maandag 13 oktober 2008

Dag 408 vVH&C

081001 en 081013 – Het zwarte bloed van Louis Guilloux was in 1935 in Frankrijk een belangrijke roman. Hij is gebouwd rond het personage Cripure, een filosofieleraar die zijn bijnaam overhoudt aan de knarsende manier waarop hij het in zijn lessen heeft over La Critique de la Raison Pure van Immanuel Kant.

De zeer lijvige roman van Guilloux is op zijn manier een Kritiek van de Zuivere Rede want die komt in 1917, of bij uitbreiding 1914-1918, wel degelijk in nauwe schoentjes te staan: de westerse beschaving, die op rede en redelijkheid is gebaseerd, gaat kopje onder in de uit een mengsel van mensenbloed en slijk en vermoorde illusies bestaande blubber van Ieper en Verdun.

Tegen die achtergrond van zinloos oorlogsgeweld situeert Guilloux zijn verhaal. De mismaakte schlemiel Cripure heeft een goede inborst maar mislukt in zowat alles wat hij onderneemt. Zijn gitzwarte levensvisie voert naar een onvermijdelijke ondergang. Homo homini lupus, de mens is een wolf voor zijn medemens – Guilloux laat daarover geen misverstand bestaan.

Heeft uitgever Coppens & Frenks terecht deze vergeten Franse interbellumroman aan het Nederlandstalige publiek voorgesteld? Op zich moeten we altijd bewondering hebben voor riskante edelmoedigheid, maar hier vraag ik mij toch af of Het zwarte bloed nog wel echt iets voor onze tijd is en in hoeverre we niet beter, als we er dan toch de tijd voor nemen om zeshonderd bladzijden tot ons te nemen, de grote Russische romans lezen die Guilloux duidelijk voor ogen hebben gestaan.

Guilloux laat ons kennismaken met een heel peloton personages, de ene al meer karikaturaal voorgesteld dan de andere, de meeste slecht en een enkeling (bijvoorbeeld Claire, de echtgenote van meneer Couturier) op het heilige af goed – en wij, lezers, worden verondersteld hun lotgevallen met de gepaste aandacht te volgen. Maar dat is lastig want bij de oeverloze spreektalige dialogen en herhalingen en het nogal franjeloze proza wil de aandacht wel eens verslappen. De karikaturale, soms zelfs slapstickachtige schetsen neutraliseren de eventuele empathie. Het gaat er allemaal nogal grotesk aan toe – het is er vaak een beetje óver.

Daar staat tegenover dat bepaalde scènes of droombeelden (bijvoorbeeld het kerkgebouw als rund, het volksoproer bij het station en de slotscène waar iedereen samenstroomt bij het inderhaast geïmproviseerde transport van de ongelukkige Cripure naar het ziekenhuis) mij zeker een tijdje zullen bijblijven.

Louis Guilloux, Het zwarte bloed (1935; Amsterdam 1999; vertaald en van een nawoord voorzien door Mirjam de Veth), 621 p.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen