zondag 23 augustus 2020

per fiets naar de Midi 7


200806

etappe 5/9 – Anost-Charolles – 93 km (b)

Picknick in Toulon-sur-Arroux. Het dorp is een kruispunt van twee départementales, een rode en een gele lijn op de Michelinkaart. Hier domineert het verkeer alles. Het is een onophoudelijk af en aan, nooit is het stil. Auto’s en vrachtwagens komen uit de vier wisselende hoeken het kruispunt opgereden, als acteurs die in een deurenkomedie de scène opstormen. Het centrale plein, met trapjes en een kiosk en een helling voor rolstoelgebruikers maar zonder zitbanken of vuilnisbakken, is pas heraangelegd – dat kun je zien aan de geometrische wansmaak, het gebrek aan onregelmatigheid en patina. Dit is geen geschikte plaats om siësta te houden. Die vind ik wel in het 10 kilometer verderop gelegen Perrecy-les-Forges. Hoewel de kerstverlichting – Joyeuses fêtes!, gelukkig niet ontstoken, dat zou er nog aan ontbrekenboven de invalsweg niet veel goeds belooft, vind ik hier toch alles wat ik nodig heb: een openbaar toilet bij het sportplein en een rustbank in de schaduw van de grote bomen in de tuin van de buitengewoon mooie Romaanse kerk. In het portaal bewonder ik de indrukwekkende kapiteelsculpturen – een ervan stelt een koppel olifanten voor, wat de gedachte oproept dat ik in mijn rit naar het Zuiden al te ver gevorderd ben. Dit waanbeeld wordt mede door de hitte in de hand gewerkt, vermoed ik. Ik doezel weg op de zitbank, niet gestoord door het geroep van het stelletje jongemannen dat bijna buiten gehoorsafstand ondanks de 35 graden en de zonnebrand in ontbloot bovenlijf aan het shotten is. Hun gettoblaster met islamitisch-Franstalige rapmuziek is gelukkig niet tot hier te horen. Ik blijf een uur of twee languit liggen; de opstekende wind brengt wat verfrissing.


Op de kaarsrechte D985 naar Charolles prop ik een afgedragen marcelleke als nekbedekking onder mijn pet als bescherming tegen de zon die nu toch wel genadeloos brandt. Het staat gek, maar dat zal me een zorg wezen. Ik begin er aan te twijfelen of het een goed idee is om in deze omstandigheden over het Centraal Massief en door de Drôme te trekken. Ik moet hierover in overleg met mezelf.

Dat kan ik doen in Charolles, waar ik een camping vind. Eten doe ik in restaurant Le Petit Gourmand: uiteraard een seignant gebakken entrecôte van de bekende rundersoort die in deze streek wordt geteeld. Je ziet die fraaie beesten grazen of herkauwen of slapen op dorre en schaduwloze weiden waarop nauwelijks nog een verse spriet groeit. En dan vraag je je af hoe het mogelijk is dat dat malse vlees bij de slachting al niet halfgaar is. Maar lekker is het wel – al voelt het beeld van die lome, aan zon en hitte blootgestelde kuddes niet goed aan. Het beest dat het stuk vlees in mijn bord heeft geleverd, lijkt mij alvast niet te lang in de zon te hebben gestaan.

Tijdens het verorberen van mijn stuk vlees kijk ik uit op een wespenval. Tientallen gevangen exemplaren kruipen, verwikkeld in een verwoede doodstrijd, over elkaar heen, tot ze uitgeput verzuipen in een stroperige vloeistof waarin al honderden geel-zwarte kadavers drijven. Ook een paar hoornaars zijn ten dode opgeschreven.

En nu we toch over dierenleed bezig zijn: kadavers zijn, net zoals bij ons, ook langs Franse wegen passim te vinden, gaande van de vrij algemene egel, over duiven, tot een Vlaamse gaai en natuurlijk katten. Ook buizerds en vossen vallen hier regelmatig ten prooi aan de onstilbare vraatzucht van Koning Auto.

Terug op de camping praat ik nog een uur of wat, tot het donker is, met mijn buren: een gepensioneerd koppel uit Les Landes. We hebben het over het veranderde Frankrijk (la France américanisée), over het toerisme, over hoe de politiek de mensen ‘infantiliseert’, over dat we blij mogen zijn dat we in onze tijd hebben geleefd, over de situatie in België, enzovoort. Wat begon met de zoektocht naar een stopcontact om mijn fiets-gps op te laden, eindigt op die manier in een genoeglijke avond met twee mensen die blij lijken eindelijk eens met iemand anders dan met elkaar te kunnen praten.