dinsdag 6 november 2007
Dag 68 vVH&C
071025 – Ik stap de lift in en voel dat er onmiddellijk na mij nog iemand gebruik van wil maken, dus blijf ik voor het elektronisch oog in de deurstijl staan en gaat de schuifdeur nog niet meteen dicht. De nog niet gedefinieerde gestalte, die ik in mijn ooghoek had waargenomen, stapt binnen, wordt een vrouw, wordt een niet onaantrekkelijke vrouw, wordt een vriendelijke vrouw met een vriendelijke stem: ‘Dank u’. Dat zegt ze omdat ik de deur voor haar heb opengehouden. Realiseer ik mij. Ik glimlach. ‘Graag gedaan’, wil die glimlach zeggen, maar eigenlijk, laat ons wel wezen, heeft hij ook iets te maken met die aantrekkelijkheid. De deur gaat dicht, we staan met zijn tweeën in de lift. De lift zet zich in beweging, we stijgen. Er hangt onmiskenbaar een spanning in deze kleine ruimte. Een spanning die, wat mij betreft, niet onaangenaam te noemen is. Zeg maar gerust: een erotische spanning. De vrouw duwt geen andere knopjes in dan het knopje dat ik heb ingedrukt, waaruit ik besluit dat ook zij, net als ik, naar de vierde verdieping moet. Wanneer de lift daar gestopt is, zegt ze, net voor de deur terug opengaat: ‘Het is donderdag.’ En we stappen uit; zij gaat de andere kant op, ik blijf, een beetje van mijn melk, achter. ‘Het is donderdag’, zei ze.
maandag 5 november 2007
Anton Corbijn, Control
Dag 67 vVH&C
071025 – Fraai in beeld gebracht, esthetisch, ‘fotografisch’: natuurlijk. Maar de virtuositeit, het ‘té mooie’ dat ik had gevreesd, bleef gelukkig uit. Anton Corbijn heeft met Control een zeer sobere, rustige, evenwichtige film gemaakt waarmee hij blijk geeft het medium film goed te beheersen, zonder te veel het genre van de fotografie te beoefenen waarin hij al 35 jaar zijn sporen heeft verdiend. Toch voel je natuurlijk wel, en bijna voortdurend, dat hier een fotograaf aan het werk is. Het zwart-wit, de kadrering, het doorgedreven gebruik van de dieptescherpte… verraden een aangehouden aandacht voor het beeld-als-beeld. Sommige beelden zijn niet méér dan een compositie, een bijna abstract-geometrische afweging van vlakken, contrasten, grijswaarden… Maar het is dus allemaal niet té – wat het heel gemakkelijk had kunnen zijn. Corbijn houdt zich in en lijkt te beseffen dat het verhaal van zijn film, de psychologie van zijn hoofdpersoon, onder een overdosis esthetiek had kunnen bezwijken.
Want dát is Control in de eerste plaats: een aangrijpende biografie van Ian Curtis, de zanger van Joy Division, een groep die in het begin van de jaren tachtig, en zeker na de zelfmoord van de charismatische Curtis op 23-jarige leeftijd, uitgroeide tot een cultgroep. De wat somberder gestemde lagen van de jonge urbane bevolking, een subklasse die wij in die tijd met de gemeenzame term ‘zwarte mannekes’ aanduidden, vonden in Joy Division de vertolking van hoe zij meenden tegen de wereld te moeten aankijken. ‘Cold wave’ heette het genre, en Joy Division was een van de vlaggeschepen. Maar Corbijn heeft het veel meer over de mensen dan over hun muziek. Wat niet belet dat hij de muziek (de optredens, de opnames) voortreffelijk en met zeer veel empathie in beeld brengt.
Het is mooi, hoe Corbijn van Curtis geen karikatuur maakt: je ziet hoe die jongen uitgroeit van een onzekere, in zichzelf gekeerde puber tot een moeilijk levende, te vroeg door al bij al vrij banale zorgen gekwelde jongeman en vader, die ondertussen op het podium wel een taal heeft gevonden waarmee hij volle zalen – en uiteindelijk zelfs een hele generatie –aanspreekt. Aanvankelijk is de podiumprésence nog ingehouden en onvolgroeid, maar we zien hoe stilaan het charisma ontstaat. Vooral in die scènes is de prestatie van acteur Sam Riley, die in de film live zingt, voortreffelijk. Hij doet ons zelfs vergeten dat hij niet de échte Ian Curtis is. (Er bestaat overigens een fysieke gelijkenis tussen beide.) Corbijn toont ook mooi de groei van het groepje, hoe ze geloven in hun kwaliteit, die aan de man brengen, en uiteindelijk doorbreken… En er is het triestige, veel te vroege huwelijk van Curtis. Goede bedoelingen en grote liefde, ongetwijfeld, maar ach, hoe schrijnend wordt die papfles in beeld gebracht: het kind dat in elk geval voor de vader veel te vroeg komt.
De naam van het kind, Natalie Curtis, staat, samen met die van de moeder, op wier boek Touching from a Distance Corbijn zijn film heeft gebaseerd, in de credits. Ook dat grijpt aan. Deze film, wat erin wordt verhaald, is maar al te zeer ooit werkelijkheid geweest. En je hoeft geen fan te zijn van Joy Division om daardoor te worden aangesproken.
Corbijn filmt met voelbare liefde en inleving. De gekweldheid van de puber die zich, letters krassend in een schoolbank, afvraagt hoe ‘IAN’ via ‘I AN’ tot ‘I AM’ leidt; de bevrijding van de ongeschoolde zanger die op het podium ontdekt hoe hij een massa kan inspireren en daarvan schrikt; het onvermogen van de onmogelijke liefde om haar onmogelijkheid te aanvaarden en daaruit de consequenties te trekken; de verlatenheid van de echtgenote die net haar dode man in de keuken heeft ontdekt en het nu uitschreeuwt op de drempel van haar huis aan een straat waar geen kat voorbijkomt.
