zaterdag 10 december 2022

Raynor Winn, Het zoutpad

notitie 324

 

FLETS ZOUTPAD

Door een financiële tegenslag verliest een koppel hebben en houden. Man en vrouw, tegen de vijftig aan, staan op straat. Ray en Moth hebben geen werk, geen dak boven het hoofd. En behalve een toelage van 30 pond per week ook geen geld. Wat nu?

Bovendien heeft Moth pas een slecht medisch rapport gekregen, zijn toekomst is zeer ongewis.

Maar deze twee mensen hebben elkaar. Ze weten zich verenigd in een onverwoestbare liefde. Ze maken een gek plan: ze zullen het South West Coast Path aflopen, van Minehead oostwaarts langs het Kanaal van Bristol tot Land’s End, en vervolgens westwaarts langs het Kanaal tot in Poole. Duizend kilometer klauteren en stappen over de woeste rotskusten, kliffen en stranden van Zuid-Engeland. Leven van de dauw en wildkamperen in een tentje. Door weer en wind. Vooral veel wind. En regenvlagen. En kou en hitte.

Het zoutpad is een teleurstellend reisverslag. Enfin, het is misschien wel een goed reisverslag, maar het is een teleurstellend boek. Ik had er meer van verwacht. Het ‘beste boek van het jaar’, zoals het NRC bazuint, is het voor mij in elk geval niet. Raynor Winn, die hiermee 'overweldigend' (achterplat) debuteerde, brengt een lineair verslag over een aaneenschakeling van tamelijk eenvormige dagen van zinloos stappen langs een ongetwijfeld overweldigend mooie kust, af en toe onderbroken door een ontmoeting, een kleine tegenslag, een pijnlijke knie of een welgekomen kop warme thee. Hoezeer ze ook haar best doet om het landschap nauwkeurig te beschrijven (rotsen, planten, vogels, wolken, weersomstandigheden, bebouwing), het wordt op den duur een beetje saai – je begint je af te vragen wanneer er eindelijk eens iets gaat gebeuren en waar dit, behalve naar Poole, toe leidt.

Er gebeurt eigenlijk niets noemenswaardigs. De twee vertrekken, trekken en komen aan. En dan lees je op de bladzijde na de obligate dankbetuigingen aan familieleden en redacteurs dat Winn ondertussen ook al een vervolg heeft geschreven, De wilde stilte, dat volgens Trouw ‘nog mooier’ zou zijn: ‘De personages winnen aan diepte.’

Dit zinnetje doet je pas goed beseffen wat je al had aangevoeld: die twee, Ray en Moth, hebben geen diepte. Winn is er niet in geslaagd twee karakters te tekenen. Er is geen conflict, geen catharsis. Ondanks al dat voortdurende op en neer, van de ene kloof naar de andere over al die opeenvolgende glooiingen, heeft dit boek geen diepgang. Of toch veel te weinig om te boeien. Vreemd dat deze Nederlandse vertaling in amper drie jaar dertig (!) drukken beleefde.

 

Raynor Winn, Het zoutpad (2019, 202230), Nederlandse vertaling door Annemie de Vries van The Salt Path (2018)

 

 

6673

Hamburg, Kunsthalle - 221101

 

vrijdag 9 december 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 277

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

21 februari 2011


AMUSANT/AMUSEMENT

Het is niet in het amusement – het woord lijkt het zelf te willen zeggen – dat de muze schuilt. Vertier, ontspanning: we bevinden ons in dat register. Divertissement. Verstrooiing. Moet kunnen, zeg ik dan, de boog kan niet altijd gespannen staan. Vijf minuten De Laatste Show, al zappende weg. Maar al spoedig wend ik mij weer tot het serieuzere werk: het leven is kort, te kort. Aber, bin ich nicht zu ernsthaft? ‘t Zou kunnen. ‘Iets in mij’, nochtans, waarschuwt mij voor een cultureel klimaat waarin de onernst en luim tot norm worden verheven en waarin alles wat naar het kwalitatieve neigt, of ervoor pleit of het beoefent of maakt, met een schuinse blik wordt bekeken. Neen, dit is geen paranoia.

