woensdag 5 november 2008

Dag 433 vVH&C

081103 en 081104 – Een gesprek over kunst en plastisch werk van waanzinnigen. Wat is het verschil? Wanneer is het kunst? Is de ‘kunst’ van psyschiatrische patiënten ‘Kunst’? Het gesprek is ongetwijfeld al duizend keer gevoerd – de twee mogelijke antwoorden zijn ongetwijfeld al duizend keer gegeven. Het komt er eigenlijk op neer of je kunt zeggen dat het volstaat dat iets dat door mensen is gemaakt mooi is opdat het kunst zou zijn. Op basis van het resultaat (als je niet weet wie het heeft gemaakt) kun je het zeker niet altijd beoordelen. Zo blijken mentaal gehandicapten erg goed in het vervaardigen van Cobra-schilderijen. P. en S. verdedigen de stelling dat kunst altijd gepaard moet gaan met een zelfreflectie en met een reflectie over het werk in de brede context, met een discours dus. Alléén het werk bekijken is niet voldoende om van kunst te kunnen spreken. Ik deel hun mening maar we krijgen het met ons drieën niet gezegd want J. vindt dat standpunt elitair en is zelfs een beetje verontwaardigd.

1583

dinsdag 4 november 2008

Microfictie (1)

nieuwe rubriek: eigen vertalingen van Régis Jauffret, Microfictions

Meer geluk

Weet dat de onschuldigen voortaan decennia nemen zoals hardlopers horden. Wie het cleanst is, wordt honderd en houdt het nog vele jaren uit alvorens zich uit te leveren aan de dood. Maar wie ziek is met zestig moet worden beschouwd als een schurk. Zijn uitzaaiingen zijn niet meer dan zijn welverdiende straf. Schud ze vooral niet de hand als je, per abuis, hun kamer betreedt; geef ze hun medicamenten, ze zijn zorgvuldig uitgekozen met het oog op het erger maken van hun pijn; vermink ze in het operatiekwartier met een vaardig gehanteerd scalpel. Je hebt toch niet al die lange jaren gestudeerd om hun medeplichtigen te worden?

– Elk ziekenhuis is een gevangenis.

Maar je bent daar niet om de toegeeflijke of passieve cipier te spelen. Voer de zieken ’s avonds per ambulance aan, laat ze ’s morgens in een anonieme wagen van de gemeentelijke begraafdienst de keet verlaten. Dat is zo min of meer de essentie van de nieuwe eed van Hippocrates die je moet afleggen op 14 juni.
Enkel een leven van onthouding verschaft het privilege om de hoogste leeftijd te bereiken. Doorsuikerde kinderen, onanerende adolescenten, neukende jongeren en epicuristische volwassenen die op zoek zijn naar steeds meer geluk bevolken vroeg of laat onze diensten. Hier tref je nooit moeders aan van kroostrijke gezinnen, vanaf hun dertigste verslonst als gevolg van doorwaakte nachten, en ook niet hun echtgenoten, versleten door het ontiegelijk harde werk dat ze verrichten om al die kleuters te kunnen voeden, kleuters die ze aan de lopende band hebben verwekt met een lendenstoot die even vreugdeloos was als een hamer die neerkomt op de klinknagel van het chassis van een landbouwmachine. Van de verstokte vrijgezellen van beider seksen die van hun existentie nooit iets anders hebben overgehouden dan de immer teleurgestelde hoop om dé liefde te vinden, hoef je je hier ook niets aan te trekken.

– Deze overdrager van besmettelijke ziekten.

Van wanorde, van dromen en ten slotte van zelfmoorden, van moorden, van delirerende psychotici waarvan je achter de tralies van het paviljoen waar we de schizofrenen in opslaan een paar weerzinwekkende staaltjes hebt mogen aanschouwen.

– Daar staat tegenover dat de genieters uw broodwinning zijn.