Een van de mooiste sequenties uit de film heeft ook het beeld geleverd dat voor de affiche werd gebruikt: Ian staat buiten de telefoongesprekken te overpeinzen die hij voert met zijn vrouw en met zijn maîtresse (de Belgische Annik Honoré, ook in de eindgeneriek vermeld), en hij kijkt daarbij naar een paal waar, als de stralen van een cirkel in het middelpunt van die cirkel, een heleboel telecommunicatiedraden samenkomen. Levenslijnen. We zien, van onderuit gefilmd, de bovenste helft van het donkere personage en de paal tegen een bleke achtergrond van flatgebouwen en lucht. De camera maakte dan een zwenkende beweging en daar komt – godsgeschenk!, moet Corbijn hebben gedacht – het zwarte silhouet van een duif door het beeld fladderen.
071025 – Fraai in beeld gebracht, esthetisch, ‘fotografisch’: natuurlijk. Maar de virtuositeit, het ‘té mooie’ dat ik had gevreesd, bleef gelukkig uit. Anton Corbijn heeft met Control een zeer sobere, rustige, evenwichtige film gemaakt waarmee hij blijk geeft het medium film goed te beheersen, zonder te veel het genre van de fotografie te beoefenen waarin hij al 35 jaar zijn sporen heeft verdiend. Toch voel je natuurlijk wel, en bijna voortdurend, dat hier een fotograaf aan het werk is. Het zwart-wit, de kadrering, het doorgedreven gebruik van de dieptescherpte… verraden een aangehouden aandacht voor het beeld-als-beeld. Sommige beelden zijn niet méér dan een compositie, een bijna abstract-geometrische afweging van vlakken, contrasten, grijswaarden… Maar het is dus allemaal niet té – wat het heel gemakkelijk had kunnen zijn. Corbijn houdt zich in en lijkt te beseffen dat het verhaal van zijn film, de psychologie van zijn hoofdpersoon, onder een overdosis esthetiek had kunnen bezwijken.Want dát is Control in de eerste plaats: een aangrijpende biografie van Ian Curtis, de zanger van Joy Division, een groep die in het begin van de jaren tachtig, en zeker na de zelfmoord van de charismatische Curtis op 23-jarige leeftijd, uitgroeide tot een cultgroep. De wat somberder gestemde lagen van de jonge urbane bevolking, een subklasse die wij in die tijd met de gemeenzame term ‘zwarte mannekes’ aanduidden, vonden in Joy Division de vertolking van hoe zij meenden tegen de wereld te moeten aankijken. ‘Cold wave’ heette het genre, en Joy Division was een van de vlaggeschepen. Maar Corbijn heeft het veel meer over de mensen dan over hun muziek. Wat niet belet dat hij de muziek (de optredens, de opnames) voortreffelijk en met zeer veel empathie in beeld brengt.
Het is mooi, hoe Corbijn van Curtis geen karikatuur maakt: je ziet hoe die jongen uitgroeit van een onzekere, in zichzelf gekeerde puber tot een moeilijk levende, te vroeg door al bij al vrij banale zorgen gekwelde jongeman en vader, die ondertussen op het podium wel een taal heeft gevonden waarmee hij volle zalen – en uiteindelijk zelfs een hele generatie –aanspreekt. Aanvankelijk is de podiumprésence nog ingehouden en onvolgroeid, maar we zien hoe stilaan het charisma ontstaat. Vooral in die scènes is de prestatie van acteur Sam Riley, die in de film live zingt, voortreffelijk. Hij doet ons zelfs vergeten dat hij niet de échte Ian Curtis is. (Er bestaat overigens een fysieke gelijkenis tussen beide.) Corbijn toont ook mooi de groei van het groepje, hoe ze geloven in hun kwaliteit, die aan de man brengen, en uiteindelijk doorbreken… En er is het triestige, veel te vroege huwelijk van Curtis. Goede bedoelingen en grote liefde, ongetwijfeld, maar ach, hoe schrijnend wordt die papfles in beeld gebracht: het kind dat in elk geval voor de vader veel te vroeg komt.
De naam van het kind, Natalie Curtis, staat, samen met die van de moeder, op wier boek Touching from a Distance Corbijn zijn film heeft gebaseerd, in de credits. Ook dat grijpt aan. Deze film, wat erin wordt verhaald, is maar al te zeer ooit werkelijkheid geweest. En je hoeft geen fan te zijn van Joy Division om daardoor te worden aangesproken.
Corbijn filmt met voelbare liefde en inleving. De gekweldheid van de puber die zich, letters krassend in een schoolbank, afvraagt hoe ‘IAN’ via ‘I AN’ tot ‘I AM’ leidt; de bevrijding van de ongeschoolde zanger die op het podium ontdekt hoe hij een massa kan inspireren en daarvan schrikt; het onvermogen van de onmogelijke liefde om haar onmogelijkheid te aanvaarden en daaruit de consequenties te trekken; de verlatenheid van de echtgenote die net haar dode man in de keuken heeft ontdekt en het nu uitschreeuwt op de drempel van haar huis aan een straat waar geen kat voorbijkomt.
Een van de mooiste sequenties uit de film heeft ook het beeld geleverd dat voor de affiche werd gebruikt: Ian staat buiten de telefoongesprekken te overpeinzen die hij voert met zijn vrouw en met zijn maîtresse (de Belgische Annik Honoré, ook in de eindgeneriek vermeld), en hij kijkt daarbij naar een paal waar, als de stralen van een cirkel in het middelpunt van die cirkel, een heleboel telecommunicatiedraden samenkomen. Levenslijnen. We zien, van onderuit gefilmd, de bovenste helft van het donkere personage en de paal tegen een bleke achtergrond van flatgebouwen en lucht. De camera maakte dan een zwenkende beweging en daar komt – godsgeschenk!, moet Corbijn hebben gedacht – het zwarte silhouet van een duif door het beeld fladderen.
zondag 4 november 2007
Genuanceerd
Yves Desmet, hoofdredacteur van een kwaliteitskrant, over postmoderne literatuur in het satirisch bedoelde Radio 1-programma Bromberen: ‘Ik hou alleen van gelaagdheid als ik lasagne eet.’