Het verwante woord ‘amusant’, daarin spreekt mij wél iets aan. Ik zie glinsterende pretoogjes. Een superieure glimlach. Neen, ’t is niet van wereldschokkend belang wat hier mikt op onze sympathie, maar een vluchtig vleugje van een hogere orde, een ironiserende amuse-gueule voor fijnproevers die oog hebben voor het knipogende toeval, het bitterzoete punctum dat interesses van hoger belang lijkt te willen ondermijnen, de schoonheidsvlek op de rok van het universum.

6672

Hamburg, Kunsthalle - 221101

 

donderdag 8 december 2022

David Diop, Frère d'âme

notitie 323


ZIELSBROEDER

Alle miserie begint met nadenken. Tot die conclusie ben ik al vaker gekomen en het is nu ook – al is het misschien lapidair en gezien de zwaarte van het boek te luchtig verwoord – waar het in de korte roman Frère d’âme van de Senegalees-Franse auteur David Diop om gaat. Het probleem is natuurlijk dat je niet kunt niet nadenken eens je hebt ingezien welke gevaren met die activiteit gepaard gaan.

Diop brengt het verhaal van de Senegalese ‘tirailleur’ Alfa Ndiaye, die tijdens de Eerste Wereldoorlog uit zijn leefwereld wordt weggerukt om ergens in Frankrijk onder Frans commando tegen de Duitsers te vechten. De achtergelaten Afrikaanse leefwereld wordt nog gekenmerkt door traditie, orale overlevering en een cyclisch bestaan op het ritme van de natuur. Alfa wordt geconfronteerd met de ijzeren logica van het militaire bevel, en met de westerse kijk op de wereld die al evenzeer een pensée unique is als de manier van naar de dingen te kijken in de wereld die hij achterlaat.

Alfa wordt te midden van de krijgsverrichtingen geconfronteerd met een moreel dilemma. Zijn vriend Mademba Diop ligt te creperen in het niemandsland tussen de twee linies. Alfa en Mademba zijn samen opgegroeid en ze hebben in die mate lief en leed gedeeld dat ze elkaar een zielsbroeder (frère d’âme) kunnen noemen. De wet, de wésterse wet, schrijft voor dat Alfa zijn vriend niet uit zijn lijden mag verlossen en diens lijk een waardige begrafenis gunnen. (We kennen dit gegeven van Antigone.) Menselijk kun je dit bezwaarlijk noemen. Het dilemma zet Alfa aan het denken. En met dat denken begint de ellende.

De ellende is dat Alfa – en bij uitbreiding elke Afrikaan die wordt meegesleurd in een kantelende wereld, ook de migranten van vandaag – in geen van beide werelden thuis kan komen. Hij laat de traditie van zijn thuiscultuur achter zich, maar voelt zich niet opgenomen door het Westen, met zijn wereldoorlog, kolonisatie, kapitalisme en globalisering waarin Afrika tot een wingewest wordt herleid. Alfa valt tussen twee stoelen: hij verlaat de traditie van zijn cultuur maar vindt geen vervulling in de westerse kijk op het leven. Beide vormen van eenduidigheid – het magische denken van Afrika en de rationaliteit van het Westen – blijken ontoereikend. Wat overblijft is dubbelheid en onvolmaaktheid.

Deze compacte roman (amper 140 bladzijden) behandelt een verrassend brede en diepe thematiek. Het verhaal van dit ene ontwortelde individu, dat ik hier schematisch en met weglating van enkele belangrijke zijsprongen heb weergegeven, staat voor de ontwikkelingen die zich wereldwijd aan het voltrekken zijn: globalisering, morele crisis, de instorting van het waarheidsideaal, migratie, vermenging van culturen, enzovoort. David Diop levert in elk geval genoeg stof tot nadenken.

Stilistisch slaagt Diop erin – althans in het oorspronkelijke Frans, ik heb de Nederlandse vertaling er niet op nagelezen – om met onder meer talrijke herhalingen van woorden en wendingen Afrikaanse ritmes op te roepen. Met bloed, slijk en uitpuilende ingewanden borstelt hij niets verbloemend ijzingwekkende oorlogstaferelen. Een hoogtepunt in het boek is de rede waarin de vader van Alfa zich verzet tegen de plannen om zijn ambachtelijke landbouw te vervangen door een monocultuur op industriële schaal: zijn ecologische argumentatie wordt gekenmerkt door een uitzonderlijke retorische kwaliteit. Alleen al die twee bladzijden maken de lectuur van dit boek de moeite waard.

