ACHTERHOEDEGEVECHT
De inzet is achterhaald, de teerling geworpen. De meest alerten en frissen onder de overlevers richten zich al op andere doelstellingen. Maar er dienen nog bepaalde zaken te worden afgehandeld. De verloren eer der generaals, een aftocht zonder gezichtsverlies. Het ruimen van het slagveld. Wie het achterhoedegevecht wint, ontsnapt daarom niet aan zijn lot een looser te zijn. Hoe vergeefs en uitzichtloos dit laatste gevecht, deze stuiptrekking van een gestreden strijd: hier te winnen is nauwelijks een eer, en er kunnen nog altijd slachtoffers vallen. Een wapenstilstand die een uur te laat wordt betekend, betekent de nutteloze sneuveldood van nog een paar laatste ongelukkigen. Geen gesneuvel zo tragisch als dat met de witte vlag al in zicht.
maandag 14 november 2005
zondag 13 november 2005
60 * 28,25 * 3335
Het is geen vijftien graden meer, van de tien wielervrienden rijden er nog twee in korte broek. We rijden langs het kanaal naar Bredene, volgen dan de kust tot De Haan, zien de zee niet, en trekken dan landinwaarts, onder Blankenberge door, richting Meetkerke. In De Haan krijgen we gezelschap van een Franssprekende wielertoerist, die gezwind het forse tempo volgt. Op zijn shirt staat reclame voor ‘Adam Smol’ en Delhaize, en er staan een telefoonnummer bij uit de zone 04 (Luik?). Tot twee keer toe rijdt de koprijder de verkeerde kant op, terwijl de rest van het pelotonnetje de juiste richting inslaat: een Grande Vadrouille-achtig zicht. Om niet het gevaar te lopen te worden gelost probeer ik in ongeveer derde positie mee te rijden, tot ik plots helemaal voorin fiets. Dat houd ik niet zo lang vol want het is net een stuk tegen de wind in. Ik zie een lage waterzon, modder op de weg, kleikluiten op pas geploegde akkers, een aalscholver op het kanaal. Aan het kapelletje van Meetkerke sla ik linksaf, de rest doet nog een ommetje langs Stalhille. Weging voor en na wijst uit dat ik na deze rit van iets meer dan twee uur 1,52 procent minder weeg (ik heb onderweg niets gedronken en heb nagenoeg niet gezweet).
zaterdag 12 november 2005
Geen verloren tijd (9)
I:67-72
Het verlaten van de mis biedt gelegenheid tot ontmoetingen. Voor de chique Monsieur Legrandin (een verborgen artistiek talent met ‘een peinzend fijnbesneden gezicht’ en een ‘lange blonde snor’, dat uitzonderlijk welbespraakt is en een republikeins geïnspireerde afkeer van de aristocratie tentoonspreidt) kan de jonge verteller niets dan sympathie opbrengen (in tegenstelling tot de grootmoeder, die zo haar bedenkingen heeft bij Legrandins afkeer voor snobisme: zij verwijt hem de parler un peu trop bien). Sympathie is er bij de jongen zeker wanneer de oudere man zich als een engel uit den hoge rechtstreeks tot hem wendt en hem bezweert dat hij er altijd voor moeten zorgen ‘een stukje hemel’ boven het hoofd te hebben: Tâchez de garder toujours un morceau de ciel au-dessus de votre vie, petit garçon, ajoutait-il en se tournant vers moi. Vous avez une jolie âme, d’une qualité rare, une nature d’artiste, ne la laissez pas manquer de ce qu’il lui faut. Wij, lezers, assisteren bij het splitsingsproces dat Prousts wereld in twee stukken doet uiteenvallen: die van Kunst, Schoonheid en Fijnbesnaardheid enerzijds, en die van het gewone, dagelijkse en provinciaalse anderzijds.
Het spreekt vanzelf dat Legrandins advies de petit garçon zal bijblijven, omringd als deze is door een verstikkende kleinburgerlijke provincialistische geborneerdheid. Een geborneerdheid met excentrieke kantjes maar toch een geborneerdheid.
Exit Legrandin, terug naar het zeer steedse Parijs.