Mijn woordenboek (169)
AFDROGEN
Als kind moest ik regelmatig helpen bij het afdrogen. Veel te klussen kregen wij voor het overige niet van onze moeder (mijn vader trok zich van het huishoudelijke niets aan, ik heb hem in elk geval nooit in de keuken iets zien doen). Van de weeromstuit kreeg de afdroogplicht behalve het karakter van een ergerlijke vrijheidsberoving ook een hoge pedagogische impact. En wellicht mede daardoor kwam het niet in me op om mijn moeder of mijn (oudere) zus, die om beurt afwasten, spontaan bij te springen. Ze moesten het mij altijd vrágen. Ik maak me nu sterk dat indien de klus niet dat taakkarakter zou hebben gehad, of indien het niet de énige klus zou geweest zijn, ik allicht wél ongevraagd en misschien zelfs graag zou zijn bijgesprongen. Maar als plicht vormde het afdrogen een hinderpaal.
Ik herinner mij goed de verlamming die mij daarbij soms overviel, hoe ik, keukenhanddoek in de hand, voor die stapel druppende vaat en bestek bleef staan en er volledig door ontmoedigd raakte. De stapel paralyseerde me. Ik kon niet meer bewegen, bleef daar staan. Vol walg voor die stomme kopjes en schoteltjes, koppig en niet bij machte de impasse te doorbreken. Ik voelde me onbegrepen ook want die verlamming was iets wat mij naar mijn gevoel in zijn greep hield, iets wat over mij neerdaalde en waarvoor ik mij derhalve niet verantwoordelijk kon voelen. Mijn verlamming aan het aanrecht werd als een weigering tot medewerken geïnterpreteerd, als insubordinatie effenaf. Dat leidde natuurlijk tot conflicten, hetgeen, uiteraard, de paralyse alleen maar nog erger maakte. De tijd ging voorbij, de natte dingen op het schuins naar de wasbak aflopende en van gootjes voorziene aluminium aanrecht droogden vanzelf (waardoor het karwei mij nog zinlozer toescheen) en ik bleef daar maar staan.
Verlamd. Zoals ik ooit, omdat ik het brokkige prakje niet lustte, eens tot drie uur ’s namiddags voor een allang koud geworden bord soep was blijven zitten (dat was de straf – ik had het hele middagmaal aan mijn neus voorbij zien gaan), en zoals in die jaren buiten, in de hitte van de zomer (en toen wáren het nog zomers!), de warmte en de zon zo zwaar op mijn oogleden konden wegen dat ik nauwelijks mijn ogen kon openhouden en gedwongen was om te blijven staan, op de tast een plekje schaduw op te zoeken en te wachten tot de verlamming voorbij zou gaan.
Maar ik dwaal af (zie volgende lemma).
*
Met mijn benjamin heb ik een klein uurtje aan de vaat gestaan. Ik raak er meer en meer van overtuigd dat vaatwasmachines afgeschaft moeten worden. Niets is zo bevorderlijk voor de communicatie als samen afwassen, afdrogen en opbergen. Je praat over koetjes en kalfjes, en soms over jezelf, over wie je was in het verleden, over je bezorgdheid om wat er nog te gebeuren staat. Over je zekerheden en een klein beetje over je verdriet.
Joris Gerits, 365, 217
Als kind moest ik regelmatig helpen bij het afdrogen. Veel te klussen kregen wij voor het overige niet van onze moeder (mijn vader trok zich van het huishoudelijke niets aan, ik heb hem in elk geval nooit in de keuken iets zien doen). Van de weeromstuit kreeg de afdroogplicht behalve het karakter van een ergerlijke vrijheidsberoving ook een hoge pedagogische impact. En wellicht mede daardoor kwam het niet in me op om mijn moeder of mijn (oudere) zus, die om beurt afwasten, spontaan bij te springen. Ze moesten het mij altijd vrágen. Ik maak me nu sterk dat indien de klus niet dat taakkarakter zou hebben gehad, of indien het niet de énige klus zou geweest zijn, ik allicht wél ongevraagd en misschien zelfs graag zou zijn bijgesprongen. Maar als plicht vormde het afdrogen een hinderpaal.
Ik herinner mij goed de verlamming die mij daarbij soms overviel, hoe ik, keukenhanddoek in de hand, voor die stapel druppende vaat en bestek bleef staan en er volledig door ontmoedigd raakte. De stapel paralyseerde me. Ik kon niet meer bewegen, bleef daar staan. Vol walg voor die stomme kopjes en schoteltjes, koppig en niet bij machte de impasse te doorbreken. Ik voelde me onbegrepen ook want die verlamming was iets wat mij naar mijn gevoel in zijn greep hield, iets wat over mij neerdaalde en waarvoor ik mij derhalve niet verantwoordelijk kon voelen. Mijn verlamming aan het aanrecht werd als een weigering tot medewerken geïnterpreteerd, als insubordinatie effenaf. Dat leidde natuurlijk tot conflicten, hetgeen, uiteraard, de paralyse alleen maar nog erger maakte. De tijd ging voorbij, de natte dingen op het schuins naar de wasbak aflopende en van gootjes voorziene aluminium aanrecht droogden vanzelf (waardoor het karwei mij nog zinlozer toescheen) en ik bleef daar maar staan.
Verlamd. Zoals ik ooit, omdat ik het brokkige prakje niet lustte, eens tot drie uur ’s namiddags voor een allang koud geworden bord soep was blijven zitten (dat was de straf – ik had het hele middagmaal aan mijn neus voorbij zien gaan), en zoals in die jaren buiten, in de hitte van de zomer (en toen wáren het nog zomers!), de warmte en de zon zo zwaar op mijn oogleden konden wegen dat ik nauwelijks mijn ogen kon openhouden en gedwongen was om te blijven staan, op de tast een plekje schaduw op te zoeken en te wachten tot de verlamming voorbij zou gaan.
Maar ik dwaal af (zie volgende lemma).
*
Met mijn benjamin heb ik een klein uurtje aan de vaat gestaan. Ik raak er meer en meer van overtuigd dat vaatwasmachines afgeschaft moeten worden. Niets is zo bevorderlijk voor de communicatie als samen afwassen, afdrogen en opbergen. Je praat over koetjes en kalfjes, en soms over jezelf, over wie je was in het verleden, over je bezorgdheid om wat er nog te gebeuren staat. Over je zekerheden en een klein beetje over je verdriet.