 

David Diop, Frère d’âme (2018, vertaald als Meer dan een broer door Martine Woudt (2019))

6671

Hamburg, Kunsthalle - 221101

 

woensdag 7 december 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 276

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

18 februari 2011

AMPUTATIE

Ken ik – gelukkig maar en voorlopig nog (hout vasthouden) – slechts via anderen. Twee vrienden mankeerden – en mankeren nog altijd want het is definitief – een vinger. De ene (grasmaaier) wees met zijn stompje het schoolbord aan waarop hij de termen schreef die hij wilde uitleggen en waarmee hij zichzelf vermeerderde, de andere bouwde – onder meer – op de afwezigheid die door een vingerverslindende machine was veroorzaakt zijn poëzie. Een verre oom – André, ik was nog heel jong en volop in de groei – bleek bij een volgend bezoek opeens maar één been meer te hebben, en nog een bezoekje later geen één. Vriendinnen krijgen er ook mee te maken, op volstrekt wrede wijze omdat het hen nu net dáár raakt waar zij zo graag worden aangeraakt: door een liefdevolle of onbeschaamde blik, door strelende vingers, door lippen maar toch niet dáárdoor. Niet alleen mijn vriendinnen maar, zo leert de kille statistiek, ook waarschijnlijk één of meer van de uwe: zo grondig doet die killer zijn werk, zo kwistig zaait hij – één op tien vrouwen – zijn dood en leegte brengende kiemen rond. En zorgt hij voor de ultieme, o zo harde lakmoesproef op de liefde: Zal je ook dan van mij houden?

6670

Hamburg, Kunsthalle - 221101

 

dinsdag 6 december 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 275

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

14 februari 2011

AMOREEL

Ik heb het altijd al een moeilijke begrippencluster gevonden: ‘moreel’, ‘immoreel’ en ‘amoreel’. Het verwarrende is dat ‘immoreel’ en ‘amoreel’ zich elk op een andere manier tot ‘moreel’ verhouden – waarmee ze dus een soort van driehoeksverhouding aangaan. En de gemeenschappelijke term, ‘moreel’, wisselt dan ook nog eens van pet, naargelang hij zich tot de ene dan wel tot de andere term verhoudt.

In de relatie met immoreel moet ‘moreel’ gunstig worden ingekleurd: het morele valt hier samen met het goede want immoreel heeft altijd de connotatie van verkeerd, slecht, kwaad. In de relatie met amoreel daarentegen is ‘moreel’ ethisch neutraal want beide termen zeggen of er al (‘moreel’) dan niet (‘amoreel’) moraliteit in het geding is, ongeacht of het nu om goed of kwaad gaat. ‘Amoreel’ betekent niet ‘kwaad’ of ‘slecht’ maar heeft de betekenis van ‘zich aan elke morele benadering onttrekkend’, ‘niet in categorieën van moraliteit te vatten’ – en in deze relatie heeft de term ‘moreel’ slechts een neutrale en zeker niet noodzakelijk een gunstige inkleuring.