U krijgt te maken met dertigjarige hartlijders die weigeren hun nakende dood onder ogen te zien ondanks al die bij het ontbijt gulzig naar binnen gewerkte boter; met aan alle vier de ledematen verlamde sukkelaars die er niet in slagen om op een waardige wijze de liggende houding aan te nemen, het enige voordeel nochtans dat die stommeriken aan hun verleden als motorrijder overhouden; met longkankerpatiënten die grienen wanneer ze de doodkistencatalogus doorbladeren die op hun nachttafeltje werd achtergelaten door hun echtgenote, die er wilde op toezien dat ze ten grave worden gedragen in een kist die overeenstemt met hun wensen.

– En dat terwijl het rokers waren.

Régis Jauffret, Microfictions, 751-752 – mijn vertaling

1582

maandag 3 november 2008

Terugblik (27) 502 / 1000

De voorstelling en de bedoeling van de foto lijken op het eerste gezicht duidelijk. Twee mannetjes kijken bewonderend naar een extra large Mercedes zoals je er niet vaak een ziet. Het contrast tussen het volkse van die mannetjes en het chique van de auto zorgt voor een humoristisch effect.

Dat is eenvoudig en ook juist.

Maar er is méér. Deze foto toont aan dat een dergelijke eenvoudige boodschap wordt versterkt door elementen die niet op het eerste gezicht duidelijk overkomen.

De auto lijkt, door de werking van de perspectief, met zijn neus naar omhoog te wijzen. Er zijn twee mannetjes, maar ook twee wielen en twee klinken. En twee pijlers naast het deurgat in het rolluik. Dat rolluik is neergelaten. Het huis heeft drie traveeën, het zijraam van de auto heeft drie (opstaande delen waarin het glas gevat zit, ik vind het woord niet). De horizontale witte glanslijn op de auto rijmt mooi met de witte horizontale streep van de luifel.
Het lijkt allemaal niets te betekenen, maar al deze elementen vormen samen een ritme, een melodie. En inhoudelijk is natuurlijk het gesloten rolluik van doorslaggevend belang in dit decor. De auto staat te pronken, de etalage – waarin toch ook van alles te pronken ligt – blijft verborgen. Dat brengt een nieuw contrast aan, naast dat eerste tussen volks en chique. De twee mannetjes staan overigens aan de zijkant; het rolluik staat centraal in beeld en trekt, hoe beter je kijkt, steeds meer de aandacht naar zich toe.
Natuurlijk speelde dit alles niet mee toen ik de foto maakte. Ik passeerde er met de fiets, stopte op tijd want ik had het gezien, haalde mijn toestel uit mijn zak en drukte af. Pas later begon dat hele spel van ritmes en meerlagigheid, begon de foto te wérken.

Dag 432 vVH&C

081023 – Overschrijven (105)

Het is een vaste regel van de macht dat je er goed aan doet hoofden af te hakken voordat ze beginnen te denken, want erna kan het te laat zijn.

José Saramago, De stad der zienden (vertaling Maartje de Kort; Meulenhoff, Amsterdam 2005), 114

1581

Mijnsite Condé (F) – 080629, 16u34

zondag 2 november 2008

Het bestáát (41)

081023 – Het had een foto moeten worden en het wordt dit en nu kan ik er zelfs nog voor zorgen dat het beter zal zijn dan de foto ooit had kunnen worden.

Het werd geen foto omdat ik te laat was, omdat ik niet durfde.

Een zwarte man leest. Hij houdt een in een leren etui gevat boek opengespreid op zijn linkerhand, die dus als lessenaar fungeert. Zijn andere, zwarte, hand rust op een deel van de tekst. De bladspiegel bestaat uit twee kolommen, het korps is klein, de interlinie smal. De vingers van de zwarte hand wijzen naar stukjes tekst die met fel rood, geel, groen en blauw zijn ingekleurd. Deze kleuren contrasteren samen met het wit van het papier met het donkerbruin van de hand.

