dinsdag 31 mei 2011

reactie

Pascal,
deze foto vind ik echt heel mooi!
G.

*

Beste Pascal,
Mijn complimenten voor foto 2515, het leek wel een schilderij van een hollandse meester (al zou dan de horizon nog wat lager liggen, denk ik). Het licht en de wolken, de donkerte van de onderzijde, de mooie weerspiegeling in het water, de molen, de lijn naar de horizon links in het water, met in de verte een toren. Schitterend, ik kijk er graag naar!
Ik hoop dat het je goed gaat!
groeten,
JWL

mijn woordenboek 325

ANTIGLOBALISME / ANTIKAPITALISME / ANTIMILITARISME

Ik hoor Theo Maassen in zijn show Tegen beter weten in (2006) het volgende gedachte-experimentje opzetten: vervang in onze wereld het woord ‘reclame’ door het woord ‘propaganda’, dan worden ineens de contouren van een totalitair systeem zichtbaar. En dan denk ik, zolang er mensen zijn die dit zeggen, zolang er nog mensen zijn die de contouren kunnen zien en aan anderen tonen, is het totalitarisme van het economische systeem waarin het ons vergund is, waarin we gedoemd zijn (schrappen wat niet past), te leven, nog niet… totaal. Het is bijgevolg een vorm van denkluiheid (defaitisme) ervan uit te gaan dat het wel al zo zou zijn. Maar het volstaat niettemin om eens goed uit je doppen te kijken om vast te stellen dat we aardig in de buurt komen.

Je merkt het aan kleine, schijnbaar onbeduidende dingetjes. Ja, het globalisme – laten we het nu gemakshalve maar even zo noemen – is al zo totaal dat het ook al, zoals een kwaadaardige bacterie of een radioactief bestanddeel, uiteraard cancerogeen, tot in de kleine, schijnbaar onbeduidende dingetjes is doorgedrongen. Neem dat bericht, vorige week in de krant: ‘Laatste café in Bikschote sluit de deuren’. De Standaard nam het over en maakte er een reportage over onder de titel: ‘Vanaf nu iedereen achter zijn eigen deur’.

Het voorbeeld is instructief omdat het aantoont dat de economische logica, op basis waarvan je vandaag goed gek moet zijn om in een boerendorp nog een café open te houden, tot in onze diepste vezels, onze moraliteit, de aangelegenheden die onze menselijkheid aangaan is doorgedrongen. Het hele sociale weefsel van dat dorp valt stil, iedereen wordt nog eenzelviger en eenkenniger, de vereenzaming wordt geïnstitutionaliseerd. En waarom gaan die dorpscafés dicht? In dit geval omdat de uitbaters te oud zijn geworden, maar ik vermoed dat het rookverbod, een uiting van de geglobaliseerde zuiverheidswaan en gezondheidsterreur, daar ook voor iets tussenzit. Geen cancerogene sigaretten, oké, maar men moet goed weten dat het alternatief voor die ouwe peten die daar al heel hun leven in dat café zitten te paffen, de depressie is die het gevolg zal zijn van het elkaar niet meer zien en het niet meer op elkaar kunnen kankeren.

Zelf rook ik al een paar jaar niet meer maar ik word ziek van de kortzichtigheid waarmee men mensen hun kleine troost ontzegt en systematisch eropuit lijkt te zijn elk contact tussen mensen af te breken. Maar ik zit mij op te winden en wijk af.

Ik heb het over globalisme, kapitalisme en militarisme. Ik neem ze voor het gemak samen omdat, zoals we allemaal maar al te goed weten, ze in grote mate synoniem zijn. Het ‘militair-industrieel complex’ is een erkende filosofische categorie om de wereld te beschrijven. De meeste oorlogen zijn economische oorlogen. Ze laten ons zien waartoe een mens in staat is als hij zich enkel door economische wetmatigheden laat leiden. Hebzucht is sterker dan mededogen. Het globalisme, waarvan de logica het kapitalisme is en de methode het militarisme, is een tentaculair monster dat de hele wereld omvat en alle eigenheden kapotmaakt. De geschiedenis loopt ten einde. Ook in Bikschote.

Ik heb er niet veel over te zeggen. Ik mis de recul. Als ik ‘anti’ het ene ben, moet ik ook ‘anti’ het andere zijn: er is geen buiten. En ja, wat betekent het ‘anti’ te zijn als er geen buiten meer is? Dat is eigenlijk te gemakkelijk; je kunt trouwens niet anders dan meedoen. Ja, zwijgen, dat kan nog. Zwijgen, dat staat er misschien nog buiten. Stil op jezelf terugplooien, spaarzaam zijn, en vreedzaam. Elk achter zijn eigen deur. Elk zijn eigen underground. Subversief achter de tv naar Theo Maassen zitten kijken.

gisteren en vandaag 148

Van gisteren onthoud ik de bijzonder gelaten en trieste indruk die de wetsdokter maakte in zijn steriele kabinet waar door het matglas wat daglicht naar binnen sijpelde, alles kraaknet en nieuw maar in- en intreurig, ik zou het er geen halve dag uithouden. Ik wil mij ook herinneren hoe ik op tv Theo Maassen in de show Tegen beter weten in onder het banier van de vrije meningsuiting het verband zag aantonen tussen alle fundamentalismen door ze allemaal met dezelfde woede en vertedering te lijf te gaan.

Vandaag moet ik werken.

2517

Brugge, Gouden Boomstraat - 110417

maandag 30 mei 2011

de dingen 52

090717

gisteren en vandaag 147

Van gisteren wil ik onthouden dat ik Herman Van Molle op de radio Paul Léautaud hoorde citeren: het is beter zich een leven lang te verdiepen in het werk van enkele auteurs, stemmen die aansluiten bij je innerlijke ‘oor’, dan zich steeds opnieuw te schikken naar de waan van de dag. Ik neem mij voor bij mezelf de oefening te maken wie dan wel ‘mijn’ auteurs zouden zijn. Ook het criterium dat als iets na vijftig jaar in de boekhandel ligt, het dan wel degelijk zal zijn, lijkt mij behartenswaardig. Maar van gisteren wil ik vooral de herinnering koesteren aan de reconstructie in het Musée Matisse in Le Cateau-le Cambresis van het door Matisse aangeklede eetkamertje van de Griekse kunstcriticus Tériade en wil ik ook onthouden hoe een vriendelijk windvlaagje een lichte nevel, afkomstig van de fontein in de tuin van dat museum, in onze richting duwde en op ons liet neerkomen – enkele prikjes van een opvallend frissere materie – terwijl we daar op het gras in de zon lagen te bekomen van die tweede Picon die er een te veel was.

Vandaag ga ik met mijn moeder naar de dokter en moet ik een debuutbundel recenseren.

2516

Brugge, Kristus Koning, achterkant Carrefour - 110423

zondag 29 mei 2011

gisteren en vandaag 146

Van gisteren wil ik mij de zeer geslaagde leesclubsessie herinneren in Jabbeke, over Combray van Marcel Proust. Uiteraard werden er bij een kop lindebloesemthee madeleinekoekjes geserveerd bij het lezen van de desbetreffende passage.

Vandaag gaan we samen met J. en P. naar Le Cateau, naar het Musée Matisse, tekeningen van Rodin bekijken.

2515

Damme - 110421

de wijsheden van pipo cornetto

17

Als je naar iedereen uit je elektronische adressenbestand een uitnodiging verstuurt, vergeet dan niet eerst je verse vijanden uit te wieden.


18

Verzwaren mag je niet licht opvatten.

mirage 44

090517

zaterdag 28 mei 2011

gisteren en vandaag 145

Van gisteren wil ik mij herinneren dat het voor het eerst sinds vele weken nog eens geregend heeft, dat ik op de iPod luisterde naar More Songs About Buildings And Food van Talking Heads, een lp die ik al eeuwen niet meer gehoord had, en dat ik een indrukwekkende toespraak aanhoorde over de oorlog in Oost-Congo.

Vandaag zal helemaal worden besteed aan de voorbereiding van de leesclub over Combray van Marcel Proust, die ik vanavond begeleid.

2514

Brugge, braderie in de Langestraat - 110417

ondertussen in brugge 164

reactie

Pascal,


Sterk, zeer sterk. Ik herken me in dat relaas, helaas, niet helaas. Autonoom en soeverein, zo is ons lichaam en blij dat ik dat hier lezen mag.

Didier

reactie

Een reactie op het stuk 'Anticiperen':

Zo begrijp je een vrouw:























Groeten,

C.

vrijdag 27 mei 2011

mijn woordenboek 324

ANTIDEPRESSIVUM

Ik heb mij ooit – iedereen maakt wel eens een moeilijke periode mee – een antidepressivum laten aanpraten door de via de dienstdoende dokter tot mij sprekende farmaceutische industrie. Ik was het noorden een beetje kwijt en wist het zo niet meer en was blij met een beetje professioneel gepathologiseer. Dus – waarom niet? – vooruit dan maar: némen, die pillen.

Ik merkte niets.

Ik weet nog altijd niet of ik toen werkelijk depressief was, ik denk het – afgaand op getuigenissen van anderen – eerlijk gezegd niet. Wat ik wel weet is dat ik van dat niets merken niet vrolijker werd. Maar ik bleef ze nog wel innemen, die pillen. Kwartjes slaappil ook af en toe, en elke avond een trappist.

Ik ging in die dagen na een paar weken nog een tweede keer langs bij mijn pillenverpatser – een psycholoog of psychiater, sla me dood: ik weet het niet, ik heb nooit het verschil begrepen. Een zielenknijper, zullen we maar zeggen. Ik vertel hem dat de pillen niet werken. Normaal, zegt-ie. Typisch voor die pillen, dat je er niets van merkt. Toch niet in de eerste vijf, zes weken. Pas dan beginnen ze te werken. U moet nog eventjes geduld uitoefenen.

Ah zo. Het gesprekje komt moeizaam op gang. Freuds buste staart me aan. Ik denk al aan de veertig euro die ik straks moet. En aan de veertig van de eerste keer. En aan de twaalf die ik aan de apotheker heb overgemaakt, die mens moet ook zijn brood verdienen. We kletsen een beetje over eetgewoonten. En daarna drinkgewoonten. Wat zegt u, zegt shrinkmans, u drinkt elke avond een trappist? Jazeker, antwoord ik, en op sommige avonden, als de eerste mij bijzonder goed heeft gesmaakt, zelfs twee. In combinatie met uw antidepressivum? Neenee, haast ik mij te antwoorden. Dat neem ik apart, met een glaasje water. Zoals ook het kwartje slaappil, als ik dat nodig heb. Als ik het een keertje iets te donker bekijk, allemaal. Als, hoe zal ik het gunstig formuleren, de nachtrust een welkome afwisseling vormt op dit bijwijlen niet al te vrolijke ondermaanse bestaan.