Het begrip ‘amoreel’ glijdt mij ook op een andere manier door de vingers (als water, als zand van het strand) omdat impliciet wordt verondersteld dat dat- of diegene waarvan of van wie het gezegd wordt toch minstens over het vermogen moet beschikken om moreel te kunnen zijn. Rotsblokken, bomen en wolken zijn amoreel: ze onttrekken zich aan elke morele benadering of kwalificatie – maar het heeft geen zin ze zo te noemen want een rotsblok, een boom of een wolk kunnen nooit of te nimmer moreel zijn omdat ze daartoe niet over de nodige vrijheid beschikken. Hetzelfde geldt voor de tijd, het toeval, de geschiedenis, de wind en het weer. De natuur tout court. Aardbevingen en de loop van de geschiedenis zijn onverschillig ten aanzien van het lot der mensen. Idem voor de meeste artefacten (pollepels, strijkijzers, gloeilampen en verkavelingsarchitectuur – al zijn sommige realisaties in die laatste categorie ronduit immoreel). Bij bepaalde hogere en domesticeerbare diersoorten begint het wel zin te hebben te zeggen dat ze amoreel zijn. Katten lijken zich te kunnen bezondigen aan zinloos geweld. Je hebt honden die een blinde de straat over helpen. En sommige papegaaien bezigen krachttermen. Toch, dat voel je zo aan, kun je ze niet amoreel noemen want uiteraard trekken ze zich van goed en kwaad niets aan. Niet omdat ze dat niet willen maar omdat ze dat niet kunnen: de kat die met de nog levende muis speelt en hem dan achteloos laat liggen kan niet moreel zijn want hij beschikt niet over de mogelijkheid om zijn instinct niet te volgen. Papegaaien papegaaien alleen maar en die hond is hondstrouw, wat nog iets anders is dan trouw. Toch slaat het begrippenpaar ‘moreel/amoreel’ op iets bij deze dieren. Het is bijzonder moeilijk om een dobermannpincher die net het kind van de buren voor het leven heeft verminkt los van enige moraliteit te benaderen. Een paard dat gaat liggen omdat zijn baas is gestorven werkt ook op het gemoed. Het zijn grensgevallen: natuurlijk volgen die beesten hun instinct maar wat ze doen, of niet doen, zien wij wel met een moraalbril op de neus. Dobermann en paard zijn geen morele wezens, maar ze zijn wel vatbaar voor onze morele projecties en in die zin zouden we ze eventueel amoreel kunnen noemen.

Met mensen is het lastiger. Daar is zowat álles met moraliteit beladen – elke handel en wandel – en wordt het bijzonder moeilijk te begrijpen hoe een mens amoreel zou kúnnen zijn. Immoreel, geen probleem, maar ámoreel? Toch is er een omvangrijk domein van de menselijke activiteit dat die kwaliteit claimt, en wel een waarvoor een grote, zoniet de grootst denkbare, hoeveelheid vrijheid nodig is. Ik heb het over de kunst. Kunst zijnde het geheel van artefacten met artistieke pretentie. De kunst kan – en sommigen zullen zeggen: móet – amoreel zijn. Uitgerekend de kunst, die net het meest wordt gekenmerkt door wat je nodig hebt om moreel te kunnen zijn, namelijk vrijheid. Als dat geen paradox is om u tegen te zeggen!

Ik besef dat hierover bibliotheken in de afdelingen moraalfilosofie en esthetica kunnen worden volgeschreven en ik laat dat dan ook maar over aan de vakspecialisten en andere mensen met veel tijd of die daarvoor worden betaald. Ik beperk mij tot twee summiere kanttekeningen, die ik nog louter voor de sport toevoeg om diegenen die mij tot hier zijn gevolgd te plezieren.

Eerste kanttekening. Volgens velen moet kunst geëngageerd zijn. In die zin kan kunst niet amoreel zijn want engagement veronderstelt een ethische keuze. Hier past het een onderscheid te maken tussen intentie en resultaat. Ik ben geneigd te geloven dat kunst die de intentie heeft geëngageerd te zijn vaak in esthetisch opzicht tekortschiet. Het kan natuurlijk wel, maar naar mijn aanvoelen staat de morele intentie esthetische excellentie vaak in de weg. Zo verdienen bijvoorbeeld kunstwerken die in dienst staan van een bepaalde ideologie altijd eerst en vooral onze grootste en meest alerte argwaan.

De tweede kanttekening is dat kunst, die nooit immoreel kan zijn en ook niet de intentie hoeft te hebben moreel te zijn en dus vaak – op de geëngageerde kunst na – amoreel is, een hogere moraliteit kan dienen. En het gevolg hiervan is dat uiteindelijk ook amorele kunst, en ja, zelfs kunst die een verwoording of vertaling van het kwaad niet uit de weg gaat, moreel wordt. In die zin is ‘amorele kunst’ een contradictio in terminis want voor zover zij de schoonheid dient – en dat is toch wat kunst doet – verwezenlijkt zij een hogere functie van de mens, draagt zij bij tot humanisering, tot een betere wereld.