De man leest aandachtig de Bijbel. Zijn ogen zijn gesloten. Ik zie dit tafereel en durf geen foto te maken van de zwarte hand op de witte bladzijden met de dicht opeen gezette tekst waarvan er stukken vrolijk zijn ingekleurd.

*

Ik weet niet of deze tekst beter is dan de foto had kunnen zijn. Ik vind het jammer dat ik de foto niet heb gemaakt. Maar ik heb nu deze tekst. En daardoor, of mede daardoor, de herinnering.

Ollivier 3

1580 / Ollivier 2

zaterdag 1 november 2008

Reactie

Na je interessante hoofdstuk over Gomorra ga ik die film zeker bekijken, al was ik dat eerst niet van plan.
Maar één ding heb je mis. Het is niet de regissur Matteo Garrone, maar de schrijver van het boek waarop de film is gebaseerd, Roberto Saviano, die met de dood is bedreigd. Die leeft nu ondergedoken in het buitenland. De reden is denk ik ook niet zozeer dat de camorra wordt geridiculiseerd, maar dat Saviano aanzet tot rebellie tegen het "systeem".
Sylvester

Dag 430 vVH&C

081021 en 081101 – ‘Ik weet iets want ik lees wel eens een boek,’ zegt de hoer die door Tom Lanoye wordt opgevoerd in een boek, ik denk Fort Europa, en nu dus ook op het podium – ik maak deel uit van het publiek dat in de Stadsschouwburg van Brugge de voorstelling van ‘Woest’ meemaakt, het theaterprogramma dat Lanoye in elkaar heeft gestoken om zijn vijftigste verjaardag te vieren. En ik kijk rond in dat publiek en zie, behalve dat de zaal verre van vol zit, dat het bestaat uit mensen van mijn leeftijd en ouder, een minderheid is jonger. Vijftien jaar geleden heb ik ook eens Lanoye bezig gezien, en ik meen mij nu te herinneren dat het publiek toen ook vijftien jaar jonger was. ‘Ik lees wel eens een boek, op een kerstavond bijvoorbeeld, wanneer al die venten thuis bij hun familie een kalkoen zitten te vreten in plaats van hier…’ Ja, wie leest nog eens een boek? Wie leest nog eens een boek zonder daarom een hoer-op-kerstavond te moeten zijn?

1579 / Ollivier 1

vrijdag 31 oktober 2008

Dag 429 vVH&C

081020 en 081030 – Twee symfonieën van Beethoven. Drie en vier, Van Immerseel met Anima Aeterna. Zo lange tijd – die derde is wel erg lang – je concentratie volhouden, dat is onmogelijk. Je begint de aankleding van de concertzaal van het Brugse Concertgebouw te bewonderen. Kijk, hoe die stoelen nu al aan slijtage onderhevig zijn. En je houdt je bezig met de prangende vraag met welke van de violistes je in de koffer zou willen duiken. Tot de kosmologische bespiegelingen waartoe E.M. Forster in Howards End zijn personages laat komen bij het beluisteren van de vijfde, ben jij duidelijk niet in staat. ’t Is wat meer down to earth, allemaal. Je applaudisseert te gepasten tijde: niet na een beweging en alleen maar nadat de hele symfonie is afgewerkt. Je verlaat met P. de zaal en gaat nog iets drinken in de bar. Waar even later ook de tweede altvioliste en de paukenist komen aanwaaien, en de dirigent met enkele acolieten in zijn zog. Zij bespreken trivia.

*

Een communicatiemiddel.

*

081020 – Het ongemak van de galagenodigden wanneer een coryfee niet langer wenst op te draven in het televisiecircus. Of: hoe marginaal de positie van de intellectueel in de media geworden is. Wanneer hij zich niet meer naar het decorum wenst te schikken, is de verontwaardiging groot. Marcel Reich-Ranicki, 88 jaar inmiddels, weigert de Deutsche Fernsehpreis voor zijn loopbaan als tv-literatuurcriticus. Zie hier.