Joris Gerits, 365, 217
Dag 66 vVH&C
071023 - In de radioreclamespotjes op Radio 1 een advertentie voor Cirque du Soleil. Deze sluit naadloos aan bij een item vorige zaterdag op het middagtelevisienieuws: ‘alpinisten’ die de tenten van het circus reinigden. ‘Is dat ook al nieuws?’ vroeg S. toen, zij kijkt niet zo vaak naar het televisienieuws. ‘Neen’, antwoordde ik, ‘dat is een advertentie.’ Berichtgeving in het televisiejournaal als toegift op een radioadvertentie, die wellicht zelf ook weer in een deal zit met de uitzending, later, van de dvd van het spektakel. Da’s pas dansen op een slap koord.
*
071023 – De leesclubbijeenkomst over Michon vanmorgen was een groot succes. Het was zoals ik had voorzien: niet één van de amper zeven aanwezigen (de rest was ontmoedigd thuisgebleven) had het boek graag gelezen. Eén deelnemer, een man die ik hier nooit eerder had gezien, was speciaal gekomen omdat het over Michon zou gaan: hij was een jaar of twee geleden ondersteboven geweest van Roemloze levens. Een al bij al sceptisch publiek, dus. Als ik het te bespreken boek dan wél goed vind, wat het geval was (en is), dan is dat de ideale uitgangspositie; daar valt het meeste voldoening uit te puren. En ik bén er in geslaagd hen te overtuigen. Met een close reading van de eerste twee, drie bladzijden (alleen dat al nam drie kwartier in beslag), maar ook met een aantal ter plekke verwoorde maar bij nader inzien toch wel pertinente interpretaties. Bijvoorbeeld dat naarmate de personages meer verzinken in steriliteit en vergetelheid, de ik, schrijvendeweg, nadrukkelijker op de voorgrond treedt; dat het boek eindigt met een zeer religieus getint taalgebruik en als het ware een incantatie wordt, een smeekbede om te worden gehóórd; dat de motivatie voor het schrijven gelegen is in de lege plek die is achtergelaten door het vóór de geboorte van de ikfiguur gestorven dochtertje (en natuurlijk ook door de verdwenen vader). Ik sprak zo gedreven dat niet alleen zij aan mijn lippen hingen maar ook ik op sleeptouw leek te zijn genomen, door mijn eigen woorden. Wat hoorde ik mezelf graag bezig! Een begenadigd moment, de vurige tongen, een welbespraaktheid die veel met vermoeidheid en overlevingsdrang te maken heeft...
*
071023 – De leesclubbijeenkomst over Michon vanmorgen was een groot succes. Het was zoals ik had voorzien: niet één van de amper zeven aanwezigen (de rest was ontmoedigd thuisgebleven) had het boek graag gelezen. Eén deelnemer, een man die ik hier nooit eerder had gezien, was speciaal gekomen omdat het over Michon zou gaan: hij was een jaar of twee geleden ondersteboven geweest van Roemloze levens. Een al bij al sceptisch publiek, dus. Als ik het te bespreken boek dan wél goed vind, wat het geval was (en is), dan is dat de ideale uitgangspositie; daar valt het meeste voldoening uit te puren. En ik bén er in geslaagd hen te overtuigen. Met een close reading van de eerste twee, drie bladzijden (alleen dat al nam drie kwartier in beslag), maar ook met een aantal ter plekke verwoorde maar bij nader inzien toch wel pertinente interpretaties. Bijvoorbeeld dat naarmate de personages meer verzinken in steriliteit en vergetelheid, de ik, schrijvendeweg, nadrukkelijker op de voorgrond treedt; dat het boek eindigt met een zeer religieus getint taalgebruik en als het ware een incantatie wordt, een smeekbede om te worden gehóórd; dat de motivatie voor het schrijven gelegen is in de lege plek die is achtergelaten door het vóór de geboorte van de ikfiguur gestorven dochtertje (en natuurlijk ook door de verdwenen vader). Ik sprak zo gedreven dat niet alleen zij aan mijn lippen hingen maar ook ik op sleeptouw leek te zijn genomen, door mijn eigen woorden. Wat hoorde ik mezelf graag bezig! Een begenadigd moment, de vurige tongen, een welbespraaktheid die veel met vermoeidheid en overlevingsdrang te maken heeft...
zaterdag 3 november 2007
Dag 65 vVH&C
Droom # 10
071023 - De barsten in het stationsplein keren terug in de barsten in de muren van mijn ouderlijke huis, dat uit zijn voegen barst, openbarst, helemaal uiteen barst. Ik bevind mij in het huis, samen met een vrouw, een voor mij aantrekkelijke maar mij niet bekende vrouw, en ik moet in allerijl een toevlucht zoeken naar buiten want nu valt het huis helemaal uiteen, het stort in, het valt in elkaar.
071023 - De barsten in het stationsplein keren terug in de barsten in de muren van mijn ouderlijke huis, dat uit zijn voegen barst, openbarst, helemaal uiteen barst. Ik bevind mij in het huis, samen met een vrouw, een voor mij aantrekkelijke maar mij niet bekende vrouw, en ik moet in allerijl een toevlucht zoeken naar buiten want nu valt het huis helemaal uiteen, het stort in, het valt in elkaar.
vrijdag 2 november 2007
Dag 64 vVH&C
071021 - Vreemd, hoe zo’n dagboek werkt. Léautaud, Warren, Gerits. Steeds niet helemaal bevredigend, dat rare mengsel van literaire onvrede en nieuwsgierigheid naar het (klein)menselijke. De vertrouwdheid op de duur met een stem. In zijn dagboek-tegen-de-ziekte-en-het-verlaten-zijn 365 scheert Gerits zeker geen hoge toppen. Soms is het regelrecht gezeur. De eindredacteur heeft overbodige herhalingen laten staan. Er valt, behalve in het letterlijke citeren van gedichten, slechts af en toe iets poëtisch te bekennen in dit boek. Maar toch kleeft het je aan, klampt het zich aan je vast. Je hecht je aan die man, wilt weten hoe het hem vergaat. Op de een of andere manier, in dat lusteloze, prozaïsche, maar ook in het hardnekkige en desolate, vormen deze dagboekbladen inderdaad, zoals de tekst op het achterplat het stelt, een ‘kroniek van deze tijd’. Een man alleen die zich overeind probeert te houden met teksten, die in de kiosk om de hoek tussen de Turkse winkel en de Afghaanse kapper in afwisselend De Morgen en De Standaard koopt, en die enkel op zijn werk mensen ziet of als hij ze uitnodigt voor een etentje. En die moet bedelen om een technieker omdat hij zelf zijn wasmachine niet aan de praat krijgt.