Conclusie: kunst kan en moet zelfs tot op zekere hoogte amoreel zijn (zoals bijvoorbeeld Vladimir Nabokov verdedigde; de stelling maakt het overigens mogelijk een antisemitische schrijver als Céline of een notoire pornograaf als markies de Sade te vuur en te zwaard te verdedigen), maar zij wordt dan weer, voor zover de mens door haar te ontwikkelen en perfectioneren schoonheid realiseert, een morele aangelegenheid van een orde die hogere niveaus bereikt dan eender welke ideologie of moraal die het samenleven van mensen regelt.

6669

Hamburg, Kunsthalle - 221101
 

maandag 5 december 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 274

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

8 februari 2011

Een dinsdagavond op perron 4 van Brussel Centraal. Het is al laat, en de trein naar Oostende van tien uur laat op zich wachten. Het uur waarop het er allemaal niet meer zo toe doet, is aangebroken.

Een vreemd en deugddoend uur is dat, en je kunt het alleen maar in stations en op treinen meemaken. De klok laat zijn tirannieke eisen varen, de avond is toch om zeep, het volk dat je nu nog tegenkomt is hoe dan ook minder stipt en secuur van aard, je loopt al eens een outlaw tegen het lijf, je snuift al eens een alcoholisch luchtje op. Zeer typerend aan dit uur is dat mensen die elkaar niet kennen elkaar gemakkelijker aanspreken, grote rariteit dezer dagen.

Een jonge dame met een hondje, een beetje een buitenlands type, ik bedoel die vrouw, zit op de ‘zitstructuur’ – een bank kan ik het niet noemen – te wachten op haar trein naar de zee. Zij heeft aanspraak met een Vlaams ogende man – embonpoint, confectiekleren, gloeiende koontjes en een bril die al tien jaar niet meer in de mode is – die tegenover haar recht blijft staan. De sintel die het gesprekje heeft doen oplaaien is het hondje dat nu, ik heb naast de vrouw op de zitstructuur plaatsgenomen ten einde als luistervink te kunnen optreden, mijn schoenen komt besnuffelen. Maar kijk, een disproportionele ruk aan de leiband roept Jack Russell tot de orde.

Het gesprek verloopt in het Frans. Het gaat over hondjes. Natuurlijk gaat het over hondjes. Meneer heeft er ook een gehad. Een labrador, zo’n trouw beest. Veertien jaar veel plezier aan beleefd. Maar toch geen nieuwe meer genomen. Verliest te veel haar, vindt moeder de vrouw. Maar we missen hem toch. Zo’n pezig dingetje zouden we niet in huis kunnen nemen. Veel te zenuwachtig. En alles kapotbijten…

Dat soort wetenswaardigheden. Een hondenconversatie. De vrouw zegt niet veel, maar laat anderzijds toch ook niet blijken dat ze het gesprekje onaangenaam vindt. Zolang die man daar maar blijft staan, voel ik haar denken. ’t Is al laat, wat kan een praatje kwaad?

Maar dan zet de man een stap dichterbij. Hij buigt voorover. Om de hond te aaien. De hond laat zich aaien. Honden maken het onderscheid niet. Nu is er geen weg meer terug. Het gesprek dient voortgezet.

Ze gingen altijd wandelen met de labrador. Klein appartementje aan zee. Ze gingen langs het strand. Nu de hond er niet meer is, komen ze veel minder buiten. En nu ben ik bijna met pensioen. Nog twee jaar. Ja, ik wil ervan profiteren. Maar het zal zonder hond moeten zijn. Alleen met moeder de vrouw in dat appartementje.

Dat laatste zegt de man niet, dat van ‘zonder hond’ en ‘moeder de vrouw’ en ‘appartementje’. Ik fantaseer het erbij, maar iets zegt mij dat ik niet ver benevens de waarheid zit. De jonge vrouw naast mij op de ‘zitstructuur’ trekt haar hondje, dat nu ’s mans schoenen aan het besnuffelen was, naar zich toe. De man maakt alweer aanstalten om voorover te buigen om Jack te strelen…

Daar rijdt de trein het station binnen. De vrouw, een jonge vrouw nog, zeker niet onknap, het exotische type, staat recht en neemt in haar ene arm haar tas en in haar andere het hondje op. De trein komt tot stilstand. De compliciteit is nog niet doorbroken. Moet nu dit gesprek tot in Oostende worden voortgezet?

