zondag 28 februari 2010

059/365

reactie

Hoe de grootste Franse schrijver - in elk geval één van de grootste en voor mij de allergrootste - die pamfletten heeft kunnen schrijven. Er is al zeer veel over geschreven : zijn racisme dat biologisme was, zijn pacifisme (geen 2de wereldoorlog om de Joodse zaak te dienen), zijn caracteriële verwrongenheid ... Deel het resultaat van je opzoekingen mee !
S.

de dingen 21

facebookbericht 235

gaat vandaag uitzoeken hoe het in godsnaam mogelijk is geweest dat Céline zo'n rabiate antisemiet is kunnen worden.

zaterdag 27 februari 2010

058/365

dag 904 – 100205 – vrijdag

Wat had die kerel een opzichtige cravatte, zeg! Hij leek wel een bobo ban RFC Anderlecht, met dat mauve et blanc. Zijn haar geföhnd, zichtbaar op zijn gemak, om niet te zeggen in zijn nopjes, naast die schlemielige bisschop van Brugge. Ze deden goede maatjes, die twee – de VRT-Afrikaspecialist smeerde de prelaat vakkundig stroop aan de tabbaard, je moest er enkel nog de missiepost, een witte tropenhelm en de hutten met strooien dakjes bij denken.

Aan de andere kant van de tafel zat de uitdager. Kardinaalsrood strijdhemd, hij was in elk geval veel smaakvoller gekleed dan zijn opponent en dan monseigneur. Hij keek zorgelijk – of was het sceptisch? – terwijl hij luisterde, of juist niet luisterde, had ik de indruk, naar de hersenspecialist van het eerste item die uitlegde hoe je moest communiceren met comateuzen. Ja, ik had die indruk: de indruk dat wat die hersenspecialist communiceerde over hersenen meteen in de vorm van minuscule stroomstoten en organische varianten van bits en bytes aan een eindeloze dwaaltocht begon door het kronkelende nanodoolhof van synapsen en dendrieten onder des uitdagers onder het genadeloze studiolicht blikkerende schedelpan. Om daar uiteindelijk in een of andere doodlopende steeg of vergeten kamer te worden achtergelaten, en onder het stof van vele jaren Congostudie en dagelijkse beslommeringen van welke aard ook te worden bedolven.

Toen die neuroman zijn hersenmaquette bovenhaalde, bespeurde ik in de ogen van de uitdager niets méér dan een flauwe afspiegeling van de zweem van een belangstellende glinstering. Maar ook die flauwe afspiegeling vervaagde spoedig, zo druk leek de kardinaalrode uitdager het te hebben met het inwendig voorbereiden van de speech waarmee hij het peilloze heir van belangstellenden in de talloze huiskamers zou overtuigen dat ze beter wat kritischer zouden luisteren naar wat die Peter Verlinden hun, zij het dan wel meestal zonder mauve cravatte, telkens opnieuw voorschotelt vanuit een of andere gore achterafbuurt in Boma waar hij nog maar eens een nazaat of verre bloedverwant had opgeduikeld van iemand die er ooit was bijgeweest, op die rondetafelconferentie waar de Congolese onafhankelijkheid was geregeld. Zij het op de derde, of vierde, rij.

Inhoudelijk moet ik hier zeker niets uiteenzetten, het is beter te verwijzen naar het heldere artikel van Ludo De Witte op de Werktitel.be. (En naar de repliek daarop van Peter Verlinden, en eventueel ook de commentaar van Marc Reynebeau.) Maar ik wil de uitdager wel een paar adviezen geven waarmee hij een eventuele volgende keer zijn profijt kan doen want ik had niet de indruk dat zijn boodschap goed is overgekomen.

Nu moest Ludo De Witte wel afrekenen met twee grote handicaps. De eerste was dat Peter Verlinden een thuismatch speelde, de tweede dat de materie veel te complex was voor de hapsnap huisstijl van het praatprogrammaatje ‘Phara’ waarin hij was terechtgekomen. Hij zat daar wat verloren aan dat uiteinde van de tafel, half verscholen achter de breinspecialist, ver van prelaat en persbobo.

Toen ‘Phara’ hem vroeg of hij boos was, wist ik dat de strijd verloren was. Zij bezegelde zijn lot: de mensen zouden niet meer begrijpen wat hij eigenlijk had willen zeggen en zouden geloven dat hij écht kwaad was en dat is iets wat ze niet graag hebben zo vlak voor het slapengaan.

Het was al slecht begonnen voor De Witte, nog voor hij aan het woord was gekomen. Verlinden had al een paar punten gescoord door twee of drie keer iets te zeggen tijdens het gesprekje met de bisschop, terwijl zijn uitdager afzijdig was gebleven. Verlinden verscheen dus min of meer opgewarmd in de ring, terwijl De Witte koud moest starten.

De merde was natuurlijk dat ze met dat filmpje afkwamen. Hoe kon Ludo De Witte nu in de hem toegemeten twintig seconden samenvatten wat hij in zijn tekst voor de Werktitel zo haarfijn had uiteengezet? Hij vermeed zorgvuldig het noemen van al te veel namen van personen of partijen: mensen die daar nog nooit van hadden gehoord zouden daarin toch maar hun weg verliezen, en dus hun interesse – als ze die al hadden voor die veraffe zaak waar niemand nog van wakker ligt. Daar deed hij dus goed aan. Maar het probleem was, denk ik, dat hij niet tot zijn ‘plan B’ kwam. Hij bleef steken bij een vage kritiek aan het adres van Verlinden, die met een demagogische schouderklop pareerde: ‘Ach, die Ludo, hij is heus niet boos hoor, wij gaan straks samen een pint drinken en dan praten we het wel uit.’

Nochtans kreeg Ludo De Witte een open doelkans voorgeschoteld. Een vreselijke blunder in de RFCA-verdediging, een foute terugspeelbal zeg maar: hij had hem er maar in te leggen. Maar hij benutte de kans niet, waarschijnlijk was hij te verrast. Het was hybris van Verlinden om te zeggen wat hij voor de camera’s niet hoorde te zeggen. Namelijk dat de historische waarheid er niet toe doet als het er op aankomt om de aandacht van de kijker gaande te houden. Met andere woorden: Verlinden gaf open en bloot toe dat zijn nieuwsgaring, zijn arbeid als integere en objectieve journalist, ja zelfs als historicus, op een even platte manier onderworpen is aan de wetten van de kijkcijfers als bijvoorbeeld ‘De slimste mens ter wereld’ – hetgeen hij hier duidelijk even niet was.

Kijk Ludo, hier had je die kerel kunnen oprollen. Maar je deed het niet. Waarom weet ik niet, ik neem toch aan dat je die man niet wou spáren voor de draagwijdte van zijn eigen stommiteit.