Niet zo sta ik die man te woord, zo eloquent ben ik nu ook weer niet en ik ben natuurlijk ook een beetje geïntimideerd door het sérieux waarmee hij me verplettert, door de buste van Sigmund en door de keurig gealigneerde delen van diens Gesamtausgabe, achter de keurig gesopte glazen schuifdeur van de wandvullende boekenkast. Ik zeg eigenlijk niets, maar dénk wel: dat ik er altijd van ben uitgegaan dat je geneesmiddelen niet met bier of wijn hoort in te nemen. Dat zou iets contradictorisch hebben: leed en genot samen, hoezeer het ook getuigt van inzicht in de menselijke luststructuur, hier lijkt het me ongepast.

Ik word gekapitteld: ‘U weet toch dat antidepressiva niet werken in combinatie met alcohol?’ Dat wist ik niet. Niemand had mij dat verteld. Ook die kerel die voor me zit niet. Het had mij altijd nogal evident geleken dat af en toe een Chimay of Westmalle wel eens een gunstige uitwerking op het gemoed kon hebben. De smid legt toch ook wel eens meerdere ijzers in het vuur? En kun je op de renbaan niet beter op meerdere paarden tegelijk wedden? En aan de roulettetafel des levens niet alles op één cijfer inzetten?

Maakt die man zich daar kwaad! Ik moet kiezen: antidepressiva zonder alcohol of helemaal geen antidepressiva. De keuze is snel gemaakt: ik ben niet van plan mij het genot en de troost van de alcohol te ontzeggen. Ik moest mij al genoeg ontzeggen, in die dagen. Dan stopt hier onze samenwerking, zegt daarop die man, die zich psycholoog of psychiater noemt.

Al ben ik daar nog maar een minuut of vijf binnen, de sessie wordt beëindigd. Nu, in de toenmalige toekomst, zeg ik: ik had gewoon moeten weggaan, zonder veertig euro te betalen – maar wat doe je als je onder de indruk bent, onder druk wordt gezet, geïntimideerd wordt?

Sindsdien, dat begrijpt u, koester ik ten aanzien van het zielenknijpersgild enige, hoe zal ik het zeggen, gezonde argwaan. (Deze werd overigens door latere ervaringen nog versterkt.) Het leek mij onvoorstelbaar: eerst verklaart die kerel me depressief, want hij schrijft me toch die pillen voor?, en dan laat hij me, zonder enige vorm van begeleiding of wat dan ook, in de steek. Trek uw plan!

Ik kwam trillend op mijn benen thuis. Je zou van minder trillend op je benen thuis komen. Ik heb meteen die hele pillenzooi in een plastic zak gepropt. Net zo min dat ik er iets van merkte toen ik ze nam, merkte ik er iets van toen ik ze niet meer nam. De periode die ik toen doormaakte bleef nog een tijdje duren maar ging, zoals alles, voorbij.

gisteren en vandaag 144

Van gisteren wil ik mij een goed gesprekje herinneren met L. over het Congoboek van David van Reybrouck, en dat ’s avonds bleek dat we met Goed Gezien op de tentoonstelling ‘Suspicious Landscapes’ deze zomer met een zeer divers aanbod zullen aantreden.

Vandaag moet ik werken, ga ik naar de dokter en eet ik met mijn kinderen.

2513

Brugge, braderie in de Langestraat - 110417

donderdag 26 mei 2011

gisteren en vandaag 143

Van gisteren wil ik mij herinneren dat M. mij vertelde welke vragen haar neefje van tien haar allemaal stelde, onder meer of ze binnen tien, twintig, dertig jaar nog in leven dacht te zullen zijn - en ook dat ik een eerste stap zette om mijzelf eens van binnen en van buiten te laten onderzoeken met het oog op het vrolijk en gezond aanvatten van mijn tweede halve eeuw over enkele maanden.

Vandaag moet ik werken. Vanavond zal ik samen met de vrienden van Goed Gezien enkele ‘suspicious landscapes’ bekijken.

2512

Brugge, braderie Langestraat: J., ? en A. - 110417

woensdag 25 mei 2011

mijn woordenboek 323

ANTICIPEREN

Waarschuwing: hier volgt een tekst met ironische ondertoon.

Het onderwerp zou mij kunnen doen nadenken over zeer algemene aangelegenheden, te vatten onder het adagium van Montaigne (die het ook niet van zichzelf had): ‘Cicéron dit que philosopher n’est autre chose que de se préparer à la mort’ (Essais I:19). Of, verbasterd want filosoferen en leven kunnen niet zomaar aan elkaar gelijkgesteld worden: ‘Leven is leren sterven’. Elk anticiperen is uiteindelijk een anticiperen op de dood – dat is een waarheid als een koe en daar kunnen we niet veel mee. In een andere zin algemeen, of geprojecteerd op een veel langere termijn, zou het lemma ook aanleiding kunnen geven tot bespiegelingen over onze plaats niet enkel in ons individuele leven maar in het globale leven – waarmee ik kom op datgene wat Peter Sloterdijk, vandaag in een interview in de boekenbijlage Uitgelezen van De Morgen, zegt over frivoliteit: ‘Het typische van frivoliteit is dat mensen kiezen voor levensvormen waarvan ze weten dat ze niet kunnen blijven duren.’ Anticipatie als wezenskenmerk van elke ecologie.

Maar dat zal ik hier niet doen, gewichtige beschouwingen maken. Ik zal mij beperken tot enkele onfeministische oprispingen. Vrouwen strijk ik graag over de bol, ook feministische vrouwen, maar die laatste categorie het liefst tegen de haren in.

Men zegt dat vrouwen, in tegenstelling tot mannen, die naar verluidt maar één ding tegelijk tot een goed einde kunnen brengen, simultaan méérdere taken kunnen aanpakken. Ik geloof daar niet zo in. Aanpakken, dat wel, maar efficiënt? Het is volgens mij niet veel meer dan een cliché dat vaak wordt opgevoerd om in een van die talloze gesprekjes die we voeren over het verschil dat ons het meeste bezighoudt een stilte tussen tal van andere nietszeggende oneliners op te vullen. Het lelijke woord ‘multitasken’ pleegt dan wel eens te vallen. Als een koeienvlaai op een drassige wei.

Ik wil niet vrouwonvriendelijk overkomen – dat is zowat het laatste wat ik wil – maar ik moet hier toch verslag uitbrengen van een proefondervindelijk onderzoekje dat geleid heeft tot een vaststelling die iedereen kan natrekken, zowel man als vrouw, die bereid is zijn leven te riskeren.

Dat er relatief zeer weinig vrouwelijke componisten, architecten, schaakgrootmeesters en koks bestaan, kunnen feministen voor mijn part aan economische en maatschappelijke omstandigheden toeschrijven – zoals ze altijd hebben gedaan. Wij hebben geen tijd, zeggen zij dan, om symfonieën te schrijven, gebouwen te ontwerpen, openingen en eindspelvarianten uit het hoofd te leren en gerechten te verfijnen tot ver voorbij de grenzen van de pragmatiek omdat wij zoveel zorgen hebben met onze wispelturige kroost en onze ongedurige en tot polygamie geneigde en ons tot lustobject reducerende echtgenoten. Zo luidt hun argument en ik ben in een bui van welwillendheid, schoorvoetend dus, wel eens geneigd het – in grote mate – te aanvaarden. Maar het is geen excuus om ronduit slecht te met de auto te rijden.

Want laat het autoverkeer nu net het domein zijn waarop ik – in de loop der jaren en met gevaar voor eigen lijf en leden – mijn proefondervindelijk onderzoekje heb gevoerd.

Ook al haal ik mij hier de woede van al wat vrouw is op de hals, ik durf te beweren – en daag iedereen uit het tegendeel te staven – dat negen op de tien van de rijfouten die te wijten zijn aan een gebrek aan anticipatie door een vrouw worden begaan. Bovendien, maar dat zou ons te ver voeren, komt het mij voor dat in het autorijden ‘de’ vrouw – uitzonderingen zijn dus mogelijk – nu net vaak blijk geeft van niet meerdere dingen tegelijk te kunnen uitvoeren.

Geef eens een voorbeeld! Oké, niet moeilijk. Mij valt het op dat het vaak, wat zeg ik, meestal vrouwen zijn die de klassieke fout maken van het rechts inslaan en daarbij niet te letten op de net door hen ingehaalde fietser die schuin rechts achter hen op het fietspad gewoon rechtdoor wil rijden. Vrouwen bewijzen vaak niet te beschikken over het vermogen om te anticiperen op de mogelijkheid dat die fietser rechtdoor moet. Het is in die mate voor mij al een vaststaand feit dat vrouwen in dergelijke situaties een reëel gevaar vormen voor mijn veiligheid, dat ik al anticipeer op hun gebrek aan anticiperingsvermogen. Nog voor ze ook maar enig signaal hebben gegeven dat ze naar rechts zullen inslaan (als ze al van plan zijn een dergelijk signaal te geven natuurlijk!), vertraag ik al en breng ik mijn vingers naar mijn remmen.

Het vervelende met anticiperen is dat het berust op kennis van de gevolgen. Het komt erop aan niet aan de gevolgen ten onder te gaan vooraleer van die kennis te kunnen profiteren.

Schaken, koken, componeren: het heeft ook te maken met het kunnen voorzien van toekomstige ontwikkelingen. Vier zetten vooruit denken; de pan waarin je de kippenbouten die nu in de oven liggen te garen hebt geschroeid niet meteen afwassen omdat je daarin heel lekker de uitjes kunt stoven; in de eerste beweging een motief uitzetten dat je pas in de finale van het laatste deel terug zult opnemen en afwerken. Ik zeg niet dat vrouwen het niet kunnen, ik zeg alleen dat mannen het béter kunnen. Zij zijn beter afgestemd op de chronologie, de (niet al te verre) toekomst. Vrouwen daarentegen dragen meer verleden in zich en sluiten daarmee beter aan op de natuur, die conservatief van aard is – waarmee vrouwen op de lange termijn gerekend een grotere zegen zouden zijn voor de planeet. Alleen jammer dat zij die de korte termijn domineren, de frivole mannen, het voor het zeggen hebben en de toegang tot de lange termijn blokkeren.

Vrouwen, overigens, geven zich ook minder gemakkelijk over aan triviale veralgemeniseringen en seksistische uitspraken. De niet-feministische vrouwen toch.

overschrijven 150

[O]veral waar frivoliteit, luxe en mode domineren, worden intellectuelen overbodig.

