maandag 27 oktober 2008

Dag 425 vVH&C

081018 en 081028 – Als je na het bekijken van Gomorra de zaal verlaat, vraag je je af waarom eigenlijk de Italiaanse maffia hier in die mate aanstoot aan neemt dat ze aankondigt regisseur Matteo Garrone voor Kerstmis te zullen doden. De vele maffiafilms uit het verleden, genre The Godfather en dergelijke, hebben nooit zo'n extreme reactie uitgelokt. S. wijst mij op de reden. Het is zeker niet zo dat Garrone allerlei geheimen heeft prijsgegeven of omerta’s geschonden: we weten allemaal min of meer hoe het systeem in elkaar zit, hoe in dat land de parallelle macht georganiseerd is, hoe er wordt geregeerd op basis van de explosieve emotionele cocktail hebzucht-eerzucht-machtzucht. Daar wringt de schoen niet. Het is dat het maffieuze machtscentrum niet, zoals in die andere films, glanzend en glitterend wordt voorgesteld, met het clichématige vertoon van gouden manchetknopen, in sigarenrook en duisternis gehulde, schor en traag sprekende bazen, de knipmesdiscipline van de ondergeschikten die gestaag op de ladder naar een bijna bijbelse hoogte opklimmen en daarbij niet aarzelen om de concurrentie van zich af te duwen – neen, hier worden de bazen belachelijk gemaakt: ze zitten met acht man achter twee onnozele belhamels aan, het zijn vestimentaire horreurs, de peetvader is een halfverzopen terminale keelkankerpatiënt met een stemgeluid als van het schurende scharnier van een Etruskische graftombedeur die in geen drieduizend jaar is geopend. En we zien de gore achterkant van een nietsontziende misdaadmachine.

Laat ons maar hopen dat Garrone niets ‘overkomt’.

Gomorra is een ijzersterke film. Onder meer omdat een van de kenmerken van het goede kunstwerk vervuld is: alles erin heeft een onwrikbare plaats, alles heeft een betekenis, niets is gratuit. Ik licht er een voorbeeld uit (slechts een van de talrijke mogelijke): de apenkooi. In een van de appartementen van het immense blok waar het grootste deel van de handeling zich afspeelt – in die mate dat je het gevoel krijgt dat het blok een metafoor wordt voor de stad, voor Napels – staat op een overloop een kooi met daarin een aap. Hij staat daar een beetje verloren, die kooi, uitzichtloos. Af en toe krijgt de aap een aai van een passant. Welnu, de apenkooi is geen toevallige decoratie. Zoals de aap in de kooi gevangen zit, zo zijn de bewoners van het appartementsgebouw evengoed gevangenen van hun behuizing maar nog meer van hun materialistische macho-leefwijze, zo zijn de Chinese arbeiders in het confectieatelier gevangenen, zo zijn de maffialeden de gevangenen van hun codes en verplichtingen in allerlei onfrisse praktijken: drugs, illegale confectie, seksindustrie, het geld slaan uit de ‘verwerking’ van toxisch afval. Het is een in alle opzichten uitzichtloos bestaan. Eén lichtpunt in de film, heel even, maar dan wel met een sterke beeldende kracht: de kleinste, nog onschuldige, kinderen die spelen op een hoekje van een dakterras. Ze spelen, te midden van het grijs, in een wereld van felle kleuren. Maar die kinderen worden zorgvuldig gerekruteerd door de iets ouderen, die al gecorrumpeerd zijn. Ze hebben geen keus: omdat ze arm zijn en geen toekomst hebben en op een debiele manier van wapens houden en de strak geklede grieten willen imponeren die in het straatje-zonder-eind staan te paraderen, worden ze: apen.

Geen wonder dat de bonzen van de Napolitaanse camorra aanstoot nemen aan Garrone’s meesterwerk.