De kans ging voorbij en het gesprekje ging voorbij. De uitdager deed nog een poging om duidelijk te maken waar het hem om te doen was – maar ik geloof niet dat de doorsnee kijker daar iets wijzer van werd. Die dacht waarschijnlijk: ach, straks gaan die twee dat samen tussen pot en pint oplossen, wat zou ik mij daar druk om maken. De ‘straks pakken we samen een pint’-opmerking was een meesterzet van Verlinden.

Hoe had De Witte het dan wel moeten aanpakken? Hij had een superkort statement moeten voorbereiden. Hij had moeten weten dat ze met dat filmpje gingen afkomen. Hij had al moeten warmlopen tijdens het gesprekje met de neuroloog en het gesprekje met de bisschop. Hij had niet zo ‘boos’ mogen kijken. En dan had hij die mauve Vermeulen met één quote moeten neersabelen.

Maar ja, zo werkt het niet. Die spots branden genadeloos; die geföhnde bobo slijmt bij de prelaat en doet alsof hij alles weet van hersenchirurgie; hij speelt onder één hoedje met de ankervrouw… De luttele minuten die voor dit item werden uitgemeten en het momentum gaan voorbij en daar start al het muziekje van de eindgeneriek; zeventig jaar kolonialisme en vijftig jaar onafhankelijkheid rollen met ondraaglijke lichtheid weg in de grote vergeetput van het televisuele geheugen.

2059

Brussel, Leuvense Weg – 100223

donderdag 25 februari 2010

056/365

dag 902 – 100203 – woensdag

overschrijven 134

Ontmoeting tijdens een storm

Papendrecht! Papendrecht!
met je futuristische wolken
roestbruin, groen, rose als
het goddelijk italiaans ijs.

Papendrecht! Papendrecht!
met je Dada-werkdagen, wind
regen en piskleurige hemel,
met je bleke nachtlampen en
gestamp van scheepsmotoren.

Die jonge keizer op de pont
naar Dordrecht, knipoogt
en terwijl bruin water
over het dek spoelt
houden wij elkaar vast
en de reling natuurlijk.

Ik ga als een schizofreen
de mogelijkheden na en geef me
over aan de wildste redenaties.

Papendrecht, nachtelijk Papendrecht
met je woest donkere havenwater en
het vrijdagavond-geluk dat wacht.

Zeer kleine diamanten hangen
aan de hijskranen en silo's en
zwarte meeuwen vliegen krijsend op.

Maar op de kade blijkt mijn keizer
gewoon een matroos op wie gewacht werd.


Willem Bijsterbosch (1955-2010)
uit: Motief onbekend (1981)

Met dank aan
Laurens Jz. Coster

2057

Knokke – 091214

woensdag 24 februari 2010

055/365

facebookbericht 234

zag op de trein een roodharige jongeman Kalme chaos van Sandro Veronesi lezen.

debuut 19

Een nieuw taalhuis

Joana Serrado (1979), die eerder al in het Portugees een bundel publiceerde, werkt in Groningen aan een theologisch proefschrift. Ze studeerde Nederlands in haar geboorteland. Drie van de vijf onderdelen van de tweetalige bundel Emparedada / Uit de muur werden in het Portugees geschreven en door Arie Pos naar het Nederlands vertaald, een werd rechtstreeks in het Nederlands geschreven, en een in het Latijn en ook naar het Nederlands vertaald, eveneens door Arie Pos. Strikt genomen is hier dus enkel van een debuut in het Nederlands sprake voor wat betreft het vierde onderdeel. Dat is de gedichtencyclus ‘Uit de muur’. Vreemd, overigens, is dat de Portugese bundeltitel dezelfde is als de titel van het tweede onderdeel, ook een cyclus, ‘Ingemetseld’, terwijl de Nederlandse bundeltitel gelijk is met die van de cyclus die in het Nederlands is geschreven maar die in het Portugees dan weer ‘Da Parede’ heet. Ook de ondertitel die deze bundel – enkel in het Nederlands – heeft meegekregen, Een gedichtencyclus, zorgt voor verwarring want de bundel bestaat uit meerdere cycli. Of dan toch uit vijf onderdelen waarvan er slechts twee een cyclus kunnen worden genoemd – aangenomen dat een cyclus uit meer dan één gedicht bestaat.

Hebben Portugezen het recht om te dichten in de Nederlandse taal? Uiteraard! Daarvoor moeten zij, wat mij betreft dan toch, geen verhandeling schrijven – zoals Joana Serrado doet met haar vijfde en afsluitende bundelonderdeel, ‘De Vrije Zang’. Zij noemt deze pamfletachtige of verordeningachtige tekst een ‘verhandeling over het recht dat Portugezen bezitten om te dichten in de Nederlandse taal’.

Het eerste bundelonderdeel is, strikt genomen, ook niet echt poëzie. Je zou het een stukje poëtisch proza kunnen noemen, een prozagedicht. Het wordt aangekondigd als ‘Manifest’ en het draagt de titel ‘Een brandende tong’. Het gaat over een ‘perverse vertaler’ die in Portugal afrekent met God en as en vrouwen, en die naar liefde hunkert.

Ook het derde onderdeel is niet echt een cyclus want het bestaat uit slechts één gedicht: ‘Klompen’. Hier scharniert de bundel tussen beide bundelonderdelen die wél cycli kunnen worden genoemd: de in het Portugees geschreven cyclus ‘Ingemetseld’ en de in het Nederlands geschreven cyclus ‘Uit de muur’.

Met deze structuur voor ogen gelezen, blijkt de bundel, op zijn geheel genomen, het verslag te zijn van een bevrijding, van een afstand nemen niet alleen van een land maar ook van een taal, van het zoeken en herwinnen van een nieuwe identiteit. Hier het gedicht ‘Klompen’:

Ik wilde je zeggen hoe mijn stappen zijn die mij van je verwijderen.

Hoe ik niet leef voor jou, niet eens schrijf voor jou.

Hoe ik niet denk aan mijn liefde en je evenmin bemin in gedachten.

Hoe ik je niet zie op de plaatsen waar we nooit samen waren.

Hoe je me niet vertrapt wanneer je me dwingt je stappen te volgen, of hoe je
me niet plet wanneer je de schoenen uittrekt van de leonoors die drinken uit jouw bron.

Hoe ik ferm en vol vertrouwen door de Nederlandse weiden loop, tussen koeien en
modder, en me steeds verder van je verwijder.

Hoe mijn stappen zich verwijderen van jouw stappen, rennend naar de verre verten,
in de hoop dat de wereld werkelijk rond is, en niet plat,
en dat ik op een dag achter je sta, mijn handen op je ogen leg en zeg
a minha pátria já não é a minha língua.
Die laatste zin luidt in de Portugese versie op de linkerpagina: ‘mijn thuisland is niet meer mijn taal’. Wat ‘leonoors’ (leonores) zijn, heb ik niet kunnen achterhalen.

