donderdag 29 januari 2015

Orhan Pamuk, Het Museum van de onschuld



Catalogusroman

Met zijn zeshonderd-en-zoveel bladzijden waarin er alles bij elkaar toch niet zo heel veel gebeurt, stelt Orhan Pamuk in Het Museum van de onschuld het geduld van zijn lezers danig op de proef. Dan rijst de vraag of zijn literaire innovatie – de roman als catalogus van een samen met de roman opgericht museum – voor de veeleisende lezer die, omdat hij zo veel te lezen heeft en dus te kampen heeft met chronisch tijdsgebrek, voldoende return on investment biedt.

Het Museum van de onschuld brengt het verhaal van een obsessionele verliefdheid. De hoofdpersoon Kemal, die door de schrijver op een prettig-impliciete wijze niet helemáál wordt gevrijwaard van autobiografisch geïnspireerde trekjes, verlooft zich met Sibel, een meisje uit dezelfde zeer gegoede Istanbulse kringen waar hij zelf deel van uitmaakt, maar amuseert zich ondertussen wel met Füsun, een meisje van eenvoudiger komaf. Hij neemt zich voor om deze pre-buitenechtelijke liaison ook na zijn huwelijk met Sibel voort te zetten. Dat zou in de Ottomaanse 19de eeuw misschien nog wel mogelijk zijn geweest, maar in het Istanbul van de jaren zeventig-tachtig van de 20ste eeuw valt Kemals macho-ideaal al wat minder goed.

De uit zijn voegen barstende en zeer snel veranderende megalopolis balanceert op het raakvlak van twee tektonische cultuurplaten: het traditionele, islamitische Turkije in het Oosten, en het liberale, kapitalistische, geseculariseerde, ‘moderne’ Westen schuren daar aan de Bosporus tegen elkaar aan. Kemal valt met zijn onaangepaste, zeer sterk door zijn libido gedirigeerde amoureuze verwachtingen tussen twee stoelen en verliest zowel Sibel als Füsun. Vervolgens brengt hij een groot deel van zijn leven door met een obsessioneel rouwproces, dat zich veruitwendigt in het verzamelen van alle objecten die hem aan Füsun doen denken. Zijn collectie vormt de basis van het museum dat Orhan Pamuk inmiddels zelf in de Istanbulse werkelijkheid heeft opgericht – een exemplaar van de roman geldt als toegangsticket. Hoe kun je realiteit en fictie nog meer op elkaar doen ingrijpen?

Deze dunne verhaallijn krijgt op het eind nog een afwikkeling die ik hier uiteraard niet zal onthullen. Het gros van het dikke boek gaat op in eindeloos herhaalde bezoekjes aan Füsun en haar ouders, in een microscopische analyse van de kleinste gemoedsbewegingen, in het relaas van het dwangmatige verzamelen van al die objecten (iemand heeft ze geteld, de catalogus van het Museum zou meer dan vierhonderd items tellen), in de obsessionele liefdeslitanie van een in vele opzichten uitermate zwak en moreel niet bijzonder hoogstaand hoofdpersonage.

En toch is Het Museum van de onschuld een literair waagstuk waarvan ik zeer zeker genoten heb. Want zoals het met goede romans gaat, is ook hier het verhaal zo ongeveer het minst belangrijke onderdeel, het vormt in elk geval niet méér dan een opstapje naar datgene waar het de auteur werkelijk om te doen is. En bij Pamuk is dat heel veel.

Pamuk behandelt het thema ‘Istanbul als kruispunt van culturen’ voorzichtig. Hij kiest, terwijl op de achtergrond bomaanslagen worden gepleegd en politiepatrouilles door de stad trekken, geen kant – wellicht ook omdat hij als in het Westen zeer gewaardeerde progressieve intellectueel (Nobelprijs 2006) voor het conservatieve Oosten een beladen figuur is. De recente ontwikkelingen in zijn verhouding met het radicaliserende bewind bewijzen dat het evenwicht precair is.

