donderdag 31 januari 2008

Dag 151 vVH&C

080119 – David Van Reybrouck trok als freelance journalist op met fotografen. Hij heeft het nogal voor een bepaalde fotograaf die met oud materiaal vooral oog heeft voor kasseien, badkuipen in de wei, verzopen marginalen in Marollencafés. (Wat perfect strookt met de inleiding die hij schreef voor het recent verschenen fotoboek van Stefan Vanfleteren.) Er is niet zo lang geleden een belangrijk De Morgen-fotograaf overleden. Van Reybrouck zelf heeft in zijn nog jonge leven een vriend (vrienden?) verloren: ze zaten op het verkeerde moment in de verkeerde teleferiekcabine, namelijk deze die in een Italiaans dal aan de kabel hing die door een te laag overvliegende straaljager werd doorgeknipt. En of Van Reybrouck in zijn eigen leven een liefdesverdriet te verwerken heeft gekregen, weet ik niet, maar het zou kunnen. David Van Reybrouck klutst in zijn eerste roman Slagschaduw deze en nog vele andere elementen uit zijn werkelijke leven door elkaar en probeert op die manier een eigen universum te creëren. So far so good, niets nieuws onder de zon. Maar er is iets mee. De menging blijft te zichtbaar. De nieuwe creaturen gaan geen eigen leven leiden. En zo is er ook iets mis met de structuur waarin Van Reybroucks zijn verhaal giet. Want waarover gaat het eigenlijk? Over het in de tijd verdwenen model voor het standbeeld van een verzetstrijdster uit de Eerste Wereldoorlog? Over de vriendschap van de ikpersoon, een freelance journalist, en een fotograaf die ambachtelijk werkt zoals Vanfleteren, én veel te vroeg sterft zoals Patrick De Spiegelaere? Over het verdriet van de ikpersoon om die overleden vriend? Over het besef van de ikpersoon, die op een gegeven ogenblik poseert voor een schilderes, dat er ooit misschien iemand zal zoeken naar het model achter het schilderij dat van hem wordt gemaakt en dat die veronderstelde toekomstige (onder)zoeker misschien ook het model niet zal vinden omdat daarvan behalve in het schilderij geen spoor meer is overgebleven (zoals de vrouw die model heeft gestaan voor het beeld van de verzetstrijder alleen nog in de trekken van dat beeld voortleeft)…? Al die lagen zijn aanwezig in het boek, maar het evenwicht is zoek. De vondst met het zich spiegelende, of herhalende, model-zijn is goed, maar de eenheid van de roman Slagschaduw is daarmee niet gegarandeerd. David Van Reybrouck, zelf ooit liefhebberend beeldhouwer, schreef een te licht uitgevallen roman waarin sommige zinnen ergerlijk doorwrocht zijn, waarin enkele personages sympathiek overkomen, waarin we een beetje folklore meekrijgen en de voorliefde van de auteur voor een wereld die aan het verdwijnen is, waarin de stad Brussel zoals zij nu is – een bonte mengeling van kleuren en culturen, van sociale statussen en marginaliteit, van talen en klanken – heel nadrukkelijk en met veel liefde tot leven wordt gebracht. (Lezer Dirk van Eylen amuseerde zich met het op Google Maps situeren van alle in het boek genoemde Brusselse plaatsen.) Dat alles is niet onverdienstelijk maar het is niet genoeg. Het eigenlijke onderwerp – de vriendschap, het vergeten, het rouwen – heeft mij niet of nauwelijks geraakt.