Over de andere kerkgangers wordt tante Léonie op de hoogte gebracht door Eulalie. Dit vrome besje woont naast de kerk en heeft dus de beste uitkijkpost (voor zover ze al niet zelf ín de kerk is want ze volgt alle diensten). Behalve de pastoor is Eulalie overigens de enige die nog door tante Léonie wordt ontvangen: alle andere gasten zijn een voor een gedesavoueerd omdat ze haar ofwel te weinig ofwel te veel beklaagden. Eulalie komt de zondagnamiddag verslag uitbrengen over haar observaties bij de kerk, maar blijkbaar niet op een vooraf vastgesteld tijdstip. Daardoor valt Léonie ten prooi aan hevige zenuwachtigheid. Zij mag absoluut niet lastig worden gevallen. Ze wordt letterlijk ziek van het wachten: Le coup de sonnette – alweer die bel, het is een motief! – d’Eulalie, s’il arrivait tout à fin de la journée, quand elle ne l’espérait plus, la faisait presque se trouver mal (‘bezorgde haar bijna een onpasselijkheid’ in de amechtige vertaling van C.N. Lijsen). Om deze malaises niet nog te verergeren moet de kleine koste wat het kost ver van haar worden gehouden. Na het eten (straks nog even iets daarover) wordt hij in de tuin gestuurd om, voordat hij zich in zijn kamer met zijn boeken ingraaft, een luchtje te scheppen. Nadat hij even op een bankje is gaan zitten, loopt hij nog aan bij oom Adolphe, die een kamer betrekt op de benedenverdieping van het huis. Deze passus vormt de aanleiding voor een ferme uitweiding, die hier in het volgende hoofdstukje (10) zal worden behandeld, want: depuis nombreux d’années je n’entrais plus dans le cabinet de mon oncle Adolphe, ce dernier ne venant plus à Combray… Er is een ruzie geweest tussen Adolphe en de familie, en de toevoeging par ma faute wekt wel heel erg de nieuwsgierigheid.
Maar alvorens we vernemen hoe die ruzie, en dan nog wel een ‘waaraan ik zelf schuld had’, is kunnen ontstaan, dient hier nog iets te worden gezegd over de maaltijd die voorafgaat aan het grote wachten van Léonie op Eulalie. De opsomming van de spijzen die ter tafel komen klinkt als een vrolijke litanie waarbij we de meid Françoise als het ware horen uitkakelen wat en hoe en waarom ze nu eens voor dit gerecht kiest en dan weer voor het andere: une barbue [griet] parce que la marchande lui en avait garanti la fraîcheur, une dinde [kalkoen] parce qu’elle [Françoise] en avait vu une belle au marché de Roussaineville-le-Pin, des cardons à la moelle [artisjokken] parce qu’elle ne nous en avait pas encore fait de cette manière-là, un gigot rôti parce que le grand air creuse et qu’il avait bien le temps de descendre d’ici sept heures, des épinards [spinazie] pour changer, des abricots… Enzovoort, het lijkt wel het register van de Larousse Gastronomique. Vooral die spinazie-voor-de-afwisseling vind ik wel mooi. Twee items in deze zondagnamiddaglijk loom-makende lekkerbekkencatalogus heb ik nog niet genoemd en moet ik hier vermelden omdat Proust er al eerder gewag van maakte en omdat derhalve hun aanwezigheid in de opsomming hier door de herhaling een structurerende kracht heeft: de framboises que M. Swann avait apportées exprès (frambozen die we eerder, een bladzijde of vijftig eerder, al door het avondlijke tuintje in een mandje hebben zien transporteren), en ook de brioche, die hier, op de crème au chocolat na, de maaltijd afsluit maar die eerder al (op blz. 65) ter sprake kwam omdat er dan een moest worden gehaald en ook omdat de klokketoren van de kerk er op geleek.
Of hoe Proust subtiel en schijnbaar achteloos kruimels laat vallen en zo een pad vormt dat de lezer kan volgen zodat hij niet in dit immense bos hoeft te verdwalen en zijn tijd verliezen.
Het verlaten van de mis biedt gelegenheid tot ontmoetingen. Voor de chique Monsieur Legrandin (een verborgen artistiek talent met ‘een peinzend fijnbesneden gezicht’ en een ‘lange blonde snor’, dat uitzonderlijk welbespraakt is en een republikeins geïnspireerde afkeer van de aristocratie tentoonspreidt) kan de jonge verteller niets dan sympathie opbrengen (in tegenstelling tot de grootmoeder, die zo haar bedenkingen heeft bij Legrandins afkeer voor snobisme: zij verwijt hem de parler un peu trop bien). Sympathie is er bij de jongen zeker wanneer de oudere man zich als een engel uit den hoge rechtstreeks tot hem wendt en hem bezweert dat hij er altijd voor moeten zorgen ‘een stukje hemel’ boven het hoofd te hebben: Tâchez de garder toujours un morceau de ciel au-dessus de votre vie, petit garçon, ajoutait-il en se tournant vers moi. Vous avez une jolie âme, d’une qualité rare, une nature d’artiste, ne la laissez pas manquer de ce qu’il lui faut. Wij, lezers, assisteren bij het splitsingsproces dat Prousts wereld in twee stukken doet uiteenvallen: die van Kunst, Schoonheid en Fijnbesnaardheid enerzijds, en die van het gewone, dagelijkse en provinciaalse anderzijds.