Het tweede onderdeel, de cyclus ‘Ingemetseld’, toont ons een volledig afgedicht huis: de deuren zijn gesloten (en de sleutels zoek), de vensters zijn afgedicht, de keldergaten gebarricadeerd met boeken, met oud kristal, met ‘geborduurde tapijten uit Arraiolos, gemaakt / van spataderen in kruissteek’, en met ‘hemelse kurk / dat de stemmen opzuigt in een scheerlingse schemerlamp’. De weg naar de zolder leidt over puin, spijkers en splinters. En het is er donker:

Er is geen licht
er zijn geen zekerheden.

Elk moment
verzinken we
en vallen we in het puit.

Dan komen we boven, op het dakplat waar we naar ontploffende sterren kunnen kijken en waar we beseffen dat ‘je zwaarte moet verliezen om te kunnen vliegen’.

In de tien in het Nederlands geschreven gedichten van de cyclus ‘Uit de muur’ zien we een dichteres op zoek naar een houvast in een nieuwe taal, in een nieuw land. Ze proeft, (gespeeld?) stuntelig, de smaak van die taal, terwijl ze verwonderd kijkt naar de eigenaardigheden van het land. Zo kan het gebeuren dat zij in woorden, die niet één native speaker als taaleigen zou beschouwen, iets typisch Nederlands op het spoor komt. Het woord ‘luttikhuis’ bestaat, voor zover ik met de hulp van Google kan beoordelen, in Nederland enkel als familienaam (en in Vlaanderen al helemaal niet): ‘taxibedrijf Luttikhuizen’ te Losser of ‘musicus Dick van Luttikhuizen’ in Dordrecht. Serrado moet die naam ergens hebben opgevangen en gebruikt hem – omdat hij zo mooi klinkt wellicht – in het gedicht ‘Luttikhuizen’: ‘Gevonden / een luttel luttikhuis op de Ossenmarkt’. In dat luttikhuis wonen nijlpaarden, en er gebeuren nog wel meer rare dingen: ‘Bach kwam van beneden / Piaf door de binnendeur […] // Een demiurg / schept marsepein op de trap. // Ik hoor de zenuwslopende stofsuiker die mijn lichaam / opzuikt.’ (Geen toeval dat de muziek, als universele taal, een brug vormt tussen de verschillende taaleigens.) ‘En ook: ‘hun helende zaligheid / kon ik nooit vertalen / alleen dyslectisch verlaten’. ‘Verstond ik maar de kunst van het vertalen’, verzucht de nieuwaangekomene, ‘Alles is met dode taal beslagen’.

De nieuwaangekomene zoekt naar een huis in de taal maar ook in de stad, in een overvol Holland. Zij belandt in een transitzone, tussen inburgeraars en sans papiers:

Terwijl
de zondaren
zonder papieren
opgeofferd worden
binnen de wanden
van een schip-hol-land.

Stilaan verwerft ze voor zichzelf spreekrecht, op basis waarvan ze dan fier, in het laatste bundelonderdeel, haar verhandeling over haar recht als Portugese om in het Nederlands te dichten kan neerpennen – en ze doet dat in het Latijn, opdat elke ontheemde haar zou begrijpen.

Joana Serrado
Emparedada / Uit de muur
Passage, Groningen, 2009
72 p./ € 14,50

Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2009/7

2056

F. – 100223

dinsdag 23 februari 2010

054/365

facebookbericht 233

is onder de indruk van Princhard monoloog in het zesde hoofdstuk van Reis naar het einde van de nacht.

2055

Brussel Centraal – 100210

maandag 22 februari 2010

getekend 23

053/365

facebookbericht 232

hoort verschillende mensen onafhankelijk van elkaar zeggen dat hij er moe uitziet en leidt daaruit af dat hij inderdaad moe is.

mijn woordenboek 250

AKOESTIEK

Ik betreed de kerk van de Romaanse abdij van Le Thoronet. In de middenbeuk van het schip staat, bij zijn groep die op de banken heeft plaatsgenomen, een man rechtop, hij houdt zijn hand op zijn borst, buigt het hoofd. Hij laat van ergens uit zijn buik een grommend geluid aanzwellen. Hij houdt die toon lang aan. Hij zingt zacht. Maar doordat het in deze ruimte, buiten die ene toon, volstrekt stil is, vult zijn toon, die nu moduleert rond een paar noten (of hoe zeg je dat, ik ben niet thuis in het muziekjargon), moeiteloos de hele ruimte. Tot hoog in het tongewelf. En dan begint die man, nog steeds voorovergebogen, aan zijn rondgang. Voorin in het koor, ter hoogte van het altaar, schrijdt hij de rechterzijbeuk binnen, die hij vervolgens in de richting van het portaal terug afstapt. Langzaam en plechtig zingt hij een oosters aandoende melodielijn. Hoge uitschieters en lage bastonen wisselen elkaar af. De groep luistert verbluft naar dit hemelse gezang. En inderdaad: of de zingende gids nu in het midden staat, of vooraan in het koor, of achteraan of in de zijbeuk – overal klinkt zijn stem even perfect, even vol, even volumineus.

En tegelijk kun je een speld horen vallen. Fotograferen met de spiegelreflexcamera is onmogelijk want die maakt een gênant kabaal.

Dááraan denk ik wanneer ik in een of ander parochiezaaltje met een te laag plafond en te grote ramen en een vloer van gietbetontegels krimp onder het schelle geluid van een kwebbelende familie waarin niemand schijnt te beseffen dat als iedereen op een gewone toon zou spreken er niet zou moeten worden geroepen. In zo’n ruimte vallen de mensen ook stil, de oudsten het eerst. Niet van verbazing of verwondering maar van vermoeidheid en van het verlangen om zo spoedig mogelijk aan deze triestmakende onherbergzaamheid te kunnen ontsnappen. Wat níet kan want dit is een familiefeest.

Goede architectuur is belangrijk. Een goede architect denkt altijd, behalve aan licht en lucht, warmte en verkoeling, ruimte en geborgenheid, ook aan akoestiek.

2054

A-L – De Panne, 100214

zondag 21 februari 2010

052/365

mirage 17


facebookbericht 231

ziet dat De Contrabas Assistent 'is peeping his profile' en vraagt zich af wat dat te betekenen heeft.

mijn woordenboek 249

AKKOORD

Het akkoord houdt zich ergens halverwege op. Het eens zijn met iemand betekent: een toegeving doen, zonder daarbij gezichtsverlies te leiden. Het zal wederzijds zijn of niet zijn. Er moet sprake zijn van een win-win. Het akkoord is een toegeving die de gedaante aanneemt van een overwinning. De achterban moet het kunnen slikken.

Het akkoord wijst op een vorm van conformisme en, eventueel, vleierij: ‘Ik ga helemaal akkoord met…’ – en dan volgt meestal de naam van iemand die vreemd genoeg altijd in hóger aanzien staat. Want met iemand van geringere status valt er in het akkoord geen eer te behalen. Als we dezelfde mening hebben als zo iemand, doen we er liever het zwijgen toe.

