ALLOCHTONENPROBLEMATIEK
Kent u dat ook, dat op je hoede zijn als je meent iets over allochtonen te moeten zeggen en het dan toch maar inslikken? Daarover iets dénken is geen probleem: de gedachten zijn vrij. Maar zéggen? Ho maar. ‘Wij zeggen wat u denkt’ is niet toevallig een ijzersterke slogan – in louter publicitair opzicht uiteraard.
Vanwege die precaire toepasbaarheid van de vrijheid van meningsuiting spreken wij ook van ‘de allochtonenproblematiek’ en niet van ‘het allochtonenprobleem’. ’t Is alsof je zou zeggen ‘Ik heb een alcoholproblematiek’ terwijl je toch echt een alcoholprobleem hebt. Een problematiek is minder erg. Maar we weten allemaal dat er wel degelijk sprake is van een probleem als het over allochtonen gaat, en dus is dienaangaande spreken over een ‘problematiek’ niet zo pertinent. Het is: vergoelijkend, het kwestieuze probleem niet benoemend. Het is: rond de hete brij draaiend.
Kijk, nu heb ik al te veel gezegd. Deze inleiding doet veronderstellen dat wat ik over allochtonen denk, of eventueel te zeggen heb, niet, euuhh, ‘politiek correct’ zal zijn.
En ook dat is al te veel. Want als ik de term ‘politiek correct’ gebruik, ook al plaats ik hem tussen aanhalingstekens, zit ik alweer in moeilijk vaarwater. Ik neem een defensieve houding aan…
Defensief? Hebt u iets te verbergen?
Tja…
Het is onmogelijk geworden om onbevangen iets over allochtonen te zeggen. Er rust een taboe op. Het onbevangene klinkt in dezen algauw onbezonnen. Het thema is op z’n zachtst gezegd heikel – je kunt moeilijk het deuntje vermijden waarin de wending ‘Ik ben geen racist, maarrrr…’ zowat de geijkte opmaat is.
Ik héb meningen over de allochtonenproblematiek, en met die omzwachtelende term bedoel ik (laten we een kat een kat noemen): de problemen die worden veroorzaakt door de wereldwijde vermenging van culturen waaraan ook onze huidige westerse samenleving niet ontsnapt. Integratie is dan het aanlengen of zoeten van deze vermenging. Dat houdt zeker niet alleen in dat de autochtone cultuur openstaat voor alles wat van buiten op haar afkomt, in de overtuiging dat het vreemde een verrijking kan brengen. (Dat is de truc waarmee de linkerzijde er zich vanaf probeert te maken.) Ik bedoel met integratie ook niet een of ander vaag concept van ‘multiculturaliteit’ waarbij onze al wat oudere vrouwen met hun veel te kort haar, veel te lange oorbellen en veel te wijde pofbroeken beginnen te buikdansen zodra er nog maar een Afrikaans ritmetje weerklinkt. Ik kijk meewarig toe hoe op het podium van het multiculturele manifestatietje waarop dit verschijnsel kan gespot worden de verdwaalde Malinees die op zijn – hier komt de naam van een authentiek slaginstrument – roffelt op zijn beurt niet anders kan dan meewarig toekijken bij zoveel potsierlijk vertoon. Eigenlijk bedoel ik met integratie niet veel anders dan de – onvermijdelijk gedeeltelijke – assimilatie van de toegevoegde elementen in de bestaande, autochtone cultuur, iets wat alleen kan als die nieuwe elementen de autochtone cultuur aanvaarden, respecteren en zelfs in grote mate – maar nooit helemaal! – overnemen, waardoor ze zelf, zolang die autochtone cultuur nog overheersend is, in grote mate onzichtbaar worden. (Het spreekt vanzelf dat, naarmate de vermenging zich doorzet en het verschil tussen autochtoon en allochtoon verkleint, zoals een pot witte verf waarin je stelselmatig druppels zwart toevoegt steeds grijzer wordt, die onzichtbaarheid een relatiever begrip wordt en de toenadering ook meer en meer van de allochtone zijde kan en mag worden verwacht. Hier spelen de wetten van de brute, naakte getallen.)
