maandag 12 juni 2023

notitie 385

VERKEERSAGRESSIE

Ik ben het slachtoffer geworden van verkeersagressie. En dan nog wel begaan door een politieagent. Een politieagent in burger, maar toch een politieagent. Dat ging zo.

Na 35 kilometer heb ik, langs de Damse Vaart, bijna Brugge bereikt. Mijn vingers zijn verkrampt. Ik schud mijn vingers los. Daarvoor moet ik mijn stuur loslaten, maar dat kan ik op dit fietspad op een veilige manier doen. Ik geef toe, ik zou eerst de linkerhand kunnen losschudden en dan de rechterhand. Het is een fout beide handen tegelijk los te schudden. Omdat je dan je stuur loslaat.

Een man van middelbare leeftijd komt net op het ogenblik dat ik mijn beide handen tegelijk losschud naast me rijden. Ik heb hem niet horen naderen. Hij steekt me voorbij. Een keurige man op een keurige fiets. Een elektrische fiets, weliswaar. Ik neem, veiligheidshalve, opnieuw mijn stuur vast.

Dat is nodig want met een bruuske beweging naar rechts snijdt de man mij de pas af. Ik moet remmen. Ik slaak een kreet. Iets in de zin van ‘Helaba!’ of ‘Hey, zal ‘t gaan, ja?’ Ik weet niet meer precies wat ik de man toevoeg, maar het was in elk geval niet onbeschaafd. Nu gooit hij zijn remmen helemaal dicht. Ik had nog vaart en moet een noodstop maken om niet op zijn achtersteven in te rijden. Ik slaag daar niet meer in. Ik rijd tegen zijn fiets aan, meer bepaald tegen een van de fietstassen die eraan bevestigd zijn. We staan nu allebei stil. Ik vraag de man beleefd wat de bedoeling is. Hij zegt dat ik een overtreding heb begaan. Ik vraag hem waar hij zich mee moeit en wrijf hem aan dat hij mij in gevaar heeft gebracht. Dat is niet eens overdreven want het scheelde niet veel of ik was, in mijn poging hem te ontwijken, gevallen. Vreemd genoeg zegt de man niets over het feit dat ik hem heb aangereden. Hij vertrekt.

Maar ik sta ondertussen te trillen op mijn benen. Ik maak me niet vlug kwaad, misschien soms wel niet vaak genoeg, maar nu ben ik het wéL Eigenlijk ben ik woedend. Ik achtervolg de man die – gek genoeg – de Christine D’haenstraat is ingereden. Ik heb de indruk dat hij probeert te vluchten, misschien heeft hij schrik. Daar schrik ik dan weer van. Hij stopt. Ik stop ook. We staan naast elkaar in de Christine D’haenstraat. Hier begint ons gesprek. Ik zal het kort samenvatten.

Ik vraag de man wat zijn bedoeling is. Het is een mooie zaterdag, prachtig weer, wat drijft hem om zo uit te varen tegen een ongeveer even oude man (vreemd dat ik mezelf in deze situatie veel jonger inschat) over – ochgot – een mineure verkeersovertreding. De man vraagt mij of ik wel weet hoe gevaarlijk dat is. Ik zeg hem dat hij mij in gevaar heeft gebracht, tot twee keer toe: eerst de pas afsnijden en dan het bruuske remmen. Dat is pas gevaarlijk. Dan zegt hij dat ik geen fietshelm draag. Is dat dan verplicht, misschien? Bovendien draagt hij er zelf geen. Ik vraag hem nog maar eens waarom hij dit doet, waar hij zich mee bemoeit. Dan maakt hij zich kenbaar als politieagent. In burger en dus niet in functie, maar toch: politieagent. Hij werkt bij de hondenbrigade. Mijnheer, ik ben geen hond maar een mens. Ik aanvaard het niet dat u mij zo aanspreekt. Wat is uw naam? Hij noemt zijn naam, die ik hier niet zal noemen maar die ik niet vergeten ben. Ik mag blij zijn dat hij niet in uniform is of hij had mij beboet, zegt hij. Dan zou ik u aanklagen, mijnheer S, zeg ik. Ik blijf beleefd maar krijg toch het verwijt dat ik duidelijk laaggeschoold ben. Pardon? Ik weet dat universitaire diploma’s sinds ik er een heb behaald aanzienlijk gedevalueerd zijn, maar dit is naar mijn aanvoelen toch iets te geringschattend. Nu moet ik snel een moeilijk woord gebruiken. Ik zeg hem dat ik mij altijd civiel heb opgesteld en een meer dan gemiddelde waardering heb gehad voor het ambt van politieagent, maar dat die waardering vanaf nu toch iets minder groot zal zijn.

De man maakt aanstalten om opnieuw te vertrekken. De didacticus in hem besluit nog met te zeggen dat ik mij dit incident vast wel zal blijven herinneren mocht ik nog eens van plan zijn om te fietsen met mijn handen van het stuur. Ik zeg hem dat ik mij dit incident zeker ook nog op een andere manier zal herinneren.

Wanneer ik ‘s avonds dit voorval aan X vertel, raadt hij me aan om klacht neer te leggen. Of toch om minstens het politionele aanspreekpunt van mijn stad van dit voorval op de hoogte te brengen. Je weet nooit dat je met een recidivist te maken hebt, zegt X, en dan zou een dergelijk relaas wel eens een invloed kunnen hebben.

Goed idee, X.