Als we toch expliciet akkoord gaan met iemand met een geringere status, dan willen we op die manier iets bekomen – zij het dat dat iets zich op een ander vlak bevindt. Ook hier is sprake van een afweging: het gezichtsverlies dat we lijden door akkoord te gaan met de persoon met een geringere status wordt gecompenseerd door een andere waarde dan deze die gelegen is in het hebben van dezelfde mening. Wij kunnen bijvoorbeeld door de persoon met de geringere status gelijk te geven hem, of haar, beter in onze machtsgreep knellen en hem op andere manieren en andere vlakken aan ons knechten.

Inhoud is zelden waardevrij. Er speelt vanalles mee in onze oordeelsvorming. Onberekenbaarheden, imponderabilia. De meningsuiting is vrij, zegt men, maar dan mag je wel even geen rekening houden met de sociologische ballast van afweging en berekening die eraan vast hangt. Het akkoord is altijd veel meer dan de eenvoudige vaststelling van een gelijklopendheid in de meningen; er speelt altijd een berekening mee.

Tenzij, tenzij er zoiets bestaat als een soevereine meningsvorming, een totale, absolute eigenzinnigheid, een volstrekte onconventionaliteit, een volledig onthecht zijn van sociale implicaties.

2053

zaterdag 20 februari 2010

051/365

driekleur 19

Ze heeft pikzwart haar, welgevormde botten. Iets van een gouden glans op haar huid, geglaceerd zou het woord kunnen zijn. Wat het felrode hemdjurkje betreft, dat is misschien niet het kledingstuk dat ze zou hebben gekozen als ze vreemd mannelijk gezelschap in de wasserette had verwacht om elf uur ’s ochtends op een doordeweekse dag.

J.M. Coetzee, Dagboek van een slecht jaar, 12

facebookbericht 230

leest tegen de klok.

terugblik 37 (560 / 1000)

Wij fotograferen zaken omdat ze afwijken van het gewone, omdat ze vreemd zijn. Maar wanneer is iets vreemd? Het is altijd vreemd voor ons. Misschien ben ik de enige die het vreemde in iets gezien heeft. Ik moet ermee leven dat een ander er straal aan voorbijloopt. Een vorm van exclusiviteit, ook aan de zijde van de waarnemer, is onlosmakelijk verbonden met de notie van het vreemde. U zou dit huis misschien niet hebben gezien. U zou er misschien aan zijn voorbijgelopen. Maar nu ziet u het wel. Door de nadruk die ik erop leg – vooral door het in zijn kader te isoleren van alle andere zaken die uw aandacht zouden opeisen omdat ze allemaal, in een welbepaald opzicht, vreemd zijn – bent u wel gedwongen het te zien. En ja, nu ziet u misschien ook waarom ik dit huis vreemd genoeg vond om het te fotograferen. Om het aan u te tonen, want dat is fotograferen ook: je wilt iets delen met wie zo vriendelijk is ernaar te kijken. Daarvoor moet je je best doen. Je moet het onderwerp zodanig tonen dat het de aandacht trekt. Daar moeten de omstandigheden je een beetje bij helpen: het licht, het tijdstip, de atmosfeer. Fotograferen is altijd ook: het vreemde, het bezienswaardige, isoleren en tonen. Vragen om ook te kijken. De fotograaf nodigt uit tot het zien van het bezienswaardige.

driekleur 18

De bruingele parketvloer, waarvan alleen het middenstuk door het rode tapijt werd bedekt, weerspiegelde vaag het onderste gedeelte van de heer Von Trotta, de zwarte broek, de vergulde punt van de degenschede en ook de deinende schaduw van de rokpanden.

Joseph Roth, Radetzkymars, 324

2052

vrijdag 19 februari 2010

050/365

de dingen 20


ondertussen in Brugge 145


dag 900 – 100201 – maandag

baraque lecture 53

Emmanuel Le Roy Ladurie wijst in zijn voorwoord op de Franse uitgave van Mijn dorp in Frankrijk van Henri Baudet (oorspronkelijk uitgegeven in 1955 en vertaald als Mon village en France) op het verdwijnen van de zin voor het sparen en, daarmee, van de zin voor de lange termijn. Op hun hoede na twee gruwelijke wereldoorlogen, investeren de boeren niet meer in de noodzakelijke vernieuwing. Bovendien genieten ze de eerste verworvenheden van de sociale zekerheid. Daardoor is er minder noodzaak om zich in te dekken tegen onverwachte ziekten of calamiteiten. Bovendien zijn de boeren afgunstig op het toenemende aantal fabrieksarbeiders in hun dorp, arbeiders die elke dag naar de stad pendelen waar de industrie zich vestigt en die meer verdienen en dus meer overhebben voor de producten van de welvaart die ze in de stad leren kennen. En natuurlijk bereiken die nieuwe producten, plus de nieuwe behoeften die ze in het leven roepen, via de handelsreizigers, de toegenomen mobiliteit en de media de tot de jaren vijftig van de twintigste eeuw in grote mate geïsoleerde dorpen, waarvan het door Baudet beschreven dorp een prototype is. Het consumentisme doet zijn intrede, het onmiddellijke genot. De verandering heeft niet alleen, zegt Le Roy Ladurie, te maken met ‘l’euphorie qui naît de la possession’, het gaat om ‘un rapport nouveau vis-à-vis de l’argent, de la prévision à long terme, de la vie en un mot’.

Deze vaststelling werpt een licht op de moeilijke verhouding die landbouwers, of de rurale gemeenschap in het algemeen, heeft met de ecologische problematiek: het ontbreken van een zin voor de lange termijn.

2051

Brussel – 100210

donderdag 18 februari 2010

049/365

facebookbericht 229

hoorde vandaag het verhaal van een moegetergde en kolerieke vader die het 78 toeren-plaatje 'Eddy de Eskimo' dat aan zijn 10-jarige dochter toebehoorde kraakte omdat ze het al de hele dag telkens opnieuw had laten afspelen.

dag 899 – 100131 – zondag

overschrijven 133

Zijn technisch vermogen was in de loop der jaren toegenomen, stelde [Gerard Reve]. ‘Voor het schrijverschap gelden dezelfde wetten die voor het drama gelden, zij het iets minder streng. Je mag de lezer niet te veel informatie tegelijk geven. Je moet aankondigen en recapituleren. Rekening houden met het bevattingsvermogen. De lezer kan ook niet te veel esthetiek van de taal verdragen. Taal is alleen functioneel; het is middel, geen doel. Daarom kan je niet zeggen dat iemand “mooi” schrijft. De schoonheid van een tekst wordt bepaald door een denkstructuur, het ritme waarin je een gedachte ontvouwt.