Ventspils
Remco, een van de dichters die deze blog ‘veel en vaak’ (salut, Paul) volgt, reageert vanuit Ventspils in Letland, waar hij een maand in een achter meteloze berkenbossen verscholen schrijvershuis verblijft, op mijn foto ‘Antwerpen Kaai 1/2’. Hij bekijkt de foto en onderwijl, zo schrijft hij, vaart op de Venta, dat is blijkbaar een rivier daar (even opzoeken), een ‘enorme boot’ voorbij. Remco houdt over zijn ervaringen in het schrijvershuis een blog bij voor de Volkskrant.
donderdag 1 november 2007
woensdag 31 oktober 2007
Dag 63 vVH&C
071020 - Het was een eeuwigheid geleden dat ik nog eens naar een Engelse krimi op tv had zitten kijken. De vormelijke elementen die verantwoordelijk zijn voor de (onschuldige) verslaving die je aan dat soort programma’s kunt oplopen, vielen me des te meer op. (Ik heb die verslaving ooit gekend, kickte pas af toen ik merkte dat ik sommige Morse-afleveringen al voor de derde keer zat te bekijken…) De plot van de aflevering van Midsummer Murders (niet zo’n goeie reeks als Morse, en zeker niet als Prime Suspect) waarvoor ik deze avond dus nog eens anderhalf uur alle beslommeringen en deadlines even van me afschoof, had niet veel om het lijf. Dat is in deze ongeveer hetzelfde als zeggen dat hij onwaarschijnlijk was, weinig realistisch. Alle elementen van de gezellige Englishness waren wel van de partij: het dorp waarin allerlei nogal gekke personages elkaar beloeren, een afwisseling van regen en zon die al even onvoorspelbaar is als de verhaallijn, conversaties in de pub en een nostalgisch jaren-veertigfeestje in de feestzaal met iedereen in oorlogskleren en een zangeres met bloedrood gestifte mond die vooraan op het podium in een ouderwetse microfoon oorlogsdeuntjes staat te lippen. Ondertussen lost de inspector met gepast flegma een niet al te ingewikkelde moordzaak op… Hij verplaatst zich daarbij in, hoe kan het anders, een nogal aftandse Jaguar… Je volgt het met een al bij al matige belangstelling. ‘Ik moet me daarop het hoofd niet breken, die man lost het wel op’, denk je dan.
Maar hoe komt het dat je blíjft kijken? Omdat het ‘goed’ gemaakt is, mooi volgens het beproefde recept. En daarvan zijn de ingrediënten: het zorgvuldige doseren en achterhouden van informatie, zódanig dat op de duur iedereen verdacht is (kwestie van dwaalsporen uit te zetten); het af en toe schijnbaar achteloze droppen van gegevens die dan later cruciaal blijken (de geoefende kijker heeft metéén door dat ze cruciaal zijn); de voorgeschreven chronologie waarbij tijdens het onderzoek nog een tweede moord gebeurt en waarbij, na een spannende race tegen de tijd (die extra opvalt omdat alles daarvoor zich aan een uiterst gezapig tempo heeft ontwikkeld) op het laatste nippertje een derde moord kan worden verijdeld: alle puzzelstukken vallen mooi in elkaar, start de eindgeneriek maar…
Het krimiritme ligt vast. Het is een mantra. Ergens halverwege zeg je, tiens, wordt het geen tijd voor de tweede moord? En dan is er natuurlijk ook nog de muziek, vaak niet meer dan enkele accenten van een mysterie-oproepende melodielijn, die hier en daar, als het ware op een onbewust niveau, de verhaallijn onderstreept en de kijker (die niet in de eerste plaats een hoorder is) bedwelmt en op de deining van het plot (meer een quasi rimpelloos gekabbel dan het kolken van een woeste bergbeek) meevoert naar de oplossing waarin het verhaal uitmondt. Het glas is leeg, de kaars bijna opgebrand – laat ons nu maar slapen gaan.
Het bekijken van zo’n Engelse krimi is een geruststellend ritueel, ’t is als een spelletje Scrabble bij het haardvuur, of nog eens een goeie roddel bij een vriend die je speciaal daarvoor zo om de twee, drie weken eens opzoekt.
Maar hoe komt het dat je blíjft kijken? Omdat het ‘goed’ gemaakt is, mooi volgens het beproefde recept. En daarvan zijn de ingrediënten: het zorgvuldige doseren en achterhouden van informatie, zódanig dat op de duur iedereen verdacht is (kwestie van dwaalsporen uit te zetten); het af en toe schijnbaar achteloze droppen van gegevens die dan later cruciaal blijken (de geoefende kijker heeft metéén door dat ze cruciaal zijn); de voorgeschreven chronologie waarbij tijdens het onderzoek nog een tweede moord gebeurt en waarbij, na een spannende race tegen de tijd (die extra opvalt omdat alles daarvoor zich aan een uiterst gezapig tempo heeft ontwikkeld) op het laatste nippertje een derde moord kan worden verijdeld: alle puzzelstukken vallen mooi in elkaar, start de eindgeneriek maar…
Het krimiritme ligt vast. Het is een mantra. Ergens halverwege zeg je, tiens, wordt het geen tijd voor de tweede moord? En dan is er natuurlijk ook nog de muziek, vaak niet meer dan enkele accenten van een mysterie-oproepende melodielijn, die hier en daar, als het ware op een onbewust niveau, de verhaallijn onderstreept en de kijker (die niet in de eerste plaats een hoorder is) bedwelmt en op de deining van het plot (meer een quasi rimpelloos gekabbel dan het kolken van een woeste bergbeek) meevoert naar de oplossing waarin het verhaal uitmondt. Het glas is leeg, de kaars bijna opgebrand – laat ons nu maar slapen gaan.