Peter Sloterdijk, vandaag in De Morgen

gisteren en vandaag 142

Van gisteren heb ik mij niets bijzonders te herinneren, of het zou moeten zijn dat ik, nadat ik er zes jaar geleden aan begonnen was, mijn close reading van Combray heb afgesloten. Nog twaalf delen te gaan.

Vandaag moet ik werken.

2511

Brugge, Braderie in de Langestraat - 110417

dinsdag 24 mei 2011

geen verloren tijd 26

I, 186-187

En zo zijn we, na de dubbele conclusie – ontluiken van de erotiek, ontluiken van het schrijverschap – opnieuw aanbeland in de slaapkamer waar het allemaal is begonnen in de vorm van de angst en de eenzaamheid van een slapeloze nacht, die met het ophalen van herinneringen aan een vervlogen vroeger, een verloren tijd, werden verdreven (zie aflevering 1). Het tollen waarin, tussen slapen en waken, de slaapkamer onderging, komt eindelijk tot stilstand: de verteller weet, vele jaren nadat de wereld die hij net heeft gereconstrueerd – in twee fasen, door middel van eerst de vrijwillige en daarna de onvrijwillige herinneringen (zie aflevering 6) – is ondergegaan, de ramen, deuren en meubels van de slaapkamer waarin hij net een grotendeels slapeloze nacht heeft doorgebracht te fixeren: alles komt weer tot stilstand, het huis is opnieuw bewoonbaar, het ochtendgloren – en niet het licht op de gang dat rond middernacht zo teleurstellend was – piept boven het gordijn en kondigt aan dat de onzekerheden en angsten van de nacht zijn bezworen en alweer kunnen worden ingewisseld voor de – voorlopige – zekerheden van de nieuwe dag.



Hier eindigt mijn close reading van Combray, het eerste boek van Marcel Prousts A la Recherche du temps perdu. De vorige 25 afleveringen kunnen hier worden geconsulteerd.

gisteren en vandaag 141

Van gisteren wil ik mij Jan De Smedt herinneren die in Reyers Laat een mooie cover bracht van The Eternal Circle van Bob Dylan, en ook Kurt Van Eeghem, die, in datzelfde programma, met gesloten ogen een voetbaldroom vertelde en mij daarna met open ogen een goede nacht wenste.

Vandaag lees ik Combray uit en dan moet ik werken, ik bedoel: voor geld.

2510

Gent, 11 juli-straat

maandag 23 mei 2011

mijn woordenboek 322

ANTENNE

Ik herinner mij niet dat er een tijd was dat er bij mij thuis géén televisie was. Maar dat betekent niet dat ik van jongs af aan ben blootgesteld aan de schadelijke invloed ervan, die, naar verluidt, wordt beschreven in TV Lobotomie. La vérité scientifique sur les effets de la télévision van neuroloog Michel Desmurget (met hier een interessante commentaar), een boek dat ik besproken zag in het onvolprezen ontbijtprogramma van France 2, Télé Matin. De televisie was, toen ik kind was, een in grote mate door de ouders gemonopoliseerd apparaat, met gecontroleerde toegankelijkheid en ongecontesteerde voorrangsregels – en bovendien was het aanbod toch maar vrij beperkt en onderworpen aan controle- en selectiemechanismen die werden gestuurd door een samenleving waarin de christelijke en humanistische waarden nog niet volledig waren verdrongen door de kapitalistische dictaten.

Le Manège Enchanté (‘tournicoti tournicoton’), Het Zandmanneke, Kapitein Zeppos, Flipper, The Flintstones, Tip-Top: dat was het soort programma’s dat kinderen van mijn leeftijd mochten bekijken. Maar ik herinner mij ook de voetbal- en wielerreportages, Sporttribune, Sportweekend, het filmprogramma La Séquence du Spectateur op zondagvoormiddag, de jaarlijks terugkerende evenementen zoals het Eurosongfestival en de schansspringwedstrijd van Garmisch-Partenkirchen, en natuurlijk de ruimtevaartspektakels die, heel bizar, vanuit de ruimte of zelfs van op de maan naar onze huiskamers werden gestraald.

Via de antenne.

De antenne was een bovenop het dak geplaatste ijzerdraadstructuur, bestaande uit een paal, met daarop bevestigd een dwarsligger, waarop haaks weer kleinere dwarsliggers waren gemonteerd. Die paal kon draaien, in functie van de windrichting van waaruit de televisiegolven kwamen aangewaaid: noord voor de programma’s van de in die tijd nog druk bekeken programma’s van Nederland 1 en Nederland 2, zuid voor de programma’s van de RTB of de Franse ORTF. Andere buitenlanden lagen in die tijd nog te ver en zouden ons pas diep in de jaren zeventig samen met de teledistributiekabel bereiken. Dat was meteen de tijd waarin, ongemerkt, alle antennes uit het straatbeeld verdwenen.

Het draaien en keren van de antenne werd bestuurd door middel van een antennebesturingskastje. Dat stond aanvankelijk op de onderste verdiepîng van het van wieltjes voorziene televisietafeltje en later, om de een of andere reden, in de hoek van de kamer achter de televisie, wellicht omdat er daar een stopcontact (prise) was. Tegen de jaarwisseling stond in die hoek ook de kerstboom. Dan moest er een extra ‘kattekop’ (verdeelstekker, zouden we nu zeggen) worden bovengehaald om ook de lichtjes in de boom van stroom te kunnen voorzien.

Ik herinner mij dat toestel. Wanneer de televisie van bijvoorbeeld ORTF 1 naar Nederland 1 moest worden geschakeld omdat Ajax of Feyenoord een Europese wedstrijd betwistten, die van commentaar werd voorzien door Herman Kuiphof, of wanneer, omgekeerd, de ontvangst uit Nederland moest worden omgezet in een uit Frankrijk omdat mijn ouders wensten te kijken naar Au théâtre ce soir, moesten wij, en dat was dan vaak ik, de antennebesturing, kortweg maar oneigenlijk zelf ook ‘antenne’ genoemd, bedienen en daarbij de instructies volgen van diegene die voor het scherm zat. ‘Draai eens de antenne’, werd er dan gezegd. In mijn verbeelding of begrip was dat: draai aan de knop van dat kastje – maar het betrof eigenlijk het resultaat van deze handeling: de antenne, zijnde de wendbare ijzerdraadstructuur bovenop het dak, werd gedraaid – maar dat geschiedde buiten mijn blikveld en dus had ik er geen benul van. Ik heb pas vrij laat het verband ingezien tussen het kleine apparaat in de hoek en de antenne op het dak.

Dat apparaat, waarvan het omhulsel donkerbruin van kleur was en vervaardigd uit bakeliet of plastic, had aan de voorkant een grote ronde roomkleurige draaiknop, met daarrond, achter een eveneens cirkelvormige doorzichtige schaal, een rode wijzer. Elke zender had op die schaal zijn plaats, of toch min of meer want naargelang van de meteorologische of radiofonische, whatever, omstandigheden durfde die plaats al eens op te schuiven en dan moesten er van bij het scherm instructies worden gegeven: het beeld draaide door, of er zat te veel ruis op, of er was enkel klank, enzovoort – ongeveer alles wat mis kon gaan, ging mis, en dat altijd in de meest onverwachte combinaties en op de meest ongelegen ogenblikken.

De knop maakte, wanneer je eraan draaide, een geluid alsof je een in- en uitspringbare haak over een tandwiel bewoog en de wijzer verplaatste zich met enige vertraging, ook al met een karakteristiek, nogal diep en in elk geval repetitief en gelijkmatig geluid tot hij op de met de knop aangeduide plaats was aangekomen. Ik herinner me dat er vanaf zeker ogenblik elektriciteitsverlies op ‘de antenne’ moet hebben gezeten want als je de knop op een bepaalde manier te dicht tegen de wijzerplaat aan vasthield, kon je een ‘snok’ krijgen.

De hele handeling was omslachtig – zoiets als zappen bestond dan ook nog niet. Maar het schiep wel een band in ons gezinnetje, natuurlijk!

driekleur 53

gisteren en vandaag 140

Van gisteren wil ik mij herinneren dat we bij de jarige P. samen met J. naar de aankomst van de koninginnerit in de Giro keken en plannen maakten voor volgende zondag.

Vandaag wordt het: Proust, schrijven, fietsen en mijn kinderen.

2509

G.

zondag 22 mei 2011

lezers 41

patronen van chaos

‘Heb ik wel op de juiste manier gekeken?’ Dat lijkt me altijd een goede vraag om een cinemazaal mee te verlaten. Hij betekent dat je minstens uitgedaagd bent, dat de film die je net hebt bekeken je ‘gewone’ manier van kijken uit evenwicht heeft gebracht. Er is iets in je geraakt en je zoekt naar een manier om de vervreemding of de ergernis, die je hebt gevoeld, weg te werken. Je krijgt die film niet in je gewone categorieën gepropt. Je hebt iets bijzonders gezien en je vindt het eventueel de moeite waard om te onderzoeken of het misschien nodig is je categorieën aan te passen.
Categorieën, dat is een duur woord voor vooroordelen, benepenheid, tunnelvisie, paardenbril.

Tree of Life is zo’n film. Terrence Malick speelt hoog spel. Hij brengt een ode aan het leven, aan de mens ook die, verloren in een onverschillige kosmos, een klein territorium afbakent en binnen die afbakening een soort van orde nastreeft of probeert te handhaven, maar die naar gindse einder moet wijzen, of naar een verre wolk, de ‘hemel’, om aan zijn amechtige streven alsnog enige zin te verlenen. Malick tekent de mens, die het overzicht probeert te bewaren, die vecht tegen de sterfelijkheid of, juister misschien, tegen zijn besef daarvan, die verwonderd om zich heen kijkt en in staat is tot empathie, die zich voortplant en zijn kinderen opvoedt en daarbij zijn best doet om zijn gevoel van mislukking en tekortschieten niet aan hen door te geven, die in staat is tot liefde maar die daarbij voortdurend op zijn eigen beperkingen stuit want niets is volmaakt.

Die mens kan ook een zij zijn, uiteraard. Maar in Tree of Life is het heel nadrukkelijk een hij. De film gaat over een vader en een zoon. De moeder is er ook, maar zij blijft onnadrukkelijk, zijdelings, onderdanig. Een stille, wellicht te stille, kracht.

Dat is heel wat, qua inhoud. Tree of Life is een impressionistische evocatie, een compilatie van beelden die een algemeen, ongearticuleerd levensgevoel uitdrukken. Nauwelijks een verhaallijn, geen intriges, geen plotwendingen. Mensen worden geboren, ze leren lopen en fatsoenlijk eten, ze groeien op, bewegen zich in een steeds groter wordende wereld, gaan dood. Het leven zoals het is. Voortdurend wisselende perspectieven, een tollende camera, flarden. En flarden die herhaald worden, worden motieven. Elkeen draagt er in zijn leven een paar met zich mee. In het leven van het gezin dat we volgen, zijn dat, onder meer: halftransparante textielen, sproeiend water, een zon die doorbreekt door wolken die voorbijwaaien.