Het spreekt vanzelf dat Legrandins advies de petit garçon zal bijblijven, omringd als deze is door een verstikkende kleinburgerlijke provincialistische geborneerdheid. Een geborneerdheid met excentrieke kantjes maar toch een geborneerdheid.
Exit Legrandin, terug naar het zeer steedse Parijs.
Over de andere kerkgangers wordt tante Léonie op de hoogte gebracht door Eulalie. Dit vrome besje woont naast de kerk en heeft dus de beste uitkijkpost (voor zover ze al niet zelf ín de kerk is want ze volgt alle diensten). Behalve de pastoor is Eulalie overigens de enige die nog door tante Léonie wordt ontvangen: alle andere gasten zijn een voor een gedesavoueerd omdat ze haar ofwel te weinig ofwel te veel beklaagden. Eulalie komt de zondagnamiddag verslag uitbrengen over haar observaties bij de kerk, maar blijkbaar niet op een vooraf vastgesteld tijdstip. Daardoor valt Léonie ten prooi aan hevige zenuwachtigheid. Zij mag absoluut niet lastig worden gevallen. Ze wordt letterlijk ziek van het wachten: Le coup de sonnette – alweer die bel, het is een motief! – d’Eulalie, s’il arrivait tout à fin de la journée, quand elle ne l’espérait plus, la faisait presque se trouver mal (‘bezorgde haar bijna een onpasselijkheid’ in de amechtige vertaling van C.N. Lijsen). Om deze malaises niet nog te verergeren moet de kleine koste wat het kost ver van haar worden gehouden. Na het eten (straks nog even iets daarover) wordt hij in de tuin gestuurd om, voordat hij zich in zijn kamer met zijn boeken ingraaft, een luchtje te scheppen. Nadat hij even op een bankje is gaan zitten, loopt hij nog aan bij oom Adolphe, die een kamer betrekt op de benedenverdieping van het huis. Deze passus vormt de aanleiding voor een ferme uitweiding, die hier in het volgende hoofdstukje (10) zal worden behandeld, want: depuis nombreux d’années je n’entrais plus dans le cabinet de mon oncle Adolphe, ce dernier ne venant plus à Combray… Er is een ruzie geweest tussen Adolphe en de familie, en de toevoeging par ma faute wekt wel heel erg de nieuwsgierigheid.
Maar alvorens we vernemen hoe die ruzie, en dan nog wel een ‘waaraan ik zelf schuld had’, is kunnen ontstaan, dient hier nog iets te worden gezegd over de maaltijd die voorafgaat aan het grote wachten van Léonie op Eulalie. De opsomming van de spijzen die ter tafel komen klinkt als een vrolijke litanie waarbij we de meid Françoise als het ware horen uitkakelen wat en hoe en waarom ze nu eens voor dit gerecht kiest en dan weer voor het andere: une barbue [griet] parce que la marchande lui en avait garanti la fraîcheur, une dinde [kalkoen] parce qu’elle [Françoise] en avait vu une belle au marché de Roussaineville-le-Pin, des cardons à la moelle [artisjokken] parce qu’elle ne nous en avait pas encore fait de cette manière-là, un gigot rôti parce que le grand air creuse et qu’il avait bien le temps de descendre d’ici sept heures, des épinards [spinazie] pour changer, des abricots… Enzovoort, het lijkt wel het register van de Larousse Gastronomique. Vooral die spinazie-voor-de-afwisseling vind ik wel mooi. Twee items in deze zondagnamiddaglijk loom-makende lekkerbekkencatalogus heb ik nog niet genoemd en moet ik hier vermelden omdat Proust er al eerder gewag van maakte en omdat derhalve hun aanwezigheid in de opsomming hier door de herhaling een structurerende kracht heeft: de framboises que M. Swann avait apportées exprès (frambozen die we eerder, een bladzijde of vijftig eerder, al door het avondlijke tuintje in een mandje hebben zien transporteren), en ook de brioche, die hier, op de crème au chocolat na, de maaltijd afsluit maar die eerder al (op blz. 65) ter sprake kwam omdat er dan een moest worden gehaald en ook omdat de klokketoren van de kerk er op geleek.
Of hoe Proust subtiel en schijnbaar achteloos kruimels laat vallen en zo een pad vormt dat de lezer kan volgen zodat hij niet in dit immense bos hoeft te verdwalen en zijn tijd verliezen.
vrijdag 11 november 2005
Ik lees Proust niet, ik vertaal hem (35)
Le monocle du marquis de Forestelle était minuscule, n’avait aucune bordure et, obligeant à une crispation incessante et douloureuse l’œil où il s’incrustait comme un cartilage superflu dont la présence est inexplicable et la matière recherchée, il donnait au visage du marquis une délicatesse mélancolique, et le faisait juger par les femmes comme capable de grands chagrins d’amour.
