| Brugge, Zand - 211204 |
DRIE REGELS
Het hobbelige parcours dat me in dit leven tot hier heeft gebracht, noopte mij, onder andere, tot een zeer kortstondig verblijf in de opleiding regentaat Nederlands-Geschiedenis. Het was een noodoplossing. Niet dat er aan mij niet een goede leraar is verloren gegaan (dat weet ik niet) maar ik hield het er toch vrij snel voor bekeken. Al na drie uur. Ik vertel het nog wel te gelegener tijd en op de daartoe in mijn geest reeds voorbestemde plek.
Hier wil ik het hebben over Félix Fénéon.
Félix wie?, hoor ik daar achteraan in de klas al iemand vragen. Neen, ik kende hem tot voor kort ook niet.
Maar eerst dit. Een van die drie uren die ik doorbracht in het Heilig Hart in Heverlee (ik was daar als een dwaalgast binnengevlogen toen de klas waarin ik terechtkwam al een week of drie bezig was, het liep al tegen eind september aan) – een van die drie uren was de les Nederlands. We kregen een oefening. De docente had een kort artikeltje uit de krant geknipt, en daar dan weer de titel van verwijderd. Bij de tekst die overbleef moesten wij een titel bedenken. Mijn tekstje, het zal niet veel meer dan een honderdtal woorden hebben bevat, ging over een sneeuwpretincident op een plas ergens in Nederland. Een mislukt Elfstedentochtspel, zeg maar – ja, ook in die tijd, hoe lang het al moge geleden zijn (ik spreek van 1982 of daaromtrent), begon de klimaatopwarming zich al te laten gevoelen en waren er geen winters meer als weleer. Het te dunne ijs was gebarsten, er waren enkele kinderen doorheen gezakt. Zonder al te veel erg, meen ik mij te herinneren. Gewoon een nat pak en vlug naar huis om droge kleren aan te trekken.
Ik bedacht als titel: ‘Met z’n zessen door het ijs’. Want het ging inderdaad om zés kinderen.
Dat vond de docente te luimig voor een krantenstukje. Ik had het ook niet ernstig bedoeld. Mijn besluit stond al vast: hier te zijn was een vergissing en na dat uur Nederlands muisde ik er inderdaad vanonder om aan mijn leven een andere wending te geven. Mijn gebrek aan ernst bij het bedenken van een geschikte titel was door baldadigheid ingegeven.
Aan dat voorval moet ik denken bij de drieregelige stukjes van Félix Fénéon (1861-1944). Over dit heerschap had ik het hier onlangs al even: https://pascaldigital.blogspot.com/2022/01/notitie-86.html. In 1906 had Fénéon in de Franse krant Le Matin een rubriek voor faits divers. Daarin handelde hij die dagelijkse, vaak zeer banale, incidenten af in drie regels. Een voorbeeld, willekeurig gekozen op basis van openslaan van het boek en met afgewende blik de vinger op de bladzijde mikken:
In
Montceau-les-Mines is Mlle Thereau, al vijf, door
een trein gegrepen en gedood. De 65-jarige M. Pierrot
overkwam hetzelfde, even buiten Chagny.
Drie regels, 22 woorden – maar wat een lading!, wat een dramatiek!, welk een intensiteit! ‘[A]l vijf’.
Het vreemde is dat de luim van Fénéon mij doet terugdenken aan mijn ijstitel. En die overeenkomst doet mij even nadenken over de aard van de berichtgeving.
Hoe moet een journalist het genre van het fait divers bedrijven?