Neen. Resoluut zegt de vrouw: ‘Bonsoir monsieur.’ En ze stapt op. De man is op snelheid gepakt. ’t Is duidelijk dat hij maar beter niet naast of tegenover de dame met het hondje gaat zitten. ‘Bonsoir’, mompelt hij nog. We stappen in en zoeken alle vier – zij, hij, het hondje en ik – een veilig eind uit elkaar een plek in de lege wagon.

6668

Hamburg, Kunsthalle - 221101

 

zondag 4 december 2022

parallel 195

Le totem des Diop, de Mademba Diop, ce fanfaron, c’était le paon.

David Diop, Frère d’âme, 40

ǁ

En tussen haakjes, zo’n opschepper duiden we in stilte aan niet met een Engels maar een Frans woord, fanfaron – dat ik een halve eeuw geleden voor het eerst hoorde gebruiken, door jou.

Joris Note, Van de wereld, 244

6667

Hamburg, Kunsthalle - 221101

 

zaterdag 3 december 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 273

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

31 januari 2011

 


 

Vaak mag je in musea en op tentoonstellingen niet fotograferen. Daarmee wordt serieuze fotografen een heel interessant biotoop ontzegd. En met serieuze fotografen bedoel ik in dit geval zeker niet diegenen die vooral willen documenteren wat daar allemaal in dat museum wordt getoond om aan de thuiswacht te tonen wat ze zelf hebben gezien maar niet behoorlijk bekeken.

Op de overzichtstentoonstelling Paul Cézanne in Aix-en-Provence in de zomer van 2006 was fotograferen strikt verboden. Als het te doen was om het illegaal kopiëren van de tentoongestelde werken, was het een volstrekt overbodig verbod want het was er over de koppen lopen: de schilderijen en aquarellen van de meester van de diagonaal aangezette oranje, groene en bruine borstelstreek waren nauwelijks zichtbaar en behalve het kijkvee kon je daar eigenlijk niet veel vastleggen op ‘de gevoelige plaat’. En kijk, laat dit nu net de inhoud zijn van deze foto.

Opeens, tussen al dat gewemel en gewirwar door zag ik deze levensgrote foto van de man om wie het allemaal draaide. En ik drukte af. Vanuit de heup want het moest, omdat het dus niet mocht, onopvallend gebeuren. Het gevolg van deze manier van fotograferen, die ik nogal vaak beoefen, ook op straat nu de mensen steeds nadrukkelijker geïrriteerd zijn vanwege het feit dat zowat iedereen naar de achterkant van zo’n digitaal cameraatje op het eind van zijn gestrekt voor zich uitgehouden arm staat te staren – het gevolg dus van deze manier van fotograferen is dat de kadreringen niet altijd evenwichtig zijn, dat de horizonlijn niet altijd horizontaal is, en dat er wel al eens iemand of iets niet helemaal op staat. Deze nevenwerkingen kun je vaak nadelig noemen. Maar soms valt alles wél samen en vormt het schuins en tersluiks vastgelegde tafereel toch een beeld dat er mag zijn. En ten faveure van de fotograaf – wiens taak toch altijd méér is dan die druk op de knop, handeling die ook door het kleinste kind kan worden uitgevoerd – dient hier gezegd dat hij het onderwerp van zijn foto toch altijd eerst moet gezíen hebben, en het liefst zeer snel, sneller dan om het even wie anders.

Dit zien en snél zien onderscheidt de serieuze fotograaf overigens van al wie met gestrekte arm enzovoort irriteert.