Het bekijken van zo’n Engelse krimi is een geruststellend ritueel, ’t is als een spelletje Scrabble bij het haardvuur, of nog eens een goeie roddel bij een vriend die je speciaal daarvoor zo om de twee, drie weken eens opzoekt.
dinsdag 30 oktober 2007
Mijn woordenboek (168)
AFDINGEN
In de marginale economie van de rommelmarkten, van de geïmproviseerde kraamconstructies met al dan niet gestolen of nagemaakte uurwerken in de steevast naar pis ruikende gangen van Brussel Centraal, of van de prullaria die door meestal zwarte verkopers te koop worden aangeboden op in geval van nood (de komst van hoeders over de officiële economie) in allerijl oprolbare matten, en dat in stilaan alle bezoekenswaardige steden en badplaatsen van de welvarende westerse wereld, geldt dat de aanvankelijke weigering om in te gaan op het verzoek tot afdingen met het vorderen der uren en onder druk van een beneden de verwachtingen blijvende verkoop voorspelbaar afbrokkelt. Want je hebt altijd kopers die het aandurven om te pingelen op de vooropgestelde prijs (ik hoor daar niet bij). En met overschot van gelijk, eigenlijk, want de bluf van het afdingen is, welbeschouwd, het enige juiste antwoord op de bluf van het steevast – en al op het afdingen anticiperende – te hoog prijzen van de waar.
Dat zou pas een juiste economie zijn, een afding- of afbluf- of pingeleconomie: altijd maar opnieuw onderhandelen over de prijzen, een permanente prijsbepaling-bij-consensus. Dan pas zouden prijs, vraag en aanbod juist op elkaar afgestemd zijn; er zou geen woeker zijn; een mens zou al wat minder kopen, wat goed zou zijn voor portemonnee én milieu; en je zou weer een levendige markt hebben met drukke en intense sociale contacten, een echte agora, een nieuwe aanzet tot democratie want de almacht van de commercie met ondemocratische (want opgelegde) prijzenwillekeur en monopoliserende of kartelachtige prijzenafspraken zou gebroken zijn. De prijs zou in zo’n pingeleconomie, die dan niet marginaal zou zijn, altijd het juiste midden houden tussen de som van de fysieke kostprijs en een redelijke winstmarge daarop enerzijds, en de bereidheid om voor het desbetreffende product een bepaalde som uit te geven anderzijds. Waarbij je er van uit zou kunnen gaan dat die bereidheid rechtevenredig zou zijn met de aangeboden kwaliteit en de vriendelijkheid van de verkoper.
Maar ook met de balans van de overredingskracht van koper en verkoper.
Nu, eigenlijk klets ik maar wat uit m’n nek. Ik heb van economie, het vak, geen kaas gegeten, en heb aan de toepassing ervan in de praktijk een hekel, en ik onderga met een zeker masochistisch genoegen, als ik een enkele keer tot kopen overga (want ik ben op het krenterige af spaarzaam), de zekerheid dat ik hoe dan ook word bedot. Want dát lijkt mij in elk geval als een paal boven water te staan: zónder bedrog geen economie; winst is altijd gebaseerd op een foute, of dan toch minstens niet altijd per se juiste, inschatting (door de lijdzame koper van de reële kwaliteit en waarde van het product) en op de mogelijk malafide manipulatie (door de mondige verkoper die, behoudens enkele nobele zielen, altijd geneigd zal zijn deze foute inschatting uit te buiten).
In de marginale economie van de rommelmarkten, van de geïmproviseerde kraamconstructies met al dan niet gestolen of nagemaakte uurwerken in de steevast naar pis ruikende gangen van Brussel Centraal, of van de prullaria die door meestal zwarte verkopers te koop worden aangeboden op in geval van nood (de komst van hoeders over de officiële economie) in allerijl oprolbare matten, en dat in stilaan alle bezoekenswaardige steden en badplaatsen van de welvarende westerse wereld, geldt dat de aanvankelijke weigering om in te gaan op het verzoek tot afdingen met het vorderen der uren en onder druk van een beneden de verwachtingen blijvende verkoop voorspelbaar afbrokkelt. Want je hebt altijd kopers die het aandurven om te pingelen op de vooropgestelde prijs (ik hoor daar niet bij). En met overschot van gelijk, eigenlijk, want de bluf van het afdingen is, welbeschouwd, het enige juiste antwoord op de bluf van het steevast – en al op het afdingen anticiperende – te hoog prijzen van de waar.
Dat zou pas een juiste economie zijn, een afding- of afbluf- of pingeleconomie: altijd maar opnieuw onderhandelen over de prijzen, een permanente prijsbepaling-bij-consensus. Dan pas zouden prijs, vraag en aanbod juist op elkaar afgestemd zijn; er zou geen woeker zijn; een mens zou al wat minder kopen, wat goed zou zijn voor portemonnee én milieu; en je zou weer een levendige markt hebben met drukke en intense sociale contacten, een echte agora, een nieuwe aanzet tot democratie want de almacht van de commercie met ondemocratische (want opgelegde) prijzenwillekeur en monopoliserende of kartelachtige prijzenafspraken zou gebroken zijn. De prijs zou in zo’n pingeleconomie, die dan niet marginaal zou zijn, altijd het juiste midden houden tussen de som van de fysieke kostprijs en een redelijke winstmarge daarop enerzijds, en de bereidheid om voor het desbetreffende product een bepaalde som uit te geven anderzijds. Waarbij je er van uit zou kunnen gaan dat die bereidheid rechtevenredig zou zijn met de aangeboden kwaliteit en de vriendelijkheid van de verkoper.
Maar ook met de balans van de overredingskracht van koper en verkoper.