Tree of Life is geen gemakkelijke film. De meest evidente moeilijkheid is dat Terrence Malick het zich permitteert om vele minuten lang, ik schat alles bij elkaar wel bijna een halfuur, beelden te tonen van zich niets van de mens aantrekkende natuurverschijnselen, zoals daar zijn: vuurspuwende vulkanen, sterrennevels, het zonoppervlak, watervallen, woestijnduinen, onderwaterplanten, meeuwen, hamerhaaien, kwallen, dinosaurussen, enzovoort, enzovoort. Tegen die – weinig in de film geïntegreerde – achtergrond van fraaie natuurbeelden zien we het ‘verhaal’, dat dus geen verhaal is, van een middle class Amerikaans gezin dat helemaal opgaat in de in die tijd – jaren vijftig – nog niet gecontesteerde dromen van zelfverwerkelijking, concurrentiestrijd, gezinswaarden en vooruitgang. De moeder zorgt stil en onderdanig, de vader bestiert streng maar rechtvaardig. Ondanks zijn schier bijbels-ongecontesteerde gezag plant hij het zaad van zijn kwetsbaarheid en mislukking in het hart van zijn kinderen.

Het probleem met die natuurbeelden is dat de filmmaker ervoor onvermijdelijk moet putten uit het versleten register van de natuurdocumentaire. Of je krijgt met clichés te maken, al voorgekauwd in de geschiedenis van de cinema: in de meeuwen zie je Jonathan Livingstone Seagull, in de dino’s Jurassic Parc, in de eclipserende ster 2001. A Space Oddysey.

Zijn die beelden noodzakelijk? Malick wil, denk ik, tonen dat de kosmos koel en onverschillig staat tegenover het lot van de, op de schaal van het universum gemeten, onooglijke mens. Dat is een volstrekt legitieme betrachting maar kan het op een andere manier dan het hier gebeurt? Het zijn mooie beelden, daar niet van, maar hebben ze nog wat meer te bieden dan alleen maar mooi zijn? Dragen ze bij tot de globale indruk die de regisseur met zijn film wenst te maken?

Zoniet, dan moeten we ze als kitsch bestempelen.

Er is een reden om die beelden kitscherig te vinden, en er is er een om dat niet te vinden.

De natuurbeelden zijn kitscherig omdat Malick er alleen maar mooie heeft geselecteerd. Prachtige kleuren, bewegingen, formaties… Traag en plechtstatig bewegend gevederte, gedierte en gebladerte. Niets lelijks, slijmerigs, vies. En dat heeft de natuur toch ook, in overvloedige mate, in de aanbieding. Geen wreedheid ook. Zelfs de dinosaurussen die door middel van god weet welke computertechnieken in beeld worden gebracht, lijken door mededogen te worden bewogen. Neen, zo onvermengd als we het hier te zien krijgen is de natuur niet.

De natuurbeelden zijn dan weer niet kitscherig omdat Malick wolkachtige wemelingen toont, sterrenexplosies, kolkingen, stromingen, onvoorspelbaar wervelende spreeuwenvluchten – enfin, het soort patronen dat, in tegenstelling tot de kristallisaties, dna-strengspiralen, celsplitsingen of zonnebloempitstructuren waarvoor hij ook had kunnen kiezen, de onvoorspelbaarheid en onregelmatigheid illustreren die ook het menselijk leven zelf, al van in de oorsprong, lijken te kenmerken – in weerwil van alle pogingen tot inperking en regeling en moraliteit.

Wat er ook van zij – en ik zei het al: die natuurbeelden zijn onvoldoende geïntegreerd in de film. Je kunt je te gemakkelijk voorstellen dat ze er geen deel van hadden uitgemaakt. Maar dat mag geen reden zijn om Tree of Life helemaal af te schrijven. Het ‘reguliere’ gedeelte van de film heeft zeker en vast genoeg te bieden om dat al bij al kleine euvel te vergoeilijken.

gisteren en vandaag 139


© Antoine Mortier
Van gisteren wil ik mij de karaf met water en de vier glazen op het dienbord-met-olifantjes herinneren in de tuin van P. en F., en dat S. me aanraadde om eens te googelen op Antoine Mortier.

Vandaag komt mijn moeder eten en is er tijd voor lezen en schrijven.

2508

Brugge, Station - 110404

zaterdag 21 mei 2011

proza in huis 141-145

104
Laurent Binet
HhhH
vertaling: Liesbeth van Nes

Meulenhoff, 2010
347 p.
2 april 2011, Brugge
19,95 euro

op de papierwikkel vooraan een sticker ‘CD/DVD / 3+1 / gratuit / gratis’ en achteraan een fnac-prijssticker met daarop onder meer de datum ‘18/03/2011’

ongelezen


142
Alain de Botton
Kiss & Tell

Picador 1996 (5de druk)
258 p., geïll.
verworven door S.

geen bijzondere kenmerken

niet door mij gelezen


143
Alain de Botton
De biograaf
vertaald door Ardy Stegeman

Atlas, 1996
256 p.
3 oktober 1999, Amsterdam
12,50 gulden

op p. 1 een rode prijssticker (die aanvankelijk op het voorplat was gekleefd): ‘van 39.50 / nú 12.50’

gelezen in juli 2000 in Lilliano


144
Alain de Botton
De romantische school
vertaald door Maarten Polman

Atlas, 2001 (3de druk)
312 p.
4 oktober 2001
460 frank

geen bijzondere kenmerken

gelezen in oktober 2002


145
Alain de Botton
Proeven van liefde

Atlas, 1996 (3de druk)
232 p.
9 oktober 1997
450 frank

prijssticker fnac op achterplat

gelezen in augustus 1999, augustus 2000 en september 2009

gisteren en vandaag 138

Van gisteren wil ik mij herinneren dat ik, op het gevaar af tegen de op het bijzonder slecht bollende fietspad langs de oerlelijke Torhoutse Steenweg tussen Veldegem en Zedelgem geparkeerde vrachtwagens te knallen, wegdroomde bij In your eyes, en dat ik bereid was om, zij het niet zonder enige welwillendheid, de kitschbeelden in Tree of Life als mooi en functioneel te aanvaarden.

Vandaag gaan we eerst naar de markt, dan maken we een ritje met de fiets, en vanavond ontvangen we S. en S., die hier blijven overnachten omdat ze morgen deelnemen aan een beurs en al heel vroeg hun kraam willen opzetten.

2507

Gent, Ganzendries - 110404

vrijdag 20 mei 2011

41 * 26,29 * 657

Demis Roussos – Si J'Etais Roi de la Terre
Bizet – Carmen - Act 1: Carmen, Sur Tes Pas, Nous Nous Pressons Tous
Couperin – Les Nations, 2ème Ordre, "L’Espagnole" - 13. Gavote Tendrement, Sans Lenteur
Duke Ellington – Take It Easy (Whetsol version 03/1928)
Johnny Cash – Streets of Laredo
Zita Swoon – Everything Is Not The Same
David Bowie – Wild Eyed Boy From Freecloud
Bob Dylan – Moonlight
Vivaldi – Chamber Concerto In G Minor, RV 107 - 3. Allegro
Alain Bashung – Sommes-Nous
Bob Dylan – Idiot Wind
Haendel – Concerto Grosso en fa majeur, Op.6, n° 2 - 2. Allegro
Flip Kowlier – Vredeslied
Roy Orbison – In Dreams
Monteverdi – Vespri di S. Giovanni Battista - Toccata in loco Antiphonae II
Monteverdi – L'Incoronazione Di Poppea - Act 1: Madama, Con Tua Pace
Ella Fitzgerald & Louis Armstrong – A Fine Romance
Musica Amphion: Sonata a Quattro, WoO 2 V. Vivace
Georges Brassens – Le Petit Joueur De Fluteau
Mozart – Die Zauberflöte, K 620 - Act 1: Zum Ziele Führt Dich Diese Bahn
Led Zeppelin – Dazed And Confused
Peter Gabriel – In Your Eyes
Georges Brassens – Je suis swing
Roxy Music – Don’t Stop The Dance

I reach out from the inside

gisteren en vandaag 137

Van gisteren wil ik onthouden dat ik meer dan twee uur lang volledig onderging in het universum van Marcel Proust, dat de ‘Einstein’-koffie die ik in het station kocht me niet smaakte en dat de kennismaking met La Voyageuse, een cd uit 2004 van Dirk Van Esbroeck, zeer aangenaam was.

Vandaag kan ik doen wat ik wil - en het hoeft niet eens allemaal: Proust lezen, schrijven, fietsen, boodschappen doen en eten klaarmaken. Vanavond gaan we naar de Dylan Tribute van Derek en vrienden in Gent.

2506

Op de trein - 110404

donderdag 19 mei 2011

wolken 95-97

Alain de Botton, Hoe Proust je leven kan veranderen



95
Waarom zou iemand die Op zoek naar de verloren tijd heeft geschreven niet in staat zijn een gesprek te voeren van datzelfde niveau? Dat is deels te wijten aan de manier waarop het brein functioneert, aan het feit dat dit orgaan met tussenpozen werkt, telkens dreigt de draad te verliezen of te worden afgeleid en de wezenlijke gedachten die het voortbrengt afwisselt met perioden van ledigheid of middelmatigheid, perioden waarin we niet helemaal ‘onszelf’ zijn, waarin we met een wezenloze, kinderlijke blik naar voorbijdrijvende wolken staren, zodat we zonder overdrijven kunnen stellen dat we op die momenten maar ten dele bestaan. (129)


96
Slechte schilders kunnen een uitstekende penseelvoering hebben, goed zijn in wolken, heel knap ontluikende bladeren en zeer getrouw wortels afbeelden, en toch niet die ongrijpbare elementen in de vingers hebben waarin nu juist de bijzondere charme van de lente schuilt. (163)


97
De glimlach op Gilbertes gezicht, haar overdadige theetafel en haar genegenheid zullen op den duur zo’n vertrouwd deel van zijn leven vormen dat zijn aandacht er nauwelijks méér door geprikkeld zal worden dan door alomtegenwoordige zaken als bomen, wolken of telefoons. (184)

mijn woordenboek 321

ANONIEM

Wat zegt het aantal aanwezigen op een begrafenisplechtigheid over het sociale gewicht van de aflijvige? Of, anders uitgedrukt, over het voorschot dat hij, of zij, al bij leven nam op de vergetelheid? Zou daar al sociologisch onderzoek naar zijn verricht? En hebt u het zich al afgevraagd: hoeveel mensen er naar uw begrafenis zouden komen? Dat hebt u vast en zeker al gedaan. Bijvoorbeeld tijdens een begrafenisplechtigheid – die momenten lenen zich uitermate tot dat soort zelfonderzoekjes. Uw aandacht verslapt bij de eentonig uitgesproken waanwijsheden over leven en dood, u kijkt wezenloos naar de foto op de kist en naar de bloemen voor het altaar, u schat het aantal aanwezigen, uw blik blijft daarbij hangen bij een iets te lang uitgesmeerd en te hoog gehakt vrouwenbeen, u mijmert over uw eigen verscheiden en hoeveel mensen daarvoor een halve dag congé zouden aanvragen.

