zondag 18 mei 2008

Dag 262 vVH&C

080514, 080517 en 080518 – Het was een heilzame coïncidentie, in Parijs de drie tentoonstellingen (Sophie Calle, Jan Fabre en Louise Bourgeois) in die volgorde te zien, en aansluitend nog eens het nieuwe museum voor etnische ‘kunsten’ aan de quai Branly binnen te stappen.

Elke kunstenaar is idiosyncratisch, maar de ene is het meer dan de andere. Elke kunst is per definitie een onvergelijkbare taal – de kunstenaar is veroordeeld tot originaliteit, waarmee meteen alle verwarring, polyinterpretabiliteit, aanleiding tot misverstand begint – maar de ene kunst roept al makkelijker vergelijkingen op dan de andere. Op de een of andere manier wíllen wij die vergelijking. Kunst die buiten alles staat, kijkt ons met de nek aan. En daar kijken wij niet naar.

Dat de maskers, tapijten, trommels, cultusvoorwerpen enzovoort van de quai Branly volledig ingebed zijn in een cultuur, opgenomen in een netwerk van relaties en een web van geruststellende, bezwerende, troostende rituelen: daar kunnen wij toch alleen maar jaloers op zijn en nostalgisch naar terugverlangen. (Niet naar het precaire van een schaarste-economie natuurlijk, waar mensen ziek werden en vroeg stierven, waar leden van de andere stam de kop werden ingeslagen (die dan ter afschrikking op een paal bij de ingang van het dorp in de grond werd geplant…) maar wel naar het psychologische comfort van het niet moeten nadenken en het zich opgenomen weten in een vanzelfsprekende collectiviteit.)

Van kunst verlangen we, pardon, verlang ik dat zij mij niet alleen uitdaagt en mijn wereldbeeld op de helling plaatst, maar toch ook zat zij mij op de een of de andere manier opneemt, geruststelt, troost. Daartoe moet zij behalve nieuw en prikkelend toch ook begrijpelijk zijn en een taal spreken die min of meer gelijk is aan deze die mij vertrouwd is. Die taal moet ik kennen. Ik moet haar geleerd hebben. Kunst kan mij daarbij helpen. Hoe meer kunst ik heb gezien, en dus min of meer ken, hoe beter ik kunst kan lezen. Daarom vergelijk ik wat ik heb gezien. En dat doe ik dus hier met de drie + één tentoonstellingen die ik in Parijs heb bezocht.

Louise Bourgeois heeft het over die ene vrouw die zij zelf geweest is en nog altijd is – en zodoende over dé vrouw en dé mens (voor zover andere vrouwen en ook mannen zich in haar werk herkennen). Sophie Calle heeft het over zichzelf nù en over een bepaald soort vrouwen, een soort dat ik hier gemakshalve de feministische soort zal noemen, of toch het door de lezersrubriek van de Marie Claire gerecupeerde soort feministes. Wat Calle over mannen te zeggen heeft, is bepaald eenzijdig. Jan Fabre is dan weer veel te ambitieus om het over individuen te hebben. Waar hij het toch over zichzelf heeft, lopen feit en fictie door elkaar heen. (Is zijn grootvader nu ja dan neen die beroemde entomoloog?) En ook het genderonderscheid speelt in zijn werk nauwelijks een rol. Mensen, zowel mannen als vrouwen, zijn sterfelijke zakken met botten en bloed, driften, angsten, strevingen en ideeën. Fabre speelt een verdieping hoger, waar mensen interfereren met engelen en goden. (Maar zijn gratuite mystificaties maken hem ongeloofwaardig.) Het etnografisch museum ten slotte heeft het ook weer over dé mens, maar op een andere manier: het gaat over rassen, stammen, etnieën. En ja, het gaat vooral over verdwenen mensen.

Er zijn een aantal specifieke vergelijkingspunten tussen Calle, Fabre en Bourgeois.

De drie theatraliseren, maar elk op een andere manier. Calle gebruikt daarvoor anderen, Bourgeois brengt intiem en met een beroep op onze (gezonde) nieuwsgierigheid de trauma’s van haar kindertijd in beeld, Fabre ensceneert de grote metafysische thema’s opzichtig en met zin voor spektakel en spektakelzucht – waardoor hij op de duur op onze lachspieren werkt (waarbij het nog niet eens zeker is of dat het tegenovergestelde is van wat door hem wordt beoogd).

Door te graven in de eigen voorgeschiedenis stoot Bourgeois op motieven die schijnbaar primitief en van alle tijden zijn – wat haar dan weer meer dan Fabre, die koste wat het kost origineel lijkt te willen zijn, met de etnische ‘kunst’ verwant maakt. Bourgeois onderzoekt het innerlijk – ze stuit daarbij uiteindelijk op de materie (de vergankelijkheid van het eigen lichaam die schrijnend aan het licht wordt gebracht door haar monumentale recentste tekeningen, die in Beaubourg voor het eerst werden getoond). Bourgeois staat haaks op Calle in zoverre ze, waar ze allebei het persoonlijke leven als materiaal nemen, veel universeler is. Fabre, die universele thema’s aansnijdt, komt niet los van zijn hoogst private onderneming als artiest: hij vecht als Ridder van de Schoonheid tegen een onzichtbare vijand en voegt op die manier een ironisch-heroïsche dimensie toe aan zijn demarches.

Enzovoort…