Twee zaken zijn te onderscheiden: de gebeurtenis en de emotie die de gebeurtenis in ons opwekt. Het feit en het gevoel. In het zich beperken tot slechts drie regels evoceert Fénéon de focus op het gewicht van de gebeurtenis. Hoe erg ook voor Mlle Thereau en M. Pierrot en hun nabestaanden, gemeten op de schaal van het volledige territorium waarop de krant Le Matin actief is en in het licht van de wereldgeschiedenis is hun accident niet méér dan een accident de parcours, iets voor de rubriek ‘Gemengde berichten’. Ook al is er ook wel een metaniveau in Fénéons weergave van de feiten want door het leeftijdsverschil tussen beide slachtoffers gaat het hier natuurlijk ook over het onrecht dat eruit bestaat dat de ene erg vroeg moet sneven terwijl de ander toch een redelijk voldragen leven heeft gehad. Maar hoe erg ook voor beide spoorslachtoffers, het blijven accidenten en voor de meeste lezers zijn Thereau en Pierrot niet meer dan twee onbekende namen in de krant waarop de volgende dag de patatten worden geschild. Wie dit bericht zou uitwerken tot pakweg een stuk van honderd of tweehonderd woorden moet al het register van het gevoel aanboren. Onkiese details zouden ons niet bespaard blijven. De schrijver zou expliciet moeten aangeven hoe érg het allemaal wel niet is. Alsof wij dat niet op eigen kracht kunnen bevroeden.
Het drieregelige bericht van Fénéon is expressief genoeg om veel te kunnen verzwijgen. Door de literaire meerwaarde wordt hier het niveau overstegen van de loutere kennisgeving en zeker dat van de smulpartij die op sensatie beluste lezers graag voorgeschoteld krijgen.
De lectuur van Het nieuws in drie regels lijkt mij een goede oefening voor journalisten in spe en ja, zeker ook voor aspirant-regenten Nederlands-Geschiedenis.
Félix Fénéon, Het nieuws in drie regels, vertaling (2009) door Ruud Ronteltap van Nouvelles en trois lignes (1906)
TWEEDEHANDS
Wat kun je doen om een lange namiddag thuiswerken te onderbreken? Niet veel, eigenlijk. Je kunt een wandeling maken of een boodschap doen – maar je kunt geen uren wegblijven want dat zou te veel opvallen. Wandelen dus. Maar wandelen zonder doel is dolen, dus moet het érgens heen. Een ideale bestemming, althans voor mij, is de 1 kilometer van mijn standplaats verwijderde Oxfam-tweedehandswinkel. Ze hebben er vaak goede boeken in de aanbieding met een geregelde verse aanvoer (boekenbezitter is een uitstervend ras), en daar kan ik niet alleen mijn behoefte aan beweging en frisse neus op richten maar ook mijn naar koopverslaving neigende boekenverwervingsaandrang die – uiteraard! – in dit geval een compensatie beoogt voor de frustratie die is verbonden aan het wegens corona noodgedwongen in afzondering verrichte harde werk. Ja, ik kan goed marchanderen als het erop aankomt mijn totaal irrationele bibliotheekuitbreidingen te rechtvaardigen.
Ik kan alvast zeggen dat ik dit keer niet met boeken ben thuisgekomen die ik al bleek te bezitten.
Laat mij de boekenliefhebbers onder u even jaloers maken alsook misschien ook wel een beetje onderhouden met een beschrijving van mijn vangst in alfabetische volgorde.
1. De komedianten, een in 1966 verschenen en al meteen in hetzelfde jaar nog door Jean Schalekamp vertaalde roman (6de druk 1972) waarin, volgens het achterplat, Graham Greene wil duidelijk maken ‘dat het leven alleen werkelijk waarde heeft als er iets of iemand is waarvoor men het in de waagschaal zou willen stellen’. Ik las van Greene tot dusver enkel (in 1989) Mogen we je man even lenen? Zijn beroemde titels staan hier al decennia op lectuur te wachten.
2. De monografie (samenst. Bart Vanegeren) Naamloze vennootschap Lanoye verscheen in 1998: de hoogtijdagen van onze literaire spring-in-’t veld uit Sint-Niklaas. De teksten zijn, behalve van de samensteller, van onder meer Paul Mennes, Filip Rogiers, Pascal Verbeken, Dieter Lesage en Johan Vandenbroucke. De vormgeving draagt de zeer herkenbare signatuur van Dooreman en Dirk Demey. Behalve met Vanegeren en Dooreman heb ik met elk van deze mensen ooit wel persoonlijk iets te maken gehad. Het boek ontbrak, vreemd genoeg, nog in de sectie Lanoye van mijn bibliotheek.
