vrijdag 13 oktober 2006

Kortsluiting

In zijn in De vergeethoek verzamelde portretten van vergeten Vlaamse schrijvers drijft Stefan Brijs ironisch maar toch subtiel de spot met hun kwezelachtigheid, onnozele flamingantisme en vaak schrijnend gebrek aan talent… – terwijl hij hen metterdaad postuum aan de vergetelheid poogt te onttrekken. Af en toe zorgt deze kortsluitende benadering voor een literaire vonk. Zoals in het essay over Kamiel Top (1923-1945) waarin Brijs vertelt over de onhandige poging in 1997 van biograaf Paul Top om bij de weduwe van Karel Jonckheere, die de literaire nalatenschap van Kamiel bewaarde, een document te filmen. Kamiel Top is in de Nacht und Nebel van een Duits concentratiekamp verdwenen, en een gelijkaardige schemering doet de filmopname van Paul Top mislukken. Het boek van Brijs, die zich in zijn inleiding nog afvraagt wat er met hemzelf zal gebeuren, verdwijnt intussen in de vergeetputten van de ramsj.

837

donderdag 12 oktober 2006

Mijn woordenboek (132)

ACTIONPAINTING
Ooit stond ik in een museum (daar hangen die dingen dus) voor een schilderij dat het resultaat was van de ‘actionpainting’ genaamde stijl in de naoorlogse schilderkunst. Ik had het gevoel belazerd te zijn. Ik heb nooit goed kunnen verklaren waarom ik dat gevoel had. Tot ik ooit eens op tv Jackson Pollock een van zijn ‘drippings’ zag maken. De artiest stond wijdbeens – wellicht om zijn broek en schoenen niet te besmeuren – naast en ik geloof zelfs op een enorm, op de grond liggend doek een paar tubes verf leeg te spuiten. Hij maakte daarbij, met veel zin voor theatraliteit, nogal wat misbaar: met allerlei gebaren en zelfs enkele kreetjes evoceerde hij een soort van extase. De verf werd vakkundig over de verste hoeken van het canvas ‘verdeeld’ – dat was zowat de enige compositorische vereiste waaraan werd voldaan. Ik zag dit dus aan en begreep opeens waar het in het ‘actieschilderen’ om gaat: om de actie, en niet om het schilderen – en zeker niet om het resultaat ervan. Maar die actie waar het om gaat, strekt verder dan het leegspuiten van verftubes. Het gaat ook om het misbaar: om het laten opnemen van het besmeurde doek in een discours waardoor het tot kunst wordt verheven, om het verhandelen ervan en het in waarde laten stijgen, om het laten musealiseren ervan, en uiteindelijk om het gevoel van de museumbezoeker belazerd te zijn. Het met verf bespatte doek is slechts het vehikel – uiteraard ten onrechte tot kunst uitgeroepen – van een hele ‘happening’, die niet aan artistieke criteria beoogt te beantwoorden maar die het hele mechanisme waarbij iets tot kunst wordt uitgeroepen en als dusdanig wordt gesacraliseerd… in de verf zet.

836 / Figuren tegen licht (3/3)

woensdag 11 oktober 2006

dinsdag 10 oktober 2006

Aanvulling

Correctie bij de post 'Verkiezingsshow' van gisteren: http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=DMF10102006_007

@Elhaz

Op het commentaar van Elhaz bij mijn ‘stemadvies’ van enkele dagen geleden:

De wetenschap staat ondertussen 35 jaar verder. De Club van Rome heeft zich inderdaad op een aantal punten vergist, maar op enkele andere jammer genoeg niet. Wat er ook van zij, de Club van Rome heeft een belangrijke signaalfunctie gehad, en de materie is zo gewichtig dat het maar beter is om voorzichtig te blijven. Wat dat ozongat betreft, en veel andere problematieken die onder de mat worden geschoven, hangt veel er van af wáár u precies uw informatie betrekt; u weet net zo goed als ik dat veel wetenschappelijke publicaties niet waardenvrij zijn.