Hier is het resultaat uitermate gelukkig te noemen. Een oude man komt naar buiten met een stoel, kennelijk wil hij eens komen kijken naar die gehypete drukte die voor zijn huis passeert. Wat is er aan de hand? Waar komen al die mensen voor? Waar komen zij naar kijken? Dat is niet meteen duidelijk: datgene waarnaar zij komen kijken blijft buiten beeld. Maar hém zien zij niet. Ik ben de enige die Cézanne opmerkt, hoe hij daar met zijn stoel, in zwart-wit en dus vanuit een andere tijd, in mijn blikveld opduikt. Er ontstaat tussen hem en mij een band; ik leg het verlangen vast om die man eens in betere omstandigheden te ontmoeten. Kunnen we niet iets afspreken? Hij zal toch nog wel een tweede stoel in huis hebben? Neem een stoel en zet u, lijkt die vriendelijke, oude, een beetje sjofele man mij te zeggen. Een uitnodigend gebaar, over de grenzen van tijd en ruimte heen.

Maar neen, het is te laat. Het gat tussen de mensen voor mij, dat voor een ogenblik het kader vormde waarin ik Cézanne heb gezien, sluit zich alweer. Ik moet meedrijven op de mensenstroom. Cézanne, ooit, en schijnbaar al even onverhoeds als nu door mij, door een andere fotograaf gevat, blijft achter. Op die foto aan de wand in zaal zoveel van deze massahappening. Maar ik heb hem toch ook mee. Hij bestaat op mijn manier op deze foto, die ik hier aan u toon.

6666

Hamburg, Kunsthalle - 221101

vrijdag 2 december 2022

notitie 322

25 JAAR CANVAS

Canvas bestaat 25 jaar. Ketnet ook, maar door die zender voel ik mij als meerwaardezoekende zestiger niet aangesproken. Laat het mij over Canvas hebben.

Wie vond dat woord ‘meerwaardezoeker’ uit? De communicatiedienst achter Canvas zelf? Het woord was in elk geval niet slecht gevonden. Het maakte duidelijk waar het om ging: er waren inderdaad zoekers van meerwaarde (omdat er nergens anders meerwaarde te vinden was, zeker niet bij de toen acht jaar jonge concurrent VTM), en de nieuwe zender was van plan die meerwaarde aanbieden. Dat was veelbelovend. De VRT zorgde voor een heldere situatie. Het eerste net, ‘één’ (met kleine letter en twee accent aigu’s), zou de minderwaardezoeker bedienen, en op Canvas zou er plaats zijn voor meer waarde. Enfin, dat was toch min of meer de bedoeling want voor een Vlaams ‘arte’ (ook volledig in onderkast) of een televisuele ‘Klara’ (de klassieke radiozender van de VRT) was er natuurlijk geen voldoende groot afzetgebied. Het schrikbeeld van het ooit nog op de BRT gebrachte intellectuelenprogramma ‘Container’ zat er goed in: dát mocht en zou het in elk geval niet worden!

Hoe dan ook: het was de bedoeling dat Canvas kwaliteit zou bieden – en daar is het tot op heden in grote mate in geslaagd – al zijn er de jongste tijd wel tendensen zichtbaar die een richting uitgaan die niet de mijne is. Er zullen in Europa niet veel zenders zijn die het peil van Canvas bereiken. Ik heb, ook al ben ik maar een occasionele tv-kijker, vaak genoten van zeer goed gemaakte amusementsprogramma’s, grensverleggende televisie-experimenten, kwaliteitsseries, af en toe een goede speelfilm en rechtstreekse uitzendingen van topsportevenementen.

Maar er zijn die tendensen. Onder meer op de Nieuwsdienst wordt steeds duidelijker voelbaar en zichtbaar dat de VRT kreunt onder de hang naar positivisme, sentimentalisme, vooruitgangsoptimisme en, steeds nadrukkelijker, Vlaams-nationalisme.

En dan zijn er ook de financiële problemen, zeg maar de moedwillige verstikking via ondersubsidiëring. Uitgerekend op deze 25ste verjaardag werden tientallen VRT-medewerkers, ook Canvas-medewerkers, aan de deur gezet. Prettig feestje moet dat daar geweest zijn, ook voor wie mag blijven. Allicht was er meer sfeer dan taart te snijden. Hoe cynisch kan het worden?

