezer niet anders kan dan zich tot tranen toe bewogen te voelen, terug.

Een ander vuurtje dat smeulend wordt gehouden is het geografische begrippenpaar oost-west, een tegenstelling die, hoe kan het ook anders in het Dublin van Joyce, samenvalt met de politieke opposities Engeland-Ierland en protestant-katholiek. Waar in andere verhalen in Dubliners deze verschillen aanleiding geven tot conflicten tussen mensen, blijven ze hier smeulen: de feestvierders zijn tactvol genoeg om ze niet te laten escaleren. Maar de lezer voelt wel die spanning aan. De windrichting ‘west’ krijgt bovendien een poëtische lading doordat ze verbonden wordt met een gevoel van een van de hoofdpersonages, mevrouw Conroy.

En dan is er een zeer ingenieus formeel element. Het bestaat uit de figuur van het binnen en het buiten. Iemand kijkt naar buiten, dat komt meerdere keren voor. Maar er is ook het rumoer dat van op de straat in het huis doordringt, of het gezang dat door de muren heen weerklinkt. Deze figuur van het binnen en het buiten bereidt het voor de climax van dit verhaal essentiële ‘verre muziek’ voor – het ‘verre muziek’, dat als een sirene Mrs. Conroy weglokt en op die manier bij het haar echtgenoot Gabriel de vlijmscherpe katharsis teweegbrengt die geen lezer onberoerd laat.


Om maar te zeggen: alles wordt zorgvuldig voorbereid en het is enkel door die perfecte getimede, onnadrukkelijke en in de juiste homeopathische dosissen toegediende voorbereiding dat Joyce erin slaagt zijn slot, de climax van het verhaal, die verschrikkelijk doeltreffende impact te laten hebben.

reactie

Dag Pascal

Ik kopieer uit uw tekst uw zin waarin ‘zootje ongeregeld’ staat en plak hem hieronder:

“De leraar, die ik dus niet zoals De Standaard doet ‘cementleraar’ wens te noemen, is, na eerst het bloed onder zijn nagels te zijn gepest door het zootje ongeregeld waaraan hij om den brode les moet geven, me dunkt al zwaar genoeg gestraft doordat hij op alle mogelijke manieren – filmpje, publicatie van familienaam en plaats van tewerkstelling – door het slijk is gesleurd.”

Ik meen te weten dat ik een aandachtige lezer ben, met behoorlijk wat leeservaring. Volgens mij is bovenstaande zin uit uw tekst helemaal geen hypothetische vraag! Dit is een mededelende zin. Punt!

Nu valt mij nog iets op daarin waarmee ik het niet eens ben: iedereen werkt uiteraard ‘om den brode’, maar veel leraars – misschien deze man ook! – oefenen hun job – godzijdank – met veel liefde en idealisme uit!

Vriendelijke groeten
Christiane

@Christiane
Je hebt gelijk. Er is verwarring mogelijk. Maar het is niet zo bedoeld. Ik hoorde, ik weet niet meer waar, dat er aan het incident inderdaad heel wat pesterijen waren voorafgegaan... Neen, een 'zootje ongeregeld', dat is te streng... Er zit natuurlijk ook ironie in mijn tekst... Hoe gaat dat allemaal. Goed dat je er tegen ingaat. Je léést het goed. Dat doet mij plezier. En ik schrijf misschien te snel.
'Om den brode'. Ja, ook daar heb je gelijk. Niet alles is te herleiden tot 'om den brode'. Er is veel idealisme. Laat ons vooral dat niet vergeten.
Bedankt voor je reacties. Ik zou mijn tekst nu, na deze reacties, ànders schrijven. Maar ik hoop dat de basisteneur ervan toch goed overkomt.
Vriendelijke groet,
Pascal

reactie

Dag Pascal
Die leraar beroepsonderwijs bestempelen als ‘cementleraar’, dat is er vér over, daarover zijn we het eens. Maar zijn leerlingen beroepsonderwijs bestempelen als ‘een zootje ongeregeld’ dat is er evenzeer vér over!
Met vriendelijke groeten
Christiane

@Christiane
Dag Christiane,
Uiteraard is dat er ook vér over. Maar dat is niet wat ik zeg, hé! Als je de tekst goed leest zul je merken dat ik het over 'zootje ongeregeld' heb in een hypothetische vraag. Er staat: 'Het is de vraag of er een zelfde quasi unanimiteit zou worden bereikt indien de vraag zou luiden...' Nergens kan uit mijn tekst worden afgeleid dat ik vind dat die man les gaf aan een 'zootje ongeregeld'. En voor de goede verstandhouding: ik vind dat ook niet.
Vriendelijke groeten,
Pascal

facebookbericht 131

danste het afgelopen weekend samen met S. voor een aandachtig publiek een geïmproviseerd ballet op Wim Sonnevelds 'Nikkelen Nelis' ('Zij kon het lonken niet laten') – which was nice!

facebookbericht 130

ontdekte een verband tussen de kunstenaars Evelien Hiele en Hendrik Vermeulen.

reactie

Ik zou eerlijk gezegd zeer precies moeten weten wat er gebeurd is om te oordelen of die man opnieuw les mag geven.

In Frankrijk haalde een jongen zijn piemel tevoorschijn en de leraar 'bedreigde' hem met een cutter. Twee versies van het voorval deden de ronde :- de leraar was op dat ogenblik in een hoek van de klas een andere leerling aan het helpen en dus met die cutter in de weer - waarmee hij dan even, lacherig, in de richting van die piemel zwaaide - de leraar ontbood het kind aan zijn lessenaar - haalde de cutter tevoorschijn uit zijn boekentas en maaide met een luchtzwaai een imaginaire piemel af.

Twee zeer verschilende versies - in het tweede geval is de houding van de leraar quasi-onaanvaardbaar.

Het is evident dat een opvoeder nooit geweld mag gebruiken wat er ook moge gebeuren. Het is een gouden onaanvechtbare regel. Ook niet in uiterst moeilijke omstandigheden - uiteraard dan niet want in makkelijke omstandigheden stelt de vraag zich niet.

Bij het beoordelen van die situaties is elk detail belangrijk - een gebaar, een blik, de klassituatie, de opstelling van het materiaal - en de voorgeschiedenis uiteraard. Ik beschik niet over die gegevens. Ik kan daar niet over oordelen.

Zootje ongeregeld - gegeven de onverantwoordelijkheid - anarchie ... : qua stemmingmakerij kan het tellen !

Sarah

1945

Station Gent – 091015