(I:327)
De monocle van de markies de Forestelle was minuscuul en randloos. Als een overtollig kraakbeen, waarvan de aanwezigheid onverklaarbaar was en de grondstof kostbaar, noopte hij het oog waarin hij was gevat tot een onophoudelijke en smartelijke zenuwtrek. Daardoor schonk hij het gelaat van de markies een melancholisch raffinement, waardoor de vrouwen hem het vermogen toedichtten grote liefdespijnen te kunnen veroorzaken.
De monocle van de markies de Forestelle was uiterst klein, zonder randen en veroorzaakte een onophoudelijke knippering van het oog waarvoor het, als een overbodig stukje kraakbeen waarvan de aanwezigheid onverklaarbaar en de samenstelling nogal gezocht is, ingezet zat, hetgeen aan het gelaat van de markies een droefgeestige verfijning gaf waardoor de vrouwen hem tot diepe liefdessmarten in staat achtten.
(M.E. Veenis-Pieters I:396)
(I:327)
De monocle van de markies de Forestelle was minuscuul en randloos. Als een overtollig kraakbeen, waarvan de aanwezigheid onverklaarbaar was en de grondstof kostbaar, noopte hij het oog waarin hij was gevat tot een onophoudelijke en smartelijke zenuwtrek. Daardoor schonk hij het gelaat van de markies een melancholisch raffinement, waardoor de vrouwen hem het vermogen toedichtten grote liefdespijnen te kunnen veroorzaken.
De monocle van de markies de Forestelle was uiterst klein, zonder randen en veroorzaakte een onophoudelijke knippering van het oog waarvoor het, als een overbodig stukje kraakbeen waarvan de aanwezigheid onverklaarbaar en de samenstelling nogal gezocht is, ingezet zat, hetgeen aan het gelaat van de markies een droefgeestige verfijning gaf waardoor de vrouwen hem tot diepe liefdessmarten in staat achtten.
(M.E. Veenis-Pieters I:396)
donderdag 10 november 2005
Michael Haneke, Caché
Het is wat bevreemdend om in een film van een Haneke hetende regisseur een haan te zien slachten – maar dat terzijde.
Caché is een bijzonder sterke film. Veel meer dan de thriller, die hij op het eerste gezicht lijkt te zijn, is het een politieke film, én een film over film. Als politieke film, over het koloniale schuldcomplex en de raciale tweespalt in een onpersoonlijke samenleving, is Caché vandaag, met de straatrellen in de Franse steden, actueel en relevant. Ja, zelfs visionair – al moet je natuurlijk geen ziener zijn om wat zich nu in die banlieues aan het voltrekken is te hebben kunnen voorspellen. Maar ook als film-over-film heeft Caché een politieke dimensie. Hij gaat over monteren en hoe ons beeld van de werkelijkheid volkomen verknipt, geregisseerd, gemanipuleerd en derhalve vervreemd is, niet meer realistisch en dus misleidend, onjuist, fictief. De werkelijkheid, ook de politieke werkelijkheid, onttrekt zich, door de manier van kijken die ons door de media wordt ingepeperd, aan onze blik. Ze wordt verborgen, cachée. Niet toevallig werkt Georges (Daniel Auteuil) voor de tv, en Anne (Juliette Binoche) voor een uitgever: zij bevinden zich – zonder zich daar overigens ook maar één vraag bij te stellen (ze zijn enkel met hun carrière bezig) – in het hart van de storm die mediatisering heet, ontwerkelijking, fictionalisering.
Dat Caché geen thriller is maar een film over hoe we kijken, maakt Haneke duidelijk door ons bijvoorbeeld nooit te onthullen wie dan in godsnaam het huis van Georges en Anne heeft gefilmd, en vanuit welk standpunt: waar stond die camera opgesteld? Niet alleen levert deze camera het soort statische en – ook in de emotionele betekenis – onbewogen beelden die we kennen van verborgen camera’s (wie staat daar nog bij stil, eigenlijk, dat die ons voortdurend in de gaten houden?), ze blíjft ook verborgen; haar verborgenheid is essentieel. Met zijn ‘verborgen’ camera suggereert Haneke dat we het mediatiseren niet zien; dat de instantie die bepaalt hoe wij de wereld zien onzichtbaar en dus ook onaantastbaar blijft.