Ik heb er een keer eentje meegemaakt met niet meer dan acht (8) aanwezigen, priester en kraaien exclusief – die kraaien stonden trouwens, toen wij daar aankwamen, op het pleintje voor de kerk geleund tegen hun duistere limousine, te grappen en te roken. Zij hadden net de kist binnengedragen en wachtten nu het moment af waarop zij hem wederom konden ophalen voor verdere afhandeling. Wij waren als toerist in Caen, wij zouden de Abbaye aux Hommes bezoeken. Dat is een bijzonder grote kerk, een van de hauts lieux van de Romaanse bouwkunst – en dat tegen de tijd bestande prestige vermorzelde de nauwelijks bijgewoonde eenvoudige plechtigheid waarvan wij met de gepaste terughoudendheid een tijdje vanuit een zijbeuk getuige waren al helemaal. De indruk van eenzaamheid en vergeefsheid was verpletterend. Het was duidelijk: de afwezigheid van de persoon die hier ten grave werd gedragen zou de volgende dagen in het straatbeeld ternauwernood worden opgemerkt; de kans dat over twee weken nog iemand het nieuwe ontbreken zou opmerken, was onbestaande.

Hebt u dat ook al ervaren: dat iemand zegt, ja maar, die of die is al zes maanden of twee jaar of nog langer dood – en u had het niet eens gemerkt? Het betrof iemand die regelmatig op straat te zien was, of in de krantenwinkel om de hoek, en ja, inderdaad, het is al een tijd geleden dat u hem, of haar, hebt gezien.

Mensen die een anoniem bestaan leiden. Ze hadden er evengoed niet geweest kunnen zijn, ze kúnnen er evengoed niet zijn.

Anonimiteit is de regel – we moeten daar niet flauw over doen. Het is geen schande naamloos door het leven te gaan. Natuurlijk zijn we altijd wel bij dat statistisch min of meer te voorspellen handvol familieleden, vrienden, collega’s of buren bekend. Een paar professionals weten ook van ons bestaan: de maaltijdbezorger, de poetsvrouw, een verpleegster, de wijkagent. Ieder weet zich opgenomen in een stam of clan: een groep van plusminus zestig personen waarmee je voldoende intens contact kunt hebben om de relaties in een iets meer dan louter formele gedaante te handhaven. Daarover bestaat in elk geval wél sociologisch onderzoek, over hoeveel mensen dat ongeveer zijn. Die zestig, plusminus, zullen wel opmerken dat je niet meer op gezette tijden op bepaalde plaatsen verschijnt en zullen wellicht naar je begrafenis komen. Als ze congé krijgen. Maar als je ouder wordt, slinkt de clan. Er komen geen nieuwe leden bij. En zo kan het gebeuren dat er bijzonder weinig overblijven om je uit te wuiven.

De basisregel is dat élk bestaan anoniem is. Het zijn maar de uitzonderingen die – op een goede dan wel een laakbare wijze – boven het maaiveld uitsteken en naam en faam verwerven. Maar ook zij ontkomen niet, nooit, aan Magere Heins zeis en aan het grote naamloos worden…

gisteren en vandaag 136

Van gisteren onthoud ik dat ik iemand als volgt het woord tot iemand anders hoorde richten: ‘U moet mij verontschuldigen dat ik mij tot u richt, maar u moet blij zijn want dat maakt dat u nog meer bestaat’, en dat ik in Hoe Proust je leven kan veranderen van Alain de Botton een passage aantrof die heel goed uitlegt waar het in La Recherche om te doen is.

Vandaag heb ik de voormiddag om Proust te lezen en moet ik, na de middag, werken.

2505

Luik-Guillemins 3/3 - 100508

woensdag 18 mei 2011

gisteren en vandaag 135

Van gisteren onthoud ik dat ik er in slaagde om tot Studio 1 begon niets te weten over de afloop van de voor de landstitel beslissende wedstrijd tussen Genk en Standard.

Vandaag moet ik werken.

2504

Luik-Guillemins 2/3 - 100508

dinsdag 17 mei 2011

debuut 35

Tussen beginnen en vergeten


Als ‘Dichter des Vaderlands’ schreef Gerrit Komrij niet alleen ‘aan bijzondere gelegenheden opgehangen’ gelegenheidsgedichten. Hij trok ook een blijvend spoor met een tijdschrift en een poëzieclub en een corpus van liefst twintig bundels, de zogenaamde Sandwich-reeks: tien bundels met werk van ‘vergeten dichters’ en in de tien andere verleende hij aan evenveel debutanten een stem. Al die poëzie, samen goed voor ongeveer negenhonderd bladzijden, is nu onder de titel Clubsandwich samengebracht in twee verzamelbundels: Clubsandwich I met de debuten en Clubsandwich II met bundels, vaak bloemlezingen, van de vergeten dichters. In die laatste zijn ook buitenbeentjes opgenomen: een bloemlezing uit het vergeten oeuvre van de zogenaamde ‘drekpoëten’ – wat gezien de scatologische belangstelling van de samensteller niet hoeft te verbazen – en, om het geheel af te sluiten, een ietwat vilein bloemlezinkje onder de titel Bombast en larie met ‘de 25 afschuwelijkste gedichten uit de Nederlandse literatuur’, poëtische keutels dus die terecht vergeten zijn!

Ik geef het ‘afschuwelijke’ gedicht ‘Wie geeft wat ie heeft…’ van Willem van Doorn als voorbeeld. Scatologie en schrikbarende onkwaliteit komen hier mooi samen:

Maagre bedelmussen pikken
Aan bevroren vensterruiten.
Arme stakkers! niets te bikken!
Winden vlijmen, snerpen, fluiten…


Dik de bloemen op de ruiten,
Dreunt ’n rijtuig ’t bruggetj’ over.
’t Oosten kleedt, met treitrend fluiten,
’t Naakt geboomt in rijm voor lover.


Nu is ’t rijtuig ’t bruggetj’ over…
Ha! de mussen, hoe ze pikken!
Glinstrend lacht et witte lover:
Bruintje gaf z’iets warms te bikken.


Ik schat dat uit de tien debutantenbundels geen gedichten in aanmerking komen voor een toekomstige selectie van ‘afschuwelijkste’ gedichten. Geen geforceerde rijmelarij, geen expliciet genoemde gevoelens, geen softe romantiek bij het jonge geweld dat in Komrij’s gratie is gevallen – en dat daardoor zijn – en slechts één enkele keer haar – poëziecarrière in de Lage Landen met een flinke por in de rug wist aan te vatten. In alfabetische volgorde heten de debutanten: Bas Belleman, Abdelkader Benali, Danny Degenaar, Hélène Gelèns, Philip Hoorne, Maarten Inghels, Michiel van Rooij, John Schoorl, Erik Solvanger en Willem Thies. Drie van hen werden met hun door Komrij geredigeerde eerste bundel genomineerd voor de Cees Buddingh’-prijs voor het beste debuut.

Maar zullen zij nu aan de vergetelheid ontkomen? Dat is wat anders. Sommigen hebben alvast sinds hun ontdekking door Komrij (Hoorne beet in 2003 de spits af, Van Rooij sloot in 2009 de rij) noest verder aan de weg getimmerd. De meesten hebben al een tweede bundel gepubliceerd of hebben er een op stapel staan, eentje heeft zelfs al een Grootste hits! uitgebracht (Philip Hoorne met De jaren nul). Sommigen zijn actief in de poëziekritiek of hebben een eigen website of weblog en/of zijn zeer bedrijvig in het voorleescircuit. Maarten Inghels organiseert Eenzame Uitvaarten.

Overigens getuigt het hele opzet van deze 2 x 10 Sandwich-bundels van een doordachte en wellicht doorleefde zin voor relativering. De debutant denkt uiteraard niet aan het grote vergeten waarin zijn werk uiteindelijk heel waarschijnlijk – behoudens enkele zeer schaarse uitzonderingen – zal terechtkomen. Anders zou hij natuurlijk niet debuteren. Maar het continuüm tussen debuut en verdwijning is bij deze wel geschetst. Komrij, die voor zijn bloemlezingen duizenden dichters voor zijn kennersoog heeft laten defileren, waarvan ongetwijfeld de overgrote meerderheid bij geen kat nog bekend is, weet als geen ander waar ook de hoogst gestemde aspiraties gedoemd zijn te eindigen.

div. auteurs

Clubsandwich I. De debutanten
Onder redactie van Gerrit Komrij
Clubsandwich II. De vergeten dichters
Samengesteld en ingeleid door Gerrit Komrij
Van Gennep, Amsterdam, 2010 447 p. en 463 p./ € 25

Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2011/2

gisteren en vandaag 134

Van gisteren heb ik niets bijzonders te onthouden.

Vandaag moet ik werken.

2503

Luik Guillemins 1/3

maandag 16 mei 2011

wolken 89-94

John Berger, Van A tot X



89
Neem jij maar over, zei je tegen men, koers op die cumuluswolk die eruitziet als een kat, ja, die daar, koers op zijn rug en blijf op dezelfde hoogte. We zitten nu op 1500 voet. (62)


90
Hoog boven ons vloog een straalvliegtuig over – naar het oosten, een wit spoor achterlatend dat halfdoorzichtig tegen het blauw was en anders dan het wit van de stapelwolken die zo permanent leken. (63)


91
Overtrekkende wolken bewegen snel. (101)


92
Ik bestudeer de wolken en dan word ik overvallen door een voorgevoel. (120)


93
Het is de hele dag warm geweest, de wolken zijn laag, wit en vriendelijk. (131)

94
De wind, die vriendelijk zichtbaar wordt gemaakt door de wolken, geeft op zich al aan dat dergelijke illusies hun langste tijd gehad hebben. (135)

gisteren en vandaag 133

Van gisteren wil ik onthouden hoeveel plezier het me deed dat in De Panne, toen ik van de bakker terugkeerde, een mij totaal onbekende man heel uitdrukkelijk ‘goede morgen’ zei, dat ik herkende wat P. me vertelde over Montecatini want ik had er nog maar net over gelezen maar waar?, en dat we het hadden over nationalisme. Ik wil ook het beeld onthouden in de film van Ken Loach van de pleurante die het lied ‘The Wind that Shakes the Barley’ zingt bij het lijk van de zeventienjarige jongen die is doodgeslagen omdat hij het vertikte zijn naam in het Engels uit te spreken. (in de link tussen 7:30 en 8:30)

Vandaag moet ik drukproeven gaan nalezen in Gent. Deze namiddag kan ik Proust lezen. Vanavond komt G. eten en wil ik vroeg naar bed.