Eén Groen-mandataris die zich aan exotisch toerisme bezondigt, is er één te veel: daar heeft u gelijk in. Maar ik zou daarom toch maar niet meteen een hele groep gelijkgezinde mensen over dezelfde kam scheren. ‘Groene jongens’ vind ik een denigrerende term. En neen, u vergist zich als die ‘groene jongens’ vinden dat de mens zijn natuurlijke gang moet gaan. Dan zou u namelijk ook moeten vinden dat wij elkaar de kop inslaan – want dat behoort nu ook eenmaal tot de menselijke natuur. De groene beweging is voor mij in eerste instantie een ethisch geïnspireerde beweging.

Dat u bereid lijkt om het verdwijnen van de mensensoort niet te betreuren, laat ik volledig aan uw oordeel over – jammer genoeg staat wellicht veel meer op het spel dan alleen maar het verdwijnen van de mens. De kans is groot, met het huidige tempo waarmee vele dieren- en plantensoorten, door toedoen van de mens, aan het verdwijnen zijn, dat een groot deel van het leven op aarde, in al zijn manifestaties, bedreigd is. Het macroperspectief dat u hanteert als u dát niet erg vindt, wens ik niet te delen.

Overschrijven (31)

Ik heb daarjuist den Dood ontmoet, professor;
hij hield mij op, daardoor kom ik te laat.
’t Schijnt dat de tram verplicht is halt te maken,
als er een lijkkoets op de sporen staat.

Kamiel Top (1923-1945), in: Stefan Brijs, De vergeethoek, 68

834 / Figuren tegen licht 1/3

maandag 9 oktober 2006

Verkiezingsshow

Dat álle politici, maar dan ook werkelijk álle (behalve Jean-Luc Dehaene, die qua boertigheid zichzelf naar de kroon lijkt te willen steken) compleet geconditioneerd zijn om, liefst met de glimlach, alleen maar positieve of positief klinkende boodschappen de wereld in te toeteren, dat weten we al geruime tijd en daar hoeven we dan ook niets van te verwachten. Het politieke interview is qua nieuwswaarde de jongste jaren aardig dicht in de buurt gekomen van het gesteun van een coureur die onmiddellijk na het overschrijden van de eindstreep boven op een col een microfoon onder de neus geduwd krijgt. De enige pret die te beleven valt, bestaat uit de kleine haperingen, de anomalieën, de menselijke trekjes die hier en daar het zorgvuldig ingestudeerde discours en dus de opgezette maskers doorprikken. Zoals Vera Dua, die het bestond om te zeggen dat ‘zelfs de kiezer’ geschrokken was van de agressieve campagne van het Blok. Dat is natuurlijk volkomen juist en ik sta volledig achter het gedachtegoed van Dua, maar je mag nooit de kiezer zo openlijk onderschatten. Dit soort versprekingen en kleine manifestatietjes van de ware aard van het politieke zelf en van de hidden agenda’s maakten de verkiezingsshow gisterenavond op de VRT alsnog boeiend. Maar daarom niet minder overbodig (op het internet viel meer informatie te rapen). Want erger is dat niet één, maar dan ook werkelijk niet één journalist er in slaagde om de heren en die ene enkele dame een zinvolle uitspraak te ontlokken. Zelfs een objectieve interpretatie van de verkiezingsuitslag werd niet gegeven – de onverhulde opluchting om de Antwerpse uitslag was blijkbaar te groot. Sp.a wint in Antwerpen, dat is waar en zeer goed nieuws, maar het is niet ten koste van het Vlaams Blok. Er is, hoe je het draait of keert, inderdaad sprake van ‘kannibalisme’ – en dat zal de coalitiebesprekingen in Antwerpen er wellicht niet eenvoudiger op maken. In heel Vlaanderen blijven de socialisten trouwens gewoon status quo. En hebt u gisteren een juist beeld gekregen van wat de andere partijen globaal doen? Dan blijken opeens de CD&V en het Blok de grote overwinnaars te zijn, met respectievelijk 3,5 en 5 procent (afgerond want uit het hoofd). Het Blok stijgt van 10 naar 15 procent van het totale aantal uitgebrachte stemmen in alle Vlaamse grote steden (daar stijgen ze overal behalve in Antwerpen en Gent) én in de kleine steden en gemeenten. Van 10 naar 15, dat is dus een toename met vijftig procent. Het glas is half vol (in Antwerpen) of half leeg (in heel Vlaanderen) – het is maar hoe je het bekijkt. Maar alleen maar zeggen dat het half vol is, zoals gisterenavond in de verkiezingsshow de teneur was, komt neer op desinformatie. Een goede journalist moet minstens ook wijzen op de mogelijkheid dat je kunt stellen dat het glas half leeg is.
In dat verband is het relevant de krantenkoppen met elkaar te vergelijken: de Vlaamse variëren van euforie tot realisme (het Belang van Limburg roept als enige het Blok uit tot overwinnaar). Maar ook de buitenlandse kranten laten zich niet afleiden door het slechts schijnbaar geruststellende resultaat in Antwerpen.