Tom Rooduijn, Revelaties, 61

2050

Brussel – 100209

woensdag 17 februari 2010

048/365

facebookbericht 228

vindt tijdens het opruimen een notitie terug: 'hoort zijn zoon zeggen dat de ijssculpturententoonstelling qua milieu niet Kopenhagen is'.

mijn woordenboek 248

AIRHOSTESS

Maandag 9 uur in Londen
Dinsdag middernacht in San Francisco stad
Woensdag landen wij in Hongkong
En van daar naar Las Vegas

Het domste wat je, in eroticis, kunt doen, is verliefd te worden op een airhostess. Nochtans is het deze calamiteit die door Will Tura wordt bezongen: ‘Ik was verliefd op een airhostess, het was in een DC-6’. Maar de Vlaamse charmezanger voegt er wijselijk aan toe wel te beseffen dat het niet zo’n goed idee is: ‘Ik weet dat de liefde geen grenzen kent, / maar te ver is te ver’ – en het blijft bij gevleugeld gemijmer.

Ik word ook altijd verliefd op de airhostess – wat ook mijn status is bij de burgerlijke stand: het is sterker dan mezelf. Niet dat ik al zo vaak in een vliegtuig gezeten heb, een keer of tien al bij al, maar het was bijna iedere keer prijs. Ze werken op mijn gemoed, die airhostessen. En dat is natuurlijk ook hun taak: inspelen op de behoefte aan moederlijke gevoelens van die bange mannen die daar verkrampt van angst in hun zitje zitten te wachten tot het toestel eindelijk voor de zoveelste keer het wonder heeft volbracht van het zich onttrekken aan de zwaartekracht zodat ze op tien kilometer boven de grond, wanneer alvast het opstijgen is overleefd, kunnen vergeten dat ze zich op tien kilometer boven de grond bevinden.

Ik ben bang vlak voor en tijdens het opstijgen. En dan is elk troostend gebaar welkom. Zelfs als het komt van een bloedmooie en uiteraard volstrekt ongenaakbare vrouw die zich tijdens die gekke pantomime van het demonstreren van de veiligheidsmaatregelen vol overgave wijdt aan de perfecte maar toch ook licht ironische uitgevoerde implementatie van wat ze heeft geleerd: ‘Verleid die mannen. Doe ze hun angst vergeten. Kijk ze niet in de ogen maar toon hun wel dat je hun begerige blikken over je lichaam voelt gaan. Verdráág dat. Het is een essentieel onderdeel van je taak. Je moet ertegen kunnen.’

Zie ze bezig met dat leuke ventieltje op dat knaloranje zwemvest, met die knappe zuurstofmaskers die ze enigszins koket en half nonchalant tegen hun snoetje aandrukken nadat ze hebben gedemonstreerd aan welk touwtje je moet trekken om het open te krijgen – en maar wijzen naar links en maar wijzen naar rechts, het uniformhemdje strak gespannen over het hout voor de deur – en dan diagonaal over de boezems heen maar aantonen hoe je het best je ceintuurtje kunt aanspannen als straks dat vederlicht geval zonder vallen de lucht ingaat.

Ze verwelkomen je professioneel als je de cabine betreedt. Ze vormen een erehaag, speciaal voor jou. Je weet al meteen in wie van de twee of drie je à fonds perdus al jouw aandacht zult investeren. Je bent gelukkig als uitgerekend die uitverkorene jou zorgvuldig gemanicuurd en in een wolkje van discreet parfum van je natje en je droogje komt voorzien. Je slaat zedig je blik neer als haar blik bij het tellen van het aantal passagiers over je hoofd strijkt. En dan, wanneer dat tuig eindelijk opnieuw met zijn poten op de grond staat, in dat verre land waar zij niet samen met jou van allerlei vakantiegenoegens zal genieten omdat ze twintig minuten later alweer huiswaarts vliegt met een ander stel bange mannen, mag je nog eens langs haar erehaag en je voelt, je merkt, je wéét dat ze je niet ziet passeren. De obligate groet die ze mompelt, waait weg in die veel warmere lucht die jou – in San Francisco, Hongkong of Las Vegas (of was het Cuba?) – door de open deur tegemoet waait en je vluchtige dagdroom doet verstuiven.
Maar ze heeft je wel geholpen, deze mamma, deze moeke van de ijle hoogten, deze immer schone engelbewaarster.

driekleur 16 en 17

De bloedrode fezzen op de hoofden van de helblauwe Bosniërs brandden in de zon als kleine vreugdevuurtjes, door de islam ontstoken ter ere van Zijne Apostolische Majesteit. In de zwartgelakte koetsen zaten de met goud gegalonneerde ridders van de het Gulden Vlies en de zwarte, roodwangige gemeenteraadsleden.

Joseph Roth, Radetzkymars, 224

2049

De Panne – 100214

dinsdag 16 februari 2010

047/365

dag 896 – 100128 – donderdag

Wij doen de televisie uit wanneer het finalespel begint. Die Geubels had gelijk toen hij zei: ‘Iek wos veu den Bent, et mokt neu niet meer oit vo maa wien datter wient.’ (‘Ik was voor Bent. Het maakt voor mij niets meer uit wie er wint.’)

Ik vermoed dat dit voor de makers van De slimste mens… zowat het WCS moet geweest zijn: de twee onsympathiekste kandidaten bleven over. En ja, wat is het dan ineens maar? Niets meer dan een spelletje. Het programma staat of valt met de aantrekkingskracht die uitgaat van de kandidaten. En ja, met de kwaliteit van de grapjasserij van de juryleden – maar die hun taak zit er bij het begin van het finalespel ook op…

Het deed ons nadenken over wat het dan in godsnaam is dat je doet zeggen dat de ene het heeft en de andere niet – en hoe het komt dat ook jij daar, schaamteloos discriminerend, naar handelt door partij te kiezen. Die Bent was, met dat bestudeerde kapsel en zijn te korte lange broeken, toch ook een en al pose? En toch kwam hij zo veel sympathieker over dan die twee andere.

Ik had de eerste weken van het programma niet gevolgd en was dus ook geen getuige geweest van de zegereeks van Linda De Win. Maar ik had wel gehoord over de hetze die tegen haar was ontstaan. Volstrekt onduldbaar, natuurlijk – ik had mij dus voorgenomen om voor haar te supporteren. Maar het ging niet. Een halfuur lang zocht ik naar iets waardoor ik haar sympathiek zou kunnen vinden, maar ik vond niets. Ik ga niet zo ver om te zeggen dat het lag aan de stand van haar mondhoeken. Wat ik wel zag was een hyperzenuwachtige en humorloze vrouw, die alleen maar was gekomen om het vrouwental op peil te brengen en om te wínnen en om – in deze finale – haar gram te halen op alle criticasters.