2502

Brugge - 100510

zondag 15 mei 2011

baraque lecture 90

De oude man die zich nog één keer overlevert aan de illusies van de liefde, tegen beter weten in: hij wéét dat zijn hoogtepunt allang voorbij is; zijn roem is al aan het vervagen op de rekken van de ramsj; de dood wacht en komt, in de vorm van duistere wolken en opwaaiend stof en hitte en verderf, al vervaarlijk opzetten als een onweer dat alles weg zal vagen. Het thema is bekend: het verschilt in nagenoeg niets van Thomas Manns De dood in Venetië. Alleen is het voorwerp hier niet een jonge jongen maar een jonge vrouw, en zitten we niet op het Italiaanse schiereiland maar op Corsica, ergens tegenover Genua. De vergeefse liefde van de oude man contrasteert met het dictaat van de jeugd: slechts schijnbaar tegemoetkomend en beleefd, maar ‘eigenlijk’ nietsontziend en dictatoriaal. De jeugd zwaait de plak – niet alleen in de bittere relatie die die oude man denkt te hebben maar ook – en daarin onderscheidt Brouwers zich, als schrijver van zíjn tijd, wél van Mann – in de hedendaagse cultuur waarin zij haar onbeschaamde schoonheidsideaal en smaken aan alles en iedereen oplegt, via het perfide apparaat van de commercie.

Niets, of niet veel, nieuws te verwachten – dat is meteen het gevoel dat je bekruipt als je enkele tientallen bladzijden van Bittere bloemen hebt gelezen: hier is een schrijver aan het woord van wie zal blijken dat hij het meeste wat hij in zijn mars heeft, of had, al heeft opgesoupeerd. (Waarvan uiteraard alleen diegenen last hebben die al het een en ander van Jeroen Brouwers hebben gelezen.) En dus wordt vooral de vorm belangrijk, de stijl. Wat niet erg hoeft te zijn, welbeschouwd is in literatuur de vorm altijd belangrijker dan de inhoud.

Zo is het dan ook: als Bittere bloemen interessant kan worden genoemd, dan omwille van de stijl. Brouwers haalt alle laden van zijn trucendoos boven – en ’t is een heel ingewikkelde secretaire met tal van schuifjes en geheime knopjes. Neologismen, eigenzinnige interpuncties, motieven, symboliek, metaforen en mythologieën, allusies en referenties, allerlei krulletjes en fiorituurtjes en klankspelletjes… En massa’s diminutieven.

Het is gut en bij momenten, zeker naar het einde toe, waar Brouwers naar een apotheose toewerkt, die meteen ook de finale, voorspelbare, neergang is van zijn held, indrukwekkend maar het is wel vom Guten zuviel – op de duur krijg je de indruk dat Brouwers zich zwelgend en zwoegend naar het einde sleept, zichzelf piepend en krakend pasticheert, een zielloos sjabloon invult en denkt, na het neerpennen van de laatste bladzijde: voilà, dat hebben we ook weer gehad, dat het zijn tijd vóór het grote vergeten nu maar neemt.

Neen, De Zondvloed heeft Brouwers in zijn literair proza nooit meer kunnen evenaren. Dat is geen schande, De Zondvloed is een van de allerbeste boeken in de Nederlandstalige, en voor mijn part in de wereldliteratuur. Ook maakwerk en ook een demonstratie van stilistisch kunnen, maar met een noodzakelijkheid die Bittere bloemen ten enenmale moet ontberen – waardoor je het wedervaren van het hoofdpersonage op de duur met een pijnlijke onverschilligheid bekijkt.

driekleur 52

Alsof ze gisteren zijn geverfd. Karmozijn, oranje, granaatappelrood, scharlaken, citroengeel, pistache, koolzwart, ivoor.

John Berger, Van A tot X, 76

gisteren en vandaag 132

Van gisteren wil ik onthouden dat ik het eindwerk van mijn jongste zoon te zien kreeg, dat ik David Van Reybrouck tegen het lijf liep in de landbouwschool, dat G. […], en dat we met C. de oorzaken opsomden van het feit dat koppels het zo moeilijk hebben om bij elkaar te blijven: modeverschijnsel, internet, het verdwijnen van de kerk als toeziende instantie, verschillende opvattingen over opvoeding en het afbrokkelen van de gemeenschap.

Vandaag komt P. met een zakelijk voorstel naar De Panne, overleggen we in Brugge met P. en wil ik mijn foto van Patrick Bardyn ophalen in Gallery 44.

2501


Brussel, Centraal Station - 100503


zaterdag 14 mei 2011

wolken 87-88

Andreas Burnier, De huilende libertijn

87
Het enige wat ik als bijzonderheid te melden heb, is dat toen ik door de poort naar buiten stapte, eindelijk weer in Gods vrije natuur, eindelijk weer onder wind en wolken, tussen gras en bloemen, één met alle vrije, levende schepselen van Haar voor wie wij zouden moeten zijn als de leliën des velds, onschuldig en zorgeloos, ik in een blauwe overvalwagen X naar binnen zag rijden, zijn pafferig gezicht bleek achter de tralies van het pantserglas. (98)

88
Het maanlicht lijkt een pad te vormen, het water over, de bergen in, de zwarte wolken langs, en nog hoger, tot in dat huis van bedrieglijk, niet bestaand licht. (127)

reactie

In alle tragiek gisteren, zo’n volwassen manier om je excuses aan te bieden.
Het was wel gewaagd van de presentator om dit bespreekbaar te maken. Het kon evengoed verkeerd aangekomen zijn

Chapeau voor de durf en de kwetsbaarheid.

Mooi stukje tv, fijne mensen

bea

reactie

dit vind ik een zeer mooie, een om uit te printen of misschien zelf te schilderen
groetjes

Marie-Anne

mijn woordenboek 320

ANOMALIE

Het lijkt een moeilijk woord maar het is ‘eigenlijk’ heel gemakkelijk. Het is ‘namelijk’ van toepassing op onze bestaansconditie zelf, op het ‘wezen’ zelf van ons ‘zijn’. Want ‘eigenlijk’ (‘eigenlijk feitelijk’) hadden we er evengoed niet kunnen of zelfs, inderdaad, niet moeten zijn. Of niet moeten zijn. Nu ja, ‘moeten’, wat is moeten? In dezen? Sub specie aeternitatis?

Wij, een afwijking van de regel? Een binnen het vigerende verklaringssysteem niet te verklaren onregelmatigheid? En bij uitbreiding, en ‘eigenlijk’ in ‘oneigenlijke’ zin: iets wat er niet had moeten zijn maar er toch is? Desalniettemin?

Filo-, onto-, kosmo- en gewoon genogenetisch zijn wij anomalieën. Gemeten op elke mogelijke schaal kan het niet anders dan hoogst onwaarschijnlijk worden genoemd dat wij er ‘überhaupt’ zijn. (Vandaar allicht dat wij – omdat we er dan tóch gekomen zijn, ‘blijkbaar’ – zo’n hoge dunk van onszelf hebben. Eigenlijk, feitelijk.)

Dat er uit die grote klap die er ‘naar verluidt’ is geweest (en luid zal het geweest zijn, of misschien ook niet want er was nog niets waarop die geluidsgolven, die er zelf misschien ook nog niet waren, zich konden enten, waarop ze konden golven, waartegen ze konden botsen en klotsen en echoën) een universum is ontstaan – een kosmos, een heelal, een ruimte… – waarin wij ‘uiteindelijk’ mogelijk zijn geworden; dat er ergens in die kosmos een planeet ronddraait met op die planeet precies die elementen, in precies die verhoudingen, die nodig zijn om ‘leven’ te doen ontstaan; dat die elementen op de juiste manier zijn geschikt en op het juiste moment tot reageren zijn aangezet; dat uit die oerreacties is voortgekomen wat er uit is voortgekomen; dat de evolutie precies ‘onze’ richting is uitgegaan; dat de keten van individuen is wat zij is geweest en dat in die individuenketen de DNA-ketens zijn doorgegeven zoals ze zijn doorgegeven; dat mijn ouders, elk het toevallige, anomalische, product van alles aan wat aan hén is voorafgegaan, elkaar hebben ontmoet (hetgeen gezien mijn voorgeschiedenis en hun geschiedenissen uitermate onwaarschijnlijk was); dat zij uitgerekend mij hebben verwekt (op dát moment, uit díe spermatozoïdenloterij); dat ik nog in leven ben…, enzovoort enzovoort…: zowel op de schaal van het individu als van onze soort als van ‘het leven’ tout court: op deze planeet, met deze geschiedenis…– zo bekeken ben ik, bent u, in alle opzichten iets waarvan het niet-bestaan veel waarschijnlijker zou zijn geweest dan het bestaan.

Wij zijn anomalieën, allemaal: dat is heel normaal.

gisteren en vandaag 131

Van gisteren wil ik onthouden dat ik voor de zoveelste keer de lectuur aanvatte van Combray en dat ik munt uit S.’s tuin in de couscousschotel verwerkte.

Vandaag moeten er drie opendeurdagen worden bezocht en gaan we naar De Panne.

2500

L. - 110502

2499

Brugge, Bevrijdingslaan - 100424

mijn woordenboek 319

ANNOTEREN

Met bal- of vulpen, of met zo’n fluovloeistof-strepentrekker: dat is niet annoteren maar vandaliseren. Hier heb ik het dus enkel – hoewel puristen ook dat barbaars zullen vinden – over, zoals ík het in mijn boeken doe, annoteren met potlood.

Men zal mij maar zelden een boek zien lezen zonder een potlood binnen handbereik.