De film gaat dus over hoe onze werkelijkheidszin wordt gemonteerd – en hoe wij daardoor dus vervreemd geraken: vervreemd van onze geschiedenis (in dit geval de onhandige omgang met het koloniaal verleden en het onvermogen om een brug te slaan naar de allochtone gemeenschap), vervreemd van elkaar (zie hoe gebrekkig dat ‘modelgezinnetje’ functioneert: vader en moeder en puberende zoon slagen er niet of nauwelijks in een goed contact te hebben met elkaar, het is altijd drukdrukdruk en er is geen begrip voor emoties en, bijvoorbeeld, de behoefte aan vertrouwen), vervreemd van wat er verder in de wereld gebeurt. Dat laatste illustreert Haneke door op een gegeven ogenblik Anne en Georges te laten discussiëren terwijl op de achtergrond de televisie beelden spuit over Irak – beelden die uiteraard zelf ook geregisseerd, gemonteerd, gemanipuleerd zijn. Het contrast tussen beide werkelijkheden – gezinsdramaatje versus oorlogsgruwel – kan moeilijk dikker in de verf worden gezet.
Het monteren is op verschillende manieren uitdrukkelijk aanwezig in de film. Al meteen in de onwaarschijnlijke lengte van het – uitdrukkelijk ongemonteerde – beginshot waarin we enkele minuten lang het huis van Anne en Georges zien, en wie daar passeert en naar buiten komt etc. Dan blijkt dat shot een video-opname te zijn, want het beeld wordt teruggespoeld. Ook dat is montage. Er is natuurlijk ook de scène waar Georges zelf aan het monteren is aan de montagetafel: hij regisseert zijn eigen boekenprogramma. Een van de schrijvers die begint aan een ongetwijfeld interessante maar zich als oeverloos aankondigende en wellicht de kijkcijfers ongunstig beïnvloedende uiteenzetting wordt genadeloos weggeknipt… Een heel sterk statement over montage vond ik de scène waarin Georges in zijn slaapkamer op Anne wacht: Haneke waagt het deze scène meer dan een minuut te laten duren. Ongetwijfeld een realistische duur (Anne moet eerst nog het bezoek buitenborstelen), maar qua filmtaal provocerend. En dan is er natuurlijk ook het eindshot, dat als een spiegeling met het beginbeeld ook weer eindeloos blijft duren – en dat niet alleen daardoor de kijker uitdaagt: het verschaft immers niet de opheldering van het ‘verhaal’ waaraan die zich twee uur lang heeft overgeleverd – waarmee Haneke suggereert dat die behoefte alvast ook niet sacrosanct hoeft te zijn; hij sanctioneert de kijker-filmconsument die bijna onvermijdelijk ‘traditioneel’ kijkt met een onbevredigd gevoel, waarmee hij uiteraard nog maar eens bevestigt dat zijn film over diens manier van kijken gaat, en in welke mate die manier van kijken in onze tijd nog authentiek en autonoom is of kan zijn.
Caché is een bijzonder sterke film. Veel meer dan de thriller, die hij op het eerste gezicht lijkt te zijn, is het een politieke film, én een film over film. Als politieke film, over het koloniale schuldcomplex en de raciale tweespalt in een onpersoonlijke samenleving, is Caché vandaag, met de straatrellen in de Franse steden, actueel en relevant. Ja, zelfs visionair – al moet je natuurlijk geen ziener zijn om wat zich nu in die banlieues aan het voltrekken is te hebben kunnen voorspellen. Maar ook als film-over-film heeft Caché een politieke dimensie. Hij gaat over monteren en hoe ons beeld van de werkelijkheid volkomen verknipt, geregisseerd, gemanipuleerd en derhalve vervreemd is, niet meer realistisch en dus misleidend, onjuist, fictief. De werkelijkheid, ook de politieke werkelijkheid, onttrekt zich, door de manier van kijken die ons door de media wordt ingepeperd, aan onze blik. Ze wordt verborgen, cachée. Niet toevallig werkt Georges (Daniel Auteuil) voor de tv, en Anne (Juliette Binoche) voor een uitgever: zij bevinden zich – zonder zich daar overigens ook maar één vraag bij te stellen (ze zijn enkel met hun carrière bezig) – in het hart van de storm die mediatisering heet, ontwerkelijking, fictionalisering.
Dat Caché geen thriller is maar een film over hoe we kijken, maakt Haneke duidelijk door ons bijvoorbeeld nooit te onthullen wie dan in godsnaam het huis van Georges en Anne heeft gefilmd, en vanuit welk standpunt: waar stond die camera opgesteld? Niet alleen levert deze camera het soort statische en – ook in de emotionele betekenis – onbewogen beelden die we kennen van verborgen camera’s (wie staat daar nog bij stil, eigenlijk, dat die ons voortdurend in de gaten houden?), ze blíjft ook verborgen; haar verborgenheid is essentieel. Met zijn ‘verborgen’ camera suggereert Haneke dat we het mediatiseren niet zien; dat de instantie die bepaalt hoe wij de wereld zien onzichtbaar en dus ook onaantastbaar blijft.