Ik neem, denk ik, ten aanzien van ‘de problematiek’ een gematigde positie in – maar ik ben niet zo naïef dat ik niet zou merken dat ik de laatste jaren met dit soort gematigdheid steeds verder naar de rechterzijde opschuif. Het gevaar van de rechterzijde is dat er een ranzige extreme kant aan is, en dat aan die kant nadrukkelijk totale onzichtbaarheid wordt geëist. En misschien zelfs nog meer: daar wordt geëist dat er helemaal geen vermenging is, dat er helemaal geen allochtonen zijn. Niets anders wordt daar gewild dan zuiverheid. Cultuurzuiverheid. Raszuiverheid.
Dat is ten enenmale onmogelijk geworden. Of we dat nu leuk vinden of niet: vermengingen hebben zich in de loop van de geschiedenis altijd voorgedaan en nu, nu we simpelweg met te veel zijn op deze planeet en de mobiliteit ongeëvenaard groot is, doen ze zich meer voor dan ooit tevoren. Bovendien is elke vermenging die er al is geweest, en die onvermijdelijk de plaatselijke, autochtone, cultuur ingrijpend wijzigt en kleurt, er een die niet meer kan worden teruggeschroefd. Daarmee moeten we leven. Dat veronderstelt alvast dat we de historische feitelijkheid ervan erkennen. Vlamingen bijvoorbeeld zijn, op dit kruispunt van culturen en in een land dat niet door bergen is omringd en dat bovendien door tal van vreemde elementen in de loop der eeuwen als een slagveld werd beschouwd, alsook als een proeftuin voor zich tomeloos verspreidend DNA, allesbehalve raszuivere wezens.
Dus is het nog maar de vraag in welke mate we kunnen verlangen dat onze eigen cultuur in dat vermengingsgeweld zo intact mogelijk zou blijven. Toch is dat een redelijk of, beter, oorbaar verlangen: ieder mens verlangt continuïteit, wil de voortzetting van de context waarin hij is opgegroeid en waarin hij zich geborgen weet. En al is het ideaal van de eigen ‘zuiverheid’ een mythe, die zuiverheid blijft toch iets waarin een mens geneigd is te geloven – al was het maar om zijn wereld overzichtelijk te houden. Er is altijd een Blut und Boden in ons. We moeten daar niet flauw over doen. Vanwaar anders de onvoorwaardelijke loyaliteit ten aanzien van de eigen familie, vanwaar anders het heimwee naar de heimat?
Maar er zijn twee problemen. Het eerste heb ik al vermeld: het is lastig hierover te praten zonder een verkeerde indruk te wekken. Het tweede betreft de kwaliteit van de eigen cultuur die dan zo nodig voor vermenging moet worden behoed en gehandhaafd: als je de cultuur van de nieuwkomers verwerpt of gedeeltelijk verwerpt – en dat doe je onvermijdelijk als je van hen verlangt dat ze zich integreren en – minstens gedeeltelijk – in onze cultuur opgaan (al was het maar omdat onze leefomstandigheden dat nu eenmaal vereisen), dan moet je daar wel iets tegenover kunnen plaatsen. In Vlaanderen – het xenofobe, kneuterige, Verkavelingsvlaams sprekende, arme Vlaanderen – ligt dat niet altijd voor de hand.
Met welke argumenten kun je integratie afdwingen? Wat zijn in mijn cultuur de algemeen gedeelde waarden waarmee ik een allochtoon kan ‘verleiden’? Ondernemingszin en plantrekkerij, spaarzaamheid, een waardering voor christelijke deugden, een beperkte en maatschappelijk gereguleerde mate van tolerantie, bescheidenheid, een uit praktische zin en niet uit overtuiging voortgekomen democratische gezindheid, een zeer sterk ontwikkelde zin voor individualisme maar toch ook een bereidheid om iedereen gelijke rechten toe te kennen en solidair te zijn, de onweerstaanbare neiging om een eigen haard te bouwen... Dat alles is, behalve dat doorgedreven individualisme, allemaal heel mooi maar uiteindelijk kom je uit bij concrete kwesties. En dan vind ik dat het misschien niet luid genoeg wordt gezegd: dat de groepen hangjongens in de grootsteden hun blingbling-machocultuur niet aan iedereen moeten opleggen; dat meisjes en vrouwen niet in boerka moeten rondlopen omdat je dan hun ogen niet kunt zien – en dat is, zoals we sinds Levinas weten, essentieel voor de ethische regulering binnen onze cultuur: goed kunnen we enkel zijn doordat het gelaat van de andere ons daartoe appelleert; dat iedereen die op ons grondgebied komt wonen en daardoor met onze cultuur en onze gemeenschap wordt geconfronteerd minstens een poging moet doen om de taal te leren – want daarmee begint uiteindelijk alles: er is geen werkelijk contact mogelijk als we niet de moeite doen om elkaar te verstaan en belangstelling voor elkaar op te brengen. En dat zij, en niet wij, de andere taal moeten leren heeft niet alleen te maken met de wetten van het getal maar vooral met de elementaire beleefdheid die de relatie kenmerkt tussen de gastheer en de gast; het is een kwestie van erkentelijkheid voor de genoten gastvrijheid.
Neen, het allochtonenvraagstuk laat mij niet onberoerd. Maar ik ben me heel goed bewust van het feit dat ik er nooit echt mee te maken heb gekregen. In mijn stad is er nauwelijks sprake van, al begint het nu wel, en bovendien werd ik er in de eerste dertig, veertig jaren van mijn leven nauwelijks mee geconfronteerd. Ik ken geen allochtonen en ik heb, denk ik, maar één keer met een van hen gesproken. Maar ik ben er wel van overtuigd dat hun aanwezigheid een onomkeerbaar fenomeen is en dat het heel erg nodig is dat wij er met ons allen over nadenken hoe we het probleem dat zij veroorzaken, want het is wel degelijk meer dan een problematiek, zullen aanpakken.
Posts tonen met het label overweging. Alle posts tonen
Posts tonen met het label overweging. Alle posts tonen
vrijdag 24 september 2010
vrijdag 17 september 2010
overweging 2 / mijn woordenboek
GELOOF
Het is vandaag zeer gemakkelijk om de katholieke Kerk aan te vallen. Zij blundert voortdurend, zowel in de aanval als in de verdediging, ze speelt met een aftands tactisch concept, ze vergeet op te bouwen en ze zet zichzelf voortdurend buitenspel. Als ze dan nog eens het publiek schoffeert, owngoals begint te maken of, zonder dat wij daar om vragen, knullig inlevert, heb je de bal maar tegen de netten te leggen. Zeldzaam zijn de spitsen die voor een leeg doel overknallen.
Daar doen wij dus niet aan mee. Daar valt geen eer mee te behalen. Op deze blog geen belegen moppen over van hun voetstuk gedonderde bisschoppen. Zelfs het feit dat de bisschop ‘in kwestie’ die van mijn eigen stad was, laat mij koud: het probleem waarvoor hij nu als zondebok mag opdraven is universeel. Ik adviseer Jan met de Pet: het zou een intellectuele vergissing zijn om het vizier op die ene persoon te richten.
Zelfs de paus mag wat mij betreft gerust nog een tijdje aanmodderen. ’t Is gemorrel in de marge en ik ondervind er weinig hinder van. Ik ben nog bereid te geloven dat die man het goed meent – al moet ik toegeven dat hij het me verdraaid niet gemakkelijk maakt en dat ik op de duur eraan begin te twijfelen of hij nog wel zelf gelooft wat hij zegt. Ik laat het aan experts over om uit te vogelen hoeveel doden er al gevallen zijn door de onrealistische seksuele moraal van deze knettergekke Herr Flick in schaapsvacht.
Wat er ook van zij, een man die, ruim aan gene zijde van de pensioengerechtigde leeftijd, met kantwerk afgezette rokken draagt, zie ik liever niet dicteren wat ik moet denken en doen en laten.
Aangezien het zo gemakkelijk is de katholieke Kerk aan te vallen, zal ik dat aan anderen overlaten. Ik kies liever de moeilijke weg en wil hier stellen dat ik over paus Benedictus XVI, genaamd Ratzinger, iets positiefs te melden heb.
Met iets wat hij gisteren (16 september 2010) in Schotland zei, heeft hij volgens mij gelijk.