1578 / Mijnsite Cuesmes 5/5

Cuesmes, met in de verte Mons - 080629, 10u39

donderdag 30 oktober 2008

Dag 428 vVH&C

081019 – De moraal is niet gebaseerd op ferme, absolute principes, maar wortelt in een droesem van irrationele, emotionele, intuïtieve, niet te gronden drijfveren. Natie, bijvoorbeeld. De familie. Bloedverwantschap.

In Cassandra’s Dream voert Woody Allen twee broers op die, door geldnood gedreven, bereid zijn om, met het oog op een royale beloning van hun rijke oom, een man uit de weg te ruimen die blijkbaar te veel weet over die oom. Familie is, alles welbeschouwd, het enige waar je in het leven altijd op kunt terugvallen. Voor de familie doe je alles. Familie gaat zelfs voor op moraal. Maar dan begint een van die twee broers gewetenswroeging te krijgen, hij staat op het punt om zich aan te geven bij de politie. De andere broer ziet, om zijn eigen hachje te redden, geen andere mogelijkheid dan ook de broer met het knagende geweten te vermoorden… Bloedverwantschap is dus blijkbaar toch niet het hoogste principe...

1577 / Mijnsite Cuesmes 4

Cuesmes, tot klein museum ingerichte feestzaal bij de cafetaria op de mijnsite - 080629, 12u01

Mijnsite Cuesmes 3


Cuesmes - 080629, 11u31

woensdag 29 oktober 2008

Dag 427 vVH&C

081018 – Boekenverkoop in de bibliotheek. Ik ben twee keer geweest. ’s Voormiddags was het nog 1 euro per boek, na de middag kon je al vijf boeken meegrissen voor 3 euro, of tien voor 5 euro. Ik kwam uiteindelijk met meer dan twintig boeken thuis voor, alles bij elkaar, vijftien euro. Daar kom je voor één nieuw boek vaak niet mee toe. En het was zeker niet al brol dat daar bij die ‘afgevoerde’ boeken lag. Ik monster mijn buit en zie daarin, onder meer: De laatste roker van W.F. Hermans, Een kamer met uitzicht van E.M. Forster, en boeken van Carmiggelt, Kureishi, Queneau en Coetzee. En dan zou ik zeker ook nog andere kleppers van de papiermolen hebben gered (een edelmoedigheid die niet veel kost), ware het niet dat ik ze al in mijn bezit had (waarbij de verwerving zoveel jaren geleden mij vaak veel dieper in mijn portemonnee had doen tasten) en/of dat ik mij op den duur wel een beetje gulzig en hebberig begon te voelen. De schrijnendste afdankertjes heetten, in deze ondankbare onliteraire wereld, Michiels, Modiano, Mishima en Musil.

Je vraagt je toch af wat deze marktontwrichtende en barbaarse, jaarlijks terugkerende bibliotheekboekendeportatie stuurt. ‘Plaatsgebrek,’ luidt het antwoord van een bibmedewerkster. Het klinkt plausibel: er verschijnt veel en architectuur is duur. Maar wat is het criterium? Op basis van welk kenmerk worden boeken veroordeeld in deze boekenholocaust? Aantal bladzijden? Gewicht? Ezelsoren? Verouderde spelling? Niet meer te desinfecteren beduimeldheid? (Iets inhoudelijks zal het wel niet zijn want dat zou veronderstellen dat die hele papierberg zou gelezen zijn, en dat kan je zelfs van de meest toegewijde bibliotheekmedewerkster niet verwachten.) Neen. Niets van dat alles. Het criterium om een boek te dumpen – waarbij deze verkoop nog een laatste kans is voor ze om door een liefhebber te worden opgepikt – is: de tijdsduur die is verstreken sinds hun laatste ontlening. Blijft een boek een jaar, of twee jaar, op de bibliotheekplank staan wachten op een liefdevolle, oprechte belangstelling opbrengende lezer, zoals op een studentenfuif het muurbloempje in een donker hoekje aan een tafeltje met halflege, vergeten en gemorste glazen met verschaald bier wacht tot die koene ridder op zijn witte paard dan toch passeert, je weet maar nooit, dan wacht hem, het boek, de deportatie naar de kartonnen bananendoos, de ruwe behandeling op deze geïmproviseerde boekenmarkt, in het beste geval de vernederende uitwisseling voor een hele of, later op de dag, zelfs maar een halve zilverling en, indien ook hier niemand zich verwaardigt mededogen te hebben, het lot dat ook telefoonboeken, reclamefolders, verkiezingsdrukwerk en de krant van gisteren is beschoren.