833

zondag 8 oktober 2006

Ventoux 6/6

Overschrijven (30)

Gerard Walschap, wiens roman Adelaïde door [Ernest v]an der Hallen bestempeld was ‘als een crisisboek dat ik (…) wel liefst ontzeggen zou aan ieder die de eeuwige driften in zich niet wenst te wekken’, schilderde in een van zijn brieven de katholieke Lierenaar [Van der Hallen] af als een ‘wijwaterpisser’.

Stefan Brijs, De vergeethoek, 47 (Atlas, 2003)

832

zaterdag 7 oktober 2006

Aanhangwagen

[…] Een aanhangwagen is ook, in tijden van verkiezingen, een ‘remorque’ waarop verkiezingsaffiches zijn aangebracht en die goed zichtbaar, meestal een kostbare parkeerplaats in beslag nemend, wordt achtergelaten. In dat geval is het een wagen die om aanhang smeekt.

Uit: Mijn woordenboek (14) (4 augustus 2004)

831 / Ventoux 5/6

vrijdag 6 oktober 2006

Uit het nieuws / Stemadvies

Het gat in de ozonlaag veel groter dan verwacht, de poolkappen die veel sneller afsmelten dan voorzien, twee derden van het land verwoestijnd tegen 2100 als er niets veranderd: deze drie items, alle drie gebaseerd op ernstig wetenschappelijk onderzoek, waren de afgelopen week ook in het nieuws maar u heeft bij deze definitieve omwentelingen, gebiologeerd als u bent door de zogenaamde onveiligheid nù, in ùw straat, misschien niet langer dan een seconde stilgestaan. Als de items al tot u zijn doorgedrongen. U moet zondag in het stemhokje overwegen welke onveiligheid de belangrijkste is, deze op korte of deze op lange termijn. En er van uitgaan dat er ook in uw gemeente iets aan kan worden gedaan.

Mijn woordenboek (131)