Nu, eigenlijk klets ik maar wat uit m’n nek. Ik heb van economie, het vak, geen kaas gegeten, en heb aan de toepassing ervan in de praktijk een hekel, en ik onderga met een zeker masochistisch genoegen, als ik een enkele keer tot kopen overga (want ik ben op het krenterige af spaarzaam), de zekerheid dat ik hoe dan ook word bedot. Want dát lijkt mij in elk geval als een paal boven water te staan: zónder bedrog geen economie; winst is altijd gebaseerd op een foute, of dan toch minstens niet altijd per se juiste, inschatting (door de lijdzame koper van de reële kwaliteit en waarde van het product) en op de mogelijk malafide manipulatie (door de mondige verkoper die, behoudens enkele nobele zielen, altijd geneigd zal zijn deze foute inschatting uit te buiten).
maandag 29 oktober 2007
Overschrijven (73)
Er zijn mensen die schrijven omdat ze wat te vertellen hebben; anderen schrijven om iets te zeggen, iets wat ze nog niet weten en wat ze hopen te ontdekken door te schrijven, op zoek naar de juiste middelen. Om welk soort literatuur het ook gaat, de primaire drijfveer zou wel eens kunnen zijn dat iedereen zichzelf een verhaal vertelt – en daarmee bedoel ik misschien wel het tegendeel van de levensverhalen die bij elkaar iemands biografie of zogenaamde identiteit vormen. In plaats van of voorafgaand aan de vraag: waarover gaat de tekst?, zou men de vraag moeten stellen: waar gaat het om, wat staat er op het spel, wat is de inzet? Dan heb je het over literatuur, ik bedoel literatuur voor zover ze niet probeert te concurreren met wat andere vormen van schrijven en andere media sneller, efficiënter of gewoon beter kunnen, literatuur die van de traagheid die het schrift nu eenmaal aankleeft een deugd maakt en zich concentreert op reflectie, verwerking, ervaring als bewuste verdubbeling van de beleving, herinnering, kortom haar indirectheid, de afstand en de tijd die voor het schrijven en verwerken vereist zijn. Het gaat daarom bij literatuur meer om manieren van kijken, dan over visies en feiten.
Jacq Vogelaar, geciteerd in Joris Gerits, 365 (Antwerpen 2007), 315-316
Jacq Vogelaar, geciteerd in Joris Gerits, 365 (Antwerpen 2007), 315-316
Dag 61 vVH&C
071019 – Een hele avond zitten lezen in 365, het dagboek waarmee Joris Gerits vorig jaar op 64-jarige leeftijd debuteerde. ‘Kanker’ en ‘Licht’ zijn de twee sleutelwoorden. Het eerste spreekt voor zich en woekert in heel het boek, in tal van kennissen en familieleden, het lijkt wel overal; het tweede is de koosnaam van de geliefde die Gerits in dezelfde periode als waarin hij met de ziekte een gevecht voert heeft verlaten. 365 biedt geen opwekkende lectuur. En het is, zoals Gerits overigens zelf beseft, zeker ook geen grote literatuur. Maar het is wel verdienstelijk te noemen, hoe een man die met zoveel verdriet en pijn af te rekenen krijgt, en die precies om de kop boven water te houden dit dagboek schrijft, een toon weet te treffen die berustend en mild klinkt, en toch ook een verbeten moed uitstraalt. Ik beveel niemand dit boek aan, maar als het uw weg kruist, besteed er dan toch aandacht aan. Bedenk hoe je zelf in dergelijke omstandigheden zou zijn.071029 – Keerzijde. Op zoek naar een afbeelding kom ik op de website van Koen Fillet, waar zich in de comments een klein discussietje heeft ontsponnen over Gerits’ dagboek. Wat ik al een beetje vreesde, blijkt waar te zijn: het dagboek is een jeremiade waarin Gerits anderen niet, en zichzelf wel spaart. Maar doet dat iets af aan de literaire kwaliteit, voor zover die er is natuurlijk?
En nog een opmerking. Ik kocht het boek na het lezen van een dolenthousiaste recensie van Frank Hellemans in Knack (‘het zou wel eens kunnen dat 365 hét Vlaamse literaire boek van 2007 is'). Ach ja, ik had eerlijk gezegd vergeten dat Hellemans bij mij al eerder was opgevallen met, hoe zal ik het zeggen, niet volledig onopportunistische commentaren. En dat is met uitgerekend de voorzitter van het Vlaams Fonds voor de Letteren, wat Gerits behalve ziek en verlaten ook is, niet geheel ondenkbeeldig.
zondag 28 oktober 2007
Dag 59 vVH&C
071028 - Gustave Flaubert zou een uitstekende blogschrijver zijn geweest. Sommige van zijn aan dames/bewonderaarsters gerichte brieven verraden dat hij bij God niet weet waarover hij het nu weer eens zal hebben, en dat hij ze dus vooral begint te schrijven om het contact te bewaren. (Dat contact respecteert in die dagen, halfweg de 19de eeuw, een heel ander ritme: de intervallen tussen de brieven strekken zich soms over meerdere weken uit – wij, eenzame 21ste-eeuwers, worden al ongerust als een sms’je een halfuur op zich laat wachten.)Het plichtsbesef en de zorg om de frequentie blijken duidelijk uit de aanhef van de brief die Flaubert op donderdag 31 maart 1853 om halfvijf in de namiddag begint te schrijven aan zijn vriendin Louise Colet. Hij opent met de vrij aardse mededeling dat hij net terug is van Rouen waar hij een kies heeft laten trekken. Je kunt het je zo voorstellen: dat ongemak maakt werken onmogelijk, maar de correspondentie met Louise onderhouden, dat moet wel kunnen. Bovendien is meteen het excuus geleverd voor de inhoud van de brief, waarover de schrijver op dat ogenblik geen al te hoge verwachtingen koestert. Dat hij humeurig is, blijkt al vlug: de mededeling over zijn tanden zet hem aan het mijmeren over het lichamelijke bederf in het algemeen, en over oud worden en doodgaan. Dat klinkt bepaald somber: ‘Nauwelijks zijn wij geboren of het bederf tast ons al aan, zodat het leven niets anders is dan een lange strijd tussen ons en de verrotting die steeds meer triomfen viert, met als slotsom de dood.’
Intussen is Gustave aardig op dreef gekomen, hij lijkt voldoende opgewarmd om een kwestie uit de vorige brieven te behandelen. ‘Nu we toch bezig zijn’, moet hij hebben gedacht. Hij heeft op dat ogenblik al ongeveer vierhonderd woorden geschreven. Met de hand, uiteraard, en met op de plaats waar een paar uur voordien nog een kies zat een ongetwijfeld zeurende holte. ‘Ziehier mijn mening over je plan voor een Tijdschrift’, begint hij strijdvaardig een nieuwe alinea. De hoofdletter verraadt al zijn scepcis, die hij vervolgens met toenemende strijdvaardigheid argumenteert. Hij wil van geen enkele club lid zijn, ook niet van een tijdschriftredactie. Dat is wellicht tegen zijn eigen belangen in maar, vindt hij, het gaat om esthetische, instinctieve en morele overwegingen. (Alleen al over die nevenschikking zou je uren kunnen filosoferen.) Overigens, vindt Flaubert, moet je de literaire kritiek, die in zo’n tijdschrift nu eenmaal onvermijdelijk is, overlaten ‘aan mensen […] die niets anders om handen hebben’.