Dat iets betreft het hebben van een geloof. De Heilige Vader zal wel het oerdegelijke katholieke geloof hebben bedoeld, zoals dat tot in de geringste details wordt gestipuleerd in talloze canonieke geschriften en haarklieverijen in de beste scholastieke traditie, maar laat ons nu eens aannemen dat hij bedoelde: een geloof. Ja, laat ons eens aannemen dat wij in een wereld leven waarin religieuze leiders geen exclusiviteit meer opeisen, waarin pastoors en imams en rabbijnen en wat weet ik al in grote eensgezindheid beamen dat het belangrijker is hoe dan ook in iets te geloven dan in de specifieke geloofsartikelen van hun eigen winkel. Onze samenleving, zei Ratzinger gisteren in Schotland, verkeert in een diepe crisis omdat zij geen geloof meer heeft.
Ik geloof dat hij daarmee gelijk heeft. Wij hebben ons geëmancipeerd, zoals dat dan heet, maar wat houden wij over? Wij hebben de bevoogding van de Kerk ingeruild voor een ongebreideld consumentisme – maar tegelijk brengt dit consumentisme met zich mee dat ons hele systeem, dat uiteindelijk een ecosysteem is, naar de filistijnen aan het gaan is. Wij meenden onze vrijheid voorop te moeten stellen maar we vergaten dat voortaan niemand ons zal helpen bij het maken van keuzes. Wij spoelden bovendien het kind weg met het badwater: waar het absoluut te verdedigen valt dat het goed is om zich te bevrijden van betutteling en bemoeizucht, van de terreur van het geïnduceerde schuldbesef, van missioneringsijver, discriminatie van vrouwen, homo’s en andersdenkenden, van malle geloofspunten à la bloedende harten, van verhaaltjes waarin de plot wordt toegediend als rijstpap-met-gouden-lepeltjes, en van idiote dogma’s zoals de onfeilbaarheid van de paus en de onbevlekte ontvangenis, die enkel in het leven zijn geroepen om de macht van de kerkleiders te consolideren, daar hebben wij over het hoofd gezien dat de Kerk, of beter, het christelijke geloof – los van de opsplitsing in protestantisme, rooms-katholicisme etcetera – net zo goed als andere geloven heel wat waarden in de aanbieding heeft die het samenleven bevorderen en het leven tout court zinvoller maken.
Daar staan we dan: zonder geloof, alleen met onszelf. En wat bakken we ervan? Doen we het zoveel beter zónder? Het volstaat om alleen nog maar naar de psychische gezondheid van ‘de mensen’ te kijken. De Kerk heeft vroeger heel wat op haar kerfstok bijgekrast, maar een ding is wél zeker: het leven was eenvoudiger, en die eenvoud comfortabeler. De boer en de boerin die op het schilderij van Millet het werk op den akker onderbreken wanneer de klok van de verre kerktoren het angelus klepelt, gaan misschien gebogen onder een juk dat wij van ons hebben afgeworpen, een juk dat evengoed sociologisch en economisch is want religie en economie zijn twee onderdrukkende handen op één hongerende buik – het schilderij toont mij toch ook een moment van rust en een ootmoedige zelfsituering in een wereld die nog, mede door dat geloof, overzichtelijk is. Ik weet dat dit een naïef denkbeeld is maar ik geloof dat het soms goed is naïef te zijn.
Ik pleit niet voor een terugkeer naar vroeger. Dat is ten enenmale onmogelijk. Maar ik vraag wel dat we wat genuanceerder over dit soort zaken zouden nadenken. En ook dat we niet al te gemakkelijk meejoelen met de roedel die nu hijgend en kwijlend het gemakkelijk te verschalken opgejaagd wild besluipt.
‘Geloof’ is nodig. Om zin te geven aan ons bestaan in het licht van de dood – inderdaad, liefste, voor niets minder dan dat: de dood is onze grootste vijand. Om de liefde mogelijk te maken en houden. Om onze jaren, weken en dagen een structuur te geven. Om ons samenzijn met anderen, die vaak, zoals we weten, te verschillend en eenzelvig zijn om goed met ons samen te leven, gemakkelijker te maken. Want dat is geloof ook: een systeem van betekenissen en rituelen dat mensen toelaat hun gemeenschap gestalte te geven. Wie kan ontkennen dat daar een parallel valt te onderkennen: hoe minder geloof, hoe meer eenzaamheid?