Als voornaamste klaarblijkelijke verschil tussen beide culturen belicht Pamuk de huwelijksmoraal, ofte ook de verhouding tussen de seksen. Het grootste verschil tussen Oost en West is hier gelegen in de maagdelijkheidsverwachting waaraan toekomstige bruiden in een traditioneel-Turkse omgeving blijkbaar nog te beantwoorden hebben. Het Museum van de onschuld wordt op die manier ook een boek over liefde en seks, en over de onoverbrugbare Bosporusbrede breuklijn die evengoed in het Westen als in het Oosten de relaties tussen mannen en vrouwen ingewikkeld maakt.

Ook de sociale stratificatie, met de kloof tussen de rijke bovenklasse en een krasselende middenklasse (de armen blijven buiten beeld), is een belangrijk thema. 

Daarnaast laat Pamuk zijn antiheld Kemal zijn interesse ‘antropologisch’ noemen. Het Museum van de onschuld onderzoekt hoe de mens met zijn verzamelingen van over het algemeen banale en waardeloze prullen probeert orde aan te brengen in de chaos en onvoorspelbaarheid van zijn bestaan. De werkelijkheid, met al haar toevalligheden en absurditeiten, heeft hij te ondergaan; met een museale collectie of alleen al met een huishouden vol nutteloze en aangespoelde voorwerpen die zijn gewoonten materialiseren, kan hij de zinloosheid bedwingen. Dit antropologisch gegeven heeft met fetisjisme, wat je liefdesobjectenverzamelaar Kemal in een oppervlakkigere psychologiserende lezing zou kunnen aanwrijven, niet veel van doen. 

Daarnaast is dit boek, zoals het eigen is aan postmoderne boeken, een boek over het schrijven zelf en wat dat schrijven in het leven kan betekenen. De roman begint met Kemals vaststelling dat hij net ‘het mooiste moment van zijn leven’ heeft beleefd. Een vreselijke vaststelling is dat, want wie tot een dergelijk besluit komt, zegt meteen dat hij dit moment nooit zal evenaren. Daardoor wordt het vertellen van het verhaal van het eigen leven een manier om met het verlies, met de neergang na het hoogtepunt, om te gaan. De roman wordt een poging om de Tijd, mét hoofdletter, te overwinnen. De Tijd die, zoals Pamuk hem, met een verwijzing naar Aristoteles, ervaart, bestaat uit een aaneenrijging van momenten die perioden van vergetelheid afwisselen – en laat het dan gelukkige momenten zijn want een ander verhaal dreigt ondraaglijk te worden. Ook de (auto)biografie is, zo bekeken, een verzameling en dus, in zekere zin, een museum. Het Museum van de onschuld is niet alleen de catalogus van een verzameling voorwerpen maar ook, als poging om de Tijd te overwinnen, een opsomming van gelukkige momenten.

Ook onze behoefte aan verzachtende fictie is, vooral in de aan de populaire Turkse en Amerikaanse film gewijde hoofdstukken, een neventhema van deze roman. Zoals ook het belangrijke onderscheid tussen het authentieke – niet alleen als eigenschap van voorwerpen maar ook als kwaliteit van door sociale conventies en codes gestuurde gedragingen – en de vervalsing wordt uitgespit, en de ondoorgrondelijke manier waarop voorwerpen, zoals bij Proust, met emotie en herinnering worden beladen.

Kortom, Het Museum van de onschuld is veel meer dan een ééndimensionaal, opsommerig en bijgevolg langdradig verhaal. Onder de oppervlakte schuilt een zich langzaam openbarende rijkdom, waarop de goede lezer niet na één bezoek zal uitgekeken zijn.

op verhaal 20


Alpenkauwen

Ik ben niet vergeten wanneer ik voor het eerst bergen zag. Het zal mij altijd bijblijven, al ben ik mij ervan bewust dat ik mijn herinnering schematiseer en vervorm. Dat is eigen aan herinneringen, en a fortiori aan relazen van herinneringen.