De film gaat dus over hoe onze werkelijkheidszin wordt gemonteerd – en hoe wij daardoor dus vervreemd geraken: vervreemd van onze geschiedenis (in dit geval de onhandige omgang met het koloniaal verleden en het onvermogen om een brug te slaan naar de allochtone gemeenschap), vervreemd van elkaar (zie hoe gebrekkig dat ‘modelgezinnetje’ functioneert: vader en moeder en puberende zoon slagen er niet of nauwelijks in een goed contact te hebben met elkaar, het is altijd drukdrukdruk en er is geen begrip voor emoties en, bijvoorbeeld, de behoefte aan vertrouwen), vervreemd van wat er verder in de wereld gebeurt. Dat laatste illustreert Haneke door op een gegeven ogenblik Anne en Georges te laten discussiëren terwijl op de achtergrond de televisie beelden spuit over Irak – beelden die uiteraard zelf ook geregisseerd, gemonteerd, gemanipuleerd zijn. Het contrast tussen beide werkelijkheden – gezinsdramaatje versus oorlogsgruwel – kan moeilijk dikker in de verf worden gezet.
Het monteren is op verschillende manieren uitdrukkelijk aanwezig in de film. Al meteen in de onwaarschijnlijke lengte van het – uitdrukkelijk ongemonteerde – beginshot waarin we enkele minuten lang het huis van Anne en Georges zien, en wie daar passeert en naar buiten komt etc. Dan blijkt dat shot een video-opname te zijn, want het beeld wordt teruggespoeld. Ook dat is montage. Er is natuurlijk ook de scène waar Georges zelf aan het monteren is aan de montagetafel: hij regisseert zijn eigen boekenprogramma. Een van de schrijvers die begint aan een ongetwijfeld interessante maar zich als oeverloos aankondigende en wellicht de kijkcijfers ongunstig beïnvloedende uiteenzetting wordt genadeloos weggeknipt… Een heel sterk statement over montage vond ik de scène waarin Georges in zijn slaapkamer op Anne wacht: Haneke waagt het deze scène meer dan een minuut te laten duren. Ongetwijfeld een realistische duur (Anne moet eerst nog het bezoek buitenborstelen), maar qua filmtaal provocerend. En dan is er natuurlijk ook het eindshot, dat als een spiegeling met het beginbeeld ook weer eindeloos blijft duren – en dat niet alleen daardoor de kijker uitdaagt: het verschaft immers niet de opheldering van het ‘verhaal’ waaraan die zich twee uur lang heeft overgeleverd – waarmee Haneke suggereert dat die behoefte alvast ook niet sacrosanct hoeft te zijn; hij sanctioneert de kijker-filmconsument die bijna onvermijdelijk ‘traditioneel’ kijkt met een onbevredigd gevoel, waarmee hij uiteraard nog maar eens bevestigt dat zijn film over diens manier van kijken gaat, en in welke mate die manier van kijken in onze tijd nog authentiek en autonoom is of kan zijn.
woensdag 9 november 2005
dinsdag 8 november 2005
Mijn woordenboek (101)
ACHTERGRONDMUZIEK
Esse est percipi. Alleen wat wordt waargenomen bestaat. Zo gezien, zo gehoord, bestaat achtergrondmuziek niet. Het kán niet bestaan want zodra je het hoort, treedt het op de voorgrond. Daarom wordt als achtergrondmuziek meestal geen muziek gebruikt maar muzak; muzak is een muziekachtig iets dat er op uit is niet als muziek te worden ervaren en dat zelfs niet eens muziek wil zijn.
Achtergrondmuziek is dus iets wat niet kán bestaan. Maar tegelijk is het, wat mij betreft, evengoed waar dat alle muziek gedoemd is achtergrondmuziek te zijn. Want ik weet te weinig van muziek om haar ten volle muziek te laten zijn. Zoals ik nooit een in het Chinees geschreven boek zal kunnen lezen omdat ik het Chinees nooit machtig zal zijn, zo kan ik, strikt gesproken, geen muziek beluisteren en op die manier écht muziek, méér dan achtergrondmuziek, laten zijn omdat ik er nooit méér dan een impressie, een gevoel van met me kan meedragen. Ik hoor de melodie, de intonatie, de tonen en wat nog allemaal meer (de tekst eventueel, het kleur, het ritme…) en voel daar iets bij. Vervolgens staat dat gevoel mijn verder beluisteren, mijn doordringen in de taal van de muziek in de weg. Ik noem Die Kunst der Fuge van Bach of de Orfeo van Monteverdi of de Requiems van Verdi en Mozart of de strijkkwartetten van Janacek meesterwerken (‘hé wat klinkt dat pedant’ en eerlijk gezegd, dat is het ook) – maar heb ik er ooit langer dan drie frases of hoe noem je zoiets écht naar geluisterd? Het gemakkelijke gevoel dat ik er bij krijg verblindt of beter verdooft me, ik verlies heel vlug mijn concentratie en luister niet meer. De muziek houdt op voor mij muziek te zijn en kabbelt voort op de achtergrond van mijn bewuste beleving. Een muziekstuk duurt altijd veel langer dan wat mijn luistervermogen, mijn luisterbereidheid aankan. Het is altijd veel rijker dan wat ik kan bevatten.