En geloof, ten slotte, hebben we nodig voor de kinderen die we zo vrij zijn geweest op de wereld te zetten. Wij moeten ergens in geloven, hoe anders kunnen we die kinderen een houvast bieden? Zeker in een wereld die zo complex en chaotisch is geworden. Hoe anders moeten wij hun leren in iets te geloven? Hoe hard is de wereld waarin ze moeten opgroeien niet als die wereld er een is zonder geloof? Geloof verzacht, geloof biedt ons de blindheid en de bewustzijnsvernauwing die we hoe dan ook nodig hebben om alle manifeste onzin aan te kunnen. Welja, geloof als opium voor het volk – wat is daar mis mee als het geen instrument is in handen van onderdrukkers en uitbuiters? Af en toe een neut helpt ook maar is, jammer genoeg, minder gezond.
En ach, welneen, dat geloof moet niet per se zo religieus en rigoureus worden ingevuld als datgene waarin wij zelf – ik ben van 1961 – nog zijn opgegroeid. Wat ik wil zeggen is dat het geen kwaad kan dat onze kinderen eens iets doen dat niet nuttig is, of niet prettig, of niet volledig op hun eigen hoogstparticuliere genot gericht. Dat ze leren hoe ze in bepaalde aspecten van het leven, die sowieso niet volledig te overzien vallen maar die er wel zijn, zoals schoonheid, of liefde, maar ook lijden en manifeste absurditeit, de realiteit kunnen transcenderen en aan hun eigen, vaak al te beperkte interpretatieschema’s kunnen ontkomen. Want dat is wat geloof voor mij in essentie is: een vermogen tot transcendentie – en dat vermogen hebben we zeer zeker nodig om in deze wereld, in dit leven al was het maar een beetje onze weg te vinden. Om in deze wereld aan deze wereld te ontsnappen.
Het is vandaag zeer gemakkelijk om de katholieke Kerk aan te vallen. Zij blundert voortdurend, zowel in de aanval als in de verdediging, ze speelt met een aftands tactisch concept, ze vergeet op te bouwen en ze zet zichzelf voortdurend buitenspel. Als ze dan nog eens het publiek schoffeert, owngoals begint te maken of, zonder dat wij daar om vragen, knullig inlevert, heb je de bal maar tegen de netten te leggen. Zeldzaam zijn de spitsen die voor een leeg doel overknallen.
Daar doen wij dus niet aan mee. Daar valt geen eer mee te behalen. Op deze blog geen belegen moppen over van hun voetstuk gedonderde bisschoppen. Zelfs het feit dat de bisschop ‘in kwestie’ die van mijn eigen stad was, laat mij koud: het probleem waarvoor hij nu als zondebok mag opdraven is universeel. Ik adviseer Jan met de Pet: het zou een intellectuele vergissing zijn om het vizier op die ene persoon te richten.
Zelfs de paus mag wat mij betreft gerust nog een tijdje aanmodderen. ’t Is gemorrel in de marge en ik ondervind er weinig hinder van. Ik ben nog bereid te geloven dat die man het goed meent – al moet ik toegeven dat hij het me verdraaid niet gemakkelijk maakt en dat ik op de duur eraan begin te twijfelen of hij nog wel zelf gelooft wat hij zegt. Ik laat het aan experts over om uit te vogelen hoeveel doden er al gevallen zijn door de onrealistische seksuele moraal van deze knettergekke Herr Flick in schaapsvacht.
Wat er ook van zij, een man die, ruim aan gene zijde van de pensioengerechtigde leeftijd, met kantwerk afgezette rokken draagt, zie ik liever niet dicteren wat ik moet denken en doen en laten.
Aangezien het zo gemakkelijk is de katholieke Kerk aan te vallen, zal ik dat aan anderen overlaten. Ik kies liever de moeilijke weg en wil hier stellen dat ik over paus Benedictus XVI, genaamd Ratzinger, iets positiefs te melden heb.
Met iets wat hij gisteren (16 september 2010) in Schotland zei, heeft hij volgens mij gelijk.