ACTIERADIUS
De term is van toepassing op jachtvliegtuigen en elektrische brommertjes waarvan je de stekker ’s nachts in het stopcontact moet steken, maar ik wil het hier hebben over het bereik van deze weblog. Want dat is in zekere zin toch ook een actieradius, nietwaar? De enige informatie die ik daarover heb is: mondelinge overlevering, een occasioneel mailtje (pascaldigital at hotmail punt com), en natuurlijk de tellertjes in de rechtermarge. Die raadpleeg ik regelmatig. Ik ben namelijk ijdel en tuk op tellertjes (ik telde vroeger treden en tegels), maar afgezien daarvan wil ik toch ook weten hoe leeg de woestijn is waarin ik mezelf in een sombere bui hoor roepen. Ik heb, zoals u ongetwijfeld al hebt opgemerkt, twee tellertjes en er zit wat rek op beider meetresultaten. Het bleekblauwe tellertje is dat van Webstats4U – velen verwijderden het van hun weblog toen bleek dat er allerlei spam aan vasthing, maar dat lijkt nu verbeterd. Webstats meet alleen het aantal ‘pageviews’. Daar zitten de lezers en gerichte fotokijkers bij, maar ook wat je de ruis zou kunnen noemen: internetgebruikers die niet de intentie hebben om een bezoek te brengen aan ‘Pascal Digital’ maar daar door de een of andere oorzaak – meestal een zoekactie op Google – toch op belanden. Die lezen en/of kijken vaak helemaal niet (de andere teller, StatCounter, geeft aan hoe lang de bezoeken duren en daar zitten er dus veel bij van ‘0 seconden’) – en dus kan ik hen niet tot mijn publiek rekenen. Op dit ogenblik draait mijn weblog op ongeveer zeventig pageviews per dag gemiddeld. Eén persoon kan, als hij bijvoorbeeld in het archief gaat grasduinen of een link aanklikt en dan terugkeert, voor meer dan één pageview zorgen. Drie op de vier pageviews zijn Belgisch, 17 procent is Nederlands. Er zijn opvallend veel pageviews vanuit de Verenigde Staten (2,5 procent; dat zal de CIA wel zijn), hoewel ik daar bij mijn weten slechts één vaste klant zitten heb – dag M! Onze goede vriend Maharal zorgt in zijn eentje voor 0,5 % pageviews vanuit Israël. (Hoewel, nu ik eens ga kijken blijkt-ie naar de Cocos Islands te zijn verhuisd!) Het totaal aantal pageviews, sinds de start van de weblog op 8 juni 2004, is opgelopen tot, even kijken, 40.504. StatCounter biedt een gunstiger, en ook gedetailleerder zicht op mijn actieradius. Daar bedraagt het gemiddeld aantal pageviews per dag 86. Interessant is dat hier een opsplitsing wordt gemaakt: van die 86 zijn er gemiddeld 66 ‘unique visitors’ en dus 20 die meer dan één beweging maken (meer dan één keer klikken). Die 66 verschillende bezoekers worden ook nog eens opgesplitst in ‘first time visitors’, dat zijn dan meestal toevallige passanten, in mijn geval gemiddeld 40, en ‘returning visitors’, dat zijn de bezoekers die hier niet voor de eerste keer komen: 26. Dit is uiteraard het interessantste cijfer om een idee te hebben van de actieradius. Ik bereik dagelijks 26 mensen die hier met voorbedachten rade langskomen. Aangenomen dat dat niet altijd de 26 zelfde mensen zijn, meen ik te kunnen besluiten dat ‘Pascal Digital’ kan rekenen op een trouwe aanhang van ongeveer een veertigtal belangstellenden.

830 / Ventoux 4/6

Ventoux 3/6

donderdag 5 oktober 2006

woensdag 4 oktober 2006

Haruki Murakami, De opwindvogelkronieken

Het minste wat je van De opwindvogelkronieken van Haruki Murakami kunt zeggen, is dat het meeslepende lectuur is. Dat is op zich al een grote verdienste – alleen al op basis van dat argument hoeft niemand te blozen als hij iemand de lectuur van die turf (negenhonderd bladzijden) heeft aangeraden. Ik leerde de naam Murakami kennen op de weblog van Hyperfictie, en zag hem van dan af regelmatig en steeds vaker opduiken. Dat geleidelijke is al een garantie dat je niet met een waan-van-de-dag te maken hebt maar met een auteur die stilaan doorsijpelt tot het collectieve literaire bewustzijn. De titel van Hyperfictie’s post is overigens altijd in mijn geheugen blijven hangen: ‘Over wat Murakami met mij doet’. Ik nam hem hier ten andere al eens over boven een stukje over De jacht op het verloren schaap, een vroegere roman van Murakami. De titel drukt goed uit dat er inderdaad iets met je gebeurt als je Murakami leest.