Als ik naar muziek luister, hoor ik altijd meer niet dan wel. Ik hou van muziek (denk ik) maar ben in grote mate muziekdoof. Ik hoor nadat mijn concentratie is weggeëbd, de muziek nog wel, maar denk intussen aan iets anders. Op de achtergrond blijft nog iets klinken, maar het is geen muziek meer. Voor mij toch niet.
Esse est percipi. Alleen wat wordt waargenomen bestaat. Zo gezien, zo gehoord, bestaat achtergrondmuziek niet. Het kán niet bestaan want zodra je het hoort, treedt het op de voorgrond. Daarom wordt als achtergrondmuziek meestal geen muziek gebruikt maar muzak; muzak is een muziekachtig iets dat er op uit is niet als muziek te worden ervaren en dat zelfs niet eens muziek wil zijn.
Achtergrondmuziek is dus iets wat niet kán bestaan. Maar tegelijk is het, wat mij betreft, evengoed waar dat alle muziek gedoemd is achtergrondmuziek te zijn. Want ik weet te weinig van muziek om haar ten volle muziek te laten zijn. Zoals ik nooit een in het Chinees geschreven boek zal kunnen lezen omdat ik het Chinees nooit machtig zal zijn, zo kan ik, strikt gesproken, geen muziek beluisteren en op die manier écht muziek, méér dan achtergrondmuziek, laten zijn omdat ik er nooit méér dan een impressie, een gevoel van met me kan meedragen. Ik hoor de melodie, de intonatie, de tonen en wat nog allemaal meer (de tekst eventueel, het kleur, het ritme…) en voel daar iets bij. Vervolgens staat dat gevoel mijn verder beluisteren, mijn doordringen in de taal van de muziek in de weg. Ik noem Die Kunst der Fuge van Bach of de Orfeo van Monteverdi of de Requiems van Verdi en Mozart of de strijkkwartetten van Janacek meesterwerken (‘hé wat klinkt dat pedant’ en eerlijk gezegd, dat is het ook) – maar heb ik er ooit langer dan drie frases of hoe noem je zoiets écht naar geluisterd? Het gemakkelijke gevoel dat ik er bij krijg verblindt of beter verdooft me, ik verlies heel vlug mijn concentratie en luister niet meer. De muziek houdt op voor mij muziek te zijn en kabbelt voort op de achtergrond van mijn bewuste beleving. Een muziekstuk duurt altijd veel langer dan wat mijn luistervermogen, mijn luisterbereidheid aankan. Het is altijd veel rijker dan wat ik kan bevatten.
Als ik naar muziek luister, hoor ik altijd meer niet dan wel. Ik hou van muziek (denk ik) maar ben in grote mate muziekdoof. Ik hoor nadat mijn concentratie is weggeëbd, de muziek nog wel, maar denk intussen aan iets anders. Op de achtergrond blijft nog iets klinken, maar het is geen muziek meer. Voor mij toch niet.
maandag 7 november 2005
Uit het nieuws
Ergens achterin het radionieuws wordt gemeld dat er nu ook in Brussel vijf auto’s zijn in brand gestoken. Ondertussen wordt in Frankrijk de uitbreiding van de rellen vanuit Parijs naar een aantal andere grote steden in verband gebracht met de overdreven media-aandacht die de eerste incidenten kregen (vakantie, nieuwsluwte, komkommertijd, het sensationele karakter van de dood van twee allochtone tieners in een elektriciteitskabine). Toch lijkt het overwaaien van het straatgeweld van Frankrijk naar Brussel belangrijker dan het feit dat de federale regering met twee bladzijden in alle kranten haar sociaal programma beter probeert te communiceren – een feit dat in het nieuws als hoofdpunt wordt voorgesteld. Voor het eerst immers dreigt België te worden geconfronteerd met eventueel grootschalig gratuit vandalisme of, zo men wil, met een openlijke raciaal conflict zoals er op dit ogenblik een in Frankrijk wordt uitgevochten, of ook nog: met de uitbarsting van een sinds lang sluimerende sociale en maatschappelijke tijdbom. Het kan geen toeval zijn dat het item achterin het nieuws wordt weggemoffeld. Het is een manifestatie van angst. Hieraan mag niet te veel ruchtbaarheid worden verleend.
zondag 6 november 2005
zaterdag 5 november 2005
woensdag 2 november 2005
Ik lees Proust niet, ik vertaal hem (34)
Tous les souvenirs qui composaient la première Mlle Swann étaient en effet retranchés de la Gilberte actuelle, retenus bien loin par les forces d’attraction d’un autre univers, autour d’une phrase de Bergotte avec laquelle ils faisaient corps, et baignés d’un parfum d’aubépine.