Ik heb het altijd nodig gevonden, al ben ik de eerste om toe te geven dat het een discutabel nut heeft: kruisjes of sterretjes of streepjes in de marge, een uitroep- of vraagteken, enkele en dubbele onderstrepingen, woorden in een cirkeltje of rechthoek vatten, een paginanummer omcirkelen, een hele alinea in een kader plaatsen, pijltjes die betekenen ‘vanaf hier’ (vooruitwijzend) en ‘tot daar’ (achteruitwijzend), of zelf een tekst toevoegen, vaak niet meer dan een paar woorden en dan nog dikwijls nauwelijks leesbaar, als het kan links of rechts van de desbetreffende passage of, als er meer te zeggen valt, onderaan de bladzijde of, zo de situatie dat vereist, verticaal in de rand – zodat je het boek een kwartslag moet draaien om die boodschap alsnog te ontcijferen.

Strikt genomen betekent annoteren enkel dat laatste: ‘verklarende opmerkingen toevoegen’ – maar in mijn woordenboek denk ik aan alle vormen van appreciërend of depreciërend beklemtonen, accentueren of benadrukken, aan het schrijven van allerlei mededelingen in de marge – en dat kúnnen verklaringen zijn, bijvoorbeeld de betekenis van een vreemd woord of de verwijzing naar een andere plaats in het boek, of in een ander boek, waarmee de desbetreffende passage in verbinding kan worden gesteld, maar het kunnen ook opmerkingen of aanduidingen betreffen die met de tekst in strikte zin niets te maken hebben: zo noteer ik nogal vaak wanneer ik een boek lees, en ook waar, als dat niet thuis gebeurt. Zo trof ik vandaag nog in De biograaf van Alain de Botton de notitie ’23-28 VII 00 (Lilliano)’ aan.

Annoteren is níet nuttig. Toch niet voor anderen. Integendeel, mijn notities en annotaties hinderen de lectuur door anderen van het boek waarin ze staan. Ze sturen die lectuur, beheppen die andere lezer met mijn oordelen en vooroordelen. En bovendien kan ik mij inbeelden dat mijn annotaties bij die persoon pedant overkomen, of het zou moeten zijn dat het een persoon is die mij graag ziet – wat wel eens gebeurt – en dat hij, of zij, om die reden bereid is om een en ander door de vingers te zien.

Het is wél nuttig. Ikzelf vind het interessant om vele jaren na een vorige lectuur te zien wat ik ooit belangrijk heb gevonden of als belangrijk heb herkend – en ook, laat ons dat vooral niet vergeten: wat ik níet of ten onrechte belangrijk heb gevonden. Toch is het niet om die reden dat ik boeken annoteer want – dat moet ik bekennen maar ik probeer er iets aan te doen – hoe vaak gebeurt het dat ik een boek herlees.

Voor mij heeft annoteren vooral te maken met de manier waarop ik met boeken omga. De triestigste bibliotheek is deze die zijn eigenaar niet overleeft, die vroeger dan zijn eigenaar doodgaat. Ik heb genoeg van die bibliotheken gezien. Daarom zeg ik: mijn omgang met mijn bibliotheek moet levend zijn. Zoals de boeken mij merken, mag ik mijn boeken merken. Ik moet ze niet alleen regelmatig voelen en laten voelen dat ík nog besta, ik mag in hen ook sporen nalaten van míjn bestaan, ik mag mijn boeken uniek maken. Ik wil dat mijn bibliotheek een geschiedenis heeft, dat ze niet doodgaat voordat ik de pijp aan Maarten zal hebben gegeven en dat ze, misschien – al moet het gezegd dat de ontlezing en de teloorgang van onze cultuur zich razendsnel doorzetten –, ooit nog in iemand anders zijn leven een rol kunnen spelen. Mede door de annotaties erin.

Ik weet het, het is hovaardig. Maar dat kan mij eerlijk gezegd niets schelen. Het zijn míjn boeken, ze vormen míjn universum en daarin stel ík de wetten.

gisteren en vandaag 130

Van gisteren wil ik mij herinneren dat een gedachte-experiment, gebaseerd op de poging tot coup in het Spaanse parlement in 1981 door luitenant-kolonel Tejero en zijn komieke kompanen van de guardia civil, grondstof voor het boek Anatomie van het moment van Javier Cercas, aanleiding gaf tot een onbedaarlijke lachsalvo samen met enkele collega’s, alsook dat S. bezig was met op Peter Koelewijn te YouTuben toen ik ’s avonds bij haar aankwam: Kom van dat dak af!

Vandaag kan ik lezen, schrijven en fietsen zoveel als ik maar wil. Maar misschien moet ik toch nog eens mijn ‘2010 telt 365 dagen’-projectje terug opnemen en afwerken. Vanavond komen S. en de kinderen eten.

gisteren en vandaag 129

Van gisteren wil ik onthouden dat S. me op de bloeiende lisdodde wees – en ik haar op de kwakende, geile kikkers – in het natuurgebiedje Gemene Weidebeek in Assebroek, en dat ik enerzijds afknapte op Jeroen Brouwers Bittere bloemen en anderzijds geïntrigeerd raakte door De huilende libertijn van Andreas Burnier.

Vandaag moet ik werken.

vrijdag 13 mei 2011

37 * 28,31 * 616

Tom Waits – Metropolitan Glide
Bobby Patterson – I Get My Groove From You
Serge Gainsbourg – L’Anthracite
Vera Lynn – We’ll Meet Again
Vivaldi – Concerto In D Minor For Viola D'Amore & Lute, RV 540 - 3. Allegro
Bach – Johannes Passion. Recitativo evangelist: Da überantwortete er ihn
Ella Fitzgerald – That’s My Desire
The Mills Brothers – Sweeter Than Sugar
The Blackbox Revelation – Stand Your Ground
Couperin – La Piémontoise 5. Air gracieusement
Willem Vermandere – Klein Ventje
Shostakovich – String Quartet #8 In C Minor, Op. 110 - 2. Allegro Molto
Howlin’ Wolf – I Love My Baby
Eels – Hey Man (Now You're Really Living)
Monteverdi – L'Incoronazione Di Poppea - Act 3: Pur Ti Miro
Vivaldi – Sonate en sol mineur - 4. Gigue allegro
Captain Beefheart – A Carrot Is As Close As A Rabbit Gets To A Diamond
Monteverdi – L'Orfeo. Sinfonia
Ave Regina Celorum (plainchant/Gregorianischer Gesang)
Handel – Messiah, HWV 56 - All They That See Him
Lightnin' Hopkins – Tom Moore’s Blues
Björk – Play Dead
Nat King Cole Trio – Play Dead
Vivaldi – Sonate en si bemol majeur. 1. Preludio largo
Frankie Lane – Sixteen Tons
Roland Van Campenhout – That’s Amore
Johnny Cash – A Thing Called Love

o mia vita, o mi tesoro

facebookbericht 287

Dat moet lukken, Peter [Holvoet-Hanssen]!, ik zag u net nog naar de verte wijzen boven op een dak van een hoog gebouw - en dat op het scherm van een bankcontactautomaat! En nu hier, met al die kapitalen! Ge zijt werkelijk overal!

woensdag 11 mei 2011

2497

Brugge, achterkant theater - 110326

gisteren en vandaag 128

Van gisteren hoef ik, denk ik, niets te onthouden.

Vandaag ga ik wandelen met S. en dan werken in Brussel.

dinsdag 10 mei 2011

getekend 64

mijn woordenboek 318

ANISETTE

Het was geen al te best weer, die eerste keer dat ik in het Zuiden was. De Provence, dat toponiem had in mijn oren nog een mythische bijklank. Intussen weten we beter, beschikken we over geheimtips: neen, ga vooral niet naar de Provence, in X, Y of Z is het veel beter toeven. En zijn er ’s zomers minder muggen.

1979 is alweer lang geleden – Frankrijk stond dichter bij de jaren vijftig van de vorige eeuw dan bij de dag waarop ik dit schrijf. Gammele AMI 5’s, R4’s en 404’s op de weg, bleek- en donkerblauwe lege sigarettenverpakkingen in de bermen erlangs, in elk dorp een Bar Tabac en in elke Bar Tabac een jukebox met daarop hits die bij ons twee jaar eerder in de BRT Top-30 hadden gestaan. Frankrijk had, nuja, een achterstand. Maar eigenlijk ook, als je het vanuit een ander perspectief bekeek: een voorsprong. Zo wisten ze er al wat onthaasting was nog voor wij bij ons hadden begrepen dat alles te snel ging. Wat er ook van zij, er was in elk geval een duidelijk verschil. We werden er met onbekendheden geconfronteerd. Maar dat kan te wijten geweest zijn aan het feit dat wij nog jong waren en weinig kenden. Zo zagen ook zij, toen zij ons zagen, iets ánders dan wat zij gewoon waren te zien. De globalisering heeft intussen veel verschillen uitgevlakt.

Het was geen al te best weer dus, en in Fourques, de voorgemeente van Arles waar wij op de onverharde speelplaats van de École Municipale een plaats hadden gevonden om onze tent op te zetten, was er in de arena, of wat daarvoor moest doorgaan, een course de taureaux camarguaise.

Wij daarnaartoe. Uit de luidsprekers knalde herhaaldelijk – ik bedoel: zeker meer dan één keer, om niet te zeggen de hele avond door, alsof ze maar die ene plaat hadden – Born To Be Alive van Patrick Hernandes, nota bene een in het noordelijke en al even miezerige België opgenomen hit. Wij deden daar vrolijk op. Met mijn knalgele jekker met donkerblauwe binnenvoering, die ik had aangetrokken om mij te beschermen tegen de motregen, had ik veel bekijks. Zoiets hadden ze daar nog nooit gezien. Dat weet ik omdat iemand mij erop met Zuid-Frans accent aansprak.

De stierenkoers zelf was niet veel soeps. Half beschonken jongelui joegen jonge maar lome beesten op die deden alsof ze ooit, in een niet al te verre toekomst, met hun sikkelvormige horens een schijn van gevaar zouden kunnen oproepen. Desalniettemin diende er af en toe toch een van die kerels over de balustrade te wippen ten einde zijn eigen vege lijf niet al te zeer in gevaar te laten brengen door het aansloffende stierschap. De lenigheid waarmee dit overwippen gebeurde, stak fel af tegen de algehele lamlendigheid en de niet veel meer dan obligate dynamiek van de tot dan toe ontplooide vertoning. Machogedrag. Met ongetwijfeld een huwbare deerne in gedachten en misschien zelfs in volle vleselijkheid ter plekke aanwezig en dus getuige van de heldendaad. De stier bleef enige tijd in het midden van de piste staan en schudde niet begrijpend de kop.

Wat was nu het spel? Ringen dienden over de horens gemikt, of er vanaf gehaald, dat weet ik niet meer precies. Deze ringen waren voorzien van kleurige wimpels. Rubans. Cocardes. Op de tribune zaten wat plaatselijke heethoofden met hun vriendinnetjes alsook enkele verdwaalde toeristen zoals wij. De omroeper kondigde het volgende onderdeel van het spektakel aan en vertelde dat voor dit onderdeel een premie van … (volgde een bedrag dat werd uitgedrukt in Franse franken, te delen door zes dus) werd uitgeloofd (volgde de naam van de sponsor).