Peter Vandermeersch, van de aan Woestijnvis gelieerde krantengroep, moet ik al een tijdje niet en in deze finale veraanschouwelijkte hij feilloos de reden die ik daarvoor zou kunnen oproepen. Hij deed, zoals al de hele week, zeer nadrukkelijk zijn best om tóf te zijn – maar zijn verborgen agenda kwam bloot te liggen toen hij, nadat Bent na het laatste spel bleek te zijn uitgeschakeld, ‘troostend’ zijn arm op diens schouder legde. Er zat niets échts in dat gebaar, en die indruk kon alleen maar worden bevestigd door de valse knipoog die Vandermeersch in de richting van De Win uitstuurde – een signaal dat duidelijk veel minder bedoeld was om door de camera te worden gevat. Vandermeersch mag dan al zeer goed een krant kunnen maken, ik leerde hem de voorbije week kennen als een te fervente speler voor een spelletje als dit, dat toch in de eerste plaats gemaakt is – en dat is wat ik hier verdedig – om de mensen thuis te doen sympathiseren met deze of gene kandidaat.

Niet dat die Bent niet wou winnen. Dat wou hij natuurlijk wel. Maar hij kon het beter verbergen en er bleef nog wat over van hem toen bleek dat hij het niet zou halen. Wat was dat dan? Een uitstraling, een charisma – en dat was dan weer gebaseerd op wat ik van hem had gezien de voorbije dagen: een verzorgde lichaamstaal, een voornaam voorkomen, een opvallende wellevendheid, een juiste dosering van zijn aanwezigheid, veel échtere en vooral beheerste emoties. Hij was zeer nadrukkelijk de enige kunstenaar in het gezelschap.

En nu ga ik eens kijken op het internet naar dat laatste spelletje. Misschien heb ik toch nog iets leuks gemist.

toevoeging van 100216: Niet, dus.

facebookbericht 227

zag vanmorgen in het Ryckeveldebos twee buizerds, een ijsvogel, een winterkoninkje en een eekhoorn - en ook drie schapen (een zwart en twee witte) maar die tellen niet mee want ze zijn niet wild.

driekleur 14 en 15

De bruine leverpastei, gelardeerd met pikzwarte truffels, stond in een glinsterende krans van fijne ijskristallen. De malse fazantenborst verhief zich eenzaam op een sneeuwwitte schotel, omgeven door een kleurig gevolg van groene, rode, witte en gele groenten, elk in een blauw-goud gerande, met het wapen versierde schaal. In een brede, kristallen vaas wemelden miljoenen zwartgrijze kaviaarpareltjes, omzoomd door goudgele schijfjes citroen. En de ronde, roze plakken ham, bewaakt door een grote, zilveren drietand, schaarden zich gehoorzaam achter elkaar op een langwerpige schaal, vergezeld van roodwangige radijsjes, die aan kleine, appetijtelijke dorpsmeisjes deden denken.

Joseph Roth, Radetzkymars, 185

driekleur 13

Op de ‘kleine avonden’ bediende het personeel zonder handschoenen in donkergele livrei; op de ‘feesten’ droegen de lakeien witte handschoenen en roodbruine rokkostuums met zwartfluwelen kragen en zilveren knopen.

Joseph Roth, Radetzkymars, 158

facebookbericht 226

vermoedt dat er perfide krachten aan het werk zijn in de personeelsdienst van het Rode Kruis nu hij heeft gezien dat de woordvoerder van het crisiscentrum, dat zich inzet voor de opvang van de slachtoffers van het treinongeluk in Halle, Geert Bots heet.

2048

De Panne – 100214

maandag 15 februari 2010

046/365

terugblik 36 (547 / 1000)

Wat maakt een kop karakteristiek? Dat valt moeilijk te zeggen. Iets wat van het gewone afwijkt. Iets wat bepaalde kenmerken in de verf zet. In het karakteristieke zit altijd iets van de karikatuur. Iets, maar niet alles natuurlijk. Want de karikatuur is nooit karakteristiek. De karikatuur overdrijft.

Wanneer is het portret geslaagd? Wanneer het een juist evenwicht verwezenlijkt tussen het gewone, het karakteristieke en het karikaturale. Wanneer het iets van dat alles in zich verenigt. Het moet het gewone overstijgen. Het moet het karakteristieke tonen, maar niet alleen dat. Het moet het karakteristieke met zowel het gewone verzachten – om het herkenbaar en menselijk te maken – en het moet in het karakteristieke iets van het karikaturale laten doorschemeren – om het uniek en een tikkeltje ongewoon, intrigerend te maken.

Kun je van elke persoon een geslaagd portret maken? Wellicht niet. Sommige mensen zijn te gewoon, anderen te ongewoon. De eersten trekken niet genoeg aandacht en vragen van de fotograaf te veel techniek om er toch nog iets van te maken – de anderen zijn te veel een curiosum om de fotografie in haar waarde te laten.

Is het portret dat ik hier toon een goed portret? Neen, dat is het niet.

Bovendien is er het helemaal geen portret. Er is geen enkele interactie met de fotograaf. Want dat is inderdaad ook een voorwaarde. In het portret moet ook de fotograaf aanwezig zijn. Hier is dat niet het geval. De foto is met een telelens gemaakt – ik schaam mij bijna het te zeggen. Ik zou het nu wellicht niet meer doen. Ik richtte mijn toestel op alle rariteiten die, op de Brugse markt, voorbijkwamen. Het waren weerloze prooien. Ik verzamelde wat rare beelden. Veel meer dan dat was het niet. De menselijke fauna. Maar portrettabele personen, neen, dat waren het niet.

facebookbericht 225

herlas deze voormiddag het eerste hoofdstuk van Onder de vulkaan en vond het nog vier keer beter dan twee weken geleden.

facebookbericht 224

hoorde het verhaal van Duflou die gebuisd was omdat hij op het examen verscheen met een niet opengesneden handboek.

2047

De Panne; H. en B. - 100214

zaterdag 13 februari 2010

044/365

facebookbericht 223

leest de omstandige brief die Malcolm Lowry schreef aan zijn uitgever nadat deze in eerste instantie had geweigerd om Under the Volcano uit te brengen.

dag 809 – 091103 dinsdag

De hier volgende tekst wordt gebruikt als catalogustekst bij de tentoonstelling van Evelien Hiele tot 7 april 2010 in de Brusselse galerie Guest Room, Renier Chalonstraat 1050 Brussel, woe tot zat van 14 tot 18 u


Een altijd onvolmaakte ordening

Evelien Hiele is voldoende schilderes om niet te vergeten dat haar schilderijen in de eerste plaats schilderijen moeten zijn: met overwogen toets geborsteld, met zin voor kleurafweging, compositie, grafische, picturale kwaliteit. Zo verleent zij haar werk een kracht zonder dewelke het zou afglijden naar de anekdotische, moraliserende, sentimentele illustratie. Nu is het tegendeel waar: Evelien Hiele slaagt erin, nu al (ze is amper 25), om beklijvende, pregnante, sterke beelden te maken die ons niet alleen elk afzonderlijk maar bovendien ook nog eens als geheel aanspreken: dit nog prille oeuvre is consistent en vertegenwoordigt een zeer herkenbare, al luid en duidelijk sprekende stem.

Waarover spreekt die stem? Dat laat Evelien Hiele liever in het midden. Niet dat deze onbeslistheid een bewuste strategie is. Wel communiceert Evelien Hiele met haar krachtige signalen ook over het zoeken, de onzekerheid, het ongewisse zelf.