Dat iets betreft het hebben van een geloof. De Heilige Vader zal wel het oerdegelijke katholieke geloof hebben bedoeld, zoals dat tot in de geringste details wordt gestipuleerd in talloze canonieke geschriften en haarklieverijen in de beste scholastieke traditie, maar laat ons nu eens aannemen dat hij bedoelde: een geloof. Ja, laat ons eens aannemen dat wij in een wereld leven waarin religieuze leiders geen exclusiviteit meer opeisen, waarin pastoors en imams en rabbijnen en wat weet ik al in grote eensgezindheid beamen dat het belangrijker is hoe dan ook in iets te geloven dan in de specifieke geloofsartikelen van hun eigen winkel. Onze samenleving, zei Ratzinger gisteren in Schotland, verkeert in een diepe crisis omdat zij geen geloof meer heeft.
Ik geloof dat hij daarmee gelijk heeft. Wij hebben ons geëmancipeerd, zoals dat dan heet, maar wat houden wij over? Wij hebben de bevoogding van de Kerk ingeruild voor een ongebreideld consumentisme – maar tegelijk brengt dit consumentisme met zich mee dat ons hele systeem, dat uiteindelijk een ecosysteem is, naar de filistijnen aan het gaan is. Wij meenden onze vrijheid voorop te moeten stellen maar we vergaten dat voortaan niemand ons zal helpen bij het maken van keuzes. Wij spoelden bovendien het kind weg met het badwater: waar het absoluut te verdedigen valt dat het goed is om zich te bevrijden van betutteling en bemoeizucht, van de terreur van het geïnduceerde schuldbesef, van missioneringsijver, discriminatie van vrouwen, homo’s en andersdenkenden, van malle geloofspunten à la bloedende harten, van verhaaltjes waarin de plot wordt toegediend als rijstpap-met-gouden-lepeltjes, en van idiote dogma’s zoals de onfeilbaarheid van de paus en de onbevlekte ontvangenis, die enkel in het leven zijn geroepen om de macht van de kerkleiders te consolideren, daar hebben wij over het hoofd gezien dat de Kerk, of beter, het christelijke geloof – los van de opsplitsing in protestantisme, rooms-katholicisme etcetera – net zo goed als andere geloven heel wat waarden in de aanbieding heeft die het samenleven bevorderen en het leven tout court zinvoller maken.
Daar staan we dan: zonder geloof, alleen met onszelf. En wat bakken we ervan? Doen we het zoveel beter zónder? Het volstaat om alleen nog maar naar de psychische gezondheid van ‘de mensen’ te kijken. De Kerk heeft vroeger heel wat op haar kerfstok bijgekrast, maar een ding is wél zeker: het leven was eenvoudiger, en die eenvoud comfortabeler. De boer en de boerin die op het schilderij van Millet het werk op den akker onderbreken wanneer de klok van de verre kerktoren het angelus klepelt, gaan misschien gebogen onder een juk dat wij van ons hebben afgeworpen, een juk dat evengoed sociologisch en economisch is want religie en economie zijn twee onderdrukkende handen op één hongerende buik – het schilderij toont mij toch ook een moment van rust en een ootmoedige zelfsituering in een wereld die nog, mede door dat geloof, overzichtelijk is. Ik weet dat dit een naïef denkbeeld is maar ik geloof dat het soms goed is naïef te zijn.
Ik pleit niet voor een terugkeer naar vroeger. Dat is ten enenmale onmogelijk. Maar ik vraag wel dat we wat genuanceerder over dit soort zaken zouden nadenken. En ook dat we niet al te gemakkelijk meejoelen met de roedel die nu hijgend en kwijlend het gemakkelijk te verschalken opgejaagd wild besluipt.
‘Geloof’ is nodig. Om zin te geven aan ons bestaan in het licht van de dood – inderdaad, liefste, voor niets minder dan dat: de dood is onze grootste vijand. Om de liefde mogelijk te maken en houden. Om onze jaren, weken en dagen een structuur te geven. Om ons samenzijn met anderen, die vaak, zoals we weten, te verschillend en eenzelvig zijn om goed met ons samen te leven, gemakkelijker te maken. Want dat is geloof ook: een systeem van betekenissen en rituelen dat mensen toelaat hun gemeenschap gestalte te geven. Wie kan ontkennen dat daar een parallel valt te onderkennen: hoe minder geloof, hoe meer eenzaamheid?