Dat er opvallend veel Ruyslinck en Hemmerechts te koop werd aangeboden – wel, daar kan ik nog mee leven. (Ze verkochten trouwens voor geen meter.) Maar dat de hierboven genoemde namen en titels op deze schamele manier voor bewezen diensten aan onze westerse cultuur werden bedankt, ja, dat doet stemt mij toch droef.

Stad & ommeland (8)

Brugge, Kruisvest - 080730

1576 / Mijnsite Cuesmes 2

Cuesmes - 080629, 11u28

dinsdag 28 oktober 2008

Dag 435 vVH&C

081026 – Ik zie een wand van vier bij twee meter en tachtig kilo zwaar. Het moet heel wat voeten in de aarde hebben gehad om die wand hier te krijgen. En op die witte wand vierentwintig paneeltjes. Die zijn op nauwkeurig uitgebalanceerde afstanden van elkaar aangebracht. Ik bekijk de tekeningen. Ik zie de kleuren: oranje, groen, blauw, crème. Ik herken de voorstellingen: ze maken deel uit van een eigen voorstellingswereld die ik al eerder heb leren kennen. Schroeven, raderen, buizen, ruimteschepen… Menselijke figuren zie ik niet (of heb ik niet goed gekeken?, ze zijn in elk geval niet prominent aanwezig); het is een wereld van machines, een bevreemdende mix van poëzie en rationaliteit. Het is een futuristisch ogende, desolate wereld – maar het zou ook het beeld van een vergane beschaving kunnen zijn. (Het gebeurt vaker, die vermenging van tijden in de fantastische (in de betekenis van verzonnen, fictionele) representatie van ofwel het verleden ofwel de toekomst: wat in een ver verleden ligt, krijgt een aura van het toekomstige over zich; en omgekeerd wordt futurologie op smaak gebracht met een verwijzing naar middeleeuwen.) Ik zie de vierentwintig beelden en denk aan een stripverhaal. Blake & Mortimer, zoiets. Dat ik aan een stripverhaal denk, heeft ongetwijfeld te maken met het kleine formaat van de tekeningen: tien op vijftien of daaromtrent want de formaten wisselen. Maar er is ook de onweerstaanbare neiging om achter de beelden, en hun compositie (drie regels van acht beelden), een verhaal te zoeken. Al is dat verhaal er misschien niet. Het totaalbeeld bestaat uit een subtiel modulerend geheel van wisselende groottes. Er ontstaat een ritme en dat verwijst naar muziek. De kracht die van dit geheel uitgaat, komt sterker over dan bij een vorige tentoonstelling van Hendrik Vermeulen, waar dergelijke kleine formaten naast elkaar, met vrij grote tussenruimten, aan de muren van een kamer waren opgehangen en daarin een beetje verloren gingen.

Ik denk nu, een paar uur later, terug aan de tekeningen. Ik zie de schroeven, de buizen, een kolkende beweging, onbemande stoelen achter tafels die door middel van een ladder met een centraal opgestelde spiraal verbonden zijn, een technologisch interieur onder een grote koepel. Dat laatste werkje, wérk, genoot mijn voorkeur. Het is indrukwekkend hoe deze kunstenaar op een paneeltje met min of meer de genoemde afmetingen zo’n ruimtelijkheid weet te creëren.