De voorstudies op A4, die vaak aan de schilderijen voorafgaan, zijn ‘gemengde technieken’: collage, acryl, potlood. Evelien Hiele laat zich leiden door haar lectuur van foto’s in de krant. Vormen die haar aanspreken, plaatst zij, zonder ze klakkeloos te kopiëren, als rekwisieten in een landschap, dat hierdoor een decor wordt. Van welk stuk? Dat is niet duidelijk. Evelien Hiele creëert vooral een sfeer, zij wekt emoties op. Gelukkig zijn deze beelden niet in die mate eenduidig dat zij ons één welbepaalde emotie opdringen. Deze beelden blijven enigmatisch. Ze intrigeren.


Af en toe zien we een mens. Maar: ‘De mensen die ik afbeeld, zijn geen mensen meer,’ zegt Evelien Hiele. ‘Zij zijn gezichtsloze spelers in een leeg landschap. Ja, ik ben mij bewust van het feit dat mijn werk ecologische connotaties zou kunnen oproepen. Ik lees in de krant vaak de artikels over het milieu.’ Evelien Hiele heeft het over de kwetsbaarheid van de zoekende mens in een beschadigde wereld. Zij is een kind van haar tijd.

Op een van de schilderijen zien we onderaan een groene, cirkelvormige vorm. Uit de voorstudie blijkt dat het uitgangspunt een geologisch curiosum was: een grote, komvormige rots. Op de bovenste helft van het doek heeft Evelien Hiele een stuk oranje, met ronde gaten tegen wegwaaien beveiligd afrasteringsplastic geschilderd, zoals je het vaak bij wegenwerken ziet. Een van de paaltjes waaraan dit plastic is bevestigd, staat scheef.

Op de schilderijen van Evelien Hiele staan veel paaltjes scheef. Vaak zijn het van die wit-rode landmeterpaaltjes. Aan de orde die wordt aangebracht met naar afwezige mensen en naar menselijke activiteiten verwijzende elementen (op het picturale vlak zijn dit tegelijk altijd ook grafische elementen) mankeert dikwijls iets. De domesticatie van de woeste bodem mislukt. Dat verleent deze schilderijen iets dramatisch: de orde die aan het op zich desolate, postindustrieelachtige landschap wordt opgelegd, is onvolmaakt en kan niet anders dan onvolmaakt zijn wat ze is altijd arbitrair. Het gaat om onze klunzige poging om de wereld tot leefwereld te maken of, erger nog, te beheersen. Alsof wij daar iets aan te zeggen zouden hebben.
De paaltjes en vlaggetjes duiden ook op ordening in die zin dat ze ook naar grenzen verwijzen. Zij getuigen van onze kinderachtige pogingen het onmetelijke en onbegrijpelijke in kaart te brengen. Ook de connotatie met speelgoed en modelbouw is nooit ver uit de buurt. Dat verleent deze schilderijen iets lichts, daardoor gaan ze niet gebukt onder een topzware dramatiek.

2045

Gent; S. en M. – 100207

vrijdag 12 februari 2010

043/365

driekleur 12

Links doemden nu tussen de bomen aan de overkant van de stroom lage heuvels op, als de heuvels aan het begin van de Calle Nicaragua; ze waren paarsig en triest. Aan de voet ervan liepen koeien over de glooiende velden tussen gouden korenaren en geheimzinnige gestreepte tenten, zo dichtbij dat Yvonne een vaag geritsel hoorde.
Voor hen uit bleven de Popocatepetl en de Ixtaccihuatl het noordoosten domineren, en de Slapende Vrouw was nu misschien wel de mooiste van de twee, met op haar top rafelige hoeken van bloedrode sneeuw die vervaagden onder hun blik, geranseld door donkerder rotsschaduwen, terwijl de top zelf midden in de lucht leek te hangen tussen de stollende, almaar klimmende zwarte wolken.

Malcolm Lowry, Onder de vulkaan, 362-363

2044

Gent; M., G., F. en ? – 100207

donderdag 11 februari 2010

042/365

2043

Tussen Knesselare en Ursel – 100207

dag 895 – 100127 – woensdag

baraque lecture 52
In dat licht [dag 892 – 100124 – zondag] kun je begrijpen waarom Austerlitz een min of meer open einde heeft. Of open einden, want er zijn dus, matroesjkagewijs, meerdere verhaallijnen. De ik-verteller komt opnieuw in Breendonk aan en het is niet duidelijk wat er verder met hem te gebeuren staat. Ook het verdere lot van hoofd-‘personage’ Austerlitz, wiens belangrijkste rol die van verteller is geweest, wordt niet nader toegelicht. En bovendien is er het gegeven dat we nu wel – voor zover dat naspeurbaar is in het geval van iemand die in de nazimachine is vermalen – weten wat er met Austerlitz’ moeder is gebeurd, maar de verdwijning van de vader wordt nadrukkelijk niet ontrafeld. Zijn spoor eindigt ergens in de Pyreneeën. We kunnen ervan uitgaan dat het een doodlopend spoor is maar dat is niet zeker. Zolang het lijk niet is geborgen, kan het rouwproces geen aanvang kennen.

Met dat alles kun je stellen dat het uitdrukkelijk niet afronden van verhalen zélf een thema is. Of een motief. Het leven, en dus ook het vertelde leven, heeft helemaal niet het begin, midden en slot dat wij geneigd zijn het toe te dichten. Het is en blijft chaotisch. Elke structurering is een romantische of romantiserende benadering. Het blijft een benadering, het kan geen inname of verovering zijn. De vestingmetafoor krijgt een nieuwe, diepere invulling. We zijn altijd gedoemd tot afschampen, we schieten altijd aan ons doel voorbij.
En dan lees ik toevallig dezer dagen, in een boek met interviews met Gerard Reve, de volgende passage:

[overschrijven 132]

Het gesprek nam een beschouwelijke wending. Een tweede fles wijn werd aangebroken. ‘Alles in een mensenleven is altijd net te laat, net ernaast, net aan de verkeerde persoon gericht,’ overpeinsde Reve. ‘Het hele leven is gebarsten, verbrokkeld, onafgerond. Later, als je het op lange afstand van de tijd bekijkt, vereenvoudigt het patroon. Als een heleboel in de vergetelheid is geraakt, krijg je een geromantiseerde geschiedschrijving. Schopenhauer schrijft dat ook: er is een zekere doelmatigheid, zinvolheid in het schijnbaar chaotische lot van de enkeling. Je ontdekt toch orde in ongeregelde periodes van dadenloosheid, van jezelf in de weg staan.’