En geloof, ten slotte, hebben we nodig voor de kinderen die we zo vrij zijn geweest op de wereld te zetten. Wij moeten ergens in geloven, hoe anders kunnen we die kinderen een houvast bieden? Zeker in een wereld die zo complex en chaotisch is geworden. Hoe anders moeten wij hun leren in iets te geloven? Hoe hard is de wereld waarin ze moeten opgroeien niet als die wereld er een is zonder geloof? Geloof verzacht, geloof biedt ons de blindheid en de bewustzijnsvernauwing die we hoe dan ook nodig hebben om alle manifeste onzin aan te kunnen. Welja, geloof als opium voor het volk – wat is daar mis mee als het geen instrument is in handen van onderdrukkers en uitbuiters? Af en toe een neut helpt ook maar is, jammer genoeg, minder gezond.
En ach, welneen, dat geloof moet niet per se zo religieus en rigoureus worden ingevuld als datgene waarin wij zelf – ik ben van 1961 – nog zijn opgegroeid. Wat ik wil zeggen is dat het geen kwaad kan dat onze kinderen eens iets doen dat niet nuttig is, of niet prettig, of niet volledig op hun eigen hoogstparticuliere genot gericht. Dat ze leren hoe ze in bepaalde aspecten van het leven, die sowieso niet volledig te overzien vallen maar die er wel zijn, zoals schoonheid, of liefde, maar ook lijden en manifeste absurditeit, de realiteit kunnen transcenderen en aan hun eigen, vaak al te beperkte interpretatieschema’s kunnen ontkomen. Want dat is wat geloof voor mij in essentie is: een vermogen tot transcendentie – en dat vermogen hebben we zeer zeker nodig om in deze wereld, in dit leven al was het maar een beetje onze weg te vinden. Om in deze wereld aan deze wereld te ontsnappen.
dinsdag 31 augustus 2010
overweging 1
ASCETISME
Ik denk na over het leven en over hoe te leven, en dus denk ik ook over de dood, en ik zie niet in waarom ik ascetisch zou zijn, en zelfs gematigd, want waarom zou ik de genietingen waaraan ik mij kan overgeven terzijde laten? De asceet beoogt een langer leven en afgezien daarvan bereidt hij zich, door ascetisch te zijn, voor op het niets dat volgt na het verscheiden. Hij streeft al in dit leven de leegte na die hem na zijn dood in zich zal opnemen. Maar hoe zou hij dan kunnen ervaren dat hij zich goed heeft voorbereid want dan is hij er, immers, niet meer. Ondertussen laat hij alles wat hij krijgen kan onaangeraakt staan. De genieter daarentegen neemt, of aanvaardt dankbaar, wat hij krijgen kan. Hij weet dat vergelijken niet eens aan de orde is, dat enkel het nu telt. Iets gaat voor hem boven niets, of veel boven weinig, en hij schrijft het minder lang genieten van dat iets – genot is jammer genoeg meestal levensverkortend – hoger aan dan het langer ondergaan van het niets.
Ik denk na over het leven en over hoe te leven, en dus denk ik ook over de dood, en ik zie niet in waarom ik ascetisch zou zijn, en zelfs gematigd, want waarom zou ik de genietingen waaraan ik mij kan overgeven terzijde laten? De asceet beoogt een langer leven en afgezien daarvan bereidt hij zich, door ascetisch te zijn, voor op het niets dat volgt na het verscheiden. Hij streeft al in dit leven de leegte na die hem na zijn dood in zich zal opnemen. Maar hoe zou hij dan kunnen ervaren dat hij zich goed heeft voorbereid want dan is hij er, immers, niet meer. Ondertussen laat hij alles wat hij krijgen kan onaangeraakt staan. De genieter daarentegen neemt, of aanvaardt dankbaar, wat hij krijgen kan. Hij weet dat vergelijken niet eens aan de orde is, dat enkel het nu telt. Iets gaat voor hem boven niets, of veel boven weinig, en hij schrijft het minder lang genieten van dat iets – genot is jammer genoeg meestal levensverkortend – hoger aan dan het langer ondergaan van het niets.
Abonneren op:
Posts (Atom)