Toch ben ik niet onverdeeld gelukkig met De opwindvogelkronieken. Het is groots en meeslepend, dat wel, maar je blijft behoorlijk uitgeschud achter. Uiteindelijk lijkt het wel dáár om te gaan: wat er met je gebeurt als je een zak – op zich meesterlijk vertelde en superspannende – verhalen over je uitgeschud krijgt, maar niet in staat blijkt om alle eindjes aan elkaar te knopen en je bovendien niet weet of dat eigenlijk nog wel de bedoeling was. Het is duidelijk dat Murakami de grens verkent tussen bewustzijn en het onbewuste, dat hij probleemloos droom en werkelijkheid in elkaar durft te laten glijden, dat hij experimenteert met verschillende tijdslagen, dat hij het à la limite arbitraire blootlegt van de logica waarmee wij ‘normaal’ gezien de wereld benaderen. Hij laat je een blik werpen op een afgrondelijke chaos, maar biedt je geen houvast. (Of het zou het houvast van de schoonheid moeten zijn.) Het minste wat je kunt zeggen is dat Murakami in De opwindvogelkronieken niet al zijn geheimen prijsgeeft – maar je blijft zitten met het vervelende gevoel of die geheimen er wel zijn.

Het is wennen aan de gedachte dat dit boek – en het vergt wel wat van je, een lange adem bijvoorbeeld – meer een onderdompeling is dan een rechte lijn die naar een bevredigende ontknoping leidt. Een onderdompeling, inderdaad: je bent erg lang onder water gebleven, je hebt je in paniek van de bodem afgestoten, je bent in ademnood naar het licht toe gezwommen en je komt proestend en hoestend en naar adem snakkend terug boven. Wil je nog eens terug naar beneden?, dat weet je zo niet. Er liggen glinsterende schatten daar (prachtige beelden, schitterende metaforen, glinsterende verhalen) maar er kruipen vieze, aalgladde en mogelijk gevaarlijke wezens over (de onversneden gruwel van de oorlogstaferelen, de desoriënterende eindeloosheid van de niet altijd hun noodzakelijkheid prijsgevende verwikkelingen, de tartende onwaarschijnlijkheden).

Met het nieuwe in het Nederlands verschenen en al bijna even dikke boek Kafka op het strand lijkt het, als ik de geruchten mag geloven, meer van het zelfde te zijn. Er zijn voor- en tegenstanders. De voorstanders zullen het wellicht ook hier over de onderdompeling hebben, over ‘wat Murakami met hen doet’, over hoe ‘veranderd’ ze uit hun lectuur naar de werkelijkheid terugkeren. Daar kan ik inkomen en ik ben bereid elk boek te prijzen dat er in slaagt je te ‘veranderen’. De tegenstanders zullen het gebrek aan logica en waarschijnlijkheid aankaarten, de gratuite gruwel, de inconsistente verhaallijnen. Ook daar valt iets voor te zeggen. Wellicht is het verlangen naar een zekere ordening nu net een van de belangrijkste drijfveren om te lezen…

828

Paul Cézanne, van de zomer op zijn eigen expositie in Aix-en-Provence.

dinsdag 3 oktober 2006

Mijn woordenboek (130)