Het was al nacht en ik zag op een voor mij ongewone hoogte lichten in de verte die geen sterren konden zijn. Hierdoor werden de coördinaten waarmee ik tot dan toe mijn immer vlakke wereld was tegemoet getreden danig op de proef gesteld. Het was een nogal ingrijpende ervaring, een beetje, denk ik nu, zoekend naar een vergelijking, zoals bij proefpersonen die, om de hypotheses van waarnemingspsychologen te stofferen, gedurende enige tijd een bril opgezet krijgen die hen de wereld op zijn kop doet zien. Na enige tijd corrigeren de hersenen deze vervorming. Het gevolg is dat, wanneer de proefpersonen hun bril mogen afzetten, zij de wereld opnieuw op zijn kop zien, maar nu zonder bril. En opnieuw kunnen de hersenen aan de slag. Desoriëntatie.

Iets dergelijks overkwam mij dus toen ik voor het eerst de bergen van het Lechtal zag. Dat hadden we eindelijk bereikt, na een hele dag schoolreizen met de trein dwars door België en Duitsland, en vervolgens met de bus door een stuk van Oostenrijk. Het Lechtal ligt in Oostenrijks Tirol. Op de trein had ik niet mogen meespelen met een klasgenoot die het gezelschapsspel Stratego had meegenomen. Ik had mij uitgesloten gevoeld en vind het nu benauwend dat ik mij niets anders van die reis herinner.

Het eindstation van de trein was Lech, dat is nog niet echt het hooggebergte. De bus die ons op onze eindbestemming moest brengen, reed na het invallen van de duisternis. (De naam van het dorp waar we een week zouden verblijven in een soort van jeugdherberg, ben ik kwijt.) De herinnering aan die hoge lichten heb ik van die busreis. Naarmate we hoger in het Lechtal klommen, werd de weg bochtiger. Ik werd wagenziek.

Ik weet ook nog levendig – of beeld ik mij dat in? – hoe verbaasd ik ’s anderendaags was toen ik de bergen voor het eerst bij daglicht zag. Dit was een proportie, een maat die ik niet kende. Ik was onder de indruk. Ik keek met ontzag naar de rotswanden die onmiddellijk achter ons verblijf tot door mij nooit eerder ervaren hoogten opklommen. Er liep een wandelpad langs die wand omhoog, af en toe verdween dat pad in een tunnel, waarin dan weer ramen waren uitgehouwen, die, eens je in die tunnel was aangekomen, uitzicht boden op ons Märklin-klein geworden verblijf. Naast dat verblijf stortte een bergstroom zich met voor mij – opnieuw – ongekend geraas naar beneden. We zouden in de week die volgde door water en tijd gepolijste stenen verleggen in die stroom en ook dat pad naar boven bewandelen, tot helemaal op de Alpenweiden waar de grens met Duitsland lag. Tijdens die wandeling werden we overvallen door een onweer. Ik werd andermaal ziek, en kon daardoor het tempo van de marcherende groep maar met moeite volgen. Ik kreeg die dag de dagelijks toegekende Prijs van de Moed. Ik herinner me ook alpenkauwen te hebben gezien.

Alpenkauwen kun je gemakkelijk herkennen: ze zien eruit als kauwen, dat is logisch, maar ze hebben gele snavels.

3857

Oostende - 141213

woensdag 28 januari 2015

niet opgenomen 75

141121

reactie



Goede avond Pascal
Graag wil ik er het volgende citaat aan toevoegen (uit Happinez, nr. 8 van 2014, blz. 27)
“Boeddha zei: ‘Eén woord dat vrede brengt, is meer waard dan duizend holle woorden.’ Dat is sanyam (Sanskriet voor zelfdiscipline). Praat minder, maar zeg iets wat geluk brengt. Begrijp dat er grenzen zijn. Vrede is alleen mogelijk binnen grenzen. Ook een rivier kan alleen stromen binnen de grenzen van zijn oevers. Als die er niet zijn, wordt de rivier een overstroming en is er geen vrijheid meer.”
(woorden van Satish Kumar, 78 jaar, leerling van Ghandi)
Vrijheid van meningsuiting: we hebben de vrijheid om bewust ervoor te kiezen niets te zeggen wat de vrede niet dient!
Met vriendelijke groeten
C.C.