Het weinig indrukwekkende prijzengeld dat vervolgens door een van die macho’s werd binnengerijfd door met linten versierde ringen te werpen of te verwijderen zal inmiddels ongetwijfeld allang zijn opgegaan in nutteloze en vergeefse want vergankelijke investeringen en aankopen, maar de sponsornaam blijft nog altijd in mijn hoofd resoneren: Anisette 51 – en niet alleen dat, vooral de manier waarop de naam werd uitgesproken: exotisch, eerste kennismaking met het Zuiden, de Provence!

Aniezitte sing-kan-té-ung!

En dan de sponsorkleuren!: donkerblauw met een knalgeel accent.

Yes, we were born to be alive! En maar miezeren. En vervolgens ’s nachts, op die speelplaats, de muggen.

De anisette, overigens, zou ik pas veel later leren drinken.

ondertussen in brugge 163

gisteren en vandaag 127

Van gisteren zal ik nooit vergeten hoe Wouter Weylandt in de Giro-etappe stierf en dat ik op dat moment naar de rechtstreekse reportage zat te kijken waarin de twee commentatoren tot kort voor het ongeluk grapjes zaten te maken maar dan stilvielen en zich afvroegen wat ze daar zaten te doen. Ik wil me ook herinneren dat de vader van Els Dottermans mij niet alleen fysiek maar ook met zijn mimiek en manier van praten heel hard aan Jan Decorte deed denken, dat Gert Verheyen in Studio Eén vergeten was dat hij vier of vijf jaar topschutter van Club Brugge was geweest, en dat Hugo Camps in Reyers Laat zijn excuses aanbood aan Paul Marchal omdat hij, Hugo, hem, Paul, tien of vijftien jaar geleden te hard had aangepakt. Alvast daarvoor is de nakende vervroegde vrijlating van Michèle Martin goed.

Vandaag moet ik werken.

2496

Brugge, Ezelstraat - 110326

maandag 9 mei 2011

debuut 34

Verplichte vrijheid


De titel van de debuutbundel van Maud Vanhauwaert (1984), Ik ben mogelijk, is op zich een programma, een intentieverklaring. Hij wijst op een nog lege ruimte die erom vraagt ingevuld te worden, op een nog niet gedifferentieerd zijn, op een nog openliggende toekomst. De keuzes zijn nog niet gemaakt, de beperkingen en afgrenzingen die nodig zijn om hoe dan ook iets te kúnnen doen, zijn nog niet vastgelegd. Alle begin is moeilijk want je moet ‘ergens’ beginnen. Je kunt niet overal beginnen. En aangezien je geen twee keer kunt beginnen, kun je nooit nog ergens anders beginnen. Je vertegenwoordigt, of je hebt, of je bent een mogelijkheid, maar die veronderstelt het afstoten van talloze andere.

In de laatste twee gedichten van de bundel wordt die tweespalt, die niets minder is dan de existentiële – en paradoxale – conditie van het-moeten-opnemen-van-de-vrijheid, duidelijk gemaakt. Vanhauwaert schrijft in het eerste van die twee gedichten, het voorlaatste dus van de bundel: ‘altijd iets willen, het liefst een hand / achter de hand’. Je wilt altijd iets achter de hand houden: dat is de voorzichtigheidsoptie. Laat de keuze nog even niet definitief zijn. En zelfs dat nog niet: wie nog een hand achter de hand houdt, kan achter die tweede hand nóg iets achter de hand houden.

De eerste drie strofen van dat voorlaatste gedicht beginnen met dat dwingende en weinig ruimte latende ‘altijd’. Het lijkt een litanie: ‘altijd iets willen’; ‘altijd een argument moeten verzinnen’; ‘altijd een noemer nodig’. Je bent altijd onderworpen aan het verlangen, je moet je altijd verantwoorden, je moet altijd de dingen een naam geven. Dat is lastig. In strofe twee gaat het over de basis die je nodig hebt om jezelf te lanceren: ‘een huis […] / om vanuit te kunnen gaan […] om van leegte / op zijn minst een holte te kunnen maken’. In de leegte van vóór het kiezen kun je niet schuilen. Maar als je in het ene huis woont, kun je niet in het andere wonen. Kiezen is altijd verliezen.

Vaak hebben we niet met continuüms te maken maar is het een kwestie van of-of: ‘zoals je het licht kan dimmen / zo kan je niet een beetje / van een brug af springen’ (uit het openingsgedicht van de laatste cyclus ‘Voor de zekerheid’). Als je voor het ene ideaal kiest, amputeer je het andere. En dan heb je: ‘idealen met fantoompijn’ – zoals het in strofe drie (van opnieuw het voorlaatste gedicht van de bundel) staat.

Al dat moeten kiezen, al dat afstoten van mogelijkheden: dat is een moeilijke opdracht en de vraag is dan ook: ‘of ik, toen ik klein was en met wasco’s / hiervoor wel heb getekend’.

Het laatste gedicht citeer ik integraal. Het corrigeert het gevoel van ontreddering en ontevredenheid van het voorlaatste:

zoals alle mensen


heb ik de meeste prijzen op deze wereld
niet gewonnen
het ik de meeste boeken niet gelezen
er nog minder van geschreven
heb ik de meeste kinderen niet gebaard
de meeste mensen nooit ontmoet
de meesten niet eens gekust


dat stelt mij voor vandaag gerust


Ondanks al dat ‘niet’ en ‘minder’ en ‘nooit’ toch gerustgesteld zijn. Toch voor vandaag. Want mogelijk zijn kun je alleen als je aanvaardt dat daardoor heel veel onmogelijk wordt.

Aan deze twee slotgedichten gaat een sobere, uitgepuurde, complexloze bundel vooraf. Hij bestaat uit vijf cycli, op hun beurt voorafgegaan door een openingsgedicht waarin meteen naar de titel van een van de cycli, ‘Geschubd zenuwachtig pootje’, wordt verwezen:

in de put waar alles opeengestapeld ligt
wat mensen ooit vergaten: een geruit vestje
een fietssleutel, de belofte om nog een keer
langs te komen, mijn naam


ligt ook een geschubd zenuwachtig pootje


Deze evocatie van ‘alles’ door middel van een summiere – en verre van volledige – opsomming van enkele disparate elementen doet mij denken aan Borges, die in het verhaal ‘De Aleph’ dezelfde techniek toepast: ‘ik zag trossen, sneeuw, tabak, metaaladeren, waterdamp, ik zag golvende woestijnen aan de evenaar en elke zandkorrel ervan op zichzelf, ik zag in Inverness een vrouw die ik niet zal vergeten, […] ik zag een kring droge aarde op een pad, waar eerst een boom stond, ik zag een buitenhuis in Adrogué, een exemplaar van de eerste Engelse vertaling van Plinius’ – enzovoort, het gaat een bladzijde of twee door en als je die hele opsomming hebt gelezen, heb je werkelijk de indruk dat het personage van Borges inderdaad álles gezien heeft, waarna hij besluit dat zo niet te leven valt: wie alles al heeft gezien, kan niet meer worden verrast. ‘Gelukkig had, aan het eind van enkele slapeloze nachten, de vergetelheid weer vat op me.’

Over vergeten heeft Vanhauwaert het in de cyclus ‘Geschubd zenuwachtig pootje’. Die opent met de vaststelling dat gebeurtenissen kunnen worden gerelativeerd door het besef dat ergens anders op hetzelfde moment ook vanalles aan de hand is. In een Kempisch bos zijn twee eekhoorns blij terwijl ‘een dame in Parijs / de straat oversteekt’. Een West-Vlaamse boer sakkert omdat er ‘graancirkels in zin / veld zijn getrokken’ terwijl in Kinshasa een man wordt overreden. Ook hier, lijkt Vanhauwaert te suggereren, blijkt dat er moet gekozen worden: je kunt niet op alles tegelijk gefocust zijn, je moet vergeten. Het derdelaatste en het voorlaatste gedicht van deze cyclus bevatten een opsomming van wat de ‘ik’ allemaal vergeten is: ‘hoe het voelt om als kikker geschminkt te zijn’, ‘hoe het was om in de nek van mijn vader te zitten’, ‘de naam […] van de leidster op Jommekeskamp’, ‘waarom ik als kind masturbeerde / denkend aan een felbehaarde Jezus’, ‘hoeveel ik van je hield’, ‘wat de zigeunerin […] / in mijn handen heeft gelezen’. Ook hiermee sorteert Vanhauwaert dat borgesiaanse effect: de opsomming van disparate zaken creëert de indruk van een totaliteit, in casu de totaliteit van de onherroepelijk voorbije kindertijd. Dat laatste, van die handlezende zigeunerin, doet Vanhauwaert overigens besluiten: ‘Mijn eigen toekomst / ben ik dus vergeten.’

In het laatste gedicht van deze cyclus reflecteert Vanhauwaert op dat vreemde – en opnieuw: paradoxale – fenomeen dat het vergeten toch is. Je hebt het nodig om te focussen – merk de parallel met de noodzaak om vele mogelijkheden weg te snijden om zelf mogelijk te zijn – maar tegelijk wéét je ook altijd wat je vergeten bent. En ben je het dus, in zekere zin, níet vergeten:

en hoe ik niet vergeet wat ik vergeten ben, meer nog
dat wat ik vergeten ben, daaraan denk ik nog het meest


Het moge duidelijk zijn dat Maud Vanhauwaert in haar poëzie achter een schijnbare gemakkelijkheid en zelfs achteloosheid blijk geeft van stevig denkwerk, van een filosofische instelling. In veel gedichten voel ik die quasi naïeve maar intelligente blik. Bovendien verwoordt deze dichteres sprankelend en speels, en geeft ze in de aaneenrijging van haar gedichten blijk van een zin voor doordachte compositie.

Als uitsmijter dit prettige en pretentieloze liefdesgedicht (waarin opnieuw dat thema van het móeten kiezen aanwezig is):

zul je voorzichtig zijn
ze moet het beloven
maar zij en ik weten dat je niet naar links
en rechts kunt kijken tegelijkertijd


ze houdt haar hand als een luifel
schuin boven haar hoofd
het is haar helmpje: ze belooft


kom je weer bij me na je reis
ze glimlacht in een frons
denkt aan de lijst van alles wat maar twee keer komt
eb in een dag, de dood
van een van ons


Maud Vanhauwaert
Ik ben mogelijk
Querido, Amsterdam, 2011 
57 p./ € 18,95

Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2011/2