ACTIEFILM

Spectaculaire achtervolgingen, lijf-aan-lijfgevechten, schietpartijen en bombardementen, en exploderende auto’s, straalvliegtuigen, schepen en fabrieken moeten de toeschouwer de illusie verschaffen dat er heel veel gebeurt en dat hij derhalve waar voor zijn geld krijgt. Op de achtergrond tikt een klok, die regelt de snelheid. Stilstand, reflectie en dialoog dienen – behoudens in het obligate amoureuze intermezzo – zoveel mogelijk te worden geweerd.
Het stereotiepste beeld is: een enorme vuurbal op de achtergrond, lichamen die her en der door het zwerk zweven en op de voorgrond ontkomt de held, rollend met de met kool aangezette bezwete spierballen, aan het inferno. (Het op strategische plaatsen aan flarden gerukte T-shirt verschaft inkijk in een voortreffelijke anatomie en in een diepe maar straks, na een verdovingloos uitgevoerde hechting, alweer verbazend snel genezende snijwonde.) Na talloze hindernissen te hebben overwonnen en met achterlating van een hele cast kermende slachtoffers komt de held aan bij het bordje ‘The End’ –Engelstalig, zoals die actiefilms ook altijd zijn. Als startschot voor de eindgeneriek heeft de kus met de smachtende deerne, een halve eeuw geleden nog in de mode, plaats gemaakt voor de aankondiging van nog meer onheil – waarmee in de sequel zal dienen afgerekend te worden.
Actiefilms zijn aan mij niet besteed. Ik kick niet op slippende sleeën, en ook niet op wild vanuit hun heup rondzwaaiende kickboxers. Het stilistisch verantwoord ballet van een gevecht simulerende, aan een onzichtbare draad opgehangen door de ruimte zwevende en alle zwaartekracht tartend om de eigen as buitelende in het zwart gehulde krijgers vermag mij al evenmin cinefiel te behagen. En ik vind niets zo vervelend als twee legers van telkens vierentachtigduizend zwaargekostumeerde elfen en orks die tot de tanden gewapend tegenover elkaar staan in een computerdecor. Ik háát dat steriele zwaardgekletter en al dat idiote gegrom en geschreeuw en gebrul. Het dúúrt ook zo lang, altijd.
Neenee, u raadt al wat mij vermag te boeien. Juist ja, zo’n oersaaie, levenslang durende en zich naar het einde voortslepende Tarkovski; een Frans psychologisch drama, liefst in zwart-wit en met oeverloze, nauwelijks verstaanbaar uitgesproken en amechtig ondertitelde dialogen; of zo’n sociaal drama van op de immer grijze Britse eilanden, waarin straalbezopen slechte mannen hun zéér slecht geklede, slonzige echtgenotes aftroeven maar aan het eind toch blijken een mooi communiekleedje bij elkaar te hebben gespaard voor hun indertijd ongewenste maar nu teerbeminde dochterlief. (Kijk daar tuft zo’n jaren-zeventig-Vauxhall door het beeld…)

827

maandag 2 oktober 2006

Geen verloren tijd (14)

I:100-109

We knopen terug aan bij de situatie zoals we ze hebben achtergelaten: de kleine Marcel leest in de tuin, en zijn groottante Léonie keuvelt in afwachting van Eulalie met haar dienstmeid Françoise. Dat keuvelen duurt nu al vijftig bladzijden! Het is dan ook met grote ironie dat Proust Léonie, die niets anders te doen heeft dan wat uit het raam naar de schaarse passanten te kijken en dan haar geneesmiddelen tot zich te nemen, doet overwegen: c’est incroyable ce que le temps passe! (101:39). En passeren doet de tijd want waar het op bladzijde 101 nog drie uur is, het uur van de vespers, daar is het op bladzijde 102 al half vijf, het lof is al voorbij. En nochtans is er geen uitdrukkelijke onderbreking geweest in de verslaggeving van de gebeurtenissen. Léonie begint met te zeggen dat ze mevrouw Goupil heeft zien voorbijkomen – zonder paraplu en mét een zijden jurk, die ongetwijfeld nat zal worden als het gaat regenen. Léonie’s voorspelling – bien sûr que la journée ne se passera pas sans pluie (101:17) – komt uit: het begint met een tikje op de ruit, en het breidt zich uit tot un rythme, devenant fluide, sonore, musicale, innombrable, universelle: c’était la pluie (102:2-3). Dat de jurk van mevrouw Goupil door de regen bedorven zal zijn, lijkt – merkt Proust fijntjes op – Léonie minder zorgen te baren dan het Vichywater dat op haar maag zou kunnen blijven liggen (dat doet het met onweer namelijk altijd). De volgende belangrijke gebeurtenis die wordt genoteerd, is dat mevrouw Amédée (‘mijn grootmoeder’, voegt de verteller daar tussen haakjes aan toe – hij komt op deze bladzijden opvallend vaak tussen) een eind is gaan wandelen, ondanks de regen. Françoise vindt haar dan ook een beetje zot maar ze durft dat niet te zeggen tegen Léonie, ze zegt alleen zachtjes dat ze ‘altijd het tegenovergestelde [doet] van wat de anderen doen’. Dat is dus wat in dat anderhalf uur is gebeurd: de passage van mevrouw Goupil, de regen, en dan, heel even, mevrouw Amédée. En dan zegt Françoise nog heel verzachtend: il n’est que quatre heures et demie (102:22), ‘het is pas half vijf’. Hier wordt met andere woorden, mede door de suggestie dat er tussen de niet bepaald schokkende gebeurtenissen door wellicht eindeloze stiltes vallen, een peilloze zondagnamiddagleegte geëvoceerd; dit is echt het ritme Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan of dat van Brels Les Vieux.