Tom Rooduijn, Revelaties, 65-66

woensdag 10 februari 2010

041/365

mijn woordenboek 247

AIRCONDITIONING

Van sommige technologieën die bijdragen tot de vernietiging van onze leefomgeving kun je het nog aanvaarden dat ze er zijn omdat ze de levenskwaliteit van de gebruikers aanzienlijk verhogen. Door zowat alles wat wij dagelijks gebruiken, van ijskasten tot muziekinstallaties en zelfs fietsen, laten wij een afdruk na – en het is een gezonde morele impuls zich bij alles wat wij gebruiken af te vragen in welke mate het voor- tegen het nadeel opweegt. Is een zuinig functionerende, niet op ozongatverwekkende drijfgassen draaiende ijskast verwerpelijk? Neen. Is een muziekinstallatie vol onrecycleerbare chips verwerpelijk? Neen want zij is al even onmisbaar als een ijskast. Is een fiets verwerpelijk? Neen, uiteraard niet. Maar is airconditioning in een auto verwerpelijk? Ik denk van wel. Ik heb nooit begrepen waarom het niet langer volstond om bij te warm weer het raampje wat open te draaien. ’t Is een belasting bovenop de al belastende auto waarvan het morele gehalte sowieso al niet bijzonder hoog is.

2042

Brussel Centraal – 100209

dinsdag 9 februari 2010

040/365

dag 893 – 100125 – maandag

baraque lecture 50
Toch vreemd, dat in vier verschillende boeken, die de afgelopen weken achtereenvolgens of elkaar overlappend op mijn leestafel zijn beland, telkens zich een identiteitswissel of -onduidelijkheid voordoet. In Joe Speedboot wordt Achiel Ratzinger Joe Speedboot. In Austerlitz verneemt Jacques Austerlitz pas vlak voor het verlaten van de middelbare school zijn echte naam. In Kolonel Chabert gelooft niemand dat kolonel Chabert kolonel Chabert is. En in Omega minor blijkt de oude De Heer helemaal niet te zijn wie hij een memoires lang voorspiegelt te zijn.

ferroviaire observatie 26

Ze was, ergens tussen Brussel en Gent, in de geopende deur van de wagon komen staan en had uitgeroepen: ‘Zeg dat het niet waar is.’ Een uitdrukking van verbazing in de ogen, de mond vreemd verwrongen opengesperd. Dan was ze toch buiten de wagon in het portaal gaan staan, maar uiteindelijk kwam ze, nog steeds luidop in het mobieltje pratend dat ze aan haar oor had gehecht en dat ik eerst niet had opgemerkt, binnen en nam vlak bij mij plaats. We zaten rug aan rug, zij met haar getater op nauwelijks een halve meter van de oren waarvoor het niet bestemd was. En ik kon dus niet anders dan meeluisteren. Hier volgt wat ik tussen Gent en Brugge hoorde. Ik heb de enige eigennaam die werd uitgesproken ingekort tot een initiaal – al voel ik mij in deze observatie niet bijzonder gebonden door de plicht om het recht op privacy van deze mevrouw te eerbiedigen.

Het perceel ligt in een mooie wijk, met van die abstracte villa’s. Er is wat rijbebouwing, en dan zijn er die villa’s. Er zijn twee scholen in de buurt. Toch is er niet veel verkeer.
[…]
Ik heb er met F. over gesproken. Het hele stuk kan ik niet alleen financieren. Het is een groot stuk: 24 meter breed en wel 500 meter diep. 225 per vierkante meter, dat is, voor die ligging, een buitenkans. Maar ik zal toch zeker twee derden moeten verkavelen. Ik sprak erover met mijn ouders. Misschien verkopen zij hun huis. 225 zou geen incorrecte prijs zijn. Maar ik ga toch proberen het nog iets naar beneden te krijgen. 225, voor die oppervlakte, dat komt toch op 300.000. En dat alleen voor de grond. Zet daar twee huizen op voor elk, ik heb dat ook al bekeken, 170.000. Dan kom je al vlug op 700.000.
[…]
Er is één ontwerp. Het zijn dezelfde huizen. Eén ontwerp voor twee huizen. Daardoor zijn die huizen zo goedkoop.
[…]
700. En dan nog het schrijven erbij. Zo’n nieuwbouw moet je voor 300 kunnen verkopen. De winst zit dus in het dubbelplan. Met één ontwerp bouw je twee woningen. En dat in die buurt.
[…]
Het is een beetje jammer dat F.’s geld vastzit. We gaan het gezamenlijk aankopen. Er is wel iets vervelends…
[Onze trein kruist een trein op het andere spoor]
Kun je daar geen afspraken over maken bij de notaris?
[Lange stilte, onderbroken door een aantal ja’s en neens]
Hij is enthousiast. Wat voor mij mentaal moeilijk is – al is dat niet verstandig en ik zou beter verstandig zijn -, is dat het een gezamenlijk project is.
[…]
Dat is een… shit.
[…]
Mijn broer en zijn vriendin doen het ook. Nu moet ik wel zeggen dat zij heel kapitaalkrachtig is. Zij zit er voor 80 procent in, hij voor 20 procent. Nu gaan ze trouwen maar ze waren nog niet getrouwd toen ze eraan begonnen.
[…]
Dat is juist.
[…]
Dan kunt ge wat?
[…]
Dat is juist. Ja, dat is juist. Daar heb ik nog niet aan gedacht. Binnen welke termijn is dat?
[…]
Ja, ge moet dat vastleggen, welk stuk hij financiert. Als ge samen een toekomst wilt hebben… ’t Is toch niet hetzelfde als een volledig eigen project.
[…]
Ge weet dat niet met die mannen. Binnen welke termijn moet ge die successierechten betalen?
[…]
Dat is heel kort.
[…]
Dat is toch al een tijdje geleden.
[…]
Dan moeten we ons toch haasten. Als ge dat in twee stukken verdeelt, kunt ge veel meer krijgen.
[Een trein passeert]
Dinsdagavond zit hij samen met de eigenaar. We zullen zien. Qua timing zit het niet zo heel ver uit elkaar. Ik weet niet of hij…
[‘Dames en heren, binnen enkele ogenblikken komen wij aan in Brugge. Er is aansluiting naar Kortrijk op spoor 7.’]
We hebben dan die moeilijke periode gehad. Het is niet verstandig als ge dat puur rationeel beschouwt. Nu zit het goed.
[…]
Ja, in die straat. Een volledig nieuwe verkaveling, weinig verkeer. Ideaal om er een praktijk te beginnen.
[…]
Ik zeg: ‘Ik heb mijn vertrouwen een beetje verloren door uw houding…’
[De trein rolt het station van Brugge binnen. Mensen staan recht.]
Ik hoop dat het doorgaat want ik heb er mijn gedachten op gezet.

facebookbericht 222

zag vanmorgen op de trein in het boek van de man naast hem - het was een dik boek en het lag ongeveer in het midden open, op een bladzijde vooraan in de vierhonderd - de naam Pieter Raspe opduiken, wat hem deed besluiten dat het een omnibus van Pieter Aspe moest zijn maar toen de man vlak voor Brussel-Zuid zijn boek dichtsloeg, bleek het om Het verdriet van België te gaan.

2041

S. – in 2009