(III:991)
Alle herinneringen waaruit de eerste juffrouw Swann was samengesteld waren in feite ontleend aan de huidige Gilberte. Ze werden door de aantrekkingskrachten van een ander universum heel veraf gehouden, rond een zin van Bergotte waarmee ze één geheel vormden, en ondergedompeld in een parfum van meidoorn.
Alle herinneringen waaruit de eerste Mlle Swann bestond waren dan ook van de huidige Gilberte afgesneden, ver weg vastgehouden door de aantrekkingskrachten van een ander universum, rond een zin van Bergotte, waar ze één geheel mee vormden, gehuld in een geur van meidoorn.
(Cornips VII:339)
(III:991)
Alle herinneringen waaruit de eerste juffrouw Swann was samengesteld waren in feite ontleend aan de huidige Gilberte. Ze werden door de aantrekkingskrachten van een ander universum heel veraf gehouden, rond een zin van Bergotte waarmee ze één geheel vormden, en ondergedompeld in een parfum van meidoorn.
Alle herinneringen waaruit de eerste Mlle Swann bestond waren dan ook van de huidige Gilberte afgesneden, ver weg vastgehouden door de aantrekkingskrachten van een ander universum, rond een zin van Bergotte, waar ze één geheel mee vormden, gehuld in een geur van meidoorn.
(Cornips VII:339)
dinsdag 1 november 2005
Mijn woordenboek (100)
ACHTERGROND
Een schilderij is een tweedimensionaal vlak waarop een kleurenpatroon is aangebracht en elke vierkante centimeter moet er evenveel toe doen. De opsplitsing afbeelding-achtergrond is strikt genomen even relevant voor de appreciatie van het schilderij als het onderscheid voorzijde-achterzijde. Eigenlijk heeft het bij schilderkunst geen zin om van een achtergrond te spreken: alles in het schilderij is voorgrond. Of hoort dat te zijn: een goed schilderij heeft geen achtergrond. De lijst aan de groenige muur achter de uit heel veel zwart opgetrokken op een stoel gezeten oude vrouw van Whistler (zijn moeder) is even belangrijk als de uit heel veel zwart opgetrokken oude vrouw van Whistler (en voor de groenige muur zelf geldt hetzelfde). De ruimte tussen Morandi’s flessen is even belangrijk als Morandi’s flessen en vórmt ze evenzeer als wat binnen de contouren van de flessen valt. Van Monets waterlelies zijn de bloemen niet essentiëler dan de bladen of het water. En in de vlammende pijnbomen ruist bij Van Gogh evenveel razernij als in zijn meest gekwelde ogen. Maar voor de schilder van de wenende clown is het echt wel een urgent probleem hoe op acceptabele manier de ruimte naast al dat uitzichtloze sentiment te konterfeiten. Want verf moet er op, het volledige doek moet gevuld, je kunt moeilijk een wenende clown afbeelden met een rechthoekige kop die precies in de lijst past.
Een schilderij is een tweedimensionaal vlak waarop een kleurenpatroon is aangebracht en elke vierkante centimeter moet er evenveel toe doen. De opsplitsing afbeelding-achtergrond is strikt genomen even relevant voor de appreciatie van het schilderij als het onderscheid voorzijde-achterzijde. Eigenlijk heeft het bij schilderkunst geen zin om van een achtergrond te spreken: alles in het schilderij is voorgrond. Of hoort dat te zijn: een goed schilderij heeft geen achtergrond. De lijst aan de groenige muur achter de uit heel veel zwart opgetrokken op een stoel gezeten oude vrouw van Whistler (zijn moeder) is even belangrijk als de uit heel veel zwart opgetrokken oude vrouw van Whistler (en voor de groenige muur zelf geldt hetzelfde). De ruimte tussen Morandi’s flessen is even belangrijk als Morandi’s flessen en vórmt ze evenzeer als wat binnen de contouren van de flessen valt. Van Monets waterlelies zijn de bloemen niet essentiëler dan de bladen of het water. En in de vlammende pijnbomen ruist bij Van Gogh evenveel razernij als in zijn meest gekwelde ogen. Maar voor de schilder van de wenende clown is het echt wel een urgent probleem hoe op acceptabele manier de ruimte naast al dat uitzichtloze sentiment te konterfeiten. Want verf moet er op, het volledige doek moet gevuld, je kunt moeilijk een wenende clown afbeelden met een rechthoekige kop die precies in de lijst past.
Abonneren op:
Posts (Atom)



