Dat het Proust in deze passage, die even laborieus is uitgewerkt als dat ze onavontuurlijk is, wel degelijk om de Tijd te doen is, bewijst de perspectiefverruiming die we krijgen na Françoises mededeling dat het ‘pas’ half vijf is (en niet: ‘al’ half vijf). Léonie merkt op dat ze, in deze tijd van het jaar (het perspectief is nu het jaar en niet langer alleen maar de schier eindeloze zondag), op dit uur van de dag het gordijn al een beetje heeft moeten opentrekken om voldoende licht te laten binnenvallen. Dit schrikbarend snelle voortijlen van de tijd brengt zij onmiddellijk in verband met de toorn Gods: il faut que le bon Dieu soit bien en colère après nous (102:26); God wreekt zich op de mens omdat die het er in deze goddeloze tijden naar maakt: on a trop oublié le bon Dieu et il se venge (102:29).

Wanneer Eulalie dan eindelijk toch nog haar opwachting maakt, blijkt ze gelijktijdig met mijnheer pastoor te zijn aangekomen. Dat is niet minder dan een ramp voor Léonie, die veel liever Eulalie alléén heeft want dan kan ze er veel flinker op los roddelen dan met monsieur le Curé erbij. Maar de pastoor moet zij met de nodige honneurs ontvangen. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat zij zijn oeverloze historische praatjes over het kerkgebouw moet aanhoren. Dat is zijn stokpaardje. Deze keer gaat het, op een gezapig Baedeker-toontje, over de brandramen, die op datzelfde ogenblik door een in het stadje neergestreken schilder worden gekopieerd, de etymologie van toponiemen, stambomen van belangrijke historische figuren, heiligennamen en dat het een schande is dat de kerkvloer niet mag worden vervangen omdat hij naar verluidt geheel en al uit grafstenen zou bestaan en die hebben zo hun historisch belang. Dat je bij het geringe licht dat door de brandramen naar binnen sijpelt over de ongelijk liggende stenen struikelt, is voor de bisschop die daarover gaat blijkbaar geen argument.

Het duizelt Léonie, al die namen die de pastoor opsomt. Ze haalt zo al alle namen door elkaar. Dat komt, voegt de verteller ons in een parenthese niet zonder venijn toe, doordat ‘ze zich zo weinig voor andere mensen interesseerde’. Het is dan ook hilarisch dat Léonie zich niet meteen op de meest belangrijke naam focust nadat mijnheer pastoor een karrenvracht geschiedkundige namen over haar heeft uitgestort: Gilbert le Mauvais, sire de Guermantes, le descendant direct de Geneviève de Brabant qui était une demoiselle de Guermantes, recevant l’absolution de saint Hilaire.
– Mais je ne vois pas où est saint Hilaire?
(104:39vv)

Dat had ze beter niet kunnen vragen want nu volgt uiteraard een hele uiteenzetting over deze Sint-Hilaire, en bijgevolg ook over de naar deze heilige genoemde kerk. De ontstaansgeschiedenis van de kerk gaat zelfs terug tot Willem de Veroveraar, en voert tante Léonie, die vóór het binnenkomen van de pastoor nog een eeuwigheid nodig had om enkele minuten door te brengen, nu in enkele minuten door een eeuwigheid. En alsof dat nog niet vermoeiend genoeg is voor haar, evoceert de pastoor nu ook nog een bezoek aan de klokkentoren van zijn Sint-Hilariuskerk. Na de perspectiefwisseling in de tijd, krijgen we een perspectiefwisseling in de ruimte want waar we tot hier toe nauwelijks de tuin en de kamers van twee huizen (dat van de grootouders en dat van tante Léonie) hebben verlaten, wordt ons nu ineens van op de toren een uitzicht op de wijde omgeving van Combray voorgespiegeld. Inclusief een interessante opmerking over wat perspectief teweegbrengt – een opmerking die we uiteraard moeten meenemen voor onze lectuur van deze Recherche, die zelf eigenlijk ook een soort van weids panorama is.

Als je de 97 treden en de spinnenwebben en de lage zoldering hebt overwonnen – alleen al het idee vermoeit tante Léonie – en eindelijk boven op de toren staat, kun je in de verte patronen ontwaren waarvan je normaal gezien, op de grond dus, enkel de verschillende onderdelen apart kunt waarnemen. ‘Telkens als ik naar Jouy-le-Vicomte ging, heb ik wel een stukje kanaal gezien, en als ik een volgende straat insloeg, weer een ander, maar dan zag ik het vorige niet meer. In gedachten kon ik ze me wel tegelijk voorstellen, maar dan kreeg ik toch geen indruk van het geheel.’ Maar de torenbeklimmer is dat overzicht wel vergund: c’est tout un réseau où la localité est prise (106:27). ’t Is, denk ik, geen hineininterpretierung om hierin een leestip van Proust te lezen: probeer het overzicht te bewaren over het netwerk dat de Recherche is, een netwerk van beelden, van metaforen, van details… waarin elk onderdeel in relatie tot de andere staat en daaruit zijn betekenis put.

De pastoor heeft met al zijn verhalen Léonie zo uitgeput, dat ze zich verplicht ziet om meteen ook Eulalie, ook al heeft die tijdens de hele uiteenzetting van de zielenhoeder geen woord gezegd, naar huis te sturen – hoezeer ze ook ernaar heeft verlangd om met haar nog wat te kouten, en dan over zaken die haar méér interesseren dan alle weetjes van mijnheer pastoor. Bijvoorbeeld of mevrouw Goupil op tijd in de mis was voor de elevatie! Het geld dat Léonie Eulalie nog snel toestopt – een gebaar waarop Eulalie altijd met een obligaat gespeeld schijnheilig mengsel van weigering en verwondering reageert –, wekt de wrevel van Françoise op. Mocht Léonie haar geld aan rijken geven, dan zou op hen tenminste niet de verdenking kunnen rusten dat zij Léonie graag zien omwille van haar geld. Maar Eulalie is armer en staat dus onder de verdenking van oneigenlijke belangstelling voor Léonie. Proust legt haarfijn de mechanismen bloot die de hiërarchieën van macht en ondergeschiktheid verstevigen en bestendigen. Niet de bovengeschikte moet daarvoor zorgen, de ondergeschikte zelf houdt in al zijn onderdanigheid en slaafse bewondering voor zijn meerdere het gevoel voor de ‘juiste’ verhoudingen in ere.
Exit dus de pastoor én Eulalie, en verdorie, nu heeft tante Léonie Eulalie toch wel vergeten te vragen – La seule chose importante que j’avais à luid demander! (109:2) – of mevrouw Goupil op tijd was voor de elevatie!


De volledige tekst, inclusief de dertien vorige afleveringen, van deze Proust-lectuur is te vinden op Rechercheur.

826 / Lyonne 4/4