Twaalfhonderd woorden, en we zijn nog niet eens halfweg. Ik zou zeker al kramp in mijn handen hebben als ik die hoeveelheid tekst met een pen zou moeten schrijven. Flaubert lijkt ondertussen zijn kiespijn te zijn vergeten en start nu, wellicht naar aanleiding van een opmerking van Colet over de dichter Leconte de Lisle in een vorige brief, een hele uitweiding over religie, kunst en poëzie: ‘niets anders dan een bepaalde manier om de buitenwereld waar te nemen, een speciaal orgaan dat de materie zeeft en haar op een hoger plan brengt’. Daarna gaat het over aristocratie en massa: ‘ik haat de massa, de kudde’. Dan is het tijd voor de roddels: ‘Ik heb vernomen dat mijn vriend Cloquet zonder enige twijfel door zijn vrouw bedrogen wordt en niet zo’n beetje ook.’ En over een vroegere bediende valt ook nog iets te vertellen: de man heeft geprobeerd een lintworm in zijn maag met vitriool te bestrijden! Flaubert: ‘Wat is het menselijk brein een merkwaardig ding!’
‘Ik kom terug op het Tijdschrift.’ Daarover is blijkbaar nog niet alles gezegd. En dan gaat het over een boek dat hij aan het lezen is voor zijn Bovary, en over de objectieve kijk van de wetenschap: ‘De mens moet bestudeerd worden alsof het om een mastodont of een krokodil gaat.’ Flaubert springt een beetje van de hak op de tak. Hij babbelt wat, maar wat babbelt hij mooi.
Dan schrikt hij uit zijn droom op, het zal ondertussen al veel later zijn dan halfvijf, misschien begon het donker te worden en moest hij een kaars zoeken. Hij neemt meteen afscheid: ‘Vaarwel, goede lieve vriendin. Ik wilde je alleen maar een kort briefje schrijven en ik heb mij tot een lang epistel laten verleiden.’
Wat aanvankelijk op niet veel meer dan de status van kattebelletje mikte, is uitgedijd tot een gedenkwaardig epistel van meer dan drieduizend woorden, goed voor acht ‘privé-domein’-bladzijden vol diepzinnige en voor een beter begrip van een van de grootste schrijvers aller tijden belangrijke beschouwingen. Faut le faire.
Dit stukje telt ongeveer 750 woorden. Dat is dus ongeveer één vierde van Flauberts brief, of nauwelijks twee ‘privé-domein’-bladzijden.
Gustave Flaubert, De kluizenaar en zijn muze. Brieven aan Louise Colet, Amsterdam (1983), pp. 227-235
zaterdag 27 oktober 2007
Uit het nieuws
Een zoveelste chapiter in het hoofddoekendebat. In school A mag het, in school B niet, en in school C soms wel en soms niet. Een kat vindt er haar jongen niet in terug. Er is die islamitische kersverse vader, die het midden in de nacht (er was geen alternatief voorhanden) vertikt om de anesthesist van dienst te laten helpen bij de keizersnede die op zijn bevallende vrouw wordt toegepast. Omdat die anesthesist een man is, en dat mag dus niet van de islam. Of die vrouw, en haar kind, in levensgevaar komen, lijkt een zaak van geringer gewicht. En dan zijn er die jonge Turkse amokmakers in Brussel. Zij demonstreren zogezegd uit sympathie met het Turkse voornemen om manu militari komaf te maken met de PKK, maar in werkelijkheid zijn het wellicht ordinaire relschoppers die een vrijgeleide hebben gevonden om eens lekker wat ruiten in te gooien en auto’s in de fik te steken. Ik vermoed dat hier niet veel politiek besef, laat staan engagement, in het spel is.
Integratie. Wat is dat eigenlijk? Een van de vaak gehoorde bedenkingen is dat wij de allochtoonse gemeenschap nauwelijks iets aan te bieden hebben. Dat onze waarden niet echt het navolgen waard zijn. Daar is iets van aan. In vergelijking met de soms ‘achterlijke’ islamwetten zijn de westerse hebzucht, contactarmoede en onachtzaamheid ten aanzien van de natuurlijke rijkdommen niet veel meer dan een vorm van barbarij, laat ons wel wezen. Maar dat belet niet dat wij, autochtonen, toch minstens bij de inwijkelingen (van de eerste, tweede, derde… generatie) een bereidheid mogen vragen om zich niet hautain op een eigen eiland terug te trekken. Overigens valt het mij toch ook op dat die jonge allochtonen, die zich beroepen op de islam en hun vrouwen achter sluiers verstoppen, maar wat graag met mooie kleren, merkhorloges en dure auto’s pronken. Gebiedt de Koran dat ook?
Integratie. Wat is dat eigenlijk? Een van de vaak gehoorde bedenkingen is dat wij de allochtoonse gemeenschap nauwelijks iets aan te bieden hebben. Dat onze waarden niet echt het navolgen waard zijn. Daar is iets van aan. In vergelijking met de soms ‘achterlijke’ islamwetten zijn de westerse hebzucht, contactarmoede en onachtzaamheid ten aanzien van de natuurlijke rijkdommen niet veel meer dan een vorm van barbarij, laat ons wel wezen. Maar dat belet niet dat wij, autochtonen, toch minstens bij de inwijkelingen (van de eerste, tweede, derde… generatie) een bereidheid mogen vragen om zich niet hautain op een eigen eiland terug te trekken. Overigens valt het mij toch ook op dat die jonge allochtonen, die zich beroepen op de islam en hun vrouwen achter sluiers verstoppen, maar wat graag met mooie kleren, merkhorloges en dure auto’s pronken. Gebiedt de Koran dat ook?
Abonneren op:
Posts (Atom)