3. Hetzelfde geldt voor Vroeger was ik beter, een verzameling columns van – zoals hij op het voorplat van de Ooievaar-pocketuitgave uit 1992 (2de druk, de 1ste was van drie jaar eerder) ten behoeve van het waarschijnlijk op dat moment nog grotendeels aan te boren Nederlandse publiek wordt aangeprezen – de ‘Belgische Komrij’. Mijn oog viel in dit boekje met Lanoye-columns (waarvan het papier al danig bruin is uitgeslagen) op een stuk over een instituut, in de periode voorafgaand aan de twee jaar (1994-1996) dat ik er zelf heb gewerkt: ‘Het etteren van de Standaard der Letteren’. Dat klinkt alvast smakelijk, ik denk dat ik het vanavond nog tot mij zal nemen.
4. De opstandigen, een vroege roman van Sándor Márai uit 1930. 5de druk van de vertaling door Henry Kammer, 2006. Perfecte staat. ‘Onder de dreigende ondergang van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk en tijdens de voor Hongarije zo noodlottig verlopende Eerste Wereldoorlog, verliezen de jongens niet alleen hun jeugd, maar ook hun geloof in werkelijke vriendschap en de hoop op een goede toekomst.’ Tot nu toe vond ik alles wat ik van Márai las goed, dus…
5. Alice Sebold kom ik vaak tegen op mijn strooptochten. Dat stemt mij nog meer argwanend dan ik al was op basis van het uiterst irrationele vooroordeel dat ik had: dat het toch onwaarschijnlijk was dat een auteur wier naam slecht in één letter verschilt van die van mijn favoriete schrijver echt goed kan zijn. Tot ik op Facebook een week of zo geleden Herman Jacobs hoog zie oplopen met Geluksvogel, een van haar romans die, volgens de door mij gewaardeerde recensent, nu al een van zijn top-leeservaringen van 2022 is. Die titel lag niet in de Oxfam, maar wel De wijde hemel, Sebolds door Molly van Gelder vertaalde debuut The Lovely Bones (2002). Mijn exemplaar is een 6de druk uit 2005 en verkeert in perfecte staat.
6. Met De koning van de akkers (vertaling uit 1994 door Bartho Kriek van The King of the Fields (1988); 1ste druk, rug gekraakt) breid ik mijn Singer-collectie met grotendeels ongelezen exemplaren uit. Wellicht gaf een quote van Saul Bellow op het achterplat de doorslag bij deze impulsaankoop: ‘Mijn enige leermeester.’ Nog niet zo lang geleden vertrouwde S. mij toe dat Bellow een van haar helden is. Een effectievere reclame kan ik niet bedenken: S. à Bellow à Singer.
Voilà. 12 centimeter boek voor 13,50 knotsen. En nu gij, zou ik kunnen zeggen als dat niet zo onsympathiek klonk (een van mijn Facebookcontacten sluit er steevast de verslagen van zijn culinaire prestaties mee af). Ik zeg wat men hier, ter stede, zegt wanneer een slag is geslagen: een mens kan daar niet voor sukkelen. En het is daarenboven ook nog eens voor de goede zaak, te weten Oxfam – dus moet ik mij niet schuldig voelen als mijn nieuwe aanwinsten (geruime tijd) ongelezen blijven!
À propos, ik zat mooi op tijd terug achter mijn computer. Ze hebben op het werk niets van mjin afwezigheid gemerkt!
wolkenfragment uit J.D. Salinger, Franny en Zooey
4477
En terwijl op de achtergrond het Hal Johnson Choir inzet rijden de camera’s in op een aardige oude heer met een lendendoek tegen een achtergrond van bergen en een blauwe hemel met witte wolken en verschijnt er op ieders gezicht een uitdrukking van vrede – (121)