Voorkeur. Ik aarzel het woord te gebruiken. Voor de kunstenaar zijn die vierentwintig werken ongetwijfeld evenwaardig. Achter die vierentwintig zijn er misschien tien of vijftig of honderd andere die de strenge selectie niet hebben overleefd. Ik weet het niet. Mensen, toeschouwers, al diegenen die niet deze kunstenaar zijn, of niet een kunstenaar zijn, zijn nu eenmaal geneigd om voorkeuren te hebben, rangordes aan te leggen. Het is hun manier om greep op het geheel te krijgen. Het zij hun vergeven. Hun krasselende zoektocht naar een antwoord schiet onvermijdelijk tekort.

Er blijven vragen. Waarom die beelden (en geen andere)? Wat wil die verbeelding mij zeggen? Waarom zijn de werken zo klein? Waarom deze constellatie?

Uiteraard is er onbegrip en is er misverstand. Hoe zou ik het kúnnen begrijpen? Maar: ligt de waarde van de respons niet in de poging te begrijpen? In de belangstelling, de verwondering? Als ik het zou begrijpen, ja, dan zou ik het natuurlijk zelf máken, in zekere zin. Dan zou wat de kunstenaar maakt niet gemaakt moeten worden. Er zou niets gemaakt worden! Kunst is een vraag. De kunstenaar die toont, is een kunstenaar die een vraag stelt en elk antwoord op prijs stelt. Iets anders dan een eerlijk antwoord is waardeloos.

Hendrik Vermeulen, Kunstenplatform Zebrastraat, Gent, 26 oktober - 30 november 2008

1575 / Mijnsite Cuesmes 1

Cuesmes - 080629

maandag 27 oktober 2008

Matteo Garrone, Gomorra

081018 en 081028 – Als je na het bekijken van Gomorra de zaal verlaat, vraag je je af waarom eigenlijk de Italiaanse maffia hier in die mate aanstoot aan neemt dat ze aankondigt regisseur Matteo Garrone voor Kerstmis te zullen doden. De vele maffiafilms uit het verleden, genre The Godfather en dergelijke, hebben nooit zo'n extreme reactie uitgelokt. S. wijst mij op de reden. Het is zeker niet zo dat Garrone allerlei geheimen heeft prijsgegeven of omerta’s geschonden: we weten allemaal min of meer hoe het systeem in elkaar zit, hoe in dat land de parallelle macht georganiseerd is, hoe er wordt geregeerd op basis van de explosieve emotionele cocktail hebzucht-eerzucht-machtzucht. Daar wringt de schoen niet. Het is dat het maffieuze machtscentrum niet, zoals in die andere films, glanzend en glitterend wordt voorgesteld, met het clichématige vertoon van gouden manchetknopen, in sigarenrook en duisternis gehulde, schor en traag sprekende bazen, de knipmesdiscipline van de ondergeschikten die gestaag op de ladder naar een bijna bijbelse hoogte opklimmen en daarbij niet aarzelen om de concurrentie van zich af te duwen – neen, hier worden de bazen belachelijk gemaakt: ze zitten met acht man achter twee onnozele belhamels aan, het zijn vestimentaire horreurs, de peetvader is een halfverzopen terminale keelkankerpatiënt met een stemgeluid als van het schurende scharnier van een Etruskische graftombedeur die in geen drieduizend jaar is geopend. En we zien de gore achterkant van een nietsontziende misdaadmachine. Laat ons maar hopen dat Garrone niets ‘overkomt’. Gomorra is een ijzersterke film. Onder meer omdat een van de kenmerken van het goede kunstwerk vervuld is: alles erin heeft een onwrikbare plaats, alles heeft een betekenis, niets is gratuit. Ik licht er een voorbeeld uit (slechts een van de talrijke mogelijke): de apenkooi. In een van de appartementen van het immense blok waar het grootste deel van de handeling zich afspeelt – in die mate dat je het gevoel krijgt dat het blok een metafoor wordt voor de stad, voor Napels – staat op een overloop een kooi met daarin een aap. Hij staat daar een beetje verloren, die kooi, uitzichtloos. Af en toe krijgt de aap een aai van een passant. Welnu, de apenkooi is geen toevallige decoratie. Zoals de aap in de kooi gevangen zit, zo zijn de bewoners van het appartementsgebouw evengoed gevangenen van hun behuizing maar nog meer van hun materialistische macho-leefwijze, zo zijn de Chinese arbeiders in het confectieatelier gevangenen, zo zijn de maffialeden de gevangenen van hun codes en verplichtingen in allerlei onfrisse praktijken: drugs, illegale confectie, seksindustrie, het geld slaan uit de ‘verwerking’ van toxisch afval. Het is een in alle opzichten uitzichtloos bestaan. Eén lichtpunt in de film, heel even, maar dan wel met een sterke beeldende kracht: de kleinste, nog onschuldige, kinderen die spelen op een hoekje van een dakterras. Ze spelen, te midden van het grijs, in een wereld van felle kleuren. Maar die kinderen worden zorgvuldig gerekruteerd door de iets ouderen, die al gecorrumpeerd zijn. Ze hebben geen keus: omdat ze arm zijn en geen toekomst hebben en op een debiele manier van wapens houden en de strak geklede grieten willen imponeren die in het straatje-zonder-eind staan te paraderen, worden ze: apen. Geen wonder dat de bonzen van de Napolitaanse camorra aanstoot nemen aan Garrone’s meesterwerk.