De langzame financiële wurging heeft een weerslag op de hoeveelheid reclame die de staatszender over ons uitstort. En dat niet alleen op de televisie. Op de VRT-radio neemt deze publicitaire vervuiling werkelijk onuitstaanbare dimensies aan. Ik luister om die reden nauwelijks nog naar Radio 1. Als je alles optelt, voor en na de nieuwsbulletins op het uur en op het halfuur, en ook steeds meer tussen alles in, dan kom je in de piekuren op bijna tien minuten reclame – en dat is echt veel meer dan van het goede te veel. (Zoals er ook véél te veel sport op de radio is. Willen de tien mannen en een paardenkop die op een miezerige woensdagavond geïnteresseerd zijn in het rechtstreekse verslag van de match Eupen-Zulte Waregem nu opstaan?)

Neen, wij verdienen een betere en reclamevrije openbare zender. Dat de VRT dat kán aanbieden, heeft zij al zeer vaak bewezen. Als de Vlaamse overheid het wil, zijn er voldoende mogelijkheden om naast het populaire ook het nichesegment kwaliteitsvol en innovatief te bedienen. En, lezers van dit stukje die nu meteen zullen zeggen dat er een knop op mijn tv (en radio) zit: ik heb het recht, wat zeg ik, het is mijn plicht om deze kritiek te formuleren want de VRT wordt mede met mijn – en ook met uw – belastinggeld gefinancierd.

6665

Hamburg, Kunsthalle - 221101

 

donderdag 1 december 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 272

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

28 januari 2011


Ik zorg er altijd voor dat ik mooi op tijd ben. Geen gehaast, geen zweet in de oksels, alles onder controle. Ik geniet van elke verplaatsing en vertrek op tijd. Wat is er mooier – in een station dan toch – dan een trein die op het afgesproken uur binnenrolt. Ik sta al klaar, stap met de eersten op en neem alle tijd om me behaaglijk te installeren. Ik kies een plek uit waar nog niemand zit, want zo wil het de ongeschreven regel: tegenover iemand ga je pas zitten als alle compartimenten al bezet zijn, náást iemand als overal het tegenover is ingenomen.

Terwijl de trein het station van Brugge uitrijdt, neemt, puffend en ongetwijfeld bezweet, een graatmagere man tegenover mij plaats. Graatmager en grauw, hij ziet er niet wat je noemt gezond uit. En gelukkig ook al niet: hij blijft de hele rit triest voor zich uit staren.

In Gent stappen er, zoals altijd, een aantal mensen af maar er komen er veel meer bij. Alle tegenovers worden ingenomen, het is tijd voor de naasten. En zo geschiedt. Net op het ogenblik dat ik denk dat ik tot in Brussel zal kunnen blijven genieten van het comfort van een volledige duobank, komt naast mij een jongeman zitten. Naast de graatmagere en grauwe man tegenover mij was het zitje ook nog vrij, maar niet dus: de jongeman kiest ervoor om naast mij te zitten. Een kans op twee, een mens moet daar geen kwaad opzet achter zoeken. En ik heb er ook niets tegen, hoor! Alleen, er is een probleempje. Deze man is niet graatmager maar integendeel enigszins zwaarlijvig. Nuja, hij is gewoon bijzonder dik, om niet te zeggen héél zwaar. En ook volumineus – maar dat gaat samen natuurlijk. Hij neemt méér dan alleen maar zijn zitje in: hij neemt het zijne in en, jawel, een deel van het mijne. Ik schuif wat meer op naar het venster maar voel meteen, anticiperend, dat ik dat, doordat ik nu enigszins scheef zit, in Brussel wellicht in mijn rug zal voelen.

Wat moet ik doen? De vrije plaats naast de trieste man tegenover mij lonkt, maar daar gaan zitten komt neer als het openlijk aan de kaak stellen van de obesitas van die jongen naast mij. Dat zou toch niet beleefd zijn?

Bovendien kan ik nu, ook door het tafeltje tussen mij en de grauwe, nauwelijks weg: ik zit gevangen. Ik blijf dus maar in mijn nauwe hoekje zitten.

Wanneer in de Midi de magere man uitstapt, voel ik me verfrommeld als een kussensloop in een zak vol wasgoed en weeg ik de pro’s en con’s van de wellevendheidscode niet meer tegen elkaar af. In een reflex ga ik gewoon, plompweg, op de vrijgekomen tegenoverliggende bank zitten. Wat is het soms ingewikkeld beleefd te willen zijn.

6664

Hamburg - 221101