1574

Brugge – 081006, 14u23

zondag 26 oktober 2008

Reactie

Beste,

In je vote-rubriekje staat "ik heb al gelezen in de nieuwe Verhulst en vind het goed". Klopt dat verwijswoord "het" wel? Het is toch DE Verhulst? Vandaar, lijkt mij: "ik heb al gelezen in de nieuwe Verhulst en vind het boek goed". Of: "ik heb al gelezen in de nieuwe Verhulst en vind hem goed".Sorry voor de schoolmeesterij. Maar aan iemand die zoveel zorg besteedt aan zijn taal, zal deze kleine taalzorg goed besteed zijn, denk ik.

Voor de rest: je blog bezorgt mij veel genoegen: je stijl, je luidop nadenken, je foto's. Die laatste hebben iets speciaals: ze doen me voortdurend denken aan zo'n dun pocketgeval, dat aarzelt voor het wil afdrukken, tot woede van het moment. Waarom ik dat denk? De afstand tot het onderwerp, misschien. Het ietsje donkere licht, vaak. En toch verrassen ze vormelijk (lijnen, contrasten, schuine opname, enz) en inhoudelijk (deze stijlfiguren, maar dan thematisch...). Die laatste verrassingen lijk je voortdurend te zoeken, alsof de wereld (zoals Bloem zei) ze verborgen houdt en plots toont "in hun hogen staat". Anders sprak je niet van DvVH&C. Het verslag van die ontdekkingen is me het liefst. Zo kijk ik ook naar de gegeven aanwezigheid rond mij: tot er ergens een helderheid wil doorbreken. Daarom loop ik ook vaak met de fotocamera rond. Op gevaar dat je mijn reactie als een verkapte aandachttrekkerij bestempelt: ik zet mijn VH&C op mijn blog http://www.dichtertje.skynetblogs.be/.

En blijf maar af en toe verslag doen van je eigenzinnige lectuur...

met vriendelijke groet

Guido Vanhercke

@ Guido Vanhercke:
In mijn 'en vind het goed' zit uiteraard een connotatie met: 'God schiep de wereld en zag dat het goed was', maar ook verwijst de 'het' naar de hoofdpersoon in Verhulsts boek, de zogenaamde ''t' (afkappingsteken + t, een verkorting dus van 'het', wat dan moet staan voor een onpersoonlijke mens).
U hebt gelijk, grammaticaal is 'het' een fout, maar dan wel een waarover is nagedacht!

Mijn woordenboek (203)

AFRUKKEN

Een tak van een boom, een pleister van een wonde die nog niet genezen is en eventueel in behaard gebied ligt, een masker of dé maskers: dat kan allemaal, móet eventueel, worden afgerukt. Een ereteken, distinctief, insigne. (Dan is er sprake van degradatie.) Een affiche wordt van een muur afgerukt, een muts van een hoofd, een poot van een gebraden kip. Het gaat altijd om onherroepelijk losmaken, en dat gaat vaak gepaard met de uitoefening van kracht, geweld. Soms niet veel, maar toch. En het kan pijn doen.

Wie de pleister traag probeert los te peuteren, zal uiteindelijk grotere pijnen moeten doorstaan. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.

Er is nog een andere betekenis verbonden aan het hier behandelde woord, ik kom er op terug onder de M of de O. Dit uitstel heeft met taalgevoel te maken, het wordt zeker niet ingegeven door schroom. Ik schroom mij in elk geval niet om te zeggen dat het bij het afrukken, in de gemeenzame betekenis dan, wel degelijk ook gaat om iets losmaken, of dan toch, in psychoanalytisch te duiden zin, met de wens daartoe: het met zacht geweld loswrikken van iets dat daar vaak, in behaard gebied, vervelend hangt of staat te wezen – en ook dat er vaak pijn mee gemoeid is, zij het dan veeleer een geestelijke pijn, iets unheimlichs, iets treurigmakends.

En kijk, nu heb ik misschien toch al de essentie verklapt en is behandeling onder de M of de O al niet meer nodig. Enfin, we zien wel.

1573

Soignies, station – 080629, 8u33

zaterdag 25 oktober 2008

Dag 422 vVH&C

081025 – Ik zag een paar keer een trailer voor het televisieprogramma ‘Voorbij de grens’ waarin een groepje fysiek gehandicapten allerlei gekke ‘uitdagingen’ overwinnen: dwars door de jungle op een rolstoel, blind een vulkaan beklimmen, met evenwichtsstoornissen over een koordenbrug boven een afgrond en meer van die toestanden. In het zog van dit breugheliaanse groepje lammen en blinden ging dan fotografe Lieve Blancquaert mee, en zij zou er een boek van maken. Om maar te zeggen: het sprak mij niet aan.

Tot ik – ‘toevallig’ – op de slotaflevering stuitte, waarin Lieve Blancquaert enkele maanden na het experiment, het boek was inmiddels klaar en zou feestelijk worden voorgesteld, de tien expeditieleden opzoekt en bij hen peilt naar hoe ze op de reis terugblikken.

En kijk, ik moet mijn vooroordeel bijstellen. Blancquaert heeft iets fantastisch’ gerealiseerd. De tien gehandicapten met wie ze samenwerkte leken er in elk geval gelukkig mee – er zijn hechte vriendschappen ontstaan. Maar ook de manier waarop Blancquaert, die zelf ook nadrukkelijk in beeld komt, deze mensen benadert, dwingt respect af. Zij maakte – niet als fotografe maar als tv-maakster, als méns – tien gevoelige, zeer ménselijke portretten. En dan maakte ze er ook nog foto’s bij die, voor zover ik er enkele van heb gezien, behoorlijk indrukwekkend ogen.

(Op de website van Klara staat een vier minuten durend filmpje dat een goed idee geeft van de opzet van het programma en van enkele van Blancquaerts foto’s. De reacties van kijkers in het archief van de site van ‘Voorbij de grens’ bewijzen dat het programma goed is aangekomen.)

1572

